Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:3136

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
06-07-2021
Zaaknummer
371162 / BP RK 21-286
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek om goedkeuring verklaring ex art. 3:270 lid 3 BW afgewezen. Niet summierlijk gebleken van juistheid verklaring. Aanleiding voor vermoeden oogmerk andere schuldeisers te benadelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rekestnummer: C/01/371162 / BP RK 21-286

Beschikking van de voorzieningenrechter van 30 juni 2021

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

notaris mr. S.W. van Wechem te Amstelveen,

en

1 [belanghebbende sub 1] ,

verschenen in persoon, en

2. [belanghebbende sub 2],

niet verschenen,

beiden wonende te [woonplaats] ,

belanghebbenden.

Partijen zullen hierna respectievelijk [verzoeker] , [belanghebbende sub 1] en [belanghebbende sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van 25 mei 2021 met 4 producties

  • -

    de mondelinge behandeling via Skype op 23 juni 2021.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft mr. Van Wechem tijdens de mondelinge behandeling verzocht om een aantal nader genoemde stukken te overleggen.

1.3.

Bij e-mail van 23 juni 2021 heeft mr. Van Wechem een zestal producties nagezonden.

1.4.

Ten slotte heeft de voorzieningenrechter beschikking bepaald.

2 De Feiten

2.1.

[verzoeker] heeft op 11 november 2020 tot 10 mei 2021 een bedrag van € 735.000 aan [belanghebbende sub 1] en [belanghebbende sub 2] geleend. Partijen zijn overeengekomen dat een rente van 1% per maand verschuldigd is. Daarnaast is onder andere een afsluitprovisie van 1% en een exit-provisie van 2% overeengekomen. Als zekerheid heeft [belanghebbende sub 2] ten gunste van [verzoeker] hypotheek gevestigd.

3 Het verzoek

3.1

Het verzoek is gegrond op artikel 3:270 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) en strekt tot goedkeuring door de voorzieningenrechter van de door [verzoeker] overgelegde verklaring. Die verklaring betreft een opgave van hetgeen [verzoeker] als (eerste) hypotheekhouder toekomt van de netto-opbrengst van de executieverkoop van de woning gelegen aan [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] . Uit artikel 3:270 lid 3 BW volgt dat de voorzieningenrechter de verklaring goedkeurt als hem summierlijk van de juistheid daarvan is gebleken.

3.2

[verzoeker] verklaart dat hem uit de executieopbrengst van € 846.000,00 een bedrag van € 842.882,45 zou toekomen. Hij berekent zijn vordering als volgt: Hoofdsom € 735,000 + executiekosten ad € 7.677,45 + € 22.050,00 (boete) + € 14.700,00 (exitfee) + € 56.105,00 (achterstallige rente).

4 De beoordeling

4.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet summierlijk van de juistheid van de door [verzoeker] overgelegde verklaring gebleken. Worden de door [verzoeker] genoemde bedragen bij elkaar opgesteld, dan zou zijn vordering € 835.532,45 en niet € 842.882,45 bedragen. Er bestaat onder de gegeven omstandigheden aanleiding om te veronderstellen dat het vestigen van de hypotheek en de executieverkoop zijn bedoeld om schuldeisers van [belanghebbende sub 1] en/of [belanghebbende sub 2] te benadelen in hun mogelijkheden om zich op het onderpand, de woning, te verhalen. Daarbij wijst de voorzieningenrechter erop dat de hypothecaire geldlening niet is verstrekt door een bank, maar door een particulier, de heer [verzoeker] en dat daarbij ongebruikelijk en voor [belanghebbende sub 1] (en [belanghebbende sub 2] ) zeer ongunstige voorwaarden, zoals een zeer hoog rentepercentage van maar liefst 1 % per maand, zijn overeengekomen. [belanghebbende sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd geen overtuigende verklaring waarom dergelijke voor hem ongunstige voorwaarden zijn overeengekomen. De voorwaarden lijken op het eerste gezicht bedoeld om de vordering van [verzoeker] zodanig te laten oplopen, dat er voor de overige schuldeisers (waaronder in elk geval twee beslagleggers) na een executieverkoop niets overblijft. De voorzieningenrechter wijst er in dat verband op dat in een periode van 7 maanden een renteachterstand is ontstaan van maar liefst ruim € 56.000,--. Daarnaast wordt in de afrekening een factuur opgevoerd van VTS Advies voor “begeleiding van de executieverkoop” van ruim € 7.600,--, zonder dat het bedrag nader wordt verantwoord. De notaris heeft overigens verklaard dat zijn kosten rechtstreeks op de bruto executie opbrengst in mindering worden gebracht en niet in de verklaring zijn opgenomen.

