Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:3978

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
27-07-2021
Datum publicatie
27-07-2021
Zaaknummer
01/284409-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

1. woningoverval (in vereniging gepleegd) met bedreiging en geweld.

2. woninginbraak gedurende de nacht

3. woninginbraak gedurende de nacht

4. woninginbraak gedurende de nacht

Gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van het voorarrest.

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijk opgelegde straf toegewezen: 6 maanden gevangenisstraf.

Vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen; overige deel niet-ontvankelijk. Wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01/284409-20
Parketnummer vordering: 10/711091-16

Datum uitspraak: 27 juli 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1994,

thans gedetineerd in de P.I. Grave in Grave

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 februari 2021, 4 mei 2021 en 13 juli 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde1 naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 januari 2021.

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 4 mei 2021 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. Met inachtneming van deze wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 1 oktober 2020 te Helmond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere sleutel(s), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedag 2] 1942) en/of [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedag 3] 1948), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreigingen met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)met een masker, althans gezichtsbedekkende kleding, de woning van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is/zijn binnengegaan en/of een vuurwapen, althans een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht en/of (daarbij) dreigend heeft/hebben gezegd: ‘geen flauwekul, dit is een overval’, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of die [slachtoffer 1] heeft/hebben vastgepakt en/of (daarbij) dreigend heeft/hebben gezegd: ‘doe je handen op je rug, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of (toen er vervolgens een worsteling ontstond) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, op die [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht en/of aan die [slachtoffer 1] heeft/hebben getoond en/of (vervolgens) richting die [slachtoffer 2] is/zijn gelopen en/of (toen die [slachtoffer 2] verdachte en/of zijn medader(s) vastpakte) de vinger van die [slachtoffer 2] heeft/hebben om geknakt en/of die [slachtoffer 2] in/op/tegen het gezicht heeft/hebben geslagen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 oktober 2020 te Helmond, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedag 2] 1942) en/of

[slachtoffer 2] (geboren op [geboortedag 3] 1948), te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een) aan andere deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen met een masker, althans gezichtsbedekkende kleding, de woning van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is/zijn binnengegaan en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht en/of (daarbij) dreigend heeft/hebben gezegd: 'geen flauwekul, dit is een overval’, althans

woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of die [slachtoffer 1] heeft/hebben vastgepakt en/of (daarbij) dreigend heeft/hebben gezegd: ‘doe je handen op je rug, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of (toen er vervolgens een worsteling ontstond) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, op die [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht en/of aan die [slachtoffer 1] heeft/hebben getoond en/of (vervolgens) richting die [slachtoffer 2] is/zijn gelopen en/of (toen die [slachtoffer 2] verdachte en/of zijn medader(s) vastpakte) de vinger van die [slachtoffer 2] heeft/hebben om geknakt en/of

die [slachtoffer 2] in/op/tegen het gezicht heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 14 oktober 2020 te Helmond, in elk geval in Nederland, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 1] ), alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, heeft weggenomen een Ipad (merk Apple) en/of een Macbook (merk Apple) en/of een notitieblok, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed (eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of een valse sleutel (te weten door de deur van voornoemde woning open te hengelen/flipperen);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 oktober 2020 tot en met 9 november 2020 te Helmond, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

een goed, te weten een MacBook (merk Apple), heeft verworven, voorhanden gehad en/of

overgedragen, terwijl hij (telkens) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

hij op of omstreeks 26 oktober 2020 te Beek en Donk, in elk geval in Nederland,

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan [adres 2] ), alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, heeft weggenomen een personenauto (merk Kia) en/of een (auto)sleutel en/of een televisie en/of een of meerdere telefoon(s) en/of een Playstation 4 en/of geld en/of een creditcard en/of een pinpas en/of een rijbewijs, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 2]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of een valse sleutel (te weten door de deur van voornoemde woning

open te hengelen/flipperen);

4.

hij op of omstreeks 27 oktober 2020 te Beek en Donk, in elk geval in Nederland,

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan [adres 3] ), alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, heeft weggenomen een of meerdere gita(a)r(en) en/of een laptop (merk Lenovo) en/of een rijbewijs en/of een of meerdere LP(‘s) en/of een portemonnee met inhoud en/of geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of een valse sleutel (te weten door de deur van voornoemde woning open te hengelen/flipperen).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer [nummer] .

Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Rotterdam d.d. 13 oktober 2016. Een kopie van de vordering is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.

In deze zaak staat het politieonderzoek ‘ [onderzoeksnaam] ’ centraal. Dit betreft een onderzoek naar een woningoverval (diefstal met geweld en bedreiging met geweld in vereniging) en een drietal woninginbraken, die zijn gepleegd op verschillende plaatsen in het arrondissement Oost-Brabant in (voor zover ten laste gelegd) de periode van 1 oktober 2020 tot en met 27 oktober 2020. De verdenking bestaat eruit dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde woningoverval en inbraken. Bij de woningoverval is door de twee daders geweld gebruikt en gedreigd met geweld. De verdachte ontkent dat hij betrokken is geweest bij de ten laste gelegde feiten.

Bewijsbijlage.

Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bijlage A bij dit vonnis.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen van feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 en feit 4.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsoverweging.

Ten aanzien van feit 1 primair .

