Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:3134

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
01-07-2021
Zaaknummer
01-879285-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt verdachte vrij van medeplegen moord, gekwalificeerde doodslag, doodslag en van diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbende.

De rechtbank veroordeelt verdachte voor het medeplegen van diefstal tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879285-19

Datum uitspraak: 30 juni 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum] 1993,

wonende te [adres 1] [woonplaats en land] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 juli 2019, 11 oktober 2019, 27 november 2019, 21 januari 2020, 14 april 2020 en 15 en 17 juni 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 juni 2019.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij,

op of omstreeks 22 februari 2019 te Oss, in elk geval in de gemeente Oss,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[slachtoffer] ,

opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd,

door:

- eenmaal of meermalen voornoemde [slachtoffer] met een mes, in elk geval met een

scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, in elk geval in het

(boven)lichaam te steken en/of snijden en/of

- het uitoefenen en/of toepassen van stomp botsend geweld (te weten slaan

en/of stoten en/of duwen) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd en/of

het lichaam van die [slachtoffer] ;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij,

op of omstreeks 22 februari 2019 te Oss, in elk geval in de gemeente Oss,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[slachtoffer]

opzettelijk van het leven heeft beroofd,

door:

- eenmaal of meermalen voornoemde [slachtoffer] met een mes, in elk geval met een

scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, in elk geval in het

(boven)lichaam te steken en/of snijden en/of

- het uitoefenen en/of toepassen van stomp botsend geweld (te weten slaan

en/of stoten en/of duwen) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd en/of

het lichaam van die [slachtoffer] ,

welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar

feit,

te weten:

diefstal (met geweld) in vereniging en/of afpersing in vereniging van een

hoeveelheid geld en/of goederen van zijn/hun gading (onder meer een

portemonnee met inhoud en/of een of meer mobiele telefoon(s) en/of een

laptop),

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat/die

feit(en) voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit

straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te

verzekeren;

Meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij,

op of omstreeks 22 februari 2019 te Oss, in elk geval in de gemeente Oss,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[slachtoffer]

opzettelijk van het leven heeft beroofd,

door:

- eenmaal of meermalen voornoemde [slachtoffer] met een mes, in elk geval met een

scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, in elk geval in het

(boven)lichaam te steken en/of snijden en/of

- het uitoefenen en/of toepassen van stomp botsend geweld (te weten slaan

en/of stoten en/of duwen) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd en/of

het lichaam van die [slachtoffer] ;

Meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij,

op of omstreeks 22 februari 2019 te Oss, in elk geval in de gemeente Oss,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

- een portemonnee met inhoud en/of

- een of meer mobiele telefoon(s) en/of

- een laptop,

in elk geval wat van zijn/hun gading was,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

B.

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met [slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van:

- een portemonnee met inhoud en/of

- een of meer mobiele telefoon(s) en/of

- een laptop,

in elk geval wat van zijn/hun gading was,

geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of verdachtes mededader(s):

- eenmaal of meermalen voornoemde [slachtoffer] met een mes, in elk geval met een

scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, in elk geval in het

(boven)lichaam te steken en/of snijden en/of

- het uitoefenen en/of toepassen van stomp botsend geweld (te weten slaan

en/of stoten en/of duwen) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd en/of

het lichaam van die [slachtoffer] ,

welk(e) feit(en) de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft/hebben gehad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De waardering van het bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft op gronden zoals vervat in haar schriftelijk requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van de meest subsidiair ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging, de dood ten gevolge hebbende. De officier van justitie concludeert dat er door de mededader van verdachte bij opening van de voordeur direct geweld is gebruikt en dat het aandeel van verdachte aan het delict van wederrechtelijke toe-eigening zodanig wezenlijk en van dusdanig voldoende gewicht is, dat er sprake is van medeplegen. Ook acht zij de strafverzwarende omstandigheid bewijsbaar nu het gaat om een door gevolg gekwalificeerd delict in het kader van “voorzienbaarheid van het geweld” en de “redelijke toerekening van het geweld” in het kader van medeplegen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft op gronden vervat in het door hem op schrift gestelde pleidooi integrale vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde wegens onvoldoende bewijs.

Er is geen sprake van medeplegen van moord of (gekwalificeerde) doodslag. Ten aanzien van het uiterst subsidiair ten laste gelegde, heeft het wegnemen van goederen plaatsgevonden nadat [slachtoffer] door de medeverdachte [medeverdachte] om het leven is gebracht. Niet kan worden bewezen dat het geweld is gepleegd met oogmerk van voorbereiding of het mogelijk maken van de diefstal. Dat er na de geweldsuitbarsting van [medeverdachte] door beide verdachten goederen van hun gading zijn meegenomen, is niet voldoende. Daarnaast is niet gebleken van opzet van verdachte op het toegepaste geweld. Verdachte heeft de wegnemingshandelingen niet aanvaard, zodat zelfs voor een eenvoudige diefstal onvoldoende bewijs is.