4.2.

Opmerkelijk is ook dat de woning door [belanghebbende sub 1] is aangekocht zonder enig voorbehoud van financiering. Ook opmerkelijk is dat [belanghebbende sub 1] de woning toen deze aan hem werd geleverd, kennelijk direct heeft doorgeleverd aan zijn echtgenote, [belanghebbende sub 2] . [belanghebbende sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard dat de reden daarvoor was om ervoor te zorgen dat zijn schuldeisers zich niet op de woning zouden kunnen verhalen. [belanghebbende sub 1] erkent dus zelf dat hij bewust bezig is om de verhaalsmogelijkheden voor zijn schuldeisers zoveel mogelijk te beperken. Dat roept overigens nog wel de vraagt op waarom de woning eerst aan [belanghebbende sub 1] is geleverd en niet direct aan [belanghebbende sub 2] .

4.3.

Er lijkt na de levering ook bewust te zijn aangestuurd op een executieverkoop. [belanghebbende sub 1] heeft namelijk helemaal niets betaald aan [verzoeker] ter zake de maandelijkse hypoheekverplichtingen, zodat [verzoeker] kon overgaan tot executieverkoop van de woning. Een overtuigende verklaring waarom [belanghebbende sub 1] niets heeft betaald, heeft hij niet gegeven. Desgevraagd heeft hij slechts verklaard dat het simpelweg niet lukte. Dat is opmerkelijk omdat [belanghebbende sub 1] kennelijk wel over voldoende financiële middelen beschikte om kort daarvoor een hypothecaire geldlening van ruim € 700.000,-- te verkrijgen. Bovendien heeft hij tijdens de mondelinge behandeling zelf verklaard dat hij nog steeds inkomen genereert uit werkzaamheden op projectbasis.

4.4.

Het is ook opmerkelijk te noemen dat [belanghebbende sub 1] en [belanghebbende sub 2] ook na de executieverkoop kennelijk gewoon in de woning kunnen blijven wonen. [belanghebbende sub 1] heeft verklaard dat hij daarover hoogstwaarschijnlijk afspraken zal kunnen maken met de veilingkoper. Die constructie, waarbij de geëxecuteerde na de executieverkoop in de woning kan blijven wonnen, roept op zichzelf al de nodige vragen op, maar valt ook niet te rijmen met het feit dat [belanghebbende sub 1] stelt de afgelopen 7 maanden niet in staat te zijn geweest om ook maar iets van de maandelijkse hypotheeklasten te betalen. De voorzieningenrechter gaat er in elk geval van uit dat als [belanghebbende sub 1] in de woning kan blijven wonen, dat niet gratis zal zijn. Dat zou betekenen dat [belanghebbende sub 1] nu kennelijk ineens wel in staat is om de maandlasten te dragen. Enige verklaring daarvoor is niet gegeven.

4.5.

Nog een aanwijzing dat de constructie is opgezet om de schuldeisers te benadelen is dat één van hen zich kennelijk jegens [belanghebbende sub 1] en [belanghebbende sub 2] beroept op pauliana. Uit het door mr. Van Wechem nagezonden beslagexploot van 4 februari 2021 blijkt namelijk dat [A] ten laste van [belanghebbende sub 1] en [belanghebbende sub 2] conservatoir paulianabeslag heeft gelegd voor een bedrag van € 895.000,--.

4.6.

Slotsom is dat de hypotheekconstructie en de executieverkoop dermate veel vragen oproepen, dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet summierlijk is gebleken van de juistheid van de door [verzoeker] voorgelegde verklaring. Het verzoek om goedkeuring van die verklaring zal daarom worden afgewezen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst het verzoek af,.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2021.