Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:3133

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
12-07-2021
Zaaknummer
01-879255-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt verdachte vrij voor medeplegen van moord en voor medeplegen van gekwalificeerde doodslag.

De rechtbank veroordeelt verdachte voor doodslag en voor diefstal door twee of meer verenigde personen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest.

De rechtbank heeft de vorderingen enkele nabestaanden deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0571
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879255-19

Datum uitspraak: 30 juni 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte] ,

geboren te [Geboortedatum] 1982,

thans gedetineerd te: P.I. Vught, PPC.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 januari 2020, 14 april 2020, 9 juli 2020, 6 oktober 2020, 8 december 2020, 2 maart 2021, 20 april 2021 en 15 en 17 juni 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 december 2019.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 15 juni 2021 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij,

op of omstreeks 22 februari 2019 te Oss, in elk geval in de gemeente Oss,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[Slachtoffer] ,

opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd,

door:

- eenmaal of meermalen voornoemde [Slachtoffer] met een mes, in elk geval met een

scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, in elk geval in het

(boven)lichaam te steken en/of snijden en/of

- het uitoefenen en/of toepassen van stomp botsend geweld (te weten slaan

en/of stoten en/of duwen) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd en/of

het lichaam van die [Slachtoffer] ;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij,

op of omstreeks 22 februari 2019 te Oss, in elk geval in de gemeente Oss,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[Slachtoffer]

opzettelijk van het leven heeft beroofd,

door:

- eenmaal of meermalen voornoemde [Slachtoffer] met een mes, in elk geval met een

scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, in elk geval in het

(boven)lichaam te steken en/of snijden en/of

- het uitoefenen en/of toepassen van stomp botsend geweld (te weten slaan

en/of stoten en/of duwen) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd en/of

het lichaam van die [Slachtoffer] ,

welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar

feit,

te weten:

diefstal (met geweld) in vereniging en/of afpersing in vereniging van een

hoeveelheid geld en/of goederen van zijn/hun gading (onder meer een

portemonnee met inhoud en/of een of meer mobiele telefoon(s) en/of een

laptop),

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat/die

feit(en) voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit

straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te

verzekeren;

Meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij,

op of omstreeks 22 februari 2019 te Oss, in elk geval in de gemeente Oss,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[Slachtoffer]

opzettelijk van het leven heeft beroofd,

door:

- eenmaal of meermalen voornoemde [Slachtoffer] met een mes, in elk geval met een

scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, in elk geval in het

(boven)lichaam te steken en/of snijden en/of

- het uitoefenen en/of toepassen van stomp botsend geweld (te weten slaan

en/of stoten en/of duwen) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd en/of

het lichaam van die [Slachtoffer] ;

2.

hij,

op of omstreeks 22 februari 2019 te Oss, in elk geval in de gemeente Oss,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

- een portemonnee met inhoud (bankpassen) en/of

- een of meer mobiele telefoon(s) en/of

- een laptop,

in elk geval wat van zijn/hun gading was,

geheel of ten dele toebehorende aan [Slachtoffer] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [Slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of verdachtes mededader(s):

- eenmaal of meermalen voornoemde [Slachtoffer] met een mes, in elk geval met een

scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, in elk geval in het

(boven)lichaam te steken en/of snijden en/of

- het uitoefenen of toepassen van stomp botsend geweld (te weten slaan en/of

stoten en/of duwen) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd en/of het

lichaam van die [Slachtoffer] ,

welk(e) feit(en) de dood van die [Slachtoffer] ten gevolge heeft/hebben gehad;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij,

op of omstreeks 22 februari 2019 te Oss, in elk geval in de gemeente Oss,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [Slachtoffer] heeft gedwongen tot

afgifte van:

- een portemonnee met inhoud (bankpassen) en/of

- een of meer mobiele telefoon(s) en/of

- een laptop,

in elk geval wat van zijn/hun gading was,

geheel of ten dele toebehorende aan die [Slachtoffer] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of verdachtes mededader(s):

- eenmaal of meermalen voornoemde [Slachtoffer] met een mes, in elk geval met een

scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, in elk geval in het

(boven)lichaam te steken en/of snijden en/of

- het uitoefenen of toepassen van stomp botsend geweld (te weten slaan en/of

stoten en/of duwen) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd en/of het

lichaam van die [Slachtoffer] ,

welk(e) feit(en) de dood van die [Slachtoffer] ten gevolge heeft/hebben gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De waardering van het bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft op gronden zoals vervat in het schriftelijk requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde doodslag, met uitzondering van het ten laste gelegde medeplegen. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die fors en fataal geweld heeft uitgeoefend op [Slachtoffer] door hem te steken met een mes en hem letsel toe te brengen.

Ook de onder feit 2 primair ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen. Zij acht het aannemelijk dat er bij het eerste contact met [Slachtoffer] direct geweld is gebruikt om binnen te komen en is van mening dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededader.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft op gronden vervat in het op schrift gestelde pleidooi vrijspraak bepleit van de primair ten laste gelegde moord en de subsidiair ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Primair is betoogd dat de verklaringen van [Medeverdachte 1] gelet op de Vidgen-jurisprudentie uitgesloten dienen te worden van het bewijs. Subsidiair is betoogd dat deze verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn om als bewijs te kunnen dienen. Al met al is er geen, althans onvoldoende bewijs voor voorbedachte raad. Daarnaast is geen sprake van het om het leven brengen van [Slachtoffer] met het oogmerk om het wegnemen van geld en/of goederen te vergemakkelijken. Ten aanzien van de meer subsidiair ten laste gelegde doodslag refereert de verdediging zich aan een bewezenverklaring, waarbij wordt verzocht verdachte partieel vrij te spreken van ‘medeplegen’.

Ten aanzien van de onder feit 2 ten laste gelegde diefstal c.q. afpersing, voorzien van de strafverzwarende omstandigheden van geweld en de dood ten gevolge hebbend, is het pleidooi gelijkluidend. De raadsman voert aan dat uit de verklaring van verdachte volgt dat verdachte na de opmerking van [Slachtoffer] over de zus van verdachte, [Slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Na het overlijden van [Slachtoffer] wordt in de woning gezocht en worden de ten laste gelegde goederen meegenomen. De raadsman bepleit samengevat dat het door verdachte gebruikte geweld dat de dood van [Slachtoffer] ten gevolge heeft gehad, niet is gepleegd met het oogmerk om de diefstal te vergemakkelijken. De verdediging refereert zich aan een bewezenverklaring van ‘diefstal’ en heeft zich niet uitgelaten over het ‘medeplegen’.

Het oordeel van de rechtbank. 1

Aantreffen stoffelijk overschot en situatie plaats delict.

Op zaterdag 23 februari 2019 werd op de tiende verdieping van een appartementencomplex aan [Adres] te Oss het levenloze lichaam aangetroffen van de bewoner van nummer [Adres] . Het 63-jarige slachtoffer, [Slachtoffer] , werd door zijn zoon, [Persoon] , liggend op de grond aangetroffen met diverse steekverwondingen.2 Diverse politie-eenheden kwamen ter plaatse. Het slachtoffer werd naast de bank op de grond aangetroffen met zijn gezicht onder het bloed. Direct werd uitgegaan van een niet natuurlijke dood. De deuren van een kast in de woonkamer stonden open en de lades lagen op de grond. Op de bank lagen diverse papieren en enveloppen.3 Aan de binnenzijde van de kast in de woonkamer werden meerdere geschreven pincodes aangetroffen, waaronder de bij de pinpas van bankrekeningnummer [Nummer] .4

Schouw en sectie.

Het lichaam van het slachtoffer werd op 23 februari 2019 omstreeks 23:10 uur geschouwd. Gezien de postmortale veranderingen en de temperatuurmeting werd geschat dat het slachtoffer waarschijnlijk op 22 februari 2019 tussen 17:00 uur en 23:00 uur was overleden ten gevolge van zware mishandeling.5 Na sectie op het lichaam bleek dat het slachtoffer onder andere de neus, de onder- en bovenkaak, de jukbeenderen, meerdere ribben en de oogkassen had gebroken, steekverwondingen links in het gezicht en midden op de borstkas had en meerdere halsstructuren waren doorkliefd. De steekverwonding op de borst had het borstbeen, een grote ader en de rechterborstholte geperforeerd. De maximaal gemeten steekkanaaldiepte was minstens 8,2 centimeter. Het overlijden van [Slachtoffer] kon worden verklaard door één steekletsel in de borst. De overige zeven steek- en circa 27 snijletsels, alsmede de stomp-botsende geweldsinwerking op het aangezicht en de romp hebben (mogelijk) een bijdrage geleverd aan de (snelheid van) het overlijden.6

Vaststellingen aan de hand van camerabeelden.