De verdachte heeft zijn betrokkenheid bij het ten laste gelegde ontkend. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of de verdachte betrokken is geweest bij de ten laste gelegde gewapende woningoverval. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Door de aangevers, de dan 78-jarige heer [slachtoffer 1] en de 72-jarige mevrouw [slachtoffer 2] is onder meer verklaard dat zij in de ochtend van 1 oktober 2020, omstreeks 06:15 uur, in hun vrijstaande woning aan de [adres slachtoffers] in Helmond door twee personen zijn overvallen. Beide personen droegen donkere kleding en een zwart ‘masker’. Als hem een foto van een bivakmuts wordt getoond, geeft aangever [slachtoffer 1] aan dat de aangevers zoiets droegen. [slachtoffer 1] denkt dat ze ook handschoenen droegen, want de huid van hun handen heeft hij niet gezien. Eén van hen had een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand en richtte dit op [slachtoffer 1] en de ander had een mes in zijn hand. Volgens [slachtoffer 1] was de persoon die het vuurwapen vasthield zeker 1,85 meter lang. De tweede dader was een stuk kleiner. Aangever [slachtoffer 1] werd door beiden vastgepakt en hem werd verteld dat hij zijn handen op zijn rug moest doen. Daarop ontstond tussen de daders en [slachtoffer 1] een worsteling waarbij [slachtoffer 1] zijn echtgenote, aangeefster ( [slachtoffer 1] -) [slachtoffer 2] , riep. Vervolgens lieten de daders aangever los en liepen in de richting van aangeefster. Aangeefster heeft verklaard dat zij twee mannen tegenkwam. Op het moment dat zij langs haar liepen, heeft zij de jas van één van hen gepakt om hem tegen te houden. De man trok zich los en knakte daarbij de middelvinger van aangeefster om. De langere man sloeg aangeefster op haar rechterwang. Uiteindelijk zijn de daders via de voordeur weggevlucht.

DNA-sporen op delictgerelateerd voorwerp: kabelbinders.

In de keuken van de woning van de aangevers, naast de keukentafel, zijn kabelbinders (tie-wraps) op de grond aangetroffen. Twee kabelbinders waren in elkaar geschoven waardoor er twee ringen ontstonden. Deze ringen waren aan elkaar bevestigd met een andere kabelbinder. Deze kabelbinders zijn door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderworpen aan een DNA-onderzoek. Op de kabelbinders is een DNA-mengprofiel aangetroffen. Het NFI heeft een bewijskracht van meer dan 1 miljard berekend voor de overeenkomsten van het DNA-profiel van verdachte met dit DNA-mengprofiel. Uit het voorgaande, in samenhang met de hierna te noemen overwegingen, concludeert de rechtbank dat verdachte DNA heeft bijgedragen aan deze bemonstering.

DNA-sporen op sigarettenpeuk in samenhang met schoensporen.

Te midden van het zandpad nabij de woning van de slachtoffers is een sigarettenpeuk aangetroffen. Uit de bemonstering van deze peuk is een DNA-profiel verkregen met een matchkans van kleiner dan 1 op 1 miljard. Dat betekent, dat de kans dat het DNA-profiel uit de bemonstering overeenkomt met het DNA-profiel van een onbekende, niet aan verdachte verwante, persoon kleiner is dan 1 op 1 miljard. Het DNA-profiel van verdachte komt overeen met dit DNA-profiel. De rechtbank concludeert hieruit, in samenhang met de hierna te noemen overwegingen, dat verdachte DNA heeft bijgedragen aan deze bemonstering.

In zijn verklaringen bij de politie en ter terechtzitting van 13 juli 2021 heeft de verdachte verklaard dat hij de kabelbinders aan een andere persoon heeft weggegeven en dat dit mogelijk de aanwezigheid van zijn DNA op de aangetroffen kabelbinders verklaart. Volgens de raadsman is het aangetroffen DNA op de kabelbinders daarom ten onrechte aangemerkt als daderspoor. De rechtbank stelt vast dat de verdachte geen naam heeft willen of kunnen noemen van de persoon aan wie hij zijn kabelbinders zou hebben gegeven.

Met betrekking tot de aangetroffen sigarettenpeuk heeft de verdachte aanvankelijk verklaard dat hij regelmatig met vrienden wandelt op het zandpad waar de peuk is gevonden. Ook van deze vrienden heeft de verdachte geen namen kunnen of willen noemen. Ter terechtzitting van 13 juli 2021 heeft de verdachte zijn verklaring gewijzigd en verklaard dat hij op 28 september 2020 op het betreffende zandpad in zijn eentje heeft gewandeld en dat het zou kunnen zijn dat hij toen aldaar een peuk heeft weggegooid.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de sigarettenpeuk het volgende. Tussen de verharde weg en de poort van de woning van de slachtoffers werd door de politie in het zand een gangspoor van schoenzoolafdrukken aangetroffen vanaf de poort in de richting van de openbare weg. Op dit zandpad waren slechts twee verschillende gangsporen van schoenprofielen zichtbaar. Het andere gangspoor verliep zowel in de richting van de openbare weg als in de richting van de poort. In de woning op de vloermat in de hal werd een schoenspoor aangetroffen dat visueel overeenkwam met één van de op het zandpad naast de woning aangetroffen schoensporen. Uit onderzoek van de politie is verder gebleken dat in de nacht van 30 september 2020 op 1 oktober 2020 sprake is geweest van regenval en dat de op het zandpad aangetroffen schoensporen niet door enige weersinvloeden waren verstoord.

De sigarettenpeuk is in de directe nabijheid van de onaangetaste schoensporen op het zandpad aangetroffen. Ook deze peuk ziet er naar het oordeel van de rechtbank blijkens de foto’s in het dossier onaangetast en onvervuild uit. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende aannemelijk geworden dat de sigarettenpeuk door de verdachte kort voor de overval op het zandpad is weggegooid.