Het oordeel van de rechtbank. 1

Aantreffen stoffelijk overschot en situatie plaats delict.

Op zaterdag 23 februari 2019 werd op de tiende verdieping van een appartementencomplex aan [adres 2] te Oss het levenloze lichaam aangetroffen van de bewoner van nummer [adres 2] . Het 63-jarige slachtoffer, [slachtoffer] , werd door zijn zoon, [persoon 1] , liggend op de grond aangetroffen met diverse steekverwondingen.2 Diverse politie-eenheden kwamen ter plaatse. Het slachtoffer werd naast de bank op de grond aangetroffen met zijn gezicht onder het bloed. Direct werd uitgegaan van een niet natuurlijke dood. De deuren van een kast in de woonkamer stonden open en de lades lagen op de grond. Op de bank lagen diverse papieren en enveloppen.3 Aan de binnenzijde van de kast in de woonkamer werden meerdere geschreven pincodes aangetroffen, waaronder de bij de pinpas van bankrekeningnummer [nummer] .4

Schouw en sectie.

Het lichaam van het slachtoffer werd op 23 februari 2019 omstreeks 23:10 uur geschouwd. Gezien de postmortale veranderingen en de temperatuurmeting werd geschat dat het slachtoffer waarschijnlijk op 22 februari 2019 tussen 17:00 uur en 23:00 uur was overleden ten gevolge van zware mishandeling.5 Na sectie op het lichaam bleek dat het slachtoffer onder andere de neus, de onder- en bovenkaak, de jukbeenderen, meerdere ribben en de oogkassen had gebroken, steekverwondingen links in het gezicht en midden op de borstkas had en meerdere halsstructuren waren doorkliefd. De steekverwonding op de borst had het borstbeen, een grote ader en de rechterborstholte geperforeerd. De maximaal gemeten steekkanaaldiepte was minstens 8,2 centimeter. Het overlijden van [slachtoffer] kon worden verklaard door één steekletsel in de borst. De overige zeven steek- en circa 27 snijletsels, alsmede de stomp-botsende geweldsinwerking op het aangezicht en de romp hebben (mogelijk) een bijdrage geleverd aan de (snelheid van) het overlijden.6

Vaststellingen aan de hand van camerabeelden.

Vast is komen te staan dat de woningen in het appartementencomplex alleen maar zijn te bereiken via de centrale toegangshal en de van daaruit te bereiken liftruimte of het trapportaal. De liftruimte en het trapportaal zijn van de centrale toegangshal afgescheiden door middel van een schuifdeur die alleen met een zogenoemde “druppel” kan worden geopend, dan wel automatisch vanuit de woningen zelf.7 In het appartementencomplex zijn meerdere camera’s aanwezig die beeldmateriaal hebben opgenomen in en rondom het flatgebouw.8 Bij het uitkijken van de camerabeelden van de centrale toegangshal is te zien dat op vrijdag 22 februari 2019 omstreeks 12:44 uur een grote, fors gebouwde en een kleinere man het complex binnenkomen en dat ze zich opvallend gedragen. De grootste man werd later geïdentificeerd als verdachte [medeverdachte] en de kleinere man als verdachte [verdachte] . Op de beelden is te zien dat de mannen naar het paneel lopen met de huisdeurbellen en dat zij zich ophouden ter hoogte van de woningbel van nummer [adres 2] . Vervolgens lopen zij naar de wand waar zich de brievenbussen bevinden. Te zien is dat verdachte [medeverdachte] een blik werpt in de brievenbus van de woning van het latere slachtoffer. Vervolgens vertrekken de mannen weer. Op de beelden van de camera’s in de liften is te zien dat het slachtoffer op 22 februari 2019 omstreeks 14:34 uur op de tiende verdieping in de lift stapt en naar beneden gaat, zijn brievenbus opent, weer in de lift stapt en omstreeks 14:37 uur uitstapt op de tiende verdieping en buiten het zicht van de camera’s verdwijnt. [medeverdachte] en [verdachte] komen diezelfde dag om 15:15 uur voor de tweede keer het appartementencomplex aan [adres 2] binnen. Zij lopen naar de schuifdeur die toegang geeft tot de liftruimte. Omdat zij geen toegang hebben, lopen zij naar het paneel met deurbellen en blijven staan ter hoogte van de bel van woning [adres 2] . In de tussentijd komen er meerdere personen binnen, een man met een fiets [getuige 1]9[getuige 1] opent de schuifdeur naar de liftruimte en verdachten [medeverdachte] en [verdachte] lopen achter hem aan. [medeverdachte] en [verdachte] stappen in de lift naar de oneven verdiepingen. Te zien is dat [medeverdachte] op de knop drukt van de negende verdieping.Beide mannen stappen uit op de negende verdieping en verdwijnen dan uit beeld. Diezelfde dag, omstreeks 16:51 uur, is op camerabeelden van de lift op de tiende verdieping te zien dat [medeverdachte] en [verdachte] in deze lift stappen. Beide mannen draaien bij binnenkomst in de lift hun hoofd weg van de spiegel die hangt aan de achterwand van de lift. [verdachte] duwt met zijn elleboog op de knop van de begane grond om de lift te bedienen. Te zien is dat [verdachte] een extra blauwe plastic Albert Heijn boodschappentas met inhoud draagt. In deze tas zit iets roodkleurigs. Deze tas is op de beelden van 22 februari 2019 niet eerder zichtbaar. [medeverdachte] heeft een blauw doekje in zijn rechterhand dat hij onder zijn linkerarm houdt. [verdachte] draagt een rugzak op zijn rug met het opschrift ‘Puma’. Deze rugzak is nu, in tegenstelling tot het moment van binnenkomst, in zijn geheel gesloten. Beide mannen kijken in de lift naar beneden, weg van de camera. Beneden aangekomen houdt [medeverdachte] de hand met het blauwe doekje op zijn rug. In diezelfde hand heeft hij ook een zwart stoffen voorwerp vast. [medeverdachte] en [verdachte] verlaten vervolgens het gebouw en houden zich enige tijd op in de bosschages bij het nabijgelegen park waarna zij uit het zicht van de camera verdwijnen.10