Vast is komen te staan dat de woningen in het appartementencomplex alleen maar zijn te bereiken via de centrale toegangshal en de van daaruit te bereiken liftruimte of het trapportaal. De liftruimte en het trapportaal zijn van de centrale toegangshal afgescheiden door middel van een schuifdeur die alleen met een zogenoemde “druppel” kan worden geopend, dan wel automatisch vanuit de woningen zelf.7 In het appartementencomplex zijn meerdere camera’s aanwezig die beeldmateriaal hebben opgenomen in en rondom het flatgebouw.8 Bij het uitkijken van de camerabeelden van de centrale toegangshal is te zien dat op vrijdag 22 februari 2019 omstreeks 12.44 uur een grote, fors gebouwde en een kleinere man het complex binnenkomen en dat ze zich opvallend gedragen. De grootste man werd later geïdentificeerd als verdachte [Verdachte] en de kleinere man als verdachte [Medeverdachte 2] . Op de beelden is te zien dat de mannen naar het paneel lopen met de huisdeurbellen en dat zij zich ophouden ter hoogte van de woningbel van nummer [Adres] . Vervolgens lopen zij naar de wand waar zich de brievenbussen bevinden. Te zien is dat verdachte [Verdachte] een blik werpt in de brievenbus van de woning van het latere slachtoffer. Vervolgens vertrekken de mannen weer. Op de beelden van de camera’s in de liften is te zien dat het slachtoffer op 22 februari 2019 omstreeks 14:34 uur op de tiende verdieping in de lift stapt en naar beneden gaat, zijn brievenbus opent, weer in de lift stapt en omstreeks 14:37 uur uitstapt op de tiende verdieping en buiten het zicht van de camera’s verdwijnt. [Verdachte] en [Medeverdachte 1] komen diezelfde dag om 15.15 uur voor de tweede keer het appartementencomplex aan [Adres] binnen. Zij lopen naar de schuifdeur die toegang geeft tot de liftruimte. Omdat zij geen toegang hebben, lopen zij naar het paneel met deurbellen en blijven staan ter hoogte van de bel van woning [Adres] . In de tussentijd komen er meerdere personen binnen, een man met een fiets ( [persoon 1]9) opent de schuifdeur naar de liftruimte en verdachten [Verdachte] en [Medeverdachte 1] lopen achter hem aan. [Verdachte] en [Medeverdachte 1] stappen in de lift naar de oneven verdiepingen. Te zien is dat [Verdachte] op de knop drukt van de negende verdieping. Beide mannen stappen uit op de negende verdieping en verdwijnen dan uit beeld. Diezelfde dag, omstreeks 16.51 uur, is op camerabeelden van de lift op de tiende verdieping te zien dat [Verdachte] en [Medeverdachte 1] in deze lift stappen. Beide mannen draaien bij binnenkomst in de lift hun hoofd weg van de spiegel die hangt aan de achterwand van de lift. [Medeverdachte 1] duwt met zijn elleboog op de knop van de begane grond om de lift te bedienen. Te zien is dat [Medeverdachte 1] een extra blauwe plastic Albert Heijn boodschappentas met inhoud draagt. In deze tas zit iets roodkleurigs. Deze tas is op de beelden van 22 februari 2019 niet eerder zichtbaar. [Verdachte] heeft een blauw doekje in zijn rechterhand dat hij onder zijn linkerarm houdt. [Medeverdachte 1] draagt een rugzak op zijn rug met het opschrift ‘Puma’. Deze rugzak is nu, in tegenstelling tot het moment van binnenkomst, in zijn geheel gesloten. Beide mannen kijken in de lift naar beneden, weg van de camera. Beneden aangekomen houdt [Verdachte] de hand met het blauwe doekje op zijn rug. In diezelfde hand heeft hij ook een zwart stoffen voorwerp vast. [Verdachte] en [Medeverdachte 1] verlaten vervolgens het gebouw en houden zich enige tijd op in de bosschages bij het nabijgelegen park waarna zij uit het zicht van de camera verdwijnen.10

Weggenomen goederen.

De zoon van het slachtoffer, [Persoon] , heeft verklaard dat hij de mobiele telefoon, de portemonnee en de laptop van zijn vader niet op de gebruikelijke plaatsen (op het nachtkastje/op de (salon)tafel) zag liggen toen hij op 23 februari 2019 de woning aan [Adres] binnenkwam.11 Verdachte [Verdachte] heeft ter terechtzitting van 15 juni 2021 verklaard dat hij en [Medeverdachte 1] deze goederen hebben meegenomen.12

Gezamenlijk pinnen.

Op de camerabeelden van winkelcentrum “De Ruwert” is te zien dat verdachten [Verdachte] en [Medeverdachte 1] op 22 februari 2021 omstreeks 17:21 uur bij het winkelcentrum aankomen en daar naar binnen gaan.13 Op 22 februari 2019 werd van het bankrekeningnummer [Nummer] op naam van het slachtoffer tussen 17:26 uur en 17:43 uur vier maal een geldbedrag gepind bij de geldautomaat van de Rabobank die zich in dit winkelcentrum bevindt. Hierbij werd het dagmaximum van 1.250 euro bereikt. Tevens werd meermaals een verkeerde pincode ingegeven.14 Verdachte [Verdachte] heeft ter terechtzitting van 15 juni 2021 verklaard dat hij tussen 17:26 uur en 17:32 uur en 17:40 uur en 17:43 uur de pinhandelingen bij de pinautomaat heeft verricht.15 Uit onderzoek is gebleken dat er door [Getuige] tussen de eerste en de tweede reeks aan pinpogingen geld is opgenomen bij dezelfde geldautomaat. [Getuige] werd als getuige gehoord en verklaarde dat hij op 22 februari 2019 omstreeks 17:32 uur inderdaad geld had opgenomen. Het was hem opgevallen dat er door twee mannen voor hem werd geprobeerd geld op te nemen bij de automaat met meer dan één pinpas. Beide mannen spraken in de Poolse taal met elkaar. De ene man was duidelijk groter dan de ander. Uit de rugzak van de kleine man werd een bankpas en een papiertje gehaald. De grote man verrichtte de pinhandelingen terwijl de kleine man iets van het papier aflas. De kleine man probeerde de toetsen in te drukken, maar werd hierbij tegengehouden door de grote man. Volgens de getuige las de een de in te drukken cijfers voor aan de ander. Hij zag dat de grootste man de gepinde bankbiljetten in zijn jaszak stak, ook had hij gezien dat er niet na iedere pinpoging geld werd uitgegeven.16

Verklaring gang van zaken verdachte [Verdachte] .

Verdachte [Verdachte] heeft bekend [Slachtoffer] om het leven te hebben gebracht. Hij heeft verdachte [Medeverdachte 1] op 22 februari 2019 op het busstation in Den Bosch leren kennen. Die dag hebben zij al hun geld opgemaakt aan alcoholische drank. Op het station vertelde [Verdachte] aan [Medeverdachte 1] dat hij wel iemand kende die hen geld zou willen lenen, namelijk [Slachtoffer] . Deze [Slachtoffer] kende hij via zijn zus. Beiden waren hierop, zonder te betalen, per trein van Den Bosch naar Oss gereisd en naar de flat aan [Adres] gegaan. Omdat ze niet naar binnen konden, zijn ze naar winkelcentrum “De Ruwert” gegaan, hebben daar flessen alcohol “bemachtigd”, hebben deze flessen op een bankje opgedronken en zijn vervolgens teruggegaan naar de flat waar zij hebben gewacht totdat iemand de deur naar de lift zou openen. Ze zijn toen met iemand meegelopen en zijn met de lift naar de negende verdieping gegaan. Verdachte verklaart bij [Slachtoffer] te hebben aangebeld waarna zowel hij als [Medeverdachte 1] door [Slachtoffer] zijn binnengelaten. [Slachtoffer] had hen nog zo’n 40 euro gegeven. Het gesprek ging na het overhandigen van het geld over de zus van [Verdachte] . [Verdachte] zat op dat moment naast [Slachtoffer] op de bank. Omdat [Slachtoffer] een vervelende opmerking zou hebben gemaakt over de zus van [Verdachte] , werd het verdachte [Verdachte] zwart voor de ogen en had hij [Slachtoffer] met zijn vuisten in zijn gezicht en op zijn hoofd geslagen, aldus [Verdachte] . [Slachtoffer] viel vervolgens van de bank op de grond waarna verdachte hem tegen zijn hoofd en tegen zijn ribben heeft geschopt. [Verdachte] heeft vervolgens een mes gepakt dat in de woning lag en heeft daarmee [Slachtoffer] – naar eigen zeggen – ’in een vlaag’ gedood door hem meer dan tien keer te steken en te snijden. [Verdachte] heeft het slachtoffer gesneden/gestoken in zijn oog, aan zijn schedel, in zijn borstkas en in zijn gezicht. Hij zag dat hij hierbij een slagader in de nek raakte, want hij zag ineens heel veel bloed stromen. Hij zag dat [Slachtoffer] op den duur niet meer bewoog en ging ervan uit dat hij was overleden. [Verdachte] heeft daarna de bankpasjes van [Slachtoffer] uit zijn portemonnee gehaald en is met [Medeverdachte 1] op zoek gegaan naar de pincodes die aan de binnenkant van de kast in de woonkamer stonden geschreven. [Verdachte] heeft met het oog hierop de kastjes overhoop gehaald en [Medeverdachte 1] heeft de pincodes opgeschreven. Ook de portemonnee zelf, een laptop, een mobiele telefoon en een vast telefoontoestel hebben zij meegenomen uit de woning. [Medeverdachte 1] en [Verdachte] hebben de spullen verzameld en in de rugzak en de plastic tas gedaan die door [Medeverdachte 1] op de camerabeelden werden gedragen. Daarna zijn zij naar het winkelcentrum gegaan om geld op te nemen. Met de bankpasjes hebben zij in totaal 1.250 euro gepind. De tas met weggenomen goederen, het mes en een bebloede handdoek hebben zij in Amsterdam in het water gegooid.17

De verklaring van [Verdachte] dat hij met [Medeverdachte 1] in de woning aanwezig is geweest. vindt steun in de DNA-onderzoeken op onder andere de kleding die het slachtoffer [Slachtoffer] droeg op het moment van aantreffen. Onder de in beslag genomen kleding bevond zich een trui. Op deze trui is – kort gezegd – het DNA van beide verdachten aangetroffen. De bemonstering van de buitenzijde van de trui werd van SIN-nummer AALS9274NL. De bemonstering werd voor verder onderzoek ter beschikking gesteld aan het Nederlands Forensisch Instituut. Het NFI onderzocht de trui op de aanwezigheid van DNA. Van het DNA in bemonstering AALS9274NL#05 (buitenzijde trui slachtoffer [Slachtoffer] ) is een DNA-mengprofiel verkregen van minimaal drie personen. Op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek met het DNA-profiel van het slachtoffer en personen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken kon worden geconcludeerd dat het DNA afkomstig kan zijn van het slachtoffer [Slachtoffer] (een relatief grote hoeveelheid), verdachte [Medeverdachte 2] en verdachte [Verdachte] (een relatief kleine hoeveelheid). Ten aanzien van DNA-profiel AALS9274NL#05 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 5 (de bemonstering bevat DNA van slachtoffer [Slachtoffer] , verdachte [Medeverdachte 2] en één willekeurige onbekende, niet aan verdachte [Medeverdachte 2] verwante, persoon) waar is, dan wanneer hypothese 6 (de bemonstering bevat DNA van slachtoffer [Slachtoffer] en twee willekeurige onbekende, niet onderling of aan verdachte [Medeverdachte 2] verwante, personen) waar is. Ten aanzien van DNA-profiel AALS9274NL#05 is het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 3 (de bemonstering bevat DNA van slachtoffer [Slachtoffer] , verdachte [Verdachte] en één willekeurige onbekende, niet aan verdachte [Verdachte] verwante, persoon) waar is, dan wanneer hypothese 4 (de bemonstering bevat DNA van slachtoffer [Slachtoffer] en twee willekeurige onbekende, niet onderling of aan verdachte [Verdachte] verwante, personen) waar is.18

Vrijspraak feit 1 primair, subsidiair, alsmede feit 2 primair, partieel (ten aanzien van de geweldscomponent en strafverzwarende omstandigheid ‘de dood ten gevolge hebbend’).