Verdachte voldoet verder aan het signalement dat door de aangevers is gegeven ten aanzien van één van de daders, te weten dat van een lang persoon. Dat hij, zoals de raadsman aangeeft, niet ‘heel smal’ is, geen ‘tenger’ postuur heeft en geen slungel is, zoals ook door de aangevers is aangegeven, is naar het oordeel van de rechtbank, daarbij van ondergeschikt belang. Daarnaast is bij verdachte toen hij op een later moment werd aangehouden, in de buddyseat van zijn scooter een zwarte bivakmuts aangetroffen.

De rechtbank overweegt dat het DNA van verdachte op de kabelbinders in combinatie van zijn DNA op de sigarettenpeuk in de nabijheid van schoensporen vlakbij de woning, dusdanig sterk in de richting van verdachte wijzen dat hij betrokken is geweest bij de woningoverval, dat verdachte dienaangaande iets heeft uit te leggen.

Door ervoor te kiezen geen namen te noemen van de personen aan wie hij de kabelbinders, die door de overvallers op de plaats delict zijn achtergelaten, zou hebben gegeven, heeft de verdachte justitie elke mogelijkheid ontnomen om zijn stelling, zo daar een begin van aannemelijk voor gevonden zou kunnen worden, nader te (doen) onderzoeken. Mede op deze grond acht de rechtbank de verklaringen van de verdachte op dit punt niet verifieerbaar geworden en schuift deze aldus terzijde. Het komt de rechtbank voor dat hij zijn (wisselende) verklaring ten aanzien van de sigarettenpeuk heeft afgestemd op de later bekend geworden onderzoeksresultaten.

Alibi volgens de verdediging.

Instagram.

Door en namens de verdachte is verder aangevoerd dat verdachte de overval niet gepleegd kan hebben, omdat hij op 1 oktober 2020 om 05:08 uur vanuit zijn bed in zijn woning op Instagram een zogenoemde live foto heeft gepost, omdat hij ziek was, en dat dit tijdstip uit de metadata van Instagram zou moeten blijken.

Nog daargelaten dat het strafdossier hiervoor geen enkele aanwijzing bevat en dat door de verdediging deze beweerdelijke metadata niet aangeleverd zijn, volgt uit onderzoek van de IP-loggings van het Instagramaccount van de verdachte dat – rekening houdend met de op dat moment in Nederland geldende zomertijd – op 1 oktober 2020 de eerste IP-logging op het account van de verdachte om 06:52:27 uur heeft plaatsgevonden. Het voorgaande weerspreekt de verklaring van de verdachte op dat punt. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat de verdachte, zo er voor zijn verklaring ook maar een begin van aannemelijkheid gevonden zou kunnen worden, gelet op het tijdstip van de overval en de afstand tussen zijn woning en die van de slachtoffers, in dat geval nog steeds de gelegenheid zou hebben gehad om het ten laste gelegde feit te plegen. Via de normale verharde weg bedraagt de afstand tussen de woning van de verdachte en de plaats delict immers ongeveer 2,5 kilometer. Door de politie is berekend dat een fietser deze afstand normaliter in ongeveer 8 minuten aflegt. In het door de verdachte geschetste scenario waarin hij zich om 05:08 uur én om 6:52 uur in zijn woning bevond, heeft hij nog steeds de mogelijkheid gehad om omstreeks 06:15 uur de overval te plegen.

De rechtbank overweegt in dit kader verder dat uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , van 17 oktober 2020, volgt dat op camerabeelden gemaakt op 1 oktober 2021 onder andere om 02:55 uur te zien is dat twee personen naast elkaar op de [straatnaam] in Helmond lopen. De persoon die op de beelden links loopt, is kleiner dan de andere persoon en hij draagt iets in zijn hand wat licht geeft. Eén van beiden heeft in zijn rechterhand een sigaret die hij naar zijn mond brengt. Het dossier bevat aldus een aanwijzing dat de verdachte en zijn mededader al eerder in de nacht van 1 oktober 2020 in de buurt zijn geweest van de woning van de slachtoffers.

Verklaring getuige [getuige] .

Door de verdediging is verder gewezen op de verklaring van getuige [getuige] , afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris op 31 maart 2021. Deze getuige is de ex-schoonmoeder van de verdachte, zoals door de verdachte is verklaard. Zij heeft onder meer verklaard dat zij op 1 oktober 2020 om 06:10 uur een bericht heeft geopend dat verdachte via Snapchat aan haar heeft gestuurd. In dat bericht zou de verdachte hebben geschreven dat hij ziek was. Rond 06:20 uur zou de verdachte naar de getuige een foto hebben gestuurd waaruit bleek dat zijn gezicht heel rood was. Volgens de getuige ging hun chatgesprek door tot 07:15 uur. Gevraagd naar de reden waarom zij zich deze specifieke tijdstippen – bijna 6 maanden na dato - nog kan herinneren, heeft de getuige verklaard dat de verdachte haar vanuit zijn detentie had gezegd dat hij werd verdacht van een woningoverval op 1 oktober 2020. De getuige is vervolgens in haar agenda gaan kijken en zag dat zij op die dag een afspraak had met de verdachte. Toen zij dat zag, herinnerde zij zich de gebeurtenissen op die dag weer, waaronder ook de gesprekken die zij toen met de verdachte op Snapchat had gevoerd.

De rechtbank overweegt het volgende. Op 18 oktober 2020 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de verdachte en getuige [getuige] . De verdachte vertelt in dat gesprek tegen de getuige dat hij de ochtend van 1 oktober 2020 migraine had en vraagt zich vervolgens af of de getuige dat nog weet. Ook heeft de verdachte gezegd dat hij toen veel op internet heeft gepost, dat hij dat zo altijd doet en dat de getuige dat toch weet. Vervolgens zegt de getuige dat zij zich nog herinnert dat de verdachte toen ziek was.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte zich in dit getapte telefoongesprek in de richting van de getuige suggestief en sturend uitgelaten over hetgeen zich in de ochtend van 1 oktober 2020 tussen hen beiden zou hebben afgespeeld. Gelet op de inhoud van het gesprek heeft de rechtbank niet de overtuiging bekomen dat de getuige geheel uit eigen herinnering authentiek heeft kunnen verklaren. De rechtbank acht de verklaring van getuige [getuige] om deze reden onvoldoende betrouwbaar en schuift deze als zodanig terzijde.