Aanwezigheid beide verdachten in de woning (DNA).

Dat verdachte [verdachte] in de woning aanwezig is geweest, vindt ondersteuning in het DNA-onderzoek op de kleding die het slachtoffer [slachtoffer] droeg op het moment van aantreffen. Onder de in beslag genomen kleding bevond zich een trui. De bemonstering van de buitenzijde van de trui werd voorzien van SIN-nummer AALS9274NL. De bemonstering werd voor verder onderzoek ter beschikking gesteld aan het Nederlands Forensisch Instituut. Het NFI onderzocht de trui op de aanwezigheid van DNA. Van het DNA in bemonstering AALS9274NL#05 is een DNA-mengprofiel verkregen van minimaal drie personen. Op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek met het DNA-profiel van het slachtoffer en personen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken kon worden geconcludeerd dat het DNA afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer] (een relatief grote hoeveelheid), verdachte [verdachte] en verdachte [medeverdachte] (een relatief kleine hoeveelheid). Ten aanzien van DNA-profiel AALS9274NL#05 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 5 (de bemonstering bevat DNA van slachtoffer [slachtoffer] , verdachte [verdachte] en één willekeurige onbekende, niet aan verdachte [verdachte] verwante, persoon) waar is, dan wanneer hypothese 6 (de bemonstering bevat DNA van slachtoffer [slachtoffer] en twee willekeurige onbekende, niet onderling of aan verdachte [verdachte] verwante, personen) waar is. Ten aanzien van DNA-profiel AALS9274NL#05 is het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 3 (de bemonstering bevat DNA van slachtoffer [slachtoffer] , verdachte [medeverdachte] en één willekeurige onbekende, niet aan verdachte [medeverdachte] verwante, persoon) waar is, dan wanneer hypothese 4 (de bemonstering bevat DNA van slachtoffer [slachtoffer] en twee willekeurige onbekende, niet onderling of aan verdachte [medeverdachte] verwante, personen) waar is.11

Weggenomen goederen.

De zoon van het slachtoffer, [persoon 1] , heeft verklaard dat hij de mobiele telefoon, de portemonnee en de laptop van zijn vader niet op de gebruikelijke plaatsen (op het nachtkastje/op de (salon)tafel) zag liggen toen hij op 23 februari 2019 de woning aan [adres 2] binnenkwam.12

Gezamenlijk pinnen.