Moord

Met de officier van justitie en de raadsman van verdachte, acht de rechtbank het onder feit 1 primair ten laste gelegde – medeplegen van moord – niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de rechtbank verdachte daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen die verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting heeft afgelegd een belangrijke contra-indicatie opleveren voor de aanwezigheid van voorbedachte raad. Uit die verklaringen volgt immers dat verdachte naar het slachtoffer toegegaan is om met hem te praten over zijn zus, die in 2017 in de woning van het slachtoffer is overleden en wier dood verdachte het slachtoffer verweet, en om geld van hem te lenen. Op enig moment tijdens het gesprek over zijn zus, werd het hem zwart voor de ogen en vond de geweldsexplosie plaats, waarbij verdachte het slachtoffer heeft geslagen, geschopt en met mes heeft gestoken en gesneden. Volgens verdachte heeft hij het slachtoffer ‘in een vlaag’ gedood.


Gelet op die verklaringen van verdachte en bij gebreke van andersluidende bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Niet wettig bewezen kan worden dat verdachte tevoren daadwerkelijk het plan had opgevat om het slachtoffer van het leven te beroven. De besluitvorming en de uitvoering van het besluit om het slachtoffer te doden zijn tot stand gekomen in een (zodanig) korte tijdspanne, terwijl het handelen van de verdachte bovendien door gevoelens van heftige emotie werd beheerst, dat niet kan worden bewezen verklaard dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De rechtbank zal daarom de verdachte vrijspreken van (het medeplegen van) moord.

Gekwalificeerde doodslag

De rechtbank is eveneens met de officier van justitie en de raadsman van verdachte van oordeel dat de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De rechtbank overweegt in dat kader als volgt.

Om tot een bewezenverklaring te komen van de ten laste gelegde doodslag gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van diefstal (met geweld), moet sprake zijn van het oogmerk om de uitvoering van die diefstal (met geweld) voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. Met andere woorden, de doodslag moet zijn gepleegd ten dienste van de diefstal (met geweld).

Uit de bewijsmiddelen kan echter niet worden afgeleid dat de doodslag is gepleegd met het specifieke doel om de diefstal (met geweld), kort gezegd, te vergemakkelijken. Bewijsmiddelen waaruit zou moeten worden afgeleid dat verdachten met het doel om het slachtoffer te beroven naar zijn woning zijn gegaan en daarbij het slachtoffer hebben gedood om die diefstal, kort gezegd, te vergemakkelijken, zijn niet voorhanden. Integendeel; uit de bewijsmiddelen volgt eerder dat verdachten pas nadát het slachtoffer was overleden, het plan hebben opgevat om diens appartement te doorzoeken en mee te nemen wat van hun gading was. Nu het bijkomende oogmerk niet bewezen kan worden, dient verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

Diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbend

Gelet op het voorgaande dient ook – partieel – te worden vrijgesproken van de onder feit 2 primair ten laste gelegde geweldscomponent, alsmede van de strafverzwarende omstandigheid van artikel 312, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (de dood ten gevolge hebbend). De rechtbank kan immers uit de bewijsmiddelen niet afleiden dat het geweld dat door verdachte op het slachtoffer is uitgeoefend ten dienste stond van de latere diefstal. Het vereiste oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, kan niet worden bewezen. Ook kan niet worden bewezen dat de dood van het slachtoffer het gevolg is geweest van de diefstal. Zoals hiervoor reeds is overwogen, komt de rechtbank op grond van de wettige bewijsmiddelen tot het oordeel dat het voornemen om het slachtoffer te beroven, pas is ontstaan nadat het slachtoffer was overleden. Van een verband tussen het overlijden van het slachtoffer en de diefstal is de rechtbank niet gebleken.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de diefstal met geweld tot bewezenverklaring gerekwireerd. Zij heeft daarbij gewezen op de verklaring die de medeverdachte heeft afgelegd over het doel van hun bezoek aan het slachtoffer en over de wijze waarop zij zijn binnengegaan in diens woning. De rechtbank overweegt dat, voor zover al uit die verklaring zou blijken dat sprake is van toegepast geweld met het oogmerk om de diefstal op enigerlei wijze te vergemakkelijken, die verklaring op voornoemde onderdelen zó innerlijk tegenstrijdig en niet consistent is, dat de rechtbank die verklaring niet tot het bewijs zal bezigen. Bovendien wordt de verklaring op die onderdelen niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Aangezien de rechtbank de verklaring van [Medeverdachte 1] niet tot het bewijs zal bezigen, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het door de verdediging gevoerde, zogenoemde, ‘Vidgen-verweer’.

Nadere bewijsoverwegingen doodslag (feit 1 meer subsidiair) en diefstal in vereniging (feit 2 primair).

Doodslag

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van verdachte van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd. Uit de door verdachte bij de politie en ter terechtzitting afgelegde verklaringen volgt onder meer dat hij het slachtoffer heeft geslagen en meerdere malen met een mes in zijn borst en hoofd heeft gestoken en gesneden en dat verdachtes opzet daarbij gericht was op het doden van het slachtoffer.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier geen bewijs dat de verdachte in bewuste en nauwe samenwerking met de medeverdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd, of daartoe een gezamenlijk plan heeft beraamd. De verdachte dient van het ten laste gelegde medeplegen te worden vrijgesproken.

Diefstal in vereniging

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte, samen met de medeverdachte, de woning van het slachtoffer heeft doorzocht. Zij hebben vervolgens de portemonnee van het slachtoffer, zijn bankpassen, mobiele telefoon en laptop meegenomen. Deze goederen zijn in de rugzak van verdachte en in een plastic tas gedaan en door verdachte en de medeverdachte meegenomen uit het appartementencomplex. Vervolgens zijn beide verdachten met de weggenomen goederen naar het nabijgelegen winkelcentrum gegaan, waar zij tezamen bij de pinautomaat handelingen hebben verricht met de bankpassen van het slachtoffer.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte, welke samenwerking in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden, vervat in de bewijsmiddelen en hetgeen daarover is overwogen, in onderling verband en in samenhang bezien, verklaart de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

(meer subsidiair)

op 22 februari 2019 te Oss, [Slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door:

- voornoemde [Slachtoffer] met een mes in de borst en het (boven)lichaam te steken en/of te snijden en

- het uitoefenen van stomp botsend geweld (te weten slaan en/of stoten) tegen het hoofd en/of het lichaam van die [Slachtoffer] ;

2.

(primair)

op 22 februari 2019 te Oss, tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

- een portemonnee met inhoud (bankpassen) en

- een mobiele telefoon en

- een laptop,

toebehorende aan [Slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar met aftrek van voorarrest. De ernst van het feit en de gedachte van vergelding en bescherming van de samenleving speelt een grote rol.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht om aansluiting te zoeken bij soortgelijke zaken en aan verdachte niet meer dan het uitgangspunt van 8 jaar gevangenisstraf op te leggen. Bij de strafoplegging dient daarnaast te worden meegewogen dat de redelijke termijn in aanzienlijke mate is overschreden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Tot slot zal de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn in relatie tot de strafoplegging bespreken.

De ernst van het feit

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 22 februari 2019 [Slachtoffer] gedood. Verdachte heeft in een explosie van geweld, onder meer door het toebrengen van een zeer groot aantal steek- en snijverwondingen, [Slachtoffer] op 63-jarige leeftijd in zijn eigen woning het leven benomen, de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed. Nadat verdachte had gezien dat het slachtoffer was overleden, heeft hij samen met een ander het huis van [Slachtoffer] doorzocht en hebben zij een portemonnee met pinpassen, een mobiele telefoon en een laptop gestolen. Van het gepinde geld dat met één van de gestolen bankpassen werd verkregen, zijn ze naar Amsterdam gereisd en hebben zij een hotelovernachting bekostigd en er nieuwe kleren en telefoons gekocht.

Verdachte heeft die bewuste dag samen met een ander een onaangekondigd bezoek gebracht aan de woning van het latere slachtoffer. Hij kende [Slachtoffer] en had hem in het verleden een paar keer ontmoet omdat zijn zus jarenlang bij de man had gewoond. Zijn zus is op 15 mei 2017 overleden. Omdat verdachte wist dat hij vanwege gebeurtenissen in het verleden niet zomaar welkom was bij [Slachtoffer] , heeft hij niet aangebeld bij de entree van het appartementencomplex maar is hij samen met zijn landgenoot via een andere persoon het complex binnengeglipt en heeft hij vervolgens bij de woning van [Slachtoffer] aangeklopt. Verdachte verklaart tijdens zijn bezoek aan [Slachtoffer] op een gegeven moment in een enorme woede te zijn ontstoken, naar zijn zeggen omdat [Slachtoffer] een respectloze opmerking over zijn zus zou hebben gemaakt. Daarna zou hij zichzelf niet meer zijn geweest en heeft hij in een vlaag veel – naar eigen zeggen: beestachtig - geweld tegen [Slachtoffer] uitgeoefend.

Het slachtoffer moet onbeschrijfelijk veel angst, pijn en machteloosheid hebben ervaren in de momenten voorafgaande aan zijn overlijden. In lichamelijk opzicht was [Slachtoffer] , die een zwakke lichamelijke gezondheid had, geen partij voor verdachte die zeer groot en sterk is. Daarnaast heeft verdachte de nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan. In hun slachtofferverklaringen die zij ter terechtzitting hebben voorgelezen, hebben zij op indrukwekkende wijze uitdrukking gegeven aan hun diepe verdriet vanwege het overlijden van hun vader en broer en ook hun totale onbegrip geuit ten aanzien van het zeer gewelddadige handelen van verdachte jegens [Slachtoffer] , die zij kenden als een zeer zachtaardige en zorgzame man. Een delict als doodslag veroorzaakt bovendien veel maatschappelijke onrust en leidt tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers, zeker als dat plaatsvindt in iemands eigen huis.