Voltooid delict.

Anders dan de raadsman acht de rechtbank genoegzaam bewezen dat er sprake is van een voltooid delict, omdat uit het verhoor van aangever ( [slachtoffer 1] -) [slachtoffer 2] blijkt dat zij en haar echtgenoot in het bezit waren van één enkele huissleutel en uit haar aangifte naar voren komt dat ze na het incident niet meer de beschikking hadden over die huissleutel.

Conclusie ten aanzien van feit 1 primair.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de betrokkenheid van de verdachte bij het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2, feit 3 en feit 4 .

Aan de verdachte is onder feit 2, feit 3 en feit 4 een drietal woninginbraken ten laste gelegd. De verdachte heeft ook zijn betrokkenheid bij deze feiten ontkend. De rechtbank ziet zich wederom voor de vraag gesteld of de verdachte de persoon is geweest die deze inbraken heeft gepleegd.

Algemene overweging met betrekking tot de modus operandi.

Vooropgesteld wordt dat er een opvallende overeenkomst bestaat in de werkwijze van de dader met betrekking tot deze feiten. De woninginbraken vonden plaats in de nachtelijke uren. In alle gevallen ging het om woningen waarbij de voordeuren niet afgesloten waren en waarbij de dader zich telkens door middel van hengelen of flipperen de toegang tot de woningen heeft verschaft zonder daarbij braakschade te veroorzaken. Telkens is in de nabijheid van de woningen op camerabeelden een persoon waargenomen die donkere kleding, handschoenen en een pet of een capuchon droeg en tegen voordeuren aanduwde. Uit het dossier volgt voorts dat de verdachte kort na de gepleegde inbraken telkens de beschikking had over bij die inbraken gestolen goederen.

Met betrekking tot feit 2 overweegt de rechtbank in het bijzonder als volgt.

Op 15 oktober 2020 vond een inbraak plaats in de woning gelegen aan het [adres 1] in Helmond (feit 2). Bij deze inbraak zijn onder meer een iPad, een MacBook en een notitieblok weggenomen. Het vermoeden bestaat dat de toegang tot de woning is verkregen door hengelen of flipperen, omdat de voordeur op een kier stond en geen braakschade vertoonde.

Naar aanleiding van deze woninginbraak zijn door de politie camerabeelden bekeken gemaakt door het “Ring” deurbelsysteem van de woningen gelegen aan de [adres 4] en [huisnummer] in Helmond. De beelden waren gemaakt op 15 oktober 2020 tussen 04:01:27 uur en 04:02:45 uur. Deze woningen bevinden zich op ongeveer 150 meter afstand van de woning aan het [adres 1] . Op deze beelden is onder meer een persoon te zien met donkere kleding, handschoenen en een capuchon. Op de linkerborst van de man stond een merkteken dat door verbalisant [verbalisant 3] wordt herkend als het merk “Puma”. Gezien werd tevens dat de persoon een lange dunne pin of dunne stok vasthield. De persoon voelde bij beide woningen aan de voordeuren.

De rechtbank stelt vast dat het dossier een foto van de verdachte bevat die ten tijde van een aanhouding van de verdachte op 18 februari 2020 is gemaakt. De rechtbank stelt vast dat het signalement van de persoon op de camerabeelden en het signalement van de verdachte ten tijde van die aanhouding voor wat betreft de kleding en het schoeisel sterk met elkaar overeenkomen. Op 9 oktober 2020 vond een doorzoeking plaats van de woning van de verdachte. Tijdens deze doorzoeking is een donkerkleurig jack/vest aangetroffen met daarop een vergelijkbaar logo als het logo op het vest dat de persoon op de camerabeelden draagt. Voorts werd op 18 februari 2020 onder de verdachte een inbrekerswerktuig, een haak, aangetroffen die sterke overeenkomsten vertoont met de haak die de persoon op de camerabeelden bij zich draagt. In de woning van de verdachte is daarnaast op 9 november 2020 een vergelijkbare haak aangetroffen.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte de persoon is geweest die in de nacht van 15 oktober 2020 in Helmond op de beschreven camerabeelden is waargenomen.

Door de politie is de telefoon van de verdachte onderzocht. De verdachte heeft op 15 oktober 2020 tussen 05:24 uur en 05:41 uur onder meer gezocht op de volgende zoektermen: “mac book air volledig uitzetten”, “mac book air traceren” en “als een iphone of ipad of ipod touch is zoekgeraakt of is gestolen”. De verdachte heeft ter terechtzitting van 13 juli 2021 verklaard dat hij nog nooit een MacBook heeft verhandeld. Op de vraag van de rechtbank waarom hij dan in die vroege ochtend gezocht heeft op voornoemde zoektermen, heeft de verdachte enkel verklaard dat hij uit interesse naar algemene informatie met betrekking tot een MacBook heeft gezocht. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig.

In een WhatsAppgesprek tussen verdachte en [naam 4] gevoerd in de nacht van 15 oktober 2020 zegt de verdachte tegen [naam 4] dat hij op dat moment aan het werk is. Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte destijds geen baan had. Ook heeft de verdachte ter terechtzitting geen duidelijkheid kunnen of willen verschaffen wat hij bedoelde met die mededeling.