Op de camerabeelden van winkelcentrum “De Ruwert” is te zien dat verdachten [medeverdachte] en [verdachte] op 22 februari 2021 omstreeks 17:21 uur bij het winkelcentrum aankomen en daar naar binnen gaan.13 Op 22 februari 2019 werd van het op naam van het slachtoffer [slachtoffer] staande bankrekeningnummer [nummer] tussen 17:26 uur en 17:43 uur vier maal een geldbedrag gepind bij de geldautomaat van de Rabobank die zich in dit winkelcentrum bevindt. Hierbij werd het dagmaximum van 1.250 euro bereikt. Tevens werd meermaals een verkeerde pincode ingegeven.14 Verdachte [medeverdachte] heeft ter terechtzitting van 15 juni 2021 verklaard dat hij tussen 17:26 uur en 17:32 uur en 17:40 uur en 17:43 uur de pinhandelingen bij de pinautomaat heeft verricht.15 Uit onderzoek is gebleken dat er door [getuige 2] tussen de eerste en de tweede reeks aan pinpogingen geld is opgenomen bij dezelfde geldautomaat. [getuige 2] werd als getuige gehoord en verklaarde dat hij op 22 februari 2019 omstreeks 17:32 uur inderdaad geld had opgenomen van zowel de rekening van hemzelf als van die van zijn moeder. Het was hem opgevallen dat er door twee mannen voor hem werd geprobeerd geld op te nemen bij de automaat met meer dan één pinpas. Beide mannen spraken in de Poolse taal met elkaar. De ene man was duidelijk groter dan de ander. Uit de rugzak van de kleine man werd een bankpas en een papiertje gehaald. De grote man verrichte de pinhandelingen terwijl de kleine man iets van het papier aflas. De kleine man probeerde de toetsen in te drukken, maar werd hierbij tegengehouden door de grote man. Omdat het hem te lang duurde, sprak hij de mannen aan dat ze een keuze moesten maken. Volgens de getuige las de een de in te drukken cijfers voor aan de ander. Hij zag dat de grootste man de gepinde bankbiljetten in zijn jaszak stak, ook had hij gezien dat er niet na iedere pinpoging geld werd uitgegeven en dat er tussendoor van bankpas werd gewisseld door de twee mannen.16

Verklaring gang van zaken verdachte [medeverdachte] .

Verdachte [medeverdachte] heeft bekend [slachtoffer] om het leven te hebben gebracht. Hij heeft verdachte [verdachte] op 22 februari 2019 op het busstation in Den Bosch leren kennen. Die dag hebben zij al hun geld opgemaakt aan alcoholische drank. Op het station vertelde [medeverdachte] aan [verdachte] dat hij wel iemand kende die hen geld zou willen lenen, namelijk [slachtoffer] . Deze [slachtoffer] kende hij via zijn zus. Beiden waren hierop, zonder te betalen, per trein van Den Bosch naar Oss gereisd en naar de flat aan [adres 2] gegaan. Omdat ze niet naar binnen konden, zijn ze naar winkelcentrum “De Ruwert” gegaan, hebben daar flessen alcohol “bemachtigd”, hebben deze flessen op een bankje opgedronken en zijn vervolgens teruggegaan naar de flat waar zij hebben gewacht totdat iemand de deur naar de lift zou openen. Ze zijn toen met iemand meegelopen en zijn met de lift naar de negende verdieping gegaan. Verdachte verklaart bij [slachtoffer] te hebben aangebeld waarna zowel hij als [verdachte] door [slachtoffer] zijn binnengelaten. [slachtoffer] had hen nog zo’n 40 euro gegeven. Het gesprek ging na het overhandigen van het geld over de zus van [medeverdachte] . [medeverdachte] zat op dat moment naast [slachtoffer] op de bank. Omdat [slachtoffer] een vervelende opmerking zou hebben gemaakt over de zus van [medeverdachte] , werd het verdachte [medeverdachte] zwart voor de ogen en had hij [slachtoffer] met zijn vuisten in zijn gezicht en op zijn hoofd geslagen, aldus [medeverdachte] . [slachtoffer] viel vervolgens van de bank op de grond waarna verdachte hem tegen zijn hoofd en tegen zijn ribben heeft geschopt. [medeverdachte] heeft vervolgens een mes gepakt dat in de woning lag en heeft daarmee [slachtoffer] – naar eigen zeggen – ’in een vlaag’ gedood door hem meer dan tien keer te steken en te snijden. [medeverdachte] heeft het slachtoffer gesneden/gestoken in zijn oog, aan zijn schedel, in zijn borstkas en in zijn gezicht. Hij zag dat hij hierbij een slagader in de nek raakte, want hij zag ineens heel veel bloed stromen. Hij zag dat [slachtoffer] op den duur niet meer bewoog en ging ervan uit dat hij was overleden. [medeverdachte] heeft daarna de bankpasjes van [slachtoffer] uit zijn portemonnee gehaald en is met [verdachte] op zoek gegaan naar de pincodes die aan de binnenkant van de kast in de woonkamer stonden geschreven. [medeverdachte] heeft met het oog hierop de kastjes overhoop gehaald en [verdachte] heeft de pincodes opgeschreven. Ook de portemonnee zelf, een laptop, een mobiele telefoon en een vast telefoontoestel hebben zij meegenomen uit de woning. [verdachte] en [medeverdachte] hebben de spullen verzameld en in de rugzak en de plastic tas gedaan die door [verdachte] op de camerabeelden werden gedragen. Daarna zijn zij naar het winkelcentrum gegaan om geld op te nemen. Met de bankpasjes hebben zij in totaal 1.250 euro gepind. De tas met weggenomen goederen, het mes en een bebloede handdoek hebben zij in Amsterdam in het water gegooid.17

Vrijspraak feit 1 primair, subsidiair, meer subsidiair, alsmede meest subsidiair, partieel (ten aanzien van de geweldscomponent en strafverzwarende omstandigheid ‘de dood ten gevolge hebbend’).