Bij de oplegging van de straf houdt de rechtbank tevens rekening met de bewezen verklaarde diefstal, tezamen en in vereniging met een ander, meteen na het overlijden van [Slachtoffer] . Verdachte heeft op nietsontziende en laaghartige wijze geprofiteerd van het overlijden van [Slachtoffer] door na de doding in diens huis naar pincodes te zoeken, waardevolle spullen mee te nemen en aansluitend geld te gaan pinnen met de gestolen pinpassen.

Bij de strafoplegging betrekt de rechtbank dat verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Ter zitting heeft verdachte spijt betuigd jegens de nabestaanden. Hij heeft zich hierbij tot de nabestaanden gewend en zich ingespannen om in de Nederlandse taal minutenlang te spreken over het diepe besef wat hij gedaan heeft en de onherstelbaarheid ervan, over zijn – wat hij noemt – beestachtig handelen, over het onvoorstelbaar verdriet bij de nabestaanden en over de hoge straf die hij verdient. Deze indrukwekkende spijtbetuiging ten dienste van de nabestaanden kwam op de rechtbank oprecht over en werd eveneens op die wijze benoemd door de officier van justitie en zijn raadsman.

De persoon van verdachte en de toerekenbaarheid

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een geweldsfeit, niet in Nederland en ook niet in Polen. In Polen is hij in 2015 veroordeeld voor fraude.

Verdachte is onderzocht in het Pieter Baan Centrum (PBC).19

De deskundigen geven het volgende aan: “Bij betrokkene is primair sprake van een chronische en zeer ernstige stoornis in alcoholgebruik vastgesteld. Hij gebruikt dagelijks in grote hoeveelheden alcohol met daags erop in de regel onttrekkingsverschijnselen. Daarbij drinkt hij zoveel, dat sprake is van intoxicaties (ziekmakende vergiftiging) en ontremming. De ontremming leidt vaak tot ernstige gedrags- en stemmingsproblemen zoals suïcidaliteit, automutilatie en agressief dreigend gedrag, waardoor herhaaldelijk opnames in klinieken nodig waren. (…) Hierin staat een roep om aandacht centraal. Weliswaar dreigt hij soms met agressie naar anderen, maar daadwerkelijk fysiek gewelddadig jegens anderen lijkt hij niet eerder te zijn geweest. (…) Dat maakt het de situatie rondom het ten laste gelegde uitzonderlijk.”

De deskundigen hebben verder vastgesteld dat er sprake is van borderline, histrionische en antisociale persoonlijkheidstrekken, maar dat zij door beperkingen in het onderzoek, niet hebben kunnen beoordelen of genoemde persoonlijkheidskenmerken in die mate aanwezig zijn dat gesproken kan worden van een persoonlijkheidsstoornis, zodat die niet kan worden onderbouwd, noch uitgesloten. Hoewel de ernstige stoornis in het alcoholgebruik ook aanwezig was ten tijde van het ten laste gelegde, is onduidelijk gebleven in hoeverre verdachte toen onder invloed was van alcohol.

Daarnaast bestaat er voor de deskundigen onduidelijkheid omtrent het delictscenario. Met betrekking tot de toerekenbaarheid schrijven de deskundigen: “De agressieve acties van betrokkene, als hij onder invloed van alcohol is, zijn zoals gezegd altijd gericht geweest op zichzelf. Daardoor kan – wat het delictscenario ook mag zijn – een causaal, lineair verband tussen de psychopathologie en het ten laste gelegde feit niet worden onderbouwd.”

De rechtbank neemt vorenstaande conclusies van de deskundigen over. De rechtbank overweegt dat uit het dossier naar voren komt dat verdachte in de dagen voorafgaande aan de doodslag fors onder invloed van drank was, dat hij meermalen de politie belde dat hij zichzelf iets zou aandoen en dat hij fors in de war was. Dit beeld kwam in het verleden veelvuldig voor: verdachte was agressief naar zichzelf, van daadwerkelijk fysiek geweld in het verleden naar anderen is niet gebleken. Het geweld jegens [Slachtoffer] wijkt daarvan af. Nu het verband tussen de stoornis en het bewezen verklaarde niet kan worden onderbouwd, acht de rechtbank ten aanzien van het bewezen verklaarde verdachte volledig toerekeningsvatbaar. Voor zover alcoholgebruik heeft bijgedragen aan de ontremming van verdachte, overweegt de rechtbank dat verdachte uitgebreid bekend was met de effecten van alcohol op zijn psyche zodat dat gegeven niet van invloed is op de mate van toerekenbaarheid. Verdachte is derhalve volledig toerekeningsvatbaar te achten.

De redelijke termijn

De raadsman heeft overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met de bewezen verklaarde feiten in voorlopige hechtenis verkeert te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen – waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – kan echter in bepaalde gevallen worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.

Naar het oordeel van de rechtbank is in de onderhavige zaak de redelijke termijn op 6 maart 2019 aangevangen toen verdachte in Polen werd aangehouden en hem werd duidelijk gemaakt dat de Nederlandse autoriteiten uitlevering wensten voor zijn vervolging op verdenking van moord. Op 30 juni 2021 wordt vonnis gewezen. De tijd tussen de aanhouding en de uitspraak bedraagt iets minder dan 28 maanden. Verdachte heeft echter meteen na zijn aanhouding in Polen aldaar vanwege een nog uit te zitten Poolse gevangenisstraf, 7 maanden in detentie gezeten en is op 11 oktober 2019 in Nederland in verzekering gesteld. Deze tijd brengt de rechtbank in mindering op de totale termijn, zodat per saldo de redelijke termijn met 5 maanden is overschreden.

De rechtbank overweegt dat de termijnoverschrijding ten eerste verband houdt met het onderzoek van verdachte in het PBC, waar lange wachttijden gelden. De grootste vertraging is evenwel veroorzaakt door (de pogingen tot) het horen van de medeverdachte als getuige, waartoe de verdediging had verzocht. Deze medeverdachte bevond zich inmiddels in Polen en bleek uiteindelijk met zodanige psychische problemen te kampen te hebben, dat hij niet (verder) gehoord kon worden. De rechtbank heeft geconstateerd dat zowel de officier van justitie als de rechter-commissaris (maar ook de verdediging) met betrekking tot de voortgang van het horen van deze getuige steeds de vinger aan de pols hebben gehouden en voortvarend hebben gehandeld door tot het laatst toe in overleg te treden met Poolse instanties om het verhoor doorgang te laten vinden. Dat de zaak niet eerder inhoudelijk op zitting kon worden behandeld lag niet aan de bevoegde autoriteiten (en overigens ook niet aan de verdediging). Bij de vraag of de termijnoverschrijding tot strafvermindering voor verdachte moet leiden, betrekt de rechtbank het gegeven dat de rechtbank tegemoet gekomen is aan het verzoek van de verdediging om bij vervroeging uitspraak te doen, waardoor, anders dan bij vergelijkbare zaken van deze omvang, de termijnoverschrijding met een aantal weken is bekort.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank, alles afwegende, van oordeel dat de redelijke termijn in relatie tot genoemde bijzondere omstandigheden van deze zaak in beperkte mate is overschreden en dat kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.

De straf

Alles afwegende, in bijzonder het gewelddadige en oninvoelbare karakter van de doodslag in de eigen woning van het slachtoffer, acht de rechtbank uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van 12 jaren op zijn plaats.

De vorderingen van de benadeelde partijen

Inleiding

De rechtbank stelt vast dat de gebeurtenissen van 22 februari 2019 een enorme impact hebben gehad op alle betrokkenen en tot groot verdriet hebben geleid. Het leed van de nabestaanden zal op geen enkele wijze kunnen worden gecompenseerd. De rechtbank benadrukt dit omdat de beoordeling van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen een juridische beoordeling is langs de strikte lijnen van het civiele recht. Geen enkel uit te keren schadebedrag zal recht kunnen doen aan het verdriet van de nabestaanden vanwege het gemis van hun vader, broer, oom.

De raadsman van de nabestaanden heeft vijf vorderingen benadeelde partij ingediend: namens de zoon, de dochter, de broer, de neef en de vriendin van de neef van het slachtoffer. De vorderingen omvatten een veelheid aan posten, uiteenlopend van bijvoorbeeld de vergoeding van affectieschade, schokschade, immateriële schade, schade vanwege studievertraging, vergoeding van gederfd inkomen, maar ook van vergoeding van bezoeken aan onder andere de Efteling en de sauna alsmede de bezorging van maaltijden en de aankoop van sigaretten ter ontspanning. Inclusief alle bijlagen beslaan de vorderingen ruim 700 pagina’s.

De raadsman van verdachte heeft gelet op de omvang van de vorderingen en de onoverzichtelijkheid van de diverse posten primair tot niet-ontvankelijkheid van de vordering bepleit op de grond dat de behandeling ervan een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Subsidiair heeft hij verweer gevoerd op de posten.

De rechtbank overweegt dat met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen de wetgever beoogd heeft binnen het strafproces te voorzien in een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Indien echter de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechter bepalen dat die vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen (artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)). Omvangrijke vorderingen passen in beginsel niet in het strafrechtelijk systeem waarin de vordering accessoir dient te zijn aan de strafzaak. Het is een indicatie dat deze het strafgeding onevenredig belast. Daarnaast speelt de complexiteit van bepaalde posten een rol. De rechter moet erop toezien dat sprake is van een eerlijk proces met voldoende mogelijkheden tot partijdebat en bewijslevering over en weer. Is dat (op onderdelen) niet het geval, dan staat dat aan de ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij in de weg. De behandeling daarvan levert dan een onevenredige belasting van het strafproces op en de strafrechter zal de benadeelde partij (op onderdelen) naar de burgerlijke rechter moeten verwijzen.

De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat een algehele niet-ontvankelijkheid verklaring van alle vorderingen te verstrekkend is. Wel zal de rechtbank per vordering en per post kritisch bekijken of er voldaan is aan het vereiste van partijdebat en bewijslevering over en weer. Is daar niet aan voldaan, dan zal de vordering op dat punt niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege een onevenredige belasting van het strafproces.