Uit onderzoek is verder gebleken dat de locatievoorziening van de bij deze inbraak weggenomen MacBook op 15 oktober 2020 om 11:05 uur een gps-locatie aangaf in de buurt van [adres 5] in Helmond. Om 15:50 uur gaf de Macbook een gps-locatie aan in de buurt van de [adres 6] in Helmond. Op het adres [adres 7] in Helmond, nabij deze gps-locaties, is de verdachte woonachtig. De rechtbank acht hiermee voldoende komen vast te staan dat de weggenomen MacBook kort na de inbraak in het bezit van de verdachte is geweest.

Door de raadsman is in het bijzonder nog aangevoerd dat diefstal van het notitieblok niet kan worden bewezen, omdat dit notitieblok op ongeveer 150 meter van de woning is teruggevonden. Dit verweer kan geen stand houden. Uit het feit dat het notitieblok voorafgaand aan de inbraak in de woning aanwezig was en na de inbraak niet meer, leidt de rechtbank af dat de verdachte beschikkingsmacht daarover moet hebben gehad en het notitieblok dus heeft weggenomen uit de woning. De omstandigheid dat de verdachte het notitieblok kennelijk kort na de inbraak heeft weggegooid, maakt dat niet anders.

Alles overziend acht de rechtbank, anders dan de raadsman, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 2 primair ten laste gelegde woninginbraak.

Met betrekking tot feit 3 en feit 4 overweegt de rechtbank in het bijzonder als volgt.

In de nacht van 26 op 27 oktober 2020 is in de woningen gelegen aan [adres 2] en [adres 3] in Beek en Donk ingebroken. Uit de woning [adres 2] zijn onder meer een televisie, drie telefoons, een Playstation 4 en een pinpas weggenomen. Tevens is een personenauto van het merk Kia Picanto ontvreemd (feit 3). Uit de woning [adres 3] zijn drie gitaren, een koffer met Lp’s, een laptop en een portemonnee met inhoud gestolen (feit 4). De voordeuren van beide woningen waren niet op slot gedraaid.

Uit onderzoek is gebleken dat de telefoon van de verdachte op 27 oktober 2020 tussen 02:19 uur en 04:42 uur aanstraalde op een zendmast aan de [straatnaam] in Beek en Donk. In zijn verhoor van 11 november 2020 verklaarde verdachte dat hij die nacht bij de kickboksschool bij de [straatnaam] in Beek en Donk was. Door de verdachte is ter terechtzitting verklaard dat hij een nachtmens is en dat hij die nacht bij vrienden in Beek en Donk heeft verbleven. De verdachte heeft de namen van deze vrienden en de locatie waar hij op dat moment verbleef niet kunnen of willen noemen. Ook deze verklaring van de verdachte is daarmee niet controleerbaar gebleken.

Naar aanleiding van deze woninginbraken zijn door de politie camerabeelden van de [adres 8] te Beek en Donk bekeken. De beelden zijn gemaakt op 27 oktober 2020 tussen 02:38 uur en 06:51 uur. Op deze beelden is een slank persoon te zien. Deze persoon draagt een donkere jas met een licht embleem op de linkerborst, een donkere muts of pet met een licht embleem erop, donkere handschoenen en een donkere broek. Te zien is dat deze persoon meerdere malen van en naar [adres 2] loopt. De persoon is vanaf 04:33 niet meer zichtbaar op de beelden. De tijdspanne waarin de vermoedelijke dader van de woninginbraken te zien is (van 02:38 uur tot en met 04:33 uur) valt binnen het tijdsbestek waarop de telefoon van verdachte een zendmast in Beek en Donk aanstraalde.

Op 27 oktober 2020 om 06:03 uur heeft de verdachte naar [naam 5] gebeld. In dat gesprek zegt hij dat er vanmorgen om 6 uur wouten door de straat reden. Hij zegt dat hij nog spullen heeft staan en vraagt aan [naam 5] of hij ze kan komen ophalen. De verdachte zegt dat het dringend is. [naam 5] heeft later verklaard dat hij van de verdachte voor € 40,- een elektrische gitaar en een Spaanse gitaar heeft gekocht. Uit voornoemd gesprek leidt de rechtbank af dat de verdachte kort na de inbraken gestolen spullen had staan en dat hij die snel weg wilde hebben

Om 07:51 uur belt de verdachte naar een telefoonnummer in gebruik bij [naam 6] in Uden, vermoedelijk zijn vriendin. Hij vertelt haar in dit gesprek dat hij zo dadelijk moet gaan pinnen en dat hij misschien € 2.500,- kan verdienen. Hij is op zoek naar een pinautomaat zonder al te veel camera’s en die heeft hij gevonden. Hij heeft dan een geldbedrag waar hij 2,5 uur voor heeft moeten werken. De rechtbank stelt vast dat dit tijdsbestek overeenkomt met de periode die de verdachte blijkens de zendmastgegevens in de nacht van 27 oktober 2020 in Beek en Donk is geweest. De verklaring van de verdachte dat deze 2,5 uur enkel betrekking zou hebben op de periode gelegen tussen 05:30 uur – het moment waarop hem de bij deze inbraak gestolen spullen zouden zijn aangeboden – en (ongeveer) 08:00 uur – het moment waarop hij met de gestolen bankpas heeft geprobeerd te pinnen, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Ook hier heeft de verdachte niet willen zeggen wie hem deze gestolen spullen zou hebben aangeboden.

