Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2955

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-06-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
01/253636-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner en haar moeder en aan vernieling.

De rechtbank legt een taakstraf van 160 uren op subsidiair 80 dagen hechtenis. Daarnaast moet verdachte de schade van € 500,-- en € 250,-- aan de respectievelijke benadeelden vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.253636.19

Datum uitspraak: 24 juni 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 maart 2021 en 10 juni 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 27 januari 2021.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1:

hij, in of omstreeks de periode van 1 oktober 2018 tot en met 19 februari 2019 te Eindhoven, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, toen en daar (telkens)

-(veelvuldig) Whatsappberichten en/of SMS-berichten gezonden naar die [slachtoffer 1] onder andere inhoudende bedreigende en/of beledigende teksten, en/of

-(veelvuldig) naar die [slachtoffer 1] getelefoneerd, en/of

-dreigend die [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: ‘ik sla je kapot’, dan wel woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- dreigend die [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: ‘als het niet naar mijn wens is, sla ik de grafsteen met een moker kapot en met jou erbij, geloof me maar’, dan wel woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

-dreigend die [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: ‘jij komt nooit van mij af, ook al doe je aangifte. Doet me niks. Zolang het niet tussen ons is afgewerkt, laat ik je nooit met rust. Ik kom jullie achterna. Ik laat jullie nooit binnenkomen want ik stamp jullie eruit, je moedertje, jou en je vriendje. Ik had je kapot moeten slaan. Jouw tijd komt nog’, dan wel woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

-(veelvuldig) langsgereden in de directe omgeving van de woning van die [slachtoffer 1] en/of daarbij de woning van die [slachtoffer 1] binnengekeken, en/of

- (veelvuldig) zich opgehouden in de directe omgeving van die [slachtoffer 1] , en/of

-nepaccounts op Social Media aangemaakt teneinde contact te zoeken met die [slachtoffer 1] en/of de vrienden van die [slachtoffer 1] en/of zich daarbij bedreigend uit te laten jegens haar/hen, en/of

-(meerdere malen) die [slachtoffer 1] op diverse locaties opgewacht;

-(veelvuldig) sprekende over en/of tegen die [slachtoffer 1] de beledigende woorden toegevoegd: ‘kankerhoer’, en/of ‘kankertrut’ en/of ‘vieze kroketkut’, dan wel woorden van gelijke aard en/of strekking;

T.a.v. feit 2:

hij, in of omstreeks de periode van 1 oktober 2018 tot en met 19 februari 2019 te Eindhoven, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] , met het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, toen en daar (telkens)

-(veelvuldig) Whatsappberichten en/of SMS-berichten gezonden naar [slachtoffer 1] over die [slachtoffer 2] , onder andere inhoudende bedreigende en/of beledigende teksten, van welke bedreigende en/of beledigende woorden die [slachtoffer 2] kennis heeft genomen, en/of

-(veelvuldig) naar die [slachtoffer 2] getelefoneerd, en/of

- dreigend aan [slachtoffer 1] en daarbij sprekende over [slachtoffer 2] de woorden toegevoegd ‘en oe moeder moet kapot gaan, vandaag nog’, dan wel woorden van gelijke aard en/of strekking, van welke bedreigende woorden die [slachtoffer 2] kennis heeft genomen, en/of

- dreigend aan [slachtoffer 1] en daarbij sprekende over [slachtoffer 2] de woorden toegevoegd: ‘jij wil niet op een normale manier praten? Dan gaan we het op een andere manier spelen. Daar krijg je spijt van, geloof me maar. Dan lig jij ook met kerst tussen 6 plankjes en je moeder erbij, geloof me maar’, dan wel woorden van gelijke aard en/of strekking, van welke bedreigende woorden die [slachtoffer 2] kennis heeft genomen, en/of

-dreigend aan [slachtoffer 1] en daarbij sprekende over [slachtoffer 2] de woorden toegevoegd: ‘met je kanker moedertje, die moet kapot gaan. dan zal ik ervoor zorgen ook. Geloof mij wat ik zeg’, dan wel woorden van gelijke aard en/of strekking, van welke bedreigende woorden die [slachtoffer 2] kennis heeft genomen, en/of

-(veelvuldig) langsgereden in de directe omgeving van de woning van die [slachtoffer 2] en/of daarbij de woning van die [slachtoffer 2] binnengekeken, en/of

- (veelvuldig) zich opgehouden in de directe omgeving van die [slachtoffer 2] ;

T.a.v. feit 3:

hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 mei 2017 tot en met 19 februari 2019 te Eindhoven, althans in Nederland, [slachtoffer 1] (telkens) heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]

-aan de haren te trekken, en/of

-te duwen, en/of

-(met beide handen) de keel dicht te knijpen, en/of

-tegen een auto te gooien en/of duwen;

T.a.v. feit 4:

hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 mei 2017 tot en met 19 februari 2019 te Eindhoven, althans in Nederland, [slachtoffer 2] (telkens) heeft mishandeld door

-tegen die [slachtoffer 2] een stoel te gooien, en/of

-die [slachtoffer 2] te schoppen en/of trappen;

T.a.v. feit 5:

hij, in of omstreeks de periode van 1 mei 2018 tot 1 september 2018 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk een afstandsbediening, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan (een) ander(en), te weten aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] toebehoorde(n), heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.

