Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2950

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-06-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
01-994022-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van gewoontewitwassen.

Verweer misbruik van strafvorderlijke bevoegdheden strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie wordt verworpen.

Verweer bestuurlijke boete en niet naleven van artikel 243 lid 2 Sv strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie wordt verworpen.

Rechtbank volgt het 6-stappenplan voor witwassen omdat aanvankelijk geen sprake was van een specifiek gronddelict.

Sterke aanwijzingen dat de medeverdachte zich aan een of meer fiscale delicten heeft schuldig gemaakt.

Verhullende handelingen door gebruikmaking van een offshore-vennootschap (Virgin Islands).

Verdachte was de financieel adviseur van de hoofdverdachte, de eigenaar van de manege en verdachte had een zeer actieve rol bij de financiële constructie die door de hoofdverdachte en diens vennootschappen werd gebruikt.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank heeft korting toegepast wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/994022-16

Datum uitspraak: 24 juni 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortejaar] 1952,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 december 2020, 25 mei 2021, 27 mei 2021 en 10 juni 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 september 2021.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2012

tot en met 29 juli 2016 te [gemeente 1] en/of te [gemeente 2] en/of (elders)

in Nederland en/of Zwitserland en/of Spanje en/of Monaco,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) dan verdachte,

althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, in

elk geval zich een of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans

aan schuldwitwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn

mededader(s) (krachtens voornoemde gewoonte)

A.

van een manege / paardenhouderij (gelegen aan de [adres 2] te [gemeente 1] ),

en/of van een of meer geldbedragen gebruikt voor de aankoop van deze manege /

paardenhouderij en/of voor de bouw van en/of bouwwerkzaamheden aan die

manege / paardenhouderij,

(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld

en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die manege /

paardenhouderij en/of die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of wie dat/die

voorwerp(en) voorhanden had(den)

en/of

(telkens) bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad

en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,

en/of

B.

een of meermalen van (een) geldbedrag(en) (tot een totaalbedrag van 153.514

euro of daaromtrent (aan betaalde huur voor een appartement in de [naam 1]

in [gemeente 2] ) (zaakdossier 1, paragraaf 2.3.3, p. 48 e.v.) en/of tot een

totaalbedrag van 172.695,00 euro of daaromtrent (aan betalingen aan [persoon 1]

en/of [bedrijf 1] ) (zaakdossier 1, paragraaf 2.3.4, p. 49) en/of tot een

totaalbedrag van omgerekend 867.815,00 euro of daaromtrent (aan contante

opnamen) (zaakdossier 1, paragraaf 2.3.4, p. 49) en/of tot een totaal bedrag

van 250.000,00 euro of daaromtrent (overmaking van de privé-bankrekening van

[medeverdachte] naar de bankrekening van [bedrijf 2] )

(zaakdossier 1, paragraaf 2.3.5, p. 50)

(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld

en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat

geldbedrag(en) was/waren en/of wie die/dat voorwerp(en) voorhanden had(den),

en/of

(telkens) bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of

overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,

en/of

C.

van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer paarden (met een totale

waarde van 445.000,00 euro of daaromtrent) (zaakdossier 1, paragraaf 2.9, p.

60 e.v. / AMB-068)

(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld

en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat paard(en)

was/waren en/of wie die/dat voorwerp(en) voorhanden had(den)

en/of

(telkens) bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of

overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) telkens wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die manege / paardenhouderij en/of

die/dat geldbedrag(en) en/of die/dat paard(en) - onmiddellijk of middellijk -

geheel of gedeeltelijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

[medeverdachte] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de

periode van 6 januari 2004 tot en met 29 juli 2016 te [gemeente 1] en/of te

[gemeente 2] en/of (elders) in Nederland en/of Zwitserland en/of Spanje en/of

Monaco,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, in elk geval zich een

of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans aan

schuldwitwassen,

immers heeft/hebben die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) (krachtens voornoemde

gewoonte)

A.

van een manege / paardenhouderij (gelegen aan de [adres 2] te [gemeente 1] ),

en/of van een of meer geldbedragen gebruikt voor de aankoop van deze manege /

paardenhouderij en/of voor de bouw van en/of bouwwerkzaamheden aan die

manege / paardenhouderij,

(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld

en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die manege /

paardenhouderij en/of die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of wie dat/die

voorwerp(en) voorhanden had(den)

en/of

(telkens) bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad

en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,

en/of

B.

een of meermalen van (een) geldbedrag(en) (tot een totaalbedrag van 153.514

euro of daaromtrent (aan betaalde huur voor een appartement in de [naam 1]

in [gemeente 2] ) (zaakdossier 1, paragraaf 2.3.3, p. 48 e.v.) en/of tot een

totaalbedrag van 172.695,00 euro of daaromtrent (aan betalingen aan [persoon 1]

en/of [bedrijf 1] ) (zaakdossier 1, paragraaf 2.3.4, p. 49) en/of tot een

totaalbedrag van omgerekend 867.815,00 euro of daaromtrent (aan contante

opnamen) (zaakdossier 1, paragraaf 2.3.4, p. 49) en/of tot een totaal bedrag

van 250.000,00 euro of daaromtrent (overmaking van de privé-bankrekening van

verdachte naar de bankrekening van [bedrijf 2] ) (zaakdossier 1,

paragraaf 2.3.5, p. 50)