Juridisch kader

Vordering erfgenamen

Een slachtoffer kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden (artikel 51f, eerste lid, Sv. Indien het slachtoffer ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen diens erfgenamen onder andere ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering zich voegen (artikel 51f, tweede lid, Sv).

Deze schade komt enkel voor vergoeding in aanmerking indien tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (artikel 361, tweede lid, aanhef en onder b, Sv). Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend.

Lijkbezorging

Indien een slachtoffer ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen personen als bedoeld in artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zich ter zake van de daar bedoelde vorderingen voegen (artikel 51f, tweede lid, Sv).

Ingevolge artikel 6:108, tweede lid, BW komen kosten van lijkbezorging voor vergoeding aan degene die de kosten heeft betaald in aanmerking, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.

Affectieschade

Het vorderen van affectieschade is vanaf 1 januari 2019 mogelijk voor de in artikel 6:108, vierde lid, BW genoemde naasten van het door het misdrijf overleden slachtoffer. De aanspraak op affectieschade is een naar omvang beperkte vergoeding, die vooral beoogt het leed van de naasten en nabestaanden te erkennen. Onder deze naasten vallen onder meer degene die ten tijde van het overlijden het kind van de overledene is (lid 4 sub d).

Gederfd levensonderhoud

Ingevolge artikel 51f, tweede lid, Sv kunnen personen als bedoeld in artikel 6:108, eerste lid, van het BW zich ter zake van de daar bedoelde vorderingen voegen indien een slachtoffer ten gevolge van het strafbare feit is overleden.

Op grond van artikel 6:108, eerste lid, BW kunnen onder andere bloed- of aanverwanten van de overledene vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud vorderen, mits de overledene reeds ten tijde van het overlijden geheel of ten dele in hun levensonderhoud voorzag of daartoe krachtens rechterlijke uitspraak verplicht was.

Shockschade

De Hoge Raad (hierna: HR) heeft in diverse uitspraken bepaald welke eisen gelden om aan te kunnen nemen dat sprake is van een onrechtmatige daad die verplicht tot vergoeding van deze vorm van schade (zie onder meer HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).

Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het ten laste gelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan.

Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het ten laste gelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

De hoogte van de geleden shockschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank merkt daarbij op dat bij shockschade de specifieke omstandigheden van het geval dusdanig bepalend zijn, dat verschillende strafzaken zich nooit echt goed laten vergelijken.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft op voorhand een schriftelijk standpunt ingenomen met betrekking tot de vorderingen benadeelde partij. Een kopie van het door de officier van justitie ter terechtzitting gehandhaafde standpunt, is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De inhoud dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft op voorhand een op schrift gestelde standpunt van de verdediging toegezonden. Een kopie van het standpunt van de verdediging waarbij puntsgewijs op de posten wordt ingegaan, is aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Namens de verdediging is primair betoogd dat alle vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard gelet op – verkort weergegeven – de omvang van de vorderingen mede in verhouding tot de strafzaak, het partijdebat dat in een strafzaak slechts beperkt kan plaatsvinden en nader (deskundig) onderzoek dat nodig is.

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair en feit 2:

De vordering van de benadeelde partij nabestaanden/erfgenamen van het slachtoffer [Slachtoffer] , [Persoon] en [persoon 2] .

De vordering.

Namens de erfgenamen van [Slachtoffer] (dochter [persoon 2] en zoon [Persoon] ) is een bedrag van € 5.801,60 aan materiële schade gevorderd. Deze schade is opgebouwd uit de volgende posten:

- Gepind geldbedrag met de gestolen pas

€ 1.250,00

- Gestolen goederen (laptop, huistelefoon, gsm, portemonnee, fotokalender en asbak)

€ 800,00

- Hypotheekrente

€ 1.082,55

- Kosten rekening Rabobank

€ 51,15

- Vergoeding Vereniging van Eigenaren

- Inboedel- en autoverzekering

€ 1.102,29

€ 335,89

- Gas en elektra

€ 129,78

- Motorrijtuigenbelasting

- Schoonmaakkosten woning

€ 282,00

€ 367,15

- Gemeentebelasting

- Kosten van de druppel

€ 350,79

€ 50,00

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door de diefstal toegebrachte schade, een materiële schadevergoeding voor het gepinde geldbedrag met de gestolen pas (€ 1.250,00).

Daarnaast acht de rechtbank een materiële schadevergoeding voor de gestolen goederen toewijsbaar.

Bij het vaststellen van de hoogte van deze post maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 BW. De rechtbank heeft daarbij gelet op de door de erfgenamen overgelegde stukken alsmede op de ouderdom en dus de afschrijving van de goederen. Gelet daarop schat de rechtbank deze post op een bedrag van € 200,00. Het meer gevorderde bedrag, te weten € 600,00, wordt afgewezen.

Met betrekking tot de overige onderdelen van dit deel van de vordering (in totaal een bedrag van € 3.751,60 aan materiële schade) zal de rechtbank de erfgenamen niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering. De rechtbank neemt hierbij de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing en de betwisting van deze posten door de verdediging in acht. De rechtbank is van oordeel dat een rechtstreeks verband tussen deze gevorderde posten en de bewezen verklaarde feiten niet zonder meer duidelijk is en dat het daarvoor vereiste onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert als bedoeld in artikel 361, derde lid, Sv.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de diefstal samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de erfgenamen hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Conclusie.

Verdachte en/of zijn mededader dienen een bedrag van € 1.450,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 22 februari 2019, te betalen aan de erfgenamen van [Slachtoffer] . Beide erfgenamen, [Persoon] en [persoon 2] , kunnen aanspraak maken op de helft van dit bedrag (€ 725,00). Tevens wordt de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Een bedrag van € 600,00 wordt afgewezen en de erfgenamen zijn in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk. De erfgenamen kunnen dit resterende deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken en die op dit moment worden begroot op nihil.

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

De vordering van de benadeelde partij [Persoon] .

De vordering.

De zoon van [Slachtoffer] , [Persoon] , heeft vergoeding van zowel materiële als immateriële schade gevorderd tot een bedrag van € 124.852,79. Deze schade is opgebouwd uit de volgende posten:

- Kosten rondom lijkbezorging

€ 1.579,77

- Affectieschade

€ 17.500,00

- Gederfd levensonderhoud

€ 23.464,67

- Shockschade

o Reiskosten

o Telefoon- en portokosten

o Verlies aan verdienvermogen

o Studievertraging

o Smartengeld

€ 250,00

€ 100,00

€ 5.404,60

€ 56.512,68

€ 20.000,00

- Proceskosten

€ 41,07

Beoordeling.

Kosten lijkbezorging

Deze post is opgebouwd uit parkeerkosten ten behoeve van het ophalen van [persoon 2] en haar gezin op Schiphol € 14,00 en andere kosten in verband met bijeenkomsten rondom het overlijden en de voorbereiding van de begrafenis € 1.593,77 (inclusief voormelde parkeerkosten op Schiphol), betreffende onder meer ontspanningskosten, maaltijden, aankoop boeken etc. Aangezien op grond van de DELA Geldverzekering een bedrag van € 530,88 aan de erfgenamen is uitbetaald wegens een ongebruikt tegoed op deze (uitvaart)verzekering, kan dit bedrag volgens [Persoon] in mindering worden gebracht op de gevorderde kosten.

De rechtbank is van oordeel dat de – niet betwiste en genoegzaam onderbouwde – parkeerkosten voor toewijzing vatbaar zijn. Voor wat betreft de overige gevorderde kosten aan lijkbezorging (de rechtbank begrijpt € 1.579,77) is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De rechtbank neemt hierbij de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing en de betwisting van deze posten door de verdediging in acht. De rechtbank is van oordeel dat een rechtstreeks verband tussen deze posten en de bewezen verklaarde feiten niet zonder meer duidelijk is en dat het daarvoor vereiste onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert als bedoeld in artikel 361, derde lid, Sv.

Tot slot is de rechtbank met de benadeelde partij van oordeel dat een bedrag van € 265,44 (het deel van de uitkering van DELA dat aan erfgenaam [Persoon] toekomt) in mindering dient te worden gebracht op de vordering van [Persoon] .

Affectieschade

[Persoon] is een kind van [Slachtoffer] en kan daarom aanspraak maken op affectieschade. Het bedrag dat voor vergoeding van deze affectieschade in aanmerking komt, is bij algemene maatregel van bestuur, het Besluit Vergoeding Affectieschade, vastgesteld. Volgens artikel 1, eerste lid van dit besluit geldt in het geval van overlijden door een misdrijf het volgende. [Persoon] is een meerderjarig niet-thuiswonend kind en heeft daarmee recht op een vergoeding van affectieschade ter hoogte van € 17.500,00. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.

Gederfd levensonderhoud

Deze post is slechts onderbouwd door overlegging van rekeningafschriften waarop te zien is dat er in het verleden geld werd overgemaakt van de rekening van [Slachtoffer] naar [Persoon] . Onduidelijk is echter gebleven wat de aard en de strekking was van de betalingen van deze wisselende bedragen en of deze betalingen bedoeld waren om geheel of ten dele in het levensonderhoud te voorzien. De verdediging heeft deze post ook betwist. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op dit moment de post gederfd levensonderhoud onvoldoende is onderbouwd. Nadere bewijslevering en behandeling van deze post zou een aanzienlijke vertraging en een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij voor wat betreft de post gederfd levensonderhoud niet-ontvankelijk is.

Shockschade

De rechtbank stelt vast dat [Persoon] zijn vader [Slachtoffer] dood en zwaar gehavend heeft aangetroffen in de woning van zijn vader. De rechtbank is met de partijen van oordeel dat aan de voorwaarden voor toekenning van shockschade is voldaan.

De volgende vraag is in welke omvang dit gedeelte van de vordering kan worden toegewezen. De vordering van [Persoon] in verband met shockschade valt uiteen in een materieel en een immaterieel deel.

Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de aard en ernst van het geestelijk letsel en de affectieve relatie tussen de benadeelde partij en het slachtoffer. Daarnaast heeft de rechtbank - voor zover mogelijk gelet op de zeer casuïstische beoordeling - aansluiting gezocht bij vergelijkbare uitspraken. Naar het oordeel van de rechtbank is de schade op dit moment voldoende aannemelijk tot een bedrag van € 10.000,00. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Behandeling van het overige deel van deze vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom voor de resterende

€ 10.000,00 niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

Het materiële deel aan shockschade bestaat uit medische kosten, reiskosten, telefoon- en portokosten, verlies aan verdienvermogen en studievertraging.

De medische kosten zijn door de verdediging niet betwist en het gevraagde bedrag komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond over. Het gevorderde bedrag van € 37,80 zal dan ook worden toegewezen.

De overige gevorderde posten aan materiële shockschade heeft de verdediging uitgebreid betwist.

Voor wat betreft de reiskosten en de telefoon- en portokosten is de rechtbank van oordeel dat op dit moment onvoldoende is komen vast te staan dat deze kosten gemaakt moesten worden ten gevolge van de hevige emotionele schok en het daaruit voortvloeiende geestelijk letsel. Gelet daarop zal de rechtbank de benadeelde partij in deze twee posten (€ 250,00 en

€ 100,00) niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk verklaren in de posten verlies aan verdienvermogen en studievertraging (€ 5.404,60 en € 56.512,68). Met betrekking tot deze posten is tot dusverre onvoldoende gebleken dat deze schade (enkel en alleen) is geleden ten gevolge van de hevige emotionele schok en het daaruit voortvloeiende geestelijk letsel. Ook de exacte hoogte van eventuele schade laat zich niet eenvoudig vaststellen. De beantwoording van deze vragen zou een nader juridisch en feitelijk debat vergen waarbij mogelijk voorlichting door een deskundige is vereist. Dit levert een onevenredige belasting op van het strafgeding.

Proceskosten

Artikel 6:96 lid 2, sub b, BW, bepaalt dat de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking komen.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat – met de gegeven toelichting op zitting – voldoende vaststaat waar de factuur op ziet. Daarnaast was het naar het oordeel van de rechtbank redelijk om deze kosten te maken en zijn ze redelijk van hoogte. De rechtbank zal dan ook het gevorderde bedrag van € 41,07 toewijzen.

Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag (met uitzondering van de proceskosten) tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Conclusie.

Verdachte moet [Persoon] een schadevergoeding betalen van € 27.286,36

(€ 17.500 affectieschade, € 10.037,80 shockschade, € 14 kosten lijkbezorging, minus

€ 265,44 uitkering uitvaartverzekering) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 22 februari 2019. Over dit bedrag wordt een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Daarnaast dient verdachte [Persoon] € 41,07 aan proceskosten te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de factuur, 20 november 2019, te betalen.

Voor het overige wordt [Persoon] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Hij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken en die op dit moment worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [persoon 2] .

De vordering.

De dochter van [Slachtoffer] , [persoon 2] , heeft vergoeding van zowel materiële als immateriële schade gevorderd tot een bedrag van € 66.515,07. Deze schade is opgebouwd uit de volgende posten:

- Kosten (rondom) lijkbezorging

€ 6.813,05

- Affectieschade

€ 17.500,00

- Gederfd levensonderhoud

€ 19.190,02

- Shockschade

o Medische kosten

o Reiskosten

o Telefoon- en portokosten

o Verlies aan verdienvermogen

o Verlies aan zelfwerkzaamheid

o Smartengeld

€ 137,00

€ 250,00

€ 250,00

€ 1.245

€ 130,00

€ 20.000,00

- Proceskosten

€ 896,87

Beoordeling.

Kosten lijkbezorging

Deze post is opgebouwd uit notariskosten van € 522,26, kosten voor de vlucht van [persoon 2] en haar gezin € 3.668,38, kosten voor het ontwerp van de rouwkaarten € 50,00 en andere kosten in verband met bijeenkomsten rondom overlijden en de voorbereiding van de begrafenis € 3.075,29. Aangezien op grond van de DELA Geldverzekering een bedrag van

€ 530,88 aan de erfgenamen is uitbetaald wegens een ongebruikt tegoed op deze (uitvaart)verzekering, kan dit bedrag volgens [persoon 2] in mindering worden gebracht op de gevorderde kosten van lijkbezorging.

De rechtbank stelt vast dat de gevorderde notariskosten strekten ter afwikkeling van de nalatenschap van de overledene. Gelet daarop zijn deze notariskosten niet als kosten van lijkbezorging in de zin van art. 6:108, tweede lid, BW aan te merken. Deze kosten staan immers niet in rechtstreeks verband met het begraven van de overledene. Gelet daarop zullen deze kosten van € 522,26 worden afgewezen.

[persoon 2] is samen met haar partner en zoon woonachtig in Suriname. Anders dan de verdediging heeft betoogd komen niet alleen het vliegticket van [persoon 2] , maar ook die van haar gezinsleden voor vergoeding in aanmerking aangezien deze naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid zijn gemaakt. Voor wat betreft de hoogte van de (retour)vliegtickets zal de rechtbank aansluiting zoeken bij hetgeen [persoon 2] ter onderbouwing van deze post heeft overgelegd. Uit de ingebrachte stukken blijkt dat er voor haar partner € 1.440,40 en voor haar zoon € 127,44 voor een vliegticket is betaald. Wat er voor haar eigen vliegticket is betaald, is niet nader onderbouwd met stukken en het opgevoerde bedrag is betwist door de verdediging. Gelet daarop zal de rechtbank het vliegticket van [persoon 2] op hetzelfde bedrag als het ticket van haar partner vaststellen. Daarmee komt een bedrag van

€ 3.008,24 voor toewijzing in aanmerking. Het meerdere gevorderde aan kosten vliegticket zal worden afgewezen. De kosten voor een wijziging van de retourvlucht vallen naar hun aard niet binnen de reikwijdte van de kosten van lijkbezorging.

De rechtbank is van oordeel dat – anders dan de verdediging heeft betoogd – voldoende vast staat dat [persoon 2] de kosten voor het ontwerp van de rouwkaarten heeft betaald. Bovendien vallen deze kosten naar hun aard binnen de reikwijdte van de kosten van lijkbezorging en deze zijn in redelijkheid gemaakt. De rechtbank zal dan ook de gevorderde € 50,00 toewijzen.

Voor wat betreft de overige gevorderde kosten aan lijkbezorging van € 3.075,29 is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De rechtbank neemt hierbij de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing en de betwisting van deze posten door de verdediging in acht. De rechtbank is van oordeel dat een rechtstreeks verband tussen deze posten en de bewezen verklaarde feiten niet zonder meer duidelijk is en dat het daarvoor vereiste onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert als bedoeld in artikel 361, derde lid, Sv.

Tot slot is de rechtbank met de benadeelde partij van oordeel dat een bedrag van € 265,44 (het deel van de uitkering van DELA dat aan erfgenaam [persoon 2] toekomt) in mindering dient te worden gebracht op de vordering van [persoon 2] .

Affectieschade

[persoon 2] is een kind van [Slachtoffer] en kan daarom aanspraak maken op affectieschade. Het bedrag dat voor vergoeding van deze affectieschade in aanmerking komt, is bij algemene maatregel van bestuur, het Besluit Vergoeding Affectieschade, vastgesteld. Volgens artikel 1, eerste lid van dit besluit geldt in het geval van overlijden door een misdrijf het volgende. [persoon 2] is een meerderjarig niet-thuiswonend kind en heeft daarmee recht op een vergoeding van affectieschade ter hoogte van € 17.500,00. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.

Gederfd levensonderhoud

Deze post is slechts onderbouwd door overlegging van rekeningafschriften waarop te zien is dat er geld werd overgemaakt van de rekening van [Slachtoffer] naar [persoon 2] . Onduidelijk is echter gebleven wat de aard en de strekking was van de betalingen van deze wisselende bedragen en of deze betalingen bedoeld waren om geheel of ten dele in het levensonderhoud te voorzien. De verdediging heeft deze post ook betwist. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op dit moment de post gederfd levensonderhoud onvoldoende is onderbouwd. Nadere bewijslevering en behandeling van deze post zou een aanzienlijke vertraging en een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij voor wat betreft de post gederfd levensonderhoud niet-ontvankelijk is.

Shockschade

De rechtbank stelt vast dat [persoon 2] geen directe confrontatie heeft gehad met haar vader [Slachtoffer] in de woning van haar vader. Zij heeft aangevoerd dat zij via een telefoongesprek met haar broer live werd geconfronteerd met de wijze waarop haar broer hun vader in de woning had aangetroffen. Daarnaast heeft ze ongewild bij in het rouwcentrum haar vader opgebaard zien liggen en heeft ze in het strafdossier gezien en gelezen wat haar vader is aangedaan. Dit heeft een hevige emotionele schok bij haar teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel is voortgevloeid.

De verdediging heeft onder andere betwist dat voldaan is aan de voorwaarden voor het toekennen van shockschade.

Nog daargelaten de vraag of de hiervoor geschetste omstandigheden gelden als confrontatie als bedoeld in het Taxibus-arrest, moet beoordeeld worden of die omstandigheden een hevige schok teweeggebracht hebben, waaruit geestelijk letsel (een psychiatrisch erkend ziektebeeld) voortvloeit.

De rechtbank twijfelt er niet aan dat [persoon 2] zonder meer verdriet/last ondervindt van de zeer heftige gebeurtenis waarbij haar vader van het leven is beroofd. Uit de overgelegde medische gegevens en de toelichting van de raadsman ter zitting blijkt ook dat zij behandeling heeft gehad voor haar psychische klachten. Echter, het is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast komen te staan of en in hoeverre sprake is van geestelijk letsel dat een gevolg is van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het bewezen verklaarde feit. Immers is het niet ondenkbaar dat het feit dat haar vader door geweld om het leven is gebracht ook voldoende is om psychische klachten te ontwikkelen. Daarbij komt dat [persoon 2] reeds eerder behandeling heeft gehad voor psychische klachten. Om te kunnen beoordelen of sprake is van geestelijk letsel dat het gevolg is van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het ten laste gelegde feit, is een nader juridisch en feitelijk debat nodig waarbij mogelijk voorlichting door een deskundige is vereist. Dit levert een onevenredige belasting op van het strafgeding. Dit brengt mee dat zij in deze procedure geen aanspraak kan maken op vergoeding van shockschade en haar vordering met betrekking tot shockschade niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Proceskosten

De civiele proceskostenregeling bevat een (in beginsel) limitatieve en exclusieve regeling voor de proceskostenvergoeding (ECLI:NL:HR:2015:1600). Op grond van artikel 238, eerste en tweede lid, en artikel 239 Rv, in onderlinge samenhang bezien, komen alleen voor vergoeding in aanmerking – voor zover hier relevant – reis-, verlet en verblijfkosten voor het bijwonen van de zitting van de partij die aanspraak heeft op proceskostenvergoeding indien in persoon mag worden geprocedeerd en ook daadwerkelijk in persoon is geprocedeerd. Voor andere reis-, verblijfs- of verletkosten kent de proceskostenregeling geen vergoeding.