Op 11 januari 2019 werd door aangeefster [slachtoffer 1] aangifte gedaan van bedreiging, stalking en mishandeling. Zij verklaarde dat zij sinds eind oktober 2018 – na het beëindigen van haar relatie – door haar ex-partner, te weten verdachte, wordt gestalkt en bedreigd. Tijdens haar relatie zou zij zijn mishandeld door verdachte.

Gedurende het onderzoek is het vermoeden ontstaan dat de moeder van [slachtoffer 1] , aangeefster [slachtoffer 2] , ook gestalkt, bedreigd en mishandeld zou zijn door verdachte. Naast de ten laste gelegde belagingen en mishandelingen wordt verdachte verweten dat hij een afstandsbediening van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft vernield/beschadigd/onbruikbaar heeft gemaakt/weggemaakt.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht alle feiten die aan de verdachte ten laste zijn gelegd wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 en dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Feit 1, met uitzondering van het (veelvuldig) langsrijden, en feit 5 kunnen wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder de feiten 3 en 4 aan verdachte ten laste is gelegd, te weten de mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Uit het verhandelde ter terechtzitting en het procesdossier is gebleken dat de mishandeling enkel bevestiging vindt in hetgeen daarover is verklaard door de slachtoffers zelf. Dat getuige [getuige] blauwe plekken heeft waargenomen bij [slachtoffer 1] is onvoldoende om vast te stellen dat daadwerkelijk sprake is geweest van mishandeling van [slachtoffer 1] door verdachte in de ten laste gelegde periode. Daarnaast zijn er geen getuigenverklaringen afgelegd die de mishandeling van [slachtoffer 2] door verdachte bevestigen.

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen dat verdachte de ten laste gelegde mishandelingen heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsbijlage.

Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking en opsomming daarvan in de bijlage. Deze bijlage is gevoegd als bijlage A bij dit vonnis (pagina’s 14 tot en met 18).

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde belagingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat aangeefsters gedurende de ten laste gelegde periodes meerdere malen berichten van dreigende aard via Whatsapp en SMS hebben ontvangen. De berichten hebben beide aangeefsters rechtstreeks of via derden ontvangen. Voor aangeefsters en de andere betrokkenen was duidelijk dat verdachte de afzender was van deze berichten en (anonieme) telefoontjes. Dit wordt bevestigd door het onderzoek van de politie naar het telefoonnummer van verdachte. Verdachte heeft ten overstaan van de politie bekend dat hij social media-accounts aanmaakte om [slachtoffer 1] en derden te benaderen. Vanuit deze social media-accounts zijn eveneens dreigende uitlatingen door verdachte verzonden. Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting erkend dat hij meerdere malen langs de woning van de aangeefsters is gereden. Gelet op de context waarin dit langs de woning rijden heeft plaatsgevonden, oordeelt de rechtbank dat sprake is van het veelvuldig langsrijden door verdachte in de directe omgeving van de woning van de aangeefsters.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte die blijken uit de bewijsmiddelen, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de slachtoffers – naar objectieve maatstaven bezien – zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] sprake is geweest. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op indringende en obsessieve wijze heeft geprobeerd met [slachtoffer 1] in contact te komen via telefoon, Whatsapp, SMS en verschillende social media-accounts. Dat de bedreigingen veelal aan het adres van [slachtoffer 1] zijn gericht, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het feit dat verdachte zich ook veelvuldig bedreigend over dan wel jegens [slachtoffer 2] heeft uitgelaten en dat hij contact zocht met [slachtoffer 1] via de telefoon van [slachtoffer 2] .

De rechtbank acht hetgeen onder feit 1 en feit 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen. Voor het ten laste gelegde zich (veelvuldig) ophouden in de directe omgeving van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en het opwachten van [slachtoffer 1] op diverse locaties is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden, om welke reden de rechtbank verdachte hiervan zal vrijspreken.

Ook hetgeen onder feit 5 ten laste is gelegd acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen, nu verdachte daarover op 14 mei 2019 een bekennende verklaring heeft afgelegd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

T.a.v. feit 1:

in de periode van 24 oktober 2018 tot en met 19 februari 2019 te Eindhoven, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, toen en daar telkens

- veelvuldig Whatsappberichten en SMS-berichten gezonden naar die [slachtoffer 1] onder andere inhoudende bedreigende en/of beledigende teksten, en

- veelvuldig naar die [slachtoffer 1] getelefoneerd, en

- dreigend die [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: ‘ik sla je kapot’, en

- dreigend die [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: ‘als het niet naar mijn wens is, sla ik het met een moker kapot en met jou erbij, geloof me maar’, en

- dreigend die [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: ‘jij komt nooit van mij af, ook al doe je aangifte. Doet me niks. Zolang het niet tussen ons is afgewerkt, laat ik je nooit met rust. Ik kom jullie achterna. Ik laat jullie nooit binnenkomen want ik stamp jullie eruit, je moedertje, jou en je vriendje. Ik had je kapot moeten slaan. Jouw tijd komt nog’, en

- veelvuldig langsgereden in de directe omgeving van de woning van die [slachtoffer 1] en daarbij de woning van die [slachtoffer 1] binnengekeken, en

- nepaccounts op Social Media aangemaakt teneinde contact te zoeken met die [slachtoffer 1] en/of de vrienden van die [slachtoffer 1] en zich daarbij bedreigend uit te laten jegens haar, en

- veelvuldig sprekende over en/of tegen die [slachtoffer 1] de beledigende woorden toegevoegd: ‘kankerhoer’, en ‘kankertrut’ en ‘vieze kroketkut’.

T.a.v. feit 2:

in de periode van 24 oktober 2018 tot en met 19 februari 2019 te Eindhoven, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] , met het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, toen en daar telkens

- veelvuldig Whatsappberichten en SMS-berichten gezonden naar [slachtoffer 1] over die [slachtoffer 2] , onder andere inhoudende bedreigende en/of beledigende teksten, van welke bedreigende en/of beledigende woorden die [slachtoffer 2] kennis heeft genomen, en

- veelvuldig naar die [slachtoffer 2] getelefoneerd, en

- dreigend aan [slachtoffer 1] en daarbij sprekende over [slachtoffer 2] de woorden toegevoegd ‘en oe moeder moet kapot gaan, vandaag nog’, van welke bedreigende woorden die [slachtoffer 2] kennis heeft genomen, en

- dreigend aan [slachtoffer 1] en daarbij sprekende over [slachtoffer 2] de woorden toegevoegd: ‘jij wil niet op een normale manier praten? Dan gaan we het op een andere manier spelen. Daar krijg je spijt van, geloof me maar. Dan lig jij ook met kerst tussen 6 plankjes en je moeder erbij, geloof me maar’, van welke bedreigende woorden die [slachtoffer 2] kennis heeft genomen, en

- dreigend aan [slachtoffer 1] en daarbij sprekende over [slachtoffer 2] de woorden toegevoegd: ‘met je kanker moedertje, die moet kapot gaan. dan zal ik ervoor zorgen ook. Geloof mij wat ik zeg’, van welke bedreigende woorden die [slachtoffer 2] kennis heeft genomen, en

- veelvuldig langsgereden in de directe omgeving van de woning van die [slachtoffer 2] en daarbij de woning van die [slachtoffer 2] binnengekeken.

T.a.v. feit 5:

in de periode van 1 mei 2018 tot 1 september 2018 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk een afstandsbediening, die toebehoorde aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , heeft vernield.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een taakstraf voor de duur van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis als de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, en een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf dienen bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld, te weten: meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod met beide aangeefsters. De officier van justitie vordert dat de bijzondere voorwaarden direct uitvoerbaar worden verklaard.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen onder de feiten 2, 3 en 4 ten laste is gelegd. In geval van bewezenverklaring van de feiten 1 en 5 verzoekt de verdediging een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf zonder reclasseringstoezicht en behandeling door de reclassering op te leggen. Gelet op het tijdsverloop acht de verdediging oplegging van bijzondere voorwaarden niet opportuun.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner, [slachtoffer 1] , en haar moeder, [slachtoffer 2] . Verdachte heeft met de belagingen een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van beide aangeefsters. De belagingen, die met grove bedreigingen en beledigingen gepaard zijn gegaan, moeten een grote indruk hebben gemaakt op de aangeefsters. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij/slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

Op te leggen straf en strafkorting wegens overschrijding redelijke termijn.

De raadsvrouw heeft betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

Naar vaste rechtspraak heeft als uitgangspunt in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in het onderhavige geval geen sprake.

De redelijke termijn is in deze zaak gaan lopen op 14 mei 2019, de dag waarop verdachte is aangehouden en verhoord. Het vonnis is gewezen op 24 juni 2021.

