Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2958

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
20/2375
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek. Beroep niet tijdig beslissen (NTB). Ten aanzien van het beroep NTB verkeert eiser in de onjuiste veronderstelling dat er geen bezwaarschriftencommissie is ingesteld die het college adviseert over de afdoening van bezwaarschriften, waardoor hij de eveneens onjuiste conclusie trekt dat een kortere beslistermijn in bezwaar geldt. Het beroep NTB is ingesteld voor het verstrijken van de (verlengde) wettelijke beslistermijn en dus prematuur. Daarom wordt het niet-ontvankelijk verklaard. Ten aanzien van het beroep tegen de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van eisers Wob-verzoek zijn er aanwijzingen dat eiser misbruik van (proces)recht maakt. De rechtbank ziet ervan af het beroep om die reden niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de indruk bestaat dat eiser onvoldoende op de hoogte is van de rechtspraak op dit punt. Wel wordt eiser nadrukkelijk gewaarschuwd. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard op basis van de overwegingen van de rechtbank in een eerdere gelijksoortige zaak van de partner van eiser (ECLI:NL:RBOBR:2021:1622).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/2375

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk, het college

(gemachtigde: mr. Y.Y.E. van Bakel).

Procesverloop

Met een besluit van 14 mei 2020 (het primaire besluit) heeft het college het informatieverzoek van eiser en [naam] ( [naam] ) op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.

Met een brief van 8 juni 2020 hebben eiser en [naam] hiertegen bezwaar gemaakt.

Met een brief van 8 augustus 2020 hebben eiser en [naam] het college medegedeeld dat de wettelijke beslistermijn is verstreken en het college in gebreke gesteld.

Met een brief van 26 augustus 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op het bezwaar van 8 juni 2020.

Met een besluit van 6 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van 8 juni 2020 ongegrond verklaard.

Met een brief van 16 december 2020 heeft eiser aangegeven het niet eens te zijn met het bestreden besluit.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2021. Eiser is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Met een brief van 18 mei 2021 heeft eiser verzocht tot wraking van de rechter. Met de beslissing van 14 juni 2021 (wrakingsnummer WR 21/019; ECLI:NL:RBOBR:2021:2929) heeft de wrakingskamer van de rechtbank het verzoek tot wraking afgewezen.

Overwegingen

De aanloop naar deze procedure

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser en [naam] hebben met een brief van 27 maart 2020 een Wob-verzoek bij het college ingediend (het Wob-verzoek). Eiser en [naam] verzoeken daarin openbaarmaking van een aantal met name genoemde documenten over de benoeming en het ontslag van alle leden van de bezwaarschriften-commissie van de gemeente Bergeijk in de periode 1 januari 2012 tot en met 27 maart 2020. Daarna heeft de onder het kopje procesverloop genoemde besluitvorming plaatsgevonden.

De standpunten van partijen

2. Eiser vindt dat het college niet tijdig op het bezwaar heeft beslist en hem daarom een dwangsom is verschuldigd. Eiser is van oordeel dat het bestreden besluit niet geldig is, omdat in plaats van het college de voorzitter van de commissie bezwaarschriften de ontvangst van het bezwaar heeft bevestigd wat in strijd is met artikel 6:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook vindt eiser dat het college het bezwaarschrift van eiser en [naam] in strijd met artikel 7:13, tweede lid, van de Awb aan de bezwaarschriftencommissie heeft voorgelegd.

3. Het college vindt dat eiser prematuur een beroep niet tijdig beslissen heeft ingesteld wat daarom ongegrond moet worden verklaard. Het (van rechtswege ontstane) beroep tegen het bestreden besluit moet volgens het college niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat eiser misbruik van recht maakt dan wel omdat hij geen procesbelang heeft bij een beslissing daarop. Het college voert daartoe aan dat eiser geen inhoudelijke gronden tegen het bestreden besluit aanvoert, dat hij de voorbije jaren diverse procedures tegen de gemeente voert die telkens nergens toe leiden en die inmiddels een buitensporige inspanning van de gemeente vragen en een te groot beslag leggen op het gerechtelijk en bestuurlijk systeem en eiser een eerder aanbod tot bemiddeling heeft afgewezen. Het college vindt dat de gronden tegen het bestreden besluit niet slagen en heeft op de zitting ter onderbouwing van dat standpunt gewezen op de uitspraken van deze rechtbank met nummers SHE 20/7921 en SHE 20/18962 in beroepszaken van [naam] waarin eenzelfde kwestie aan de orde was.

Het oordeel van de rechtbank

4. Met betrekking tot het beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar overweegt de rechtbank als volgt.

4.1.

Op het Wob-verzoek van eiser en [naam] is door het college bij besluit van 14 mei 2020 beslist. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Op grond van (artikel 2, eerste lid, van) de Verordening Commissie Bezwaarschriften gemeente Bergeijk is ten behoeve van de beslissing op dit bezwaar een commissie ingesteld. Dit betreft een adviescommissie zoals bedoeld in artikel 7:13, eerste lid, van de Awb. Voor de duur van de wettelijke beslistermijn betekent dit dat het college op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken, op het bezwaar van eiser moest beslissen. Concreet betekent dit dat het college aanvankelijk op 17 september 2020 op het bezwaarschrift van eiser en [naam] moest beslissen. De beslissing op bezwaar heeft het college bij brief van 8 september 2020 verdaagd tot uiterlijk 30 oktober 2020. Voor het einde van die termijn heeft het college met het bestreden besluit op het bezwaar van eiser en [naam] beslist.

4.2.

Eiser en [naam] hebben het college bij aangetekende brief van 8 augustus 2020 in gebreke gesteld en daarin aangegeven dat de wettelijke beslistermijn is verstreken. Zij gaan er in die brief vanuit dat er geen (bevoegde) adviescommissie is ingesteld zoals bedoeld in artikel 7:13, eerste lid, van de Awb, en dat daarom een kortere beslistermijn geldt die op 8 augustus 2020 was verstreken. Gelet op wat onder 4.1. is overwogen, mist dit standpunt feitelijke grondslag. Het op 26 augustus 2020 ingestelde beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar borduurt op deze onjuistheid voort. Dat beroep is – net als de ingebrekestelling van 8 augustus 2020 – prematuur en wordt om die reden niet-ontvankelijk verklaard.

5. Met betrekking tot het (op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb van rechtswege ontstane) beroep tegen het bestreden besluit overweegt de rechtbank als volgt.

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat er aanwijzingen zijn dat eiser misbruik van (proces)recht maakt. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen, laat artikel 3, derde lid, van de Wob, ingevolge welke bepaling de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk het een ieder in beginsel mogelijk te maken kennis te nemen van overheidsinformatie.3 Eiser heeft op de zitting op vragen van de rechtbank verklaard dat hij en [naam] het Wob-verzoek hebben ingediend om de daarmee te verkrijgen informatie in een andere procedure te kunnen gebruiken. De Afdeling heeft in diverse uitspraken bepaald dat het indienen van een Wob-verzoek een aanwijzing voor misbruik van recht oplevert op het moment dat ook verzocht kan worden om op de zaak betrekking hebbende stukken.4 Of de door eiser gewenste stukken via die weg konden worden opgevraagd blijft onduidelijk, omdat eiser niet heeft willen zeggen welke procedure dit betreft. Dat laatste levert naar het oordeel van de rechtbank ook een aanwijzing voor misbruik op, omdat eiser hierdoor geen plausibele verklaring heeft gegeven over de achtergrond van het Wob-verzoek.5

5.2.

De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat eiser onvoldoende op de hoogte is van de hiervoor genoemde rechtspraak, ondanks dat de rechtbank eiser daarover op de zitting uitvoerig heeft voorgelicht. Gelet daarop zal de rechtbank, anders dan door het college is verzocht, er thans van afzien om eisers beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens misbruik van (proces)recht. Dat de rechtbank in deze zaak niet tot het oordeel komt dat sprake is van misbruik van (proces)recht, neemt niet weg dat zij in een volgende procedure op dezelfde of andere gronden wel tot dat oordeel kan komen. Eiser dient zich vanaf heden dan ook nadrukkelijk als een gewaarschuwd mens te beschouwen. Ter voorlichting aan eiser merkt de rechtbank nog op dat als in een volgende procedure tot het oordeel wordt gekomen dat eiser misbruik maakt van (proces)recht, dat daarmee is gegeven dat eiser kennelijk onredelijk gebruikmaakt van het procesrecht zoals bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb. Gelet daarop kan eiser in voorkomend geval in de daarvoor in aanmerking komende proceskosten van het college worden veroordeeld.6

5.3.

Op de zitting heeft het college het standpunt dat eiser geen procesbelang heeft bij een beslissing op het beroep tegen het bestreden besluit ingetrokken. De rechtbank ziet ambtshalve verder geen aanleiding om tot dat oordeel te komen.

5.4.

Ten aanzien van eisers beroepsgronden tegen het bestreden besluit, heeft de rechtbank in de door het college genoemde beroepszaak van [naam] met nummer SHE 20/1896 ten aanzien van gelijksoortige gronden als volgt overwogen:

14. Eiseres heeft ook aangevoerd dat de commissie niet gerechtigd was om een advies uit te brengen, omdat eiseres geen mededeling heeft ontvangen van de gemeenteraad dat een commissie over het bezwaar zal adviseren. Dat is in strijd met artikel 7:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook heeft eiseres geen ontvangstbevestiging van haar bezwaarschrift ontvangen van de gemeenteraad. Dat is in strijd met artikel 6:14, eerste lid, van de Awb.

15. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de ‘Verordening Commissie Bezwaarschriften gemeente Bergeijk’ (Verordening) is er een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester.

In het tweede lid van deze bepaling is vermeld dat de commissie niet bevoegd is ten aanzien van bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten op grond van een wettelijk voorschrift inzake: a. belastingen of de Wet waardering onroerende zaken; b. personele aangelegenheden; c. aangelegenheden op het gebied van werk, inkomen en zorg.

16. De rechtbank stelt allereerst vast dat de commissie eiseres bij brief van 27 januari 2020 op de hoogte heeft gesteld van de ontvangst van het bezwaarschrift van eiseres, dat dit bezwaarschrift conform de Verordening in handen is gesteld van de commissie en dat de beslistermijn voor het nemen van een beslissing op het bezwaar daardoor 12 weken duurt. Niet in geschil is dat eiseres deze brief heeft ontvangen.

17. Naar het oordeel van de rechtbank was de commissie op grond van de Verordening bevoegd om een advies uit te brengen over het bezwaar van eiseres. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de commissie niet bevoegd was omdat niet de juiste brieven zouden zijn verstuurd dan wel dat eiseres niet – per afzonderlijke brief – op de hoogte is gesteld dat een commissie over het bezwaar zal adviseren. De rechtbank betrekt hierbij ook dat de gemeenteraad tijdens de zitting heeft gezegd dat de hiervoor genoemde drie punten in één brief worden benoemd in plaats van in drie afzonderlijke brieven, om de administratieve last voor de burger zoveel mogelijk te verlichten. Niet valt in te zien dat eiseres hierdoor is benadeeld. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

5.5.

Er bestaat geen aanleiding om in deze zaak tot andere overwegingen en een ander oordeel te komen, omdat ook nu niet in geschil is dat eiser en [naam] de door de voorzitter van de bezwaarschriftencommissie ondertekende ontvangstbevestiging van hun bezwaarschrift feitelijk hebben ontvangen.

5.6.

Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 23 juni 2021.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Rb Oost-Brabant 9 april 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:1621.

2 Rb Oost-Brabant 9 april 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:1622.

3 ABRvS 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:426.

4 ABRvS 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2760 ABRvS 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1950, ABRvS 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1858, ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2576-78.

5 ABRvS 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1884, ABRvS 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:396.

6 ABRvS 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1502.