Om 08:09 uur wordt geprobeerd om met de bij de inbraak in de woning aan [adres 2] weggenomen pinpas bij een geldautomaat in Helmond te pinnen. De verdachte heeft dit erkend. De rechtbank stelt vast dat de kleding die de verdachte ten tijde van het pinnen droeg, sterke gelijkenissen vertoont met de kleding van de persoon die te zien is op camerabeelden gemaakt op diverse adressen in de nabijheid van [straatnaam] in Beek en Donk in de nacht van 27 oktober 2020, tussen 02:38 uur en 04:33 uur.

Uit onderzoek van de telefoon van de verdachte is gebleken dat hij op 27 oktober 2020 reeds om 07:17 uur op internet heeft gezocht op de zoekterm “lp speler”. Op 27 oktober 2020 om 13:48 uur heeft de verdachte een telefoongesprek gevoerd. In dat gesprek geeft de verdachte aan dat hij een illegale handel in lp’s heeft. Op 2 november 2020 heeft verdachte naar [naam 5] gebeld. [naam 5] geeft aan dat hij die avond gaat proberen om de platen te slijten in Deurne.

Tot slot overweegt de rechtbank dat de bij de inbraak aan [adres 2] weggenomen Kia Picanto op 29 oktober 2020 is aangetroffen op de [straatnaam] in Helmond, op ongeveer 300 meter loopafstand van de woning van de verdachte. Blijkens een verklaring van een buurtbewoner stond deze Kia aldaar reeds op 27 oktober 2021, de dag waarop deze was ontvreemd.

Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat de verdachte eveneens betrokken is geweest bij de woninginbraken ten laste gelegd onder feit 3 en feit 4. Hetgeen door de verdediging daartegen overigens is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank acht daarom ook feit 3 en feit 4 wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierna in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1 (primair).

op 1 oktober 2020 te Helmond, tezamen en in vereniging met een ander,

een sleutel, die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedag 2] 1942) en [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedag 3] 1948), gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreigingen met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededader met gezichtsbedekkende kleding de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn binnengegaan en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] hebben gericht en daarbij dreigend hebben gezegd: ‘geen flauwekul, dit is een overval’ en die [slachtoffer 1] hebben vastgepakt en daarbij dreigend hebben gezegd: ‘doe je handen op je rug’ en - toen er vervolgens een worsteling ontstond - een mes aan die [slachtoffer 1] hebben getoond en aan die [slachtoffer 1] hebben getoond en vervolgens richting die [slachtoffer 2] zijn gelopen en toen die [slachtoffer 2] verdachte of zijn mededader vastpakte, de vinger van die [slachtoffer 2] hebben om geknakt en die [slachtoffer 2] tegen het gezicht hebben geslagen;

2 (primair).

op 14 oktober 2020 te Helmond, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [adres 1] ), alwaar verdachte zich buiten weten en tegen de wil van de rechthebbende bevond, heeft weggenomen een iPad (merk Apple), een MacBook (merk Apple) en een notitieblok,

die aan een ander toebehoorden, te weten aan [naam 1] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel (te weten door de deur van voornoemde woning open te hengelen);

3.

omstreeks 26 oktober 2020 te Beek en Donk, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening uit een woning (gelegen aan [adres 2] ), alwaar verdachte zich buiten weten en tegen de wil van de rechthebbende bevond, heeft weggenomen een personenauto (merk Kia),een (auto)sleutel,een televisie, telefoons, een Playstation 4, geld, een creditcard, een pinpas en een rijbewijs, die aan een ander toebehoorden, te weten aan [naam 2] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed (personenauto, merk Kia) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel (te weten onder meer door de deur van voornoemde woning open te hengelen);

4.

omstreeks 27 oktober 2020 te Beek en Donk, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening uit een woning (gelegen aan [adres 3] ), alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, heeft weggenomen gitaren, een laptop (merk Lenovo),een rijbewijs, meerdere Lp’s, een portemonnee met inhoud en geld, die aan een ander toebehoorden, te weten aan [naam 3] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel (te weten door de deur van voornoemde woning open te hengelen).

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregelen.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 3 aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

In het geval dat de rechtbank tot strafoplegging zou overgaan, heeft de raadsman de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft grote spijt dat hij, uitsluitend vanwege het uitblijven van werk in verband met de coronacrisis, is gaan handelen in allerlei goederen, zowel legaal als illegaal. Hij ging naar eigen zeggen met verkeerde personen om en dat zal hij in de toekomst niet meer doen. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor een duur die gelijk staat aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De raadsman heeft in dat kader tevens opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis per vonnisdatum bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in vereniging met een ander schuldig gemaakt aan een overval met geweld en bedreiging met geweld op een ouder echtpaar. Verdachte heeft met een bivakmuts op zijn hoofd de woning van de slachtoffers betreden. Hij heeft met een vuurwapen één van de slachtoffers bedreigd. Vervolgens heeft hij het andere slachtoffer tegen het gezicht geslagen. Het gewelddadig karakter van de mede door verdachte gepleegde diefstal met geweld laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om, samen met een ander, geweld tegen andere mensen te gebruiken, zonder zich daarbij te bekommeren om de gevolgen voor die anderen. Gelet op de hoge leeftijd van de slachtoffers gaat het bovendien om een laffe en gewetenloze daad.

Een delict als het onderhavige veroorzaakt veel maatschappelijke onrust. De woning is bij uitstek de plaats waar men zich veilig moet kunnen voelen. Een overval, zeker wanneer daarbij geweld wordt gebruikt, is voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring. Overvallen leiden bovendien tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving. Verdachte heeft met die gevoelens geen rekening gehouden toen hij besloot op een gewelddadige manier snel aan geld te willen komen. Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers, waarbij de lichamelijke integriteit is aangetast. De bedreigingen en het geweld moeten een grote indruk hebben gemaakt op de slachtoffers. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de slachtofferverklaringen blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. Hoewel de slachtoffers zichzelf hebben geduid als zeer nuchtere mensen en zij dachten na dit misdrijf gewoon verder te leven, is hen gebleken dat wat hen is overkomen fors ingegrepen heeft op hun gevoel van veiligheid en hun levensgeluk. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de slachtoffers.

Daarnaast heeft de verdachte een drietal woninginbraken gepleegd. Een inbraak in een woning veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid bij de bewoners in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen. Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken. Hij heeft zich enkel laten leiden door financiële motieven. Deze door verdachte gepleegde strafbare feiten hebben bovendien grote materiële schade veroorzaakt.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder voor vermogens- en geweldsfeiten werd veroordeeld. Verdachte is kennelijk niet of onvoldoende bereid om zijn crimineel gedrag te veranderen. Het baart de rechtbank zorgen dat de verdachte er geen blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffers aangedane leed inziet en bovendien geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen neemt. Verdachte komt op de rechtbank over als een gewiekste man, die steeds bewust bezig is met het creëren van alibi’s. Ook is hij zich continu bewust van de mogelijkheid dat hij in de gaten kan worden gehouden. Een sprekend voorbeeld hiervan is het tapgesprek van 27 oktober 2020 met zijn vriendin. In dat gesprek vertelt verdachte – op dat moment in bezit van een weggenomen pinpas – dat hij op zoek is naar een pinautomaat, maar dat er overal teveel camera’s hangen. Hij zegt dat hij zijn ring moet afdoen en een ander loopje moet aannemen.

Evenals de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Deze oriëntatiepunten nemen bij een overval op een woning met licht geweld of een lichte bedreiging een onvoorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren als uitgangspunt. Bij een overval met ander geweld wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren als uitgangspunt genomen. Voor een inbraak in een woning waarbij sprake is van recidive ter zake van soortgelijke feiten wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden als uitgangspunt genomen.

Anders dan de officier van justitie is er naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval sprake van een overval op een woning waarbij een lichte bedreiging en licht geweld is toegepast. Daarbij neemt de rechtbank als strafvermeerderende omstandigheden in aanmerking dat de slachtoffers op hoge leeftijd waren en het oudste slachtoffer lichamelijk enigszins beperkt, de daders met zijn tweeën waren en er met een mes en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp is gedreigd. In de strafoplegging worden tevens de drie woninginbraken betrokken. De rechtbank zal een gevangenisstraf van kortere duur opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Alles overziend zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten zal hierop in mindering worden gebracht.

Gelet op de aan de verdachte op te leggen straf wijst de rechtbank het verzoek van de raadsman tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis af.

De vorderingen van benadeelde partijen [slachtoffer 2] en

[slachtoffer 1] .

Benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een civiele vordering ingediend ten bedrage van € 6.557,70, bestaande uit € 4.557,70 voor materiële schade en € 2.000,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

Benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een civiele vordering ingediend ten bedrage van

€ 3.000,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, telkens vermeerderd met de wettelijke rente en telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen afgewezen moeten worden dan wel dat de benadeelde partijen daarin niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard gezien de door hem bepleite vrijspraak voor het ten laste gelegde feit waarop de vorderingen betrekking hebben. Subsidiair heeft de raadsman het volgende standpunt ingenomen met betrekking tot deze civiele vorderingen. Benadeelde partij [slachtoffer 1] - [slachtoffer 2] dient in de posten die betrekking hebben op de gevorderde kosten van vervanging van sloten en het plaatsen van beveiligingscamera’s niet-ontvankelijk verklaard te worden omdat er onvoldoende rechtstreeks verband bestaat tussen deze schade en het ten laste gelegde feit. Voor wat betreft de toewijzing van de gevorderde reiskosten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor wat betreft de door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schadevergoedingen heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat zij daarin telkens niet-ontvankelijk moeten worden verklaard dan wel dat deze schadevergoedingen telkens fors gematigd moeten worden.

Beoordeling.

Ten aanzien van de materiële schade.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] - [slachtoffer 2] acht de rechtbank toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 757,21, voor materiële schade (kosten vervanging sloten). Uit het verhandelde ter terechtzitting is genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij slechts beschikte over één huissleutel voor verschillende sloten in en rondom de woning. De rechtbank acht de vordering op dit punt ook voldoende onderbouwd.

De rechtbank zal de gevorderde vergoeding van btw afwijzen, omdat aannemelijk is dat de benadeelde partij als belastingplichtige ondernemer de btw kan verrekenen.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het deel van de vordering dat betrekking heeft op de kosten ter zake van het plaatsen van beveiligingscamera’s, aangezien de beoordeling of er sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Tot eenzelfde oordeel komt de rechtbank ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde reiskosten. De reiskosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt ten behoeve van Slachtofferhulp Nederland en om de terechtzitting bij de rechtbank bij te kunnen wonen kunnen niet als rechtstreeks door het strafbare feit veroorzaakte schade worden aangemerkt. De reiskosten die zijn gemaakt om aangifte te doen op het politiebureau kunnen niet als schade ten laste van de verdachte worden gebracht.

Ten aanzien van de immateriële schade.

De Nederlandse wet kent een restrictief stelsel ten aanzien van het toekennen van vergoedingen voor ander nadeel dan vermogensschade. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft daartoe een limitatieve opsomming. Het recht op vergoeding bestaat slechts:

a. wanneer het oogmerk bestond zodanig nadeel toe te brengen (het oogmerk is gericht op smart);

b. bij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze;

c. bij aantasting van de nagedachtenis van een overledene.

De schade die de slachtoffers stellen te hebben geleden, valt onder de aantasting van de persoon op andere wijze. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gebaseerd op de aantasting van een persoon op andere wijze, is volgens de Hoge Raad het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen is niet genoeg; het zal moeten gaan om een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Door de benadeelde zullen voldoende concrete gegevens aangevoerd moeten worden, waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan. Nodig is daartoe dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is vastgesteld. Daarnaast kunnen de aard en de bijzondere ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. Het strafbare feit vormt dan een dusdanig ernstige inbreuk op een fundamenteel recht dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze moet worden beschouwd. Dan kan ook zonder dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld vergoeding van smartengeld aan de orde zijn. Van een aantasting in de persoon op andere wijze is echter niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht (Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). Uit de jurisprudentie blijkt dat het medeplegen van een diefstal met geweld en bedreiging met geweld wél als een strafbaar feit wordt aangemerkt waarbij het feit een dusdanige inbreuk maakt op het zelfbeschikkingsrecht en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer dat dit in zichzelf al wordt beschouwd als aantasting van de persoon op andere wijze.

Verdachte heeft in vereniging een gewelddadige overval gepleegd én daarbij de slachtoffers bedreigd met geweld. Deze overval vond in de vroege ochtend plaats. Eén van de twee slachtoffers is door de verdachte en zijn mededader bedreigd met een vuurwapen én een mes. Het andere slachtoffer is door de verdachte tegen het gezicht geslagen en haar vinger is om geknakt. De verdachte had een bivakmuts op zijn hoofd. Daarnaast hebben de slachtoffers het gepleegde feit in de eigen woning moeten meemaken.

Op basis van het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] schade hebben geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezen verklaarde onder feit 1 primair. Gelet op het hierboven geschetste kader voor de beoordeling van immateriële schade, acht de rechtbank termen aanwezig voor toekenning van smartengeld.

De rechtbank stelt mede gelet op het verhandelde ter terechtzitting aan de ene kant vast dat voor benadeelde partij [slachtoffer 1] - [slachtoffer 2] de psychische gevolgen van het bewezen verklaarde feit groter zijn dan voor benadeelde partij [slachtoffer 1] . Aan de andere kant komt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting naar voren dat de overval op het moment zelf een grotere impact heeft gehad op benadeelde partij [slachtoffer 1] . Gelet op het voorgaande, alsmede de feiten zoals die in deze zaak zijn komen vast te staan en de door de benadeelde partijen verschafte toelichtingen en onderbouwing, ziet de rechtbank daarom aanknopingspunten om bij de begroting geen onderscheid te maken tussen de benadeelde partijen. De rechtbank heeft daarbij tevens acht geslagen op de bedragen die, gelet op de gepubliceerde rechtspraak, door rechtbanken en gerechtshoven plegen te worden toegekend in min of meer vergelijkbare gevallen.

De rechtbank zal daarom de immateriële schade begroten op steeds € 2.000,-, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2020 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal benadeelde partij [slachtoffer 1] in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal verdachte telkens veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte telkens veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen tevens telkens de schadevergoedings-maatregel opleggen, omdat de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat telkens schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2020 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoedingen van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen komen te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen, daarmee zijn verplichtingen tot betaling aan de Staat komen te vervallen.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De motivering van het beslag.

De rechtbank stelt vast dat er thans nog beslag rust op scooter, merk Jiajeu.

De officier van justitie heeft verbeurdverklaring van deze scooter gevorderd. De raadsman heeft teruggave daarvan aan de verdachte bepleit.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van deze scooter aan verdachte, omdat naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave daarvan.

De motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer [nummer] .

De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde bij vonnis van de rechtbank in Rotterdam, van 13 oktober 2016, is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf gevorderd. De raadsman heeft primair afwijzing van de vordering bepleit en subsidiair verzocht slechts een deel ten uit voer te leggen en het resterende deel op nihil te stellen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan verschillende strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 60a, 63, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak.

De rechtbank:

- verklaart het onder feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor onder feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 en feit 4 bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

ten aanzien van feit 1 primair:

diefstal vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 2 primair:

diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;

ten aanzien van feit 3:

diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

ten aanzien van feit 4:

diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

- legt op de volgende straf:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren;

beveelt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf;

- gelast de teruggave van de in beslag genomen scooter (merk: Jiajeu) aan de verdachte;

- legt op de volgende maatregelen:

t.a.v feit 1 primair:

maatregel van schadevergoeding van € 2.757,21, te vervangen door 37 dagen gijzeling;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van € 2.757,21, bestaande uit

€ 757,21 voor materiële schade en € 2.000,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 37 dagen gijzeling;

bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader/medeplichtige is betaald;

bepaalt dat de toepassing van deze vervangende gijzeling de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet opheft;

beslissing op de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2];

wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte daarom tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , een bedrag van

€ 2.757,21, bestaande uit € 757,21 voor materiële schade en € 2.000,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader/medeplichtige is betaald;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader/medeplichtige aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;

bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is;

bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

maatregel van schadevergoeding van € 2.000,-, te vervangen door 30 dagen gijzeling;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 2.000,-, bestaande uit

immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen gijzeling;

bepaalt dat de toepassing van deze vervangende gijzeling de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader/medeplichtige is betaald;

beslissing op de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1];

wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte daarom tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , een bedrag van

€ 2.000,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerder met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader/medeplichtige is betaald;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s)/medeplichtige(n) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;

bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is;

bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Rotterdam van 13 oktober 2016, gewezen onder parketnummer [nummer] , te weten een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.E. de Kryger, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. I.E.M.M. Haenen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers en R.A. Hassan, griffiers,

en is uitgesproken op 27 juli 2021.

1 De verdachte/veroordeelde zal verder worden aangeduid als de verdachte of de veroordeelde.