Medeplegen moord of (gekwalificeerde) doodslag

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat verdachte met de medeverdachte mee is gegaan naar de woning van het slachtoffer en dat hij aldaar getuige is geweest van het door de medeverdachte op het slachtoffer uitgeoefende geweld, dat uiteindelijk tot diens dood heeft geleid. Dat verdachte enige (fysieke) betrokkenheid heeft gehad bij dit handelen van de medeverdachte, is de rechtbank niet gebleken; verdachte heeft geen geweldshandelingen verricht of op enige andere wijze een bijdrage heeft geleverd aan het strafbare feit. Evenmin is gebleken dat hij is meegegaan in de wetenschap of met het vermoeden dat de medeverdachte voornemens was om het slachtoffer van het leven te beroven.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van verdachte aan het onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht. Daarbij wijst de rechtbank erop dat het louter aanwezig zijn en het zich niet distantiëren daarvoor onvoldoende zijn. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen van moord (primair), gekwalificeerde doodslag (subsidiair) en doodslag (meer subsidiair).

Diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbend

Uit de door de medeverdachte bij de politie afgelegde verklaringen volgt dat hij naar het slachtoffer toe is gegaan om met hem te praten over zijn zus, die in 2017 in de woning van het slachtoffer is overleden en wiens dood medeverdachte het slachtoffer verweet, en om geld van hem te lenen. Verdachte heeft de medeverdachte die dag ontmoet en heeft besloten met de medeverdachte mee te gaan. Op enig moment tijdens het gesprek over zijn zus, werd het de medeverdachte zwart voor de ogen en vond de geweldsexplosie plaats, waarbij de medeverdachte het slachtoffer heeft geslagen, geschopt en met een mes heeft gestoken en gesneden. Toen het slachtoffer niet meer leefde, heeft verdachte samen met de medeverdachte de woning van het slachtoffer doorzocht en hebben zij meegenomen wat van hun gading was.

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande en uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het geweld dat door de medeverdachte op het slachtoffer is uitgeoefend ten dienste stond van de latere diefstal. Het vereiste oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, kan niet worden bewezen.

Ook kan niet worden bewezen dat de dood van het slachtoffer het gevolg is geweest deze diefstal. Integendeel; uit het voorgaande volgt dat de dood van het slachtoffer is voorafgegaan aan (het voornemen om) het slachtoffer te beroven. Van een verband tussen het overlijden van het slachtoffer en de diefstal is de rechtbank dan ook niet gebleken.

Gelet op het voorgaande dient ook – partieel – te worden vrijgesproken van de meest subsidiair ten laste gelegde geweldscomponent, alsmede van de strafverzwarende omstandigheid van artikel 312, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (de dood ten gevolge hebbend).

De officier van justitie heeft ten aanzien van de diefstal met geweld en de hiervoor benoemde strafverzwarende omstandigheid daarbij tot bewezenverklaring gerekwireerd. Zij heeft daarbij gewezen op de verklaringen die de verdachte heeft afgelegd over het doel van hun bezoek aan het slachtoffer en over de wijze waarop zij zijn binnengegaan in diens woning. De rechtbank overweegt dat, voor zover al uit die verklaring zou blijken dat sprake is van toegepast geweld met het oogmerk om de diefstal op enige wijze te vergemakkelijken, die verklaring op voornoemde onderdelen zó innerlijk tegenstrijdig en niet consistent is, dat de rechtbank die verklaring niet tot het bewijs zal bezigen. Bovendien wordt de verklaring op die onderdelen niet ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Nadere bewijsoverweging diefstal in vereniging (meest subsidiair).

Diefstal in vereniging

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte, samen met de medeverdachte, de woning van het slachtoffer heeft doorzocht. Zij hebben vervolgens de portemonnee van het slachtoffer, zijn bankpassen, mobiele telefoon en laptop meegenomen. Deze goederen zijn in de rugzak van medeverdachte en in een plastic tas gedaan en door de verdachte en medeverdachte uit het appartementencomplex meegenomen. Vervolgens zijn beide verdachten met de weggenomen goederen naar het nabijgelegen winkelcentrum gegaan, waar zij bij de pinautomaat samen handelingen hebben verricht met de bankpassen van het slachtoffer.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte, welke samenwerking in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank, anders dan de verdediging, de ten laste gelegde diefstal in vereniging bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden, vervat in de bewijsmiddelen en hetgeen daarover is overwogen, verklaart de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

(meest subsidiair)

op 22 februari 2019 te Oss, tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

- een portemonnee met inhoud en

- een mobiele telefoon en

- een laptop,

toebehorende aan [slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 7 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten. De eis is gebaseerd op bewezenverklaring van diefstal met geweld met strafverzwarende omstandigheden. Bij de eis is rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat er, gelet op de persoon van verdachte en zijn rol in het geheel, geen ruimte meer is voor strafoplegging.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan diefstal van een laptop, een mobiele telefoon en een portemonnee met twee bankpasjes.

De omstandigheden waaronder deze diefstal heeft plaatsgevonden, zijn ronduit schokkend. Verdachte is op 22 februari 2019 samen met een ander die hij diezelfde dag had leren kennen, naar de woning van het latere slachtoffer gegaan. In die woning heeft de medeverdachte het slachtoffer - de man bij wie zijn inmiddels overleden zus jarenlang had gewoond - op zeer gewelddadige wijze gedood, onder meer door het toebrengen van diverse snij- en steekverwondingen. Daarna hebben verdachte en de medeverdachte het huis doorzocht en hebben zij bovengenoemde spullen meegenomen. Van het gepinde geld dat met één van de bankpassen werd verkregen, zijn ze naar Amsterdam gereisd en hebben zij een hotelovernachting bekostigd, kleren en telefoons gekocht.

Bij de bepaling van de strafmaat betrekt de rechtbank het gegeven dat verdachte na (deels) getuige te zijn geweest van de weerzinwekkende explosie van geweld tegen het slachtoffer, uit geldgewin datzelfde slachtoffer daarna heeft bestolen en ook nog van de opbrengst van het pinnen heeft geprofiteerd. Dat maakt dat naar het oordeel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.

In het voordeel van de verdachte neemt het de rechtbank in aanmerking dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Voorts houdt de rechtbank rekening met de conclusies van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum (PBC). Zij stellen vast dat verdachte lijdt aan een chronische psychotische stoornis in het kader van schizofrenie, een verstandelijke beperking en aan diverse cognitieve stoornissen die daarmee samenhangen. Ten tijde van het ten laste gelegde waren deze stoornissen aanwezig. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande en hetgeen naar voren is gekomen over verdachte in het dossier, verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten voor het hem ten laste gelegde.

De rechtbank zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden opleggen. Nu verdachte reeds (langer dan) die tijd in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal verdachte, wiens voorlopige hechtenis inmiddels is opgeheven, niet naar de gevangenis terug hoeven te keren.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

Inleiding

De rechtbank stelt vast dat de gebeurtenissen van 22 februari 2019 een enorme impact hebben gehad op alle betrokkenen en tot groot verdriet hebben geleid. Het leed van de nabestaanden zal op geen enkele wijze kunnen worden gecompenseerd. De rechtbank benadrukt dit omdat de beoordeling van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen een juridische beoordeling is langs de strikte lijnen van het civiele recht. Geen enkel uit te keren schadebedrag zal recht kunnen doen aan het verdriet van de nabestaanden vanwege het gemis van hun vader, broer, oom.

De raadsman van de nabestaanden heeft vijf vorderingen benadeelde partij ingediend: namens de zoon, de dochter, de broer, de neef en de vriendin van de neef van het slachtoffer. De vorderingen omvatten een veelheid aan posten, uiteenlopend van bijvoorbeeld de vergoeding van affectieschade, schokschade, immateriële schade, schade vanwege studievertraging, vergoeding van gederfd inkomen, maar ook van vergoeding van bezoeken aan onder andere de Efteling en de sauna alsmede de bezorging van maaltijden en de aankoop van sigaretten ter ontspanning. Inclusief alle bijlagen beslaan de vorderingen ruim 700 pagina’s.

De raadsman van verdachte heeft gelet op de omvang van de vorderingen en de onoverzichtelijkheid van de diverse posten primair tot niet-ontvankelijkheid van de vordering bepleit op de grond dat de behandeling ervan een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Subsidiair heeft hij verweer gevoerd op de posten.

De rechtbank overweegt dat met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen de wetgever beoogd heeft binnen het strafproces te voorzien in een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Indien echter de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechter bepalen dat die vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen (artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)). Omvangrijke vorderingen passen in beginsel niet in het strafrechtelijk systeem waarin de vordering accessoir dient te zijn aan de strafzaak. Het is een indicatie dat deze het strafgeding onevenredig belast. Daarnaast speelt de complexiteit van bepaalde posten een rol. De rechter moet erop toezien dat sprake is van een eerlijk proces met voldoende mogelijkheden tot partijdebat en bewijslevering over en weer. Is dat (op onderdelen) niet het geval, dan staat dat aan de ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij in de weg. De behandeling daarvan levert dan een onevenredige belasting van het strafproces op en de strafrechter zal de benadeelde partij (op onderdelen) naar de burgerlijke rechter moeten verwijzen.

De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat een algehele niet-ontvankelijkheid verklaring van alle vorderingen te verstrekkend is. Wel zal de rechtbank per vordering en per post kritisch bekijken of er voldaan is aan het vereiste van partijdebat en bewijslevering over en weer. Is daar niet aan voldaan, dan zal de vordering op dat punt niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege een onevenredige belasting van het strafproces.

Juridisch kader

Vordering erfgenamen

Een slachtoffer kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden (artikel 51f, eerste lid, Sv. Indien het slachtoffer ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen diens erfgenamen onder andere ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering zich voegen (artikel 51f, tweede lid, Sv).

Deze schade komt enkel voor vergoeding in aanmerking indien tussen het ten laste gelegde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (artikel 361, tweede lid, aanhef en onder b, Sv). Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft op voorhand een schriftelijk standpunt ingenomen met betrekking tot de vorderingen benadeelde partij. Een kopie van het door de officier van justitie ter terechtzitting gehandhaafde standpunt, is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De inhoud dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Het standpunt van de verdediging.

In verband met de bepleite vrijspraak, heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat de civiele vorderingen niet ontvankelijk dienen te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman zich aangesloten bij het gevoerde verweer in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] .

Ten aanzien van meest subsidiair:

De vordering van de benadeelde partij nabestaanden/erfgenamen van het slachtoffer [slachtoffer] , [persoon 1] en [persoon 2] .

De vordering.

Namens de erfgenamen van [slachtoffer] (dochter [persoon 2] en zoon [persoon 1] ) is een bedrag van € 5.801,60 aan materiële schade gevorderd. Deze schade is opgebouwd uit de volgende posten:

- Gepind geldbedrag met de gestolen pas

€ 1.250,00

- Gestolen goederen (laptop, huistelefoon, gsm, portemonnee, fotokalender en asbak)

€ 800,00

- Hypotheekrente

€ 1.082,55

- Kosten rekening Rabobank

€ 51,15

- Vergoeding Vereniging van Eigenaren

- Inboedel- en autoverzekering

€ 1.102,29

€ 335,89

- Gas en elektra

€ 129,78

- Motorrijtuigenbelasting

- Schoonmaakkosten woning

€ 282,00

€ 367,15

- Gemeentebelasting

- Kosten van de druppel

€ 350,79

€ 50,00

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door de diefstal toegebrachte schade, een materiële schadevergoeding voor het gepinde geldbedrag met de gestolen pas (€ 1.250,00).

Daarnaast acht de rechtbank een materiële schadevergoeding voor de gestolen goederen toewijsbaar.

Bij het vaststellen van de hoogte van deze post maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De rechtbank heeft daarbij gelet op de door de erfgenamen overgelegde stukken alsmede op de ouderdom en dus de afschrijving van de goederen. Gelet daarop schat de rechtbank deze post op een bedrag van € 200,00. Het meer gevorderde bedrag, te weten € 600,00 wordt afgewezen.

Met betrekking tot de overige onderdelen van dit deel van de vordering (in totaal een bedrag van € 3.751,60 aan materiële schade) zal de rechtbank de erfgenamen niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de diefstal samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de erfgenamen hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Conclusie.

Verdachte en/of zijn mededader dienen een bedrag van € 1.450,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 22 februari 2019, te betalen aan de erfgenamen van [slachtoffer] . Beide erfgenamen, [persoon 1] en [persoon 2] , kunnen aanspraak maken op de helft van dit bedrag (€ 725,00). Tevens wordt de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Een bedrag van € 600,00 wordt afgewezen en de erfgenamen zijn in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk. De erfgenamen kunnen dit resterende deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken en die op dit moment worden begroot op nihil.

Ten aanzien van primair, subsidiair, meer subsidiair:

De vorderingen van de benadeelde partijen [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] .

Beoordeling.

De vorderingen van deze benadeelde partijen zien niet op de ten laste gelegde diefstal, maar op schade die is geleden ten gevolge van het levensdelict dat gepleegd is tegen [slachtoffer] . Van dit levensdelict wordt verdachte vrijgesproken. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. meest subsidiair:

medeplegen van diefstal

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. meest subsidiair:

Gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. meest subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 1.450,00 subsidiair 24 dagen gijzeling.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het de nabestaanden/erfgenamen van het slachtoffer [slachtoffer] ,

[persoon 1] en [persoon 2] , van een bedrag van EUR 1.450,00

(zegge: veertienhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te

vervangen door 24 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit materiële

schadevergoeding (post ad 1 materiële schade (erfgenamen): gepind geld,

geschatte waarde gestolen goederen).