Op grond van het voorgaande is in de onderhavige situatie voor een proceskostenvergoeding wegens reiskosten van een benadeelde partij geen plaats. [persoon 2] heeft zich immers bij laten staan door een advocaat en dus niet in persoon geprocedeerd. De rechtbank ziet op grond van geldende jurisprudentie en wetgeving geen aanleiding daarop een uitzondering te maken op gronden van redelijkheid of billijkheid of op de grond dat de aansprakelijkheid van verdachte berust op een bewezenverklaard ernstig delict. Ook het gegeven dat de benadeelde partij tevens spreekgerechtigd slachtoffer was maakt het oordeel van het rechtbank niet anders omdat de met de uitoefening van die bevoegdheid gemoeide kosten geen schade betreft waarvoor verdachte aansprakelijk kan worden gehouden. Het is aan de wetgever om, desgewenst, een wettelijke regeling te maken, zoals bestaat voor bijvoorbeeld getuigen, waarin wordt voorzien in vergoeding ten laste van ’s Rijks kas van de kosten van procesdeelnemers als slachtoffers (ECLI:NL:GHARL:2019:6126). Gelet op het voorgaande zal de rechtbank dan ook het gevorderde bedrag van € 896,87 afwijzen.

Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Conclusie.

Verdachte moet [persoon 2] een schade vergoeding betalen van € 20.292,80 (€ 2.792,80 lijkbezorging en € 17.500 affectieschade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 22 februari 2019. Over dit bedrag wordt een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Daarnaast wordt een bedrag van € 1.182,41 aan lijkbezorging en € 896,87 aan proceskosten afgewezen.

Voor het overige wordt [persoon 2] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Zij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken en die op dit moment worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [persoon 3] .

De vordering

De neef van [Slachtoffer] , [persoon 3] , heeft vergoeding van shockschade van

€ 20.422,60 gevorderd. Deze schade is opgebouwd uit de volgende posten:

o Medische kosten

o Materiële schade

o Smartengeld

€ 8,00

€ 414,60

€ 20.000,00

Beoordeling.

Shockschade

De rechtbank stelt vast dat [persoon 3] geen direct confrontatie heeft gehad met zijn oom [Slachtoffer] in de woning van zijn oom. [persoon 3] is weliswaar samen met [Persoon] ter naar de woning van het slachtoffer gegaan en heeft met de politie gebeld, maar hij heeft zijn oom niet zien liggen. Hij heeft aangevoerd dat hij ter plaatse heeft gehoord wat zijn neef [Persoon] heeft verklaard over de wijze waarop hij zijn vader aantrof en dat hij ongewild in het rouwcentrumzijn oom opgebaard heeft zien liggen. Daarnaast heeft hij in het strafdossier gezien en gelezen wat zijn oom is aangedaan Dit alles heeft een hevige emotionele schok bij hem teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel is voortgevloeid.

De verdediging heeft onder andere betwist dat voldaan is aan de voorwaarden voor het toekennen van shockschade.

Nog daargelaten de vraag of de hiervoor geschetste omstandigheden gelden als confrontatie als bedoeld in het Taxibus-arrest, moet beoordeeld worden of die omstandigheden een hevige schok teweeggebracht hebben, waaruit geestelijk letsel (een psychiatrisch erkend ziektebeeld) voortvloeit.

De rechtbank twijfelt er niet aan dat [persoon 3] zonder meer verdriet/last ondervindt van de zeer heftige gebeurtenis waarbij zijn oom van het leven is beroofd. Echter, het is voor de rechtbank onvoldoende duidelijk geworden of en in hoeverre sprake is van geestelijk letsel dat een gevolg is van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het bewezen verklaarde feit. Immers is het niet ondenkbaar dat het feit dat zijn oom door geweld om het leven is gebracht ook voldoende is om psychische klachten te ontwikkelen. Daarbij komt dat [persoon 3] reeds eerder in behandeling was bij diverse hulpverleners. Om te kunnen beoordelen of sprake is van geestelijk letsel dat het gevolg is van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het ten laste gelegde feit, is een nader juridisch en feitelijk debat nodig waarbij mogelijk voorlichting door een deskundige is vereist. Dit levert een onevenredige belasting op van het strafgeding. Dit brengt mee dat hij in deze procedure geen aanspraak kan maken op vergoeding van shockschade en zijn vordering met betrekking tot shockschade niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Conclusie.

[persoon 3] wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Hij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De vordering van de benadeelde partij [persoon 4] .

De vordering

De vriendin van de neef van [Slachtoffer] , [persoon 4] , heeft vergoeding van shockschade van € 82.240,99 gevorderd. Deze schade is opgebouwd uit de volgende posten:

o Medische kosten

o Materiële schade

o Reiskosten

o Studievertraging

o Collegegeld

o Smartengeld

€ 1.367,03

€ 1.036,39

€ 1.749,07

€ 53.862,50

€ 4.226,00

€ 20.000,00

Beoordeling.

Shockschade

De rechtbank stelt vast dat [persoon 4] geen directe confrontatie heeft gehad met de oom van haar partner in de woning van [Slachtoffer] . Zij heeft aangevoerd dat zij [Slachtoffer] heeft geïdentificeerd terwijl er nog goed zichtbare wonden waren. Daarnaast heeft ze in het strafdossier gezien en gelezen wat [Slachtoffer] is aangedaan. Dit alles heeft een hevige emotionele schok haar teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel is voortgevloeid.

De verdediging heeft onder andere betwist dat voldaan is aan de voorwaarden voor het toekennen van shockschade.

Nog daargelaten de vraag of de hiervoor geschetste omstandigheden gelden als confrontatie als bedoeld in het Taxibus-arrest, moet beoordeeld worden of die omstandigheden een hevige schok teweeggebracht hebben, waaruit geestelijk letsel (een psychiatrisch erkend ziektebeeld) voortvloeit.

De rechtbank twijfelt er niet aan dat [persoon 4] verdriet/last ondervindt van de zeer heftige gebeurtenis waarbij de oom van haar vriend van het leven is beroofd. Echter, het is voor de rechtbank onvoldoende duidelijk geworden of en in hoeverre sprake is van geestelijk letsel dat een gevolg is van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het bewezen verklaarde feit. Daarbij speelt onder andere mee dat [persoon 4] geen directe familie is van [Slachtoffer] , zij eerder een burn out heeft gehad en daar nog van herstellende was en er ook sprake was van andere trauma’s waarvoor zij ook behandeld werd. Om te kunnen beoordelen of sprake is van geestelijk letsel dat het gevolg is van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het ten laste gelegde feit, is een nader juridisch en feitelijk debat nodig waarbij mogelijk voorlichting door een deskundige is vereist. Dit levert een onevenredige belasting op van het strafgeding. Dit brengt mee dat zij in deze procedure geen aanspraak kan maken op vergoeding van shockschade en haar vordering met betrekking tot shockschade niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Conclusie.

[persoon 4] wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Zij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De vordering van de benadeelde partij [persoon 5] .

De vordering

De zus van [Slachtoffer] , [persoon 5] , heeft vergoeding van schade gevorderd tot een bedrag van € 44.672,00. Deze schade is opgebouwd uit de volgende posten:

- Gederfd levensonderhoud

- Shockschade

o Materiële schade

o Smartengeld

€ 24.588,00

€ 84,00

€ 20.000,00

Beoordeling.

Gederfd levensonderhoud

Deze post is slechts onderbouwd door overlegging van rekeningafschriften waarop te zien is dat er geld werd overgemaakt van de rekening van [Slachtoffer] naar [persoon 5] . Onduidelijk is echter gebleven wat de aard en de strekking was van de betalingen van deze wisselende bedragen en of deze betalingen bedoeld waren om geheel of ten dele in het levensonderhoud te voorzien. De verdediging heeft deze post ook betwist. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op dit moment de post gederfd levensonderhoud onvoldoende is onderbouwd. Nadere bewijslevering en behandeling van deze post zou een aanzienlijke vertraging en een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij voor wat betreft de post gederfd levensonderhoud niet-ontvankelijk is.

Shockschade

De rechtbank stelt vast dat [persoon 5] geen direct confrontatie heeft gehad met haar broer [Slachtoffer] in de woning van haar broer. Zij heeft aangevoerd dat zij via een telefoongesprek met haar zoon live werd geconfronteerd met de wijze waarop [man 1] in de woning was aangetroffen. Daarnaast heeft ze ongewild bij het rouwcentrum haar broer opgebaard zien liggen en heeft ze in het strafdossier gezien gelezen wat haar broer is aangedaan. Verder is ze geconfronteerd met diverse nieuwsberichten en heeft ze in de flat de bloedvlekken nog op de muur zien zitten. Dit heeft een hevige emotionele schok bij haar teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel is voortgevloeid.

De verdediging heeft onder andere betwist dat voldaan is aan de voorwaarden voor het toekennen van shockschade.

Nog daargelaten de vraag of de hiervoor geschetste omstandigheden gelden als confrontatie als bedoeld in het Taxibus-arrest, moet beoordeeld worden of die omstandigheden een hevige schok teweeggebracht hebben, waaruit geestelijk letsel (een psychiatrisch erkend ziektebeeld) voortvloeit.

De rechtbank twijfelt er niet aan dat [persoon 5] zonder meer verdriet/last ondervindt van de zeer heftige gebeurtenis waarbij haar broer van het leven is beroofd. Echter, het is voor de rechtbank onvoldoende duidelijk geworden of en in hoeverre sprake is van geestelijk letsel dat een gevolg is van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het bewezen verklaarde feit. Immers is het niet ondenkbaar dat het feit dat haar broer door geweld om het leven is gebracht ook voldoende is om psychische klachten te ontwikkelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van geestelijk letsel dat het gevolg is van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het ten laste gelegde feit, is een nader juridisch en feitelijk debat nodig waarbij mogelijk voorlichting door een deskundige is vereist. Dit levert een onevenredige belasting op van het strafgeding. Dit brengt mee dat zij in deze procedure geen aanspraak kan maken op vergoeding van shockschade en haar vordering met betrekking tot shockschade niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Conclusie.

[persoon 5] wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Zij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Schadevergoedingsmaatregel en vervangende gijzeling

Zoals hiervoor overwogen, zal de rechtbank een schadevergoedingsmaatregel opleggen over de toegekende schadevergoedingen.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om af te zien van vervangende gijzeling. Naar het oordeel van de rechtbank is echter onvoldoende aannemelijk dat verdachte buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling. De rechtbank zal vervangende gijzeling toepassen als hierna te melden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 287 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 meer subsidiair:

doodslag

T.a.v. feit 2 (primair):

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. feit 1 meer subsidiair, feit 2 (primair):

Gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1 meer subsidiair, feit 2 (primair):

Maatregel van schadevergoeding van EUR 28.011,36 subsidiair 175 dagen gijzeling.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [Persoon] van een bedrag van EUR

28.011,36 (zegge: achtentwintigduizend elf euro en zesendertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 175 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 27.537,800 immateriële schadevergoeding (posten ad 3 affectieschade (nabestaanden) en ad 5 shockschade [Persoon] , bestaande uit smartengeld en medische kosten) en EUR 473,56 materiële schadevergoeding (post ad 1 materiële schade (erfgenamen), bestaande uit deel gepind geld en deel schatting waarde gestolen goederen, post ad 2 kosten van lijkbezorging (erfgenamen), bestaande uit parkeerkosten, verminderd met het uitgekeerde bedrag aan geldverzekering van EUR 265,44 per erfgenaam door DELA).

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting

niet op.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict, 22 februari 2021, tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling van EUR 725,00 aan materiële

schadevergoeding (post ad 1 materiële schade (erfgenamen): gepind geld,

geschatte waarde gestolen goederen) voor zover dit bedrag door zijn

mededader is betaald.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot het hierna te

noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde

partij, [Persoon] , van een bedrag van EUR 28.052,43 (zegge:

achtentwintigduizend tweeënvijftig euro en drieënveertig cent), te weten EUR 27.537,80

immateriële schadevergoeding (post ad 3 affectieschade (nabestaanden) en post

ad 5 shockschade [Persoon] ) en EUR 514,63 materiële

schadevergoeding (post ad 1 materiële schade (erfgenamen), bestaande uit deel

gepind geld en deel schatting waarde gestolen goederen, post ad 2 kosten van

lijkbezorging (erfgenamen), bestaande uit parkeerkosten, verminderd met het

uitgekeerde bedrag aan geldverzekering van EUR 265,44 per erfgenaam door DELA,

post ad 10 buitengerechtelijke kosten, bestaande uit administratiekosten medische kosten).

Het aan buitengerechtelijke kosten toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de factuur, 20 november 2019, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het voor het overige toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict, 22 februari 2019, tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering voor het overige gedeelte ten aanzien van de geschatte

waarde van de gestolen goederen (ad 1 materiële schade (erfgenamen)) af.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige gedeelte

niet ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Verdachte is ten aanzien van het deel gepind geld en deel schatting waarde

gestolen goederen (ad 1 materiële schade (erfgenamen)) van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd voor zover hij of zijn mededader heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot

betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling

aan de Staat te vervallen.

T.a.v. feit 1 meer subsidiair, feit 2 (primair):

Maatregel van schadevergoeding van EUR 21.017,80 subsidiair 140 dagen gijzeling.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [persoon 2] van een bedrag van

EUR 21.017,80 (zegge: eenentwintigduizendzeventien euro en achttien cent), bij

gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 140 dagen gijzeling. Het

bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 17.500,00 immateriële schadevergoeding

(post ad 3 affectieschade) en EUR 3.517,80 materiële schadevergoeding (post ad

1 materiële schade (erfgenamen), bestaande uit deel gepind geld en deel

schatting waarde gestolen goederen, post ad 2 kosten van lijkbezorging

(erfgenamen), bestaande uit reiskosten en ontwerpen rouwkaarten, verminderd met het

uitgekeerde bedrag aan geldverzekering van EUR 265,44 per erfgenaam door DELA).

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting

niet op.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict, 22 februari 2021, tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling van EUR 725,00 aan materiële

schadevergoeding (post ad 1 materiële schade (erfgenamen): gepind geld,

geschatte waarde gestolen goederen) voor zover dit bedrag door zijn

mededader is betaald.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt

verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [persoon 2] ,

van een bedrag van EUR 21.017,80 (zegge: eenentwintigduizendzeventien euro en tachtig cent), te weten EUR 17.500 immateriële schadevergoeding (post ad 3 affectieschade) en EUR 3.517,80 materiële schadevergoeding (post ad 1 materiële schade (erfgenamen), bestaande uit deel gepind geld en deel schatting waarde gestolen goederen, post ad 2 kosten van lijkbezorging (erfgenamen), bestaande uit reiskosten en ontwerpen rouwkaarten,

verminderd met het uitgekeerde bedrag aan geldverzekering van EUR 265,44 per erfgenaam door DELA).

Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict, 22 februari 2019, tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering voor het overige gedeelte ten aanzien van de schatting van

de waarde van de gestolen goederen (post ad 1 materiële schade (erfgenamen)),

notariskosten en wijzigingskosten retourvlucht (post ad 2 kosten van

lijkbezorging) en proceskosten, af.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet

ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke

rechter aanbrengen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Verdachte is ten aanzien van het deel gepind geld en deel schatting waarde

gestolen goederen (ad 1 materiële schade (erfgenamen) van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd voor zover hij of zijn mededader heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn/haar verplichting tot betaling aan

de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde

partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn

verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn

verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. feit 1 meer subsidiair, feit 2 (primair):

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen

[persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] in de vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten

draagt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. L. Soeteman en mr. A.E. de Kryger, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,

en is uitgesproken op 30 juni 2021.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, proces-verbaalnummer PL2100-2019038691 (onderzoek OBRAB19002 – “Akerendam”), aantal pagina’s: 1902. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

2 Proces-verbaal bevindingen uitluisteren en vastleggen telefonische melding meldkamer ambulancedienst verbalisant [persoon 6] d.d. 4 maart 2019, p. 273 e.v. map 1 ED.

3 Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [persoon 7] en [persoon 8] d.d. 15 maart 2019, p. 276 e.v. map 1 ED.

4 Proces-verbaal relaas verbalisant [persoon 9] d.d. 3 november 2019, p. 1229 9 map 4 ED (Forensisch dossier) / Proces-verbaal van verhoor getuige [Persoon] d.d. 8 maart 2019, p. 347 map 1 ED.

5 Proces-verbaal sporenonderzoek verbalisanten [persoon 10] e.a. d.d. 12 maart 2019, p. 1271 e.v. map 4 ED (bijlage A.01 Forensisch dossier).

6 NFI-rapport pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood, opgemaakt door [persoon 11] (arts en patholoog) d.d. 19 maart 2019 , p. 1575 e.v. map 5 ED (bijlage B.01 Forensisch dossier).

7 Proces-verbaal toegang tot trappen- en liftschacht verbalisant [persoon 12] d.d. 20 maart 2019, p. 281 e.v. map 1 ED.

8 Proces-verbaal van bevindingen uitkijken beelden flat verbalisant [persoon 13] d.d. 27 februari 2019, p. 407 e.v. map 1 ED.

9 Proces-verbaal van verhoor [persoon 1] d.d. 28 februari 2019, p. 384 e.v. map 1 ED.

10 Proces-verbaal van bevindingen aanvullende camerabeelden flatgebouw [Adres] verbalisant [persoon 14] d.d. 27 maart 2019, p. 441 e.v. map 1 ED.

11 Proces-verbaal van (1e en 2e) verhoor getuige [Persoon] d.d. 23 februari 2019, p. 330 e.v. map 1 ED.

12 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 15 juni 2021.

13 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [persoon 14] d.d. 14 maart 2019, p. 568 e.v. map 2 ED.

14 Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens verbalisant [persoon 15] d.d. 4 maart 2019, p. 509 e.v. map 2 ED / Proces-verbaal bevindingen aanvullende gegevens verbalisant [persoon 15] d.d. 28 maart 2019, p. 515 e.v. map 2 ED.

15 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [persoon 14] d.d. 14 maart 2019, p. 568 e.v. map 2 ED / Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 15 juni 2021.

16 Proces-verbaal (1e en 2e) verhoor [Getuige] d.d. 13 maart 2019 en 25 maart 2019, p. 598 e.v. en p. 592 e.v. map 2 ED.

17 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 15 juni 2021 / Proces-verbaal van verhoor verdachte [Verdachte] d.d. 20 december 2019, p. 1169 e.v. map 3 ED.

18 NFI-rapport bloedspoorpatroononderzoek, onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek, opgemaakt door [persoon 16] en [persoon 17] d.d. 18 oktober 2019, p. 1797 e.v. map 5 ED (bijlage B.14 Forensisch dossier) / NFI-rapport DNA onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [Slachtoffer] in Oss op 23 februari 2019, opgemaakt door [persoon 16] d.d. 1 november 2019 , p. 1886 e.v. map 5 ED (bijlage B.17 Forensisch dossier) / Proces-verbaal relaas verbalisant [persoon 9] d.d. 3 november 2019, p. 1219 e.v. map 4 ED (Forensisch dossier).

19 NIFP-rapportage (PBC), opgemaakt door [naam psychiater] (psychiater) en [psycholoog] (klinisch psycholoog) d.d. 1 oktober 2020 / Beantwoording aanvullende vragen n.a.v. PBC-rapport d.d. 1 oktober 2020, opgemaakt door [naam psychiater] (psychiater) en [psycholoog] (klinisch psycholoog) d.d. 21 januari 2021.