De rechtbank concludeert dat de redelijke termijn met anderhalve maand is overschreden. De zaak heeft onnodig lang stil gelegen. Dat de raadsvrouw van verdachte om medische redenen een verzoek om aanhouding van de terechtzitting van 2 maart 2021 heeft gedaan, doet daar niet aan af. De termijnoverschrijding kan niet voor rekening van verdachte komen.

De rechtbank wil in deze zaak niet volstaan met de constatering dat het recht van verdachte op berechting binnen een redelijke termijn is geschonden, maar verbindt aan deze constatering tevens gevolgen voor wat betreft de aan verdachte op te leggen taakstraf, in die zin dat een korting wordt toegepast van ongeveer 10%. In plaats van een taakstraf voor de duur van 180 uren zal de rechtbank aan verdachte aldus opleggen een taakstraf voor de duur van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis als de taakstraf niet naar behoren wordt verricht. De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en is daarom van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 180 uren met strafkorting van 20 uren in onderhavige zaak passend is.

De rechtbank zal geen voorwaardelijk(e) straf(deel) opleggen nu de rechtbank – met de verdediging – van oordeel is dat dit gelet op het tijdsverloop en de ontwikkelingen die verdachte heeft doorgemaakt niet opportuun is. Uit het dossier maakt de rechtbank op dat de stalking door verdachte op 19 februari 2019 is gestopt.

De rechtbank zal tevens een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank een geringer aantal feiten bewezen heeft verklaard en de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De benadeelde partij vordert een bedrag van 1.200,-- euro aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering tot schadevergoeding voldoende is onderbouwd en verzoekt de rechtbank de gehele vordering toe te wijzen met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

Gelet op het feit dat de verdediging vrijspraak voor feit 3 bepleit en dat sprake is van belaging door de benadeelde partij zelf, verzoekt de verdediging de rechtbank het toe te kennen bedrag aan schadevergoeding aanzienlijk te matigen.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als vergoeding voor de rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte schade, een immateriële schadevergoeding ten bedrage van 500,-- euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank stelt vast dat de door verdachte jegens het slachtoffer gedane uitlatingen zeer bedreigend en beledigend zijn geweest en zij dit als zeer angstig moet hebben ervaren. De rechtbank ziet daarom aanleiding de immateriële schadevergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid schattenderwijs te begroten op 500,-- euro gelet op de schadevergoeding die in – grosso modo – vergelijkbare gevallen bij belaging doorgaans wordt toegewezen voor soortgelijke feiten.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van het overige bedrag van de vordering. Het is niet eenvoudig vast te stellen wat de omvang is van de immateriële schade die rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit is toegebracht. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van het overige deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag van 500,-- euro aan immateriële schadevergoeding ten behoeve van [slachtoffer 1] tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

De benadeelde partij vordert een bedrag van 1.000,-- euro aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering tot schadevergoeding voldoende is onderbouwd en verzoekt de rechtbank de gehele vordering toe te wijzen met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering dient te worden afgewezen aangezien vrijspraak ten aanzien van feit 2 en 4 is bepleit.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als vergoeding voor rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een immateriële schadevergoeding ten bedrage van 250,-- euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de door verdachte jegens het slachtoffer gedane uitlatingen zeer bedreigend en beledigend zijn geweest en zij dit als zeer angstig moet hebben ervaren. De rechtbank ziet daarom aanleiding de immateriële schadevergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid schattenderwijs te begroten op 250,-- euro gelet op de schadevergoeding die in – grosso modo – vergelijkbare gevallen van belaging doorgaans wordt toegewezen voor soortgelijke feiten.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van het overige bedrag van de vordering. Het is niet eenvoudig vast te stellen wat de omvang is van de immateriële schade die rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit is toegebracht. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van het overige deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag van 250,-- euro aan immateriële schadevergoeding ten behoeve van [slachtoffer 2] tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 22c, 22d, 36f, 57, 60a, 63, 285b, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 3, feit 4:

Vrijspraak.

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

belaging

T.a.v. feit 2:

belaging

T.a.v. feit 5:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 5:

Een taakstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis.

T.a.v. feit 1:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] van een bedrag van 500,00 euro, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 10 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding.

De immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

T.a.v. feit 1:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 500,00 euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding.

De immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde [slachtoffer 1] bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 2:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] van een bedrag van 250,00 euro, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 5 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding.

De immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

T.a.v. feit 2:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 250,00 euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding.

De immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde [slachtoffer 2] bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. B.A.J. Zijlstra, voorzitter,

mr. C.J. Sangers-de Jong en mr. E.C.L. Pechaczek, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,

en is uitgesproken op 24 juni 2021.