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting

niet op.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict, 22 februari 2019, tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn

mededader is betaald.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot het hierna te

noemen bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan de

nabestaanden/erfgenamen van het slachtoffer [slachtoffer] , [persoon 1]

en [persoon 2] , van een bedrag van EUR 1.450,00 (zegge:

veertienhonderdvijftig euro, bestaande uit materiële schadevergoeding (post ad

1 materiële schade (erfgenamen): gepind geld, geschatte waarde gestolen

goederen).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict, 22 februari 2019, tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering ten aanzien van de vergoeding van de geschatte waarde van

gestolen goederen voor het overige gedeelte af.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige, betrekking

hebbend op de materiële schadevergoeding (post ad 1 materiële schade

(erfgenamen): hypotheekrente, kosten betaalrekening Rabobank, vergoeding VVE,

inboedel- en autoverzekering, gas en elektra, motorrijtuigenbelasting, werkuren

woning en extra kosten, gemeentebelasting, druppel) niet ontvankelijk is. De

benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke

rechter aanbrengen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd voor zover hij of zijn mededader heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot

betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling

aan de Staat te vervallen.

T.a.v. primair, subsidiair, meer subsidiair:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen

[persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5]

in de vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten

draagt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. L. Soeteman en mr. A.E. de Kryger, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,

en is uitgesproken op 30 juni 2021.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, proces-verbaalnummer PL2100-2019038691 (onderzoek OBRAB19002 – “Akerendam”), aantal pagina’s: 1902. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

2 Proces-verbaal bevindingen uitluisteren en vastleggen telefonische melding meldkamer ambulancedienst verbalisant [persoon 6] d.d. 4 maart 2019, p. 273 e.v. map 1 ED.

3 Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [persoon 7] en [persoon 8] d.d. 15 maart 2019, p. 276 e.v. map 1 ED.

4 Proces-verbaal relaas verbalisant [persoon 9] d.d. 3 november 2019, p. 1229 9 map 4 ED (Forensisch dossier) / Proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 1] d.d. 8 maart 2019, p. 347 map 1 ED.

5 Proces-verbaal sporenonderzoek verbalisanten [persoon 10] e.a. d.d. 12 maart 2019, p. 1271 e.v. map 4 ED (bijlage A.01 Forensisch dossier).

6 NFI-rapport pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood, opgemaakt door [persoon 11] d.d. 19 maart 2019 , p. 1575 e.v. map 5 ED (bijlage B.01 Forensisch dossier).

7 Proces-verbaal toegang tot trappen- en liftschacht verbalisant [persoon 12] d.d. 20 maart 2019, p. 281 e.v. map 1 ED.

8 Proces-verbaal van bevindingen uitkijken beelden flat verbalisant [persoon 13] d.d. 27 februari 2019, p. 407 e.v. map 1 ED.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 28 februari 2019, p. 384 e.v. map 1 ED.

10 Proces-verbaal van bevindingen aanvullende camerabeelden flatgebouw [adres 2] verbalisant [persoon 14] d.d. 27 maart 2019, p. 441 e.v. map 1 ED.

11 NFI-rapport bloedspoorpatroononderzoek, onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek, opgemaakt door [persoon 15] en [persoon 16] d.d. 18 oktober 2019, p. 1797 e.v. map 5 ED (bijlage B.14 Forensisch dossier) / Proces-verbaal relaas verbalisant [persoon 9] d.d. 3 november 2019, p. 1219 e.v. map 4 ED (Forensisch dossier).

12 Proces-verbaal van (1e en 2e) verhoor getuige [persoon 1] d.d. 23 februari 2019, p. 330 e.v. map 1 ED.

13 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [persoon 14] d.d. 14 maart 2019, p. 568 e.v. map 2 ED.

14 Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens verbalisant [persoon 17] d.d. 4 maart 2019, p. 509 e.v. map 2 ED / Proces-verbaal bevindingen aanvullende gegevens verbalisant [persoon 17] d.d. 28 maart 2019, p. 515 e.v. map 2 ED.

15 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [persoon 14] d.d. 14 maart 2019, p. 568 e.v. map 2 ED / Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 15 juni 2021.

16 Proces-verbaal (1e en 2e) verhoor [getuige 2] d.d. 13 maart 2019 en 25 maart 2019, p. 598 e.v. en p. 592 e.v. map 2 ED.

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte G.T. [medeverdachte] d.d. 20 december 2019, p. 1169 e.v. map 3 ED.