(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld

en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat

geldbedrag(en) was/waren en/of wie die/dat voorwerp(en) voorhanden had(den),

en/of

(telkens) bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of

overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,

en/of

C.

van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer paarden (met een totale

waarde van 445.000,00 euro of daaromtrent) (zaakdossier 1, paragraaf 2.9, p.

60 e.v. / AMB-068)

(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld

en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat paard(en)

was/waren en/of wie die/dat voorwerp(en) voorhanden had(den)

en/of

(telkens) bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of

overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,

terwijl die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) telkens wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die manege / paardenhouderij en/of

die/dat geldbedrag(en) en/of die/dat paard(en) - onmiddellijk of middellijk -

geheel of gedeeltelijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de

periode van 01 januari 2012 tot en met 29 juli 2016 te [gemeente 2] in elk geval

in Nederland,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen heeft verschaft, door

- geen of onvoldoende vragen aan die [medeverdachte] te stellen over de

herkomst van het vermogen van die [medeverdachte] (voordat die [medeverdachte]

klant van/bij hem, verdachte, werd) en/of geen of onvoldoende

onderzoek te doen naar de herkomst van het vermogen van die [medeverdachte]

(onder andere: V002-1/2, V001-1, G003-1, DOC-19, DOC-60) en/of

(vervolgens) (terwijl hij, verdachte, wist dat die [medeverdachte]

nergens ter wereld belasting betaalde en/of terwijl hij, verdachte, de omvang

van het totale vermogen van die [medeverdachte] niet kende) (onder

andere: V002-1/2, DOC-077, G003-1)

- die [medeverdachte] te adviseren over en/of te helpen bij het opzetten

van een structuur waarbij geloofwaardigheid aan de situatie van die [medeverdachte]

wordt gegeven en inconsistente structuren moeten worden vermeden

waarbij de aansprakelijkheid van de directeuren mogelijk criminele gevolgen

heeft (onder andere: AMB-39, DOC-14) en/of

- die [medeverdachte] te adviseren een of meer

bedrijf/bedrijven/rechtsperso(o)nen (te weten: [bedrijf 2]

en/of [bedrijf 3] ) op te richten en/of bij het oprichten van

een of meer bedrijf/bedrijven/rechtsperso(o)nen door die [medeverdachte]

(te weten: [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] )

bijstand te verlenen (onder andere: AMB-39, AMB-44, DOC-020, V001-1/2) en/of

- die [medeverdachte] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3]

[bedrijf 3] (fiscaal) te adviseren (onder andere: V002-1/2, AMB-39,

AMB-40, AMB-44, DOC-14, DOC-15, DOC-16, DOC-17, DOC-18, DOC-45) en/of

- die [medeverdachte] te adviseren naar België te verhuizen (onder

andere AMB-39, DOC-15, DOC-45, V002-1) en/of

- die [medeverdachte] te helpen bij het sluiten van een huurovereenkomst

voor het [adres 3] te Hamont-Achel (België) (onder andere: V002-1/2,

AMB-40, AMB-44) en/of

- die [medeverdachte] te helpen met een inschrijving in het

bevolkingsregister in Hamont (België) (onder andere: V002-1/2, AMB-44, DOC-16,

DOC-17) en/of

- voor die [medeverdachte] contacten te leggen en/of te onderhouden met

(een of meer medewerkers van) een of meer financiële instelling(en) en/of die

[medeverdachte] te adviseren en/of te helpen in verband met (de aanvraag

van) een hypothecaire financiering van een manege / paardenhouderij (onder

andere: AMB-020, AMB-28, AMB-32, AMB-36, AMB-36C, AMB-36D, AMB-40, AMB-41,

AMB-42, AMB-43, AMB-44, DOC-19, DOC-20, DOC-21, DOC-25, DOC-28, DOC-30,

DOC-31, DOC-32, DOC-33, DOC-34, DOC-45, V002-1/2) en/of

- een bedrag van (in totaal) 2.400.000,00 euro, in elk geval een groot bedrag,

(dat door die [medeverdachte] in de vennootschap [bedrijf 3]

was/zou zijn ingebracht) als agio in de belastingaangifte

vennootschapsbelasting / jaarstukken 2014 van [bedrijf 2] op

te (laten) nemen (onder andere: AMB-001, G003-1, V002-1/2) en/of

- een of meer bedragen (tot een totaal bedrag van 445.000,00 euro) die

betrekking hebben op de inbreng van privé-paarden van die [medeverdachte]

in [bedrijf 2] als memoriaalboekingen in de

administratie van [bedrijf 3] op te (laten) nemen (onder

andere: AMB-68, G003-1, V002-1/2).

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging is door de raadsman van verdachte aangesloten bij het volgende verweer dat in de strafzaken tegen de medeverdachte [medeverdachte] (hierna te noemen: [medeverdachte] ) en diens Nederlandse ondernemingen is gevoerd:

Er is sprake van misbruik van de strafvorderlijke bevoegdheden door het Openbaar Ministerie (hierna te noemen: OM).

Er is in redelijkheid geen enkel ander scenario denkbaar waarom het OM begin juli 2016 met “spoed” een strafrechtelijk onderzoek zou hebben willen starten naar [medeverdachte] en de ondernemingen, dan dat zij daarmee op dat moment de collega’s van de Belastingdienst aan informatie hielp buiten de eigen controlebevoegdheden van de Belastingdienst om. Het beginsel van zuiverheid van oogmerk is geschonden, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging.

De rechtbank passeert dit verweer. In de zaak tegen verdachte is enkel sprake van een strafrechtelijk onderzoek, zonder enige samenloop met een onderzoek met inzet van controlebevoegdheden door de Belastingdienst. Voor zover het verweer zo moet worden begrepen, dat het opstarten van een strafrechtelijk onderzoek in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] consequenties dient te hebben voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de zaak van verdachte, is het de rechtbank niet gebleken dat het strafrechtelijk onderzoek met de inzet van strafvorderlijke bevoegdheden is opgestart uitsluitend vanuit fiscale motieven, maar heeft geresulteerd in de strafzaken tegen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] , gericht op een verdenking van witwassen.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in de vervolging kan worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding

De strafzaak met de verdenking (gewoonte)witwassen tegen verdachte (in het navolgende ook aangeduid als: [verdachte] ) is accessoir/volgend aan die tegen [medeverdachte] , parketnummer 01/997564-16 en diens vennootschappen [bedrijf 3] , parketnummer 01/997565-16 en [bedrijf 2] , parketnummer 01/997566-16.

Het verwijt dat aan [medeverdachte] wordt gemaakt is het medeplegen van gewoontewitwassen van aanzienlijke geldbedragen, onder meer geïnvesteerd in een manege/paardenhouderij, en van paarden.

De feitelijke gedragingen die [verdachte] volgens het procesdossier in de kern worden verweten zijn, dat hij

- [medeverdachte] behulpzaam is geweest bij de oprichting van de Nederlandse vennootschappen die de manege hebben aangekocht en de verbouwingen op hun naam lieten uitvoeren, ,

- [medeverdachte] adviseerde welke structuur deze moest gebruiken om vermogen naar Nederland te brengen zonder belasting af te dragen, en

- [medeverdachte] hielp bij het verkrijgen van aanvullende financieringen in Nederland.

Zowel in de standpunten van de officier van justitie en van de raadsman, als vervolgens ook in de overwegingen van de rechtbank zal eerst worden stilgestaan bij de vraag of sprake is van witwassen door [medeverdachte] (en zijn Nederlandse bedrijven) en zal het zogenaamde

6-stappenplan witwassen worden besproken. Dit 6-stappenplan is gebaseerd op de de beoordeling van de zaak ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte] .

Daarna zal in de standpunten van procespartijen en door de rechtbank aandacht worden besteed aan de vraag of [verdachte] opzet had op het witwassen en hoe in dat geval de gedragingen van [verdachte] juridisch te duiden zijn (medeplegen of medeplichtigheid).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is uitgegaan van een witwasonderzoek zonder gronddelict en volgt het zogenaamde 6-stappen arrest van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481).

Volgens de officier van justitie was een specifiek gronddelict onbekend.

Er was een vermoeden van witwassen, onder meer in verband met van toepassing zijnde witwasindicatoren. Het gaat dan onder meer om in Zwitserland geopende bankrekeningen terwijl daar een bankgeheim geldt, het gebruik van een offshore-vennootschap, contacten met personen met criminele antecedenten en het opnemen van grote hoeveelheden contant geld waarmee de paper-trail wordt doorbroken.

De verklaring van verdachte voor de herkomst van het geld of de goederen is dat hij het geld heeft verdiend met paardenhandel. Volgens de officier van justitie bestaat er geen twijfel over de stelling van de verdediging van [medeverdachte] dat gelden uit de paardenhandel bij de offshore [bedrijf 4] (hierna te noemen: [bedrijf 4] ) zijn binnen gekomen.

Echter, nu [medeverdachte] slechts een samengesteld overzicht van stortingen gerelateerd aan transacties met een of meer paarden heeft overgelegd, is de officier van justitie van mening dat zijn verklaring slechts minimaal concreet en verifieerbaar is gebleken. Volkomen onduidelijk gebleven is namelijk nog steeds hoe de gelden, die op de diverse Zwitserse bankrekeningen van [bedrijf 4] zijn ontvangen, vervolgens zijn doorgeleid, aan wie, waarom, of ze nog zijn aangevuld met andere gelden, of er belasting over is betaald, of er vermenging met criminele gelden heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de aanschaf van de stal, de paarden en andere uitgaven.

Een originele en gereconstrueerde administratie van [bedrijf 4] is door de verdediging nimmer beschikbaar gesteld.

Kort voor het onderzoek ter terechtzitting heeft de verdediging bankafschriften van de privérekeningen van [medeverdachte] ingebracht; de officier van justitie is daarover van mening dat hieruit weliswaar volgt dat de geïnvesteerde bedragen van [bedrijf 4] via een privérekening van verdachte bij [bedrijf 3] terecht zijn gekomen, maar dat nog steeds niet is komen vast te staan wat de specifieke herkomst van de bedragen is.

Voorts volgt volgens de officier van justitie uit onderzoek aan die bankafschriften in samenhang bezien met het overzicht van [persoon 3] van [bedrijf 5] (DOC-028) dat het aandeel van onverklaarbare inkomsten substantieel is ten opzichte van de inkomsten uit (vermoedelijk) paardenhandel en ten opzichte van de winst.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de verklaring(en) van verdachte [medeverdachte] onvoldoende concreet en onvoldoende verifieerbaar is gebleken.

Hetgeen de verdediging ter terechtzitting van 25 mei 2021 nog heeft aangevoerd over beleggingen die door de vermogensbeheerder in Zwitserland namens [bedrijf 4] zijn gedaan, maakt die conclusie niet anders omdat onduidelijk is wat voor beleggingen het betreft, wat de inleg was en wat de herkomst van de inleg was.

Tot slot heeft de officier van justitie aangevoerd (stap 6) dat uit de resultaten van het totale onderzoek met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat ALLE geldbedragen een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige

aanvaardbare verklaring kan gelden voor een deel van de gelden. De officier van justitie heeft daarbij tevens opgemerkt dat dit voor een substantieel deel van de inkomsten van [bedrijf 4] geldt. Door vermenging van de onrechtmatig verkregen of behouden bedragen is het volledige bedrag dat is geïnvesteerd of besteed, geïnfecteerd geraakt.

De officier van justitie acht de gedragingen van [verdachte] , zoals in de inleiding kort weergegeven en de intensieve contacten die [verdachte] met zowel [medeverdachte] als met diens vermogensbeheerder in Zwitserland, de heer [persoon 4] , onderhield, zijn actieve bemoeienissen met de woonplaats van [medeverdachte] en de omstandigheid dat het kantoor van [verdachte] de jaarrekeningen opmaakte voor de Nederlandse bedrijven van [medeverdachte] , redengevend voor bewezenverklaring van medeplegen van gewoontewitwassen.

Daarbij heeft de officier van justitie aangevoerd dat [verdachte] in een andere grote strafzaak in mei 2013 al geconfronteerd werd met een witwasverdenking en hij desalniettemin nog drie jaren is doorgegaan met het verlenen van zijn diensten, terwijl uit telefoontaps tussen [verdachte] en [persoon 4] , voornoemd, al duidelijk was geworden dat beiden begrepen dat de situatie waarin [medeverdachte] zich bevond precair was.

De officier van justitie acht alle onderdelen in de tenlastelegging van feit 1 wettig en overtuigend bewezen, hetgeen gewoontewitwassen inhoudt van een totaalbedrag van

€ 4.164.024,-, nu dit bedrag deels van misdrijf afkomstig is.

Het standpunt van de verdediging.

Vanwege het accessoire karakter van de zaak van verdachte aan de zaak [medeverdachte] heeft de raadsman verzocht de standpunten in die zaak als herhaald en ingelast te beschouwen.

De rechtbank zal dit doen.

De verdediging van [medeverdachte] c.s. heeft aangevoerd dat alle investeringen, genoemd in de tenlastelegging onder 1A en 1B, direct of indirect, afkomstig zijn van [bedrijf 4] .

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat toepassing van het 6-stappenplan niet aan de orde zou moeten zijn en er aldus ten onrechte een concrete en verifieerbare verklaring van verdachte wordt verlangd, nu duidelijk is dat fiscale fraude het gronddelict is.

Als toch het 6-stappenplan wordt gevolgd, dan is volgens de verdediging wel voldaan aan het vereiste dat verdachte een concrete, min of meer verifieerbare verklaring dient af te leggen die niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Kort gezegd houdt de verklaring van [medeverdachte] in dat al het geld dat hij heeft verdiend afkomstig is uit de paardenhandel en dat de uitgaven die volgens de tenlastelegging zijn gedaan vanuit de offshore-vennootschap [bedrijf 4] komen. Daarnaast is meer specifiek nog over inkomsten van [bedrijf 4] aangetoond dat [bedrijf 4] naast de inkomsten uit de paardenhandel ook inkomsten uit beleggingen had.

De verdediging heeft gesteld dat het OM vervolgens heeft nagelaten die verklaringen en de stukken ter onderbouwing daarvan zorgvuldig te onderzoeken.

De verdediging heeft op gronden die uiteengezet zijn in de pleitnota een bewijsverweer gevoerd ertoe strekkende dat niet kan worden bewezen dat de bedragen als vermeld in de tenlastelegging afkomstig zijn uit “belastingfraude”, meer specifiek het opzettelijk niet doen van aangiften inkomstenbelasting. Het is heel goed mogelijk dat verdachte nergens ter wereld belastingplichtig is geweest omdat hij steeds als ‘international traveler’ kon worden aangemerkt.

Met betrekking tot feit 1C, de inbreng van paarden in de vennootschap, [bedrijf 2] , heeft de verdediging aangevoerd dat geen feiten en omstandigheden aan de orde waren die te kwalificeren zijn als dat het niet anders kan zijn dan dat deze paarden uit enig misdrijf afkomstig waren. Kortom, voor een vermoeden van witwassen was geen onderbouwing voorhanden en dientengevolge kon het stappenplan niet aan de orde zijn en kon ook geen concrete en verifieerbare verklaring van [medeverdachte] worden verlangd. Tevens heeft de verdediging aangevoerd dat de Wwft-meldingen die de adviseurs van [medeverdachte] hebben gedaan door het OM niet zijn onderzocht, zodat van een eerlijk proces geen sprake kan zijn en het bewijs voor witwassen niet is geleverd.

Ook hier heeft het bewijsverweer te gelden dat niet kan worden bewezen dat [medeverdachte] wetenschap had van gelden of vermogen dat is gegenereerd uit belastingfraude dan wel enig ander misdrijf.

Voorts heeft de raadsman van [verdachte] als bewijsverweer gevoerd dat verdachte geen wetenschap had van het eventueel aan de orde zijnde gronddelict belastingontduiking door [medeverdachte] en ook geen wetenschap had dat er naast opbrengsten uit paardenhandel andere inkomsten aan de orde waren voor [medeverdachte] .

Tot slot zijn namens verdachte bewijsverweren gevoerd die ertoe strekken dat vrijspraak zou moeten volgen voor zowel medeplegen als medeplichtigheid.

Het oordeel van de rechtbank.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn opgenomen en uitgewerkt in een bewijsbijlage (bijlage 1). Deze bewijsmiddelenbijlage maakt integraal onderdeel uit van dit vonnis.

Beoordelingskader witwassen

Vooropgesteld moet worden dat het door de officier van justitie toegepaste 6-stappenplan, zoals voornoemd, enkel kan worden toegepast als sprake is van een onbekend gronddelict.

De vraag is dus eerst of sprake was van een specifiek gronddelict (stap 1), zoals door de verdediging is betoogd. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend.

Uit het onderzoek in de onderhavige zaak bleek aanvankelijk geen specifiek gronddelict waaruit de verschillende aan de orde zijnde geldbedragen, onder andere geldbedragen waarmee de manege is bekostigd, en de paarden afkomstig zouden kunnen zijn.

De rechtbank volgt de stelling verdediging dan ook niet en zal het 6-stappenplan toepassen.

Stap 2: is sprake van een vermoeden van witwassen?

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen hierna wordt besproken feiten en omstandigheden oplevert die, in onderling verband en samenhang beschouwd, zonder meer een vermoeden van witwassen in het leven roepen.

Investeringen [gemeente 1]

Uit het onderzoek komt onder meer het volgende naar voren:

- [medeverdachte] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 3] die enig aandeelhouder en bestuurder is van [bedrijf 2] ;

- in de periode 2013-2015 is vanuit Zwitserland een bedrag van in totaal € 2.275.000,00 overgemaakt op de bankrekening van [bedrijf 3] ;

- dit geld is geïnvesteerd in de aankoop/nieuwbouw van een manege/paardenhouderij gevestigd op het adres [adres 2] in [gemeente 1] ;

- dit geld bleek indirect afkomstig van Zwitserse bankrekeningen op naam van de offshore vennootschap [bedrijf 4] ;

- [medeverdachte] was de "ultimate beneficial owner" ("UBO", de uiteindelijke gerechtigde) van [bedrijf 4] ;

- [verdachte] heeft [medeverdachte] onder meer met betrekking tot de investeringen van het Zwitserse vermogen van [bedrijf 4] dan wel zijn (buitenlandse) privévermogen geadviseerd.

Inkomen/winst en/of vermogen

Uit het onderzoek komt tevens naar voren dat [medeverdachte] nergens ter wereld aangifte heeft gedaan van zijn inkomen en/of vermogen en ook nergens belasting heeft betaald. Dit geldt eveneens voor zijn offshore-vennootschap [bedrijf 4] .

Dat [medeverdachte] ondernemingsactiviteiten ontplooide via zijn offshore [bedrijf 4] is met betrekking tot de jaren 2010 tot en met maart 2015 onder meer af te leiden uit de inhoud van Zwitserse bankrekeningen op naam van deze offshore. Hierin zijn onder meer betalingen terug te vinden inzake de aan- en verkoop van paarden, de huur van stallen in Nederland, de kosten van het [bedrijf 6] en het vervoer van paarden. Ook is hieruit op te maken dat [medeverdachte] inkomsten als gevolg van de verkoop van paarden vervolgens ook heeft aangewend in het economische verkeer door er weer paarden mee aan te kopen.

[bedrijf 4]

Uit het onderzoek komt naar voren dat [medeverdachte] naast UBO ook de feitelijk leidinggevende was van [bedrijf 4] en dat hij (mede)beschikkingsmacht had over de Zwitserse bankrekeningen van deze offshore. Zo heeft hij onder meer toestemming gegeven aan zijn Zwitserse tussenpersoon/vermogensbeheerder [persoon 4] om € 780.000,00 naar de bankrekening van [bedrijf 3] over te maken betreffende de aankoop van het pand in [gemeente 1] .

Daarnaast blijkt uit aangetroffen handgeschreven formulieren/notities dat hij persoonlijk opdracht heeft gegeven aan medewerkers van het kantoor van de Zwitserse tussenpersoon [bedrijf 7] , waaraan ook voornoemde [persoon 4] is verbonden, om geld over te maken van de Zwitserse bankrekeningen van [bedrijf 4] naar derden. Ook blijkt uit in het digitale beslag aangetroffen PDF-bestanden van de Zwitserse bankrekeningen van [bedrijf 4] dat privé-uitgaven van [medeverdachte] in opdracht van hem zijn betaald via deze Zwitserse bankrekeningen zoals de huur van zijn appartement aan de [naam 2] in [gemeente 2] .

Dat [medeverdachte] via zijn offshore [bedrijf 4] in de onderzochte jaren (2010 tot en met augustus 2015) "economische activiteiten" ontplooide, is onder meer ook op te maken uit ingestelde derdenonderzoeken door de Belastingdienst, de inhoud van de Zwitserse bankrekeningen van deze offshore, aangetroffen stukken inzake de huur van stallen in Nederland/kosten voor een dierenarts ( [bedrijf 6] )/het vervoer van paarden door [bedrijf 8] , de berichtgeving op internet en/of publicaties in kranten/tijdschriften en de door [medeverdachte] afgelegde verklaringen betreffende de bedrijfsactiviteiten van deze offshorevennootschap.

Woonplaats

Uit het onderzoek blijkt dat [medeverdachte] gedurende de periode augustus 2008 tot en met december 2015 een gemeubileerd appartement heeft gehuurd in de [naam 1] aan de [naam 2] te [gemeente 2] waar de offshore [bedrijf 4] circa € 2.500,00 - € 3.000,00 per maand voor betaalde. Voorafgaand aan deze periode heeft [medeverdachte] een hotelkamer bij [bedrijf 9] gehuurd vanaf 2004, voor minimaal 142 nachten (in 2006), 278 nachten (in 2005) tot en met 322 nachten in 2007.

[getuige] , een oud-medewerker van [medeverdachte] , heeft verklaard dat [medeverdachte] in de wintermaanden in Amerika verbleef. Bijvoorbeeld in 2015 heeft hij van medio april tot medio december Nederland als zijn basis gebruikt. Vanaf Nederland bezoekt hij dan toernooien in Europa, vaak in de weekenden.

Tevens komt uit het onderzoek, meer in het bijzonder afgetapte telefoongesprekken tussen [medeverdachte] en [verdachte] , naar voren dat [medeverdachte] heeft getracht te verhullen dat hij woonachtig was in Nederland door een appartement in België te huren, met als reden dat hij anders fiscaal hier als binnenlands belastingplichtige zou worden gepositioneerd én openheid zou moeten geven over zijn inkomen en/of vermogen in de jaren 2004 tot en met 2015. In september 2013 heeft hij zich laten inschrijven in Hamont-Achel te België, maar is daar vervolgens niet gaan wonen. Ook blijkt uit onderzoek dat [medeverdachte] tot 30 september 2013 ingeschreven heeft gestaan in Spanje terwijl hij daar niet woonachtig was. In de maand augustus 2014 heeft hij zich laten registreren als inwoner van Monaco.

Voorkoming belastingheffing

Hiervoor is reeds gerelateerd dat uit onderzoek naar voren komt dat [medeverdachte] en/of zijn offshore vennootschap [bedrijf 4] nergens ter wereld aangifte hebben gedaan van hun inkomen/winst en/of vermogen dan wel belasting betalen. Via deze constructie is belastingheffing, waar dan ook ter wereld, voorkomen.

Uit het onderzoek blijkt verder dat met behulp van diverse adviseurs en/of advocaten in 2016 is voorkomen dat Zwitserse autoriteiten gegevens over de bankrekening(en) van [bedrijf 4] . en/of de ultimate beneficial owner van deze offshore vennootschap gingen verstrekken aan de Nederlandse Belastingdienst.

Contacten met mensen met strafrechtelijke antecedenten

Uit een ander strafrechtelijk onderzoek, het onderzoek [onderzoeksnaam] , kwam [medeverdachte] naar voren als een mogelijke geldschieter voor een investering in een hotel die een van de hoofdverdachten in dat onderzoek [onderzoeksnaam] wilde doen. [verdachte] kwam in dat onderzoek naar voren als tussenpersoon tussen deze hoofdverdachte in de zaak [onderzoeksnaam] en verdachte en tezamen zouden zij de mogelijkheden van een investering van € 1.500.000,- bespreken. [verdachte] is in het onderzoek [onderzoeksnaam] door de rechtbank veroordeeld. [persoon 1] , eigenaar van [bedrijf 1] , is veroordeeld voor belastingontduiking en valsheid in geschrifte. [persoon 4] is betrokken in een internationaal witwas-onderzoek.

Tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden, waarbij sprake is van een aantal witwas-indicatoren, zoals hiervoor onder het standpunt van de officier van justitie samengevat, heeft de officier van justitie een aantal concrete witwasverdenkingen geformuleerd. Deze verwijten komen er - kort gezegd - op neer dat verdachte, samen met een ander of anderen, de navolgende voorwerpen heeft witgewassen:

A: een manege en geldbedragen die door [medeverdachte] zijn gebruikt voor de aankoop en bouw/verbouwing ervan (2.275.000);

B: -153.514,- aan betaalde huur van een woning in de [naam 1] [gemeente 2] door [medeverdachte] ;

-172.695,- aan betalingen door [medeverdachte] aan [persoon 1] / [bedrijf 1] ;

-867815,- aan contante opnamen door [medeverdachte] ;

-250.000,- aan overgemaakt geld van de privé-rekening van [medeverdachte] naar [bedrijf 2] ;

C: paarden (met een waarde van 445.000,-);

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is sprake van een vermoeden van witwassen, en ligt het op de weg van [medeverdachte] om ter zake de herkomst van de middelen een verklaring te presenteren die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk voorkomt, waarvoor het vermoeden van witwassen dient te wijken en de bewijslast ter zake de criminele herkomst van die middelen weer ten volle bij de officier van justitie legt.

Volgens het stappenplan witwassen is voorts het uitgangspunt dat als de verdachte dat vervolgens niet doet dan wel de gepresenteerde verklaring - al dan niet nadat deze aan nader onderzoek is onderworpen - geen hout snijdt dan als enig overblijvende verklaring voor de herkomst van de in de tenlastelegging genoemde goederen/bedragen resteert dat deze afkomstig zijn uit enig misdrijf.

Stap 3: Van verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de gelden/goederen.

[medeverdachte] heeft in de loop van het onderzoek, mede door het overleggen van een samengesteld overzicht van stortingen gerelateerd aan transacties met een of meer paarden, als kort en zakelijk weergegeven verklaring voor de herkomst gegeven, dat al het geld dat hij heeft verdiend afkomstig is uit paardenhandel. [medeverdachte] heeft getuigenverklaringen overgelegd van kopers van paarden. Later, kort voor de inhoudelijke behandelingen van de strafzaak in mei 2021, heeft [medeverdachte] nog als aanvulling daarop gegeven dat een deel van het geld afkomstig is uit een beleggingsportefeuille die zijn bedrijf [bedrijf 4] onderhield vanuit Zwitserland. [medeverdachte] heeft ook nog enkele rekeningoverzichten overgelegd.

Stap 4: Heeft verdachte hiermee een verklaring gepresenteerd die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand volstrekt onaannemelijk voorkomt, waarvoor het vermoeden van witwassen dient te wijken?

De rechtbank is van oordeel dat dit slechts ten dele het geval is. Met de getuigenverklaringen en rekeningoverzichten heeft [medeverdachte] zijn stelling dat hij zijn geld verdiende met de handel in paarden concreet, verifieerbaar en niet hoogst onwaarschijnlijk gemaakt. Dat er nog een andere herkomst van de gelden bestaat, zoals aan het begin van het onderzoek aannemelijk leek, is nog steeds niet uit te sluiten, maar niet langer kan de conclusie worden getrokken dat het niet anders kan dan dat al het geld een criminele herkomst heeft.

Echter, voor de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat het geld dat [medeverdachte] verdiende (met paardenhandel en met beleggingen) fiscaal niet is gekend en de gelden daarmee een gedeeltelijke criminele herkomst hebben.

[medeverdachte] heeft op geen enkel moment in het strafproces een verklaring gegeven waarmee aannemelijk is geworden dat hij op welke wijze dan ook aan zijn fiscale verplichtingen heeft voldaan. Dit terwijl uit het dossier naar voren is gekomen dat hij al sinds 2004 een groot deel van het jaar in het [bedrijf 9] en sinds 2008 in de [naam 1] in [gemeente 2] verbleef en hij al vanaf 2010 in Nederland bedrijfsactiviteiten ontplooide. In een getapt telefoongesprek van 7 november 2013 spreken [medeverdachte] en verdachte over het ‘faken’ van een woonplaats in België voor belastingdoeleinden. Er zijn dan ook sterke aanwijzingen dat zijn fiscale woonplaats in Nederland was en/of dat hij omzet genereerde in Nederland en hij derhalve in Nederland belastingplichtig was en bewust niet voldaan heeft aan die plicht. Niet valt uit te sluiten dat verdachte op momenten in de ten laste gelegde periode (ook) elders belastingplichtig was en ook dan heeft hij niet voldaan – zo heeft hij zelf bij herhaling verklaard – aan zijn fiscale verplichtingen.

Kortom, volgens de rechtbank zijn er sterke aanwijzingen dat [medeverdachte] zich aan een of meer fiscale delicten heeft schuldig gemaakt. Hierbij merkt de rechtbank op dat, anders dan de verdediging van [medeverdachte] aanvoert, specificatie van deze fiscale delicten naar haar oordeel in het kader van een witwasverdenking niet noodzakelijk is.

[medeverdachte] heeft evenmin een verklaring gegeven voor de vraag waarom hij - voor de rechtbank onmiskenbaar verhullende handelingen heeft begaan door gebruik te maken van een offshore-vennootschap, gevestigd in de British Virgin Islands, genaamd [bedrijf 4] en waarom hij gelden afkomstig uit die vennootschap via Zwitserse bankrekeningen liet lopen die uiteindelijk naar zijn Nederlandse vennootschappen zijn doorgesluisd.

Zoals ook door de officier van justitie gesteld, is voor de rechtbank volkomen onduidelijk gebleven hoe de gelden, die op de diverse Zwitserse bankrekeningen van [bedrijf 4] zijn ontvangen, vervolgens zijn doorgeleid, aan wie, waarom, of ze nog zijn aangevuld met andere gelden, of er belasting over is betaald.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat een medewerker van het kantoor van [verdachte] ( [persoon 5] ) in overleg met [verdachte] en [medeverdachte] paarden uit privé heeft ingebracht in [bedrijf 3] door deze als agio op de balans op te nemen. Vervolgens zijn deze paarden vanuit [bedrijf 3] als memoriaal boekingen bij verdachte als 100% dochtervennootschap ingebracht.. De reden daarvoor was het vermogen te vergroten.

Onduidelijk is ook gebleven op welke wijze [medeverdachte] de paarden heeft verkregen, met welke gelden [medeverdachte] de paarden heeft aangekocht en of daarover belasting is betaald.

De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte] niet bereid dan wel in staat is gebleken om het vermoeden van witwassen te doen wijken en dat er bij de huidige stand van het onderzoek geen bewijslast ter zake de criminele herkomst van die middelen meer bij de officier van justitie ligt. Uit het dossier komt naar voren dat, waar het OM heeft getracht nader onderzoek te doen naar de Zwitserse bankrekeningen dit door verdachte met zijn fiscaal adviseurs in Nederland en Zwitserland actief met juridische middelen is belet. Dit beletsel is niet opgeheven met bijvoorbeeld het door en onder regie van de verdediging alsnog en in een zeer laat stadium verstrekken van bankafschriften van Zwitserse bankrekeningen. Daarbij heeft het OM naar de ingebrachte gegevens steeds onderzoek gedaan en daarop inhoudelijk gereageerd, zelfs binnen zeer kort tijdsbestek.

De rechtbank concludeert gelet op het vorenstaande dat de investeringen in de manege/paardenhouderij en de paarden, zoals vermeld in de tenlastelegging, gedeeltelijk afkomstig waren uit het ontduiken van belastingen, zodat van witwassen sprake is;

meer specifiek heeft verdachte tezamen en in vereniging met onder meer [medeverdachte] , [persoon 4] , de offshore vennootschap [bedrijf 4] , de Nederlandse vennootschappen van [medeverdachte] , de herkomst van de betreffende investering in de manege/paardenhouderij en de paarden verhuld en heeft hij verhuld en/of verborgen wie rechthebbende(n) zijn/waren op die geïnvesteerde geldbedragen en de paarden.

Meer specifiek over het medeplegen overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte onderhield intensief contact met [medeverdachte] en met diens vermogensbeheerder [persoon 4] . Hij wist dat [medeverdachte] nergens ter wereld belasting betaalde.

Onderwerp van gesprek was de fiscale woonplaats van verdachte, waarbij ook gesproken werd over het ‘faken’ van een woonplaats in België. Verdachte stelde in samenspraak met [persoon 4] een financiële constructie voor het opzetten van bedrijven in Nederland voor, waarbij hij wist van het bestaan en het gebruik van de offshore-vennootschap [bedrijf 4] en van het vermogen dat moest worden overgebracht naar Nederland.

Hij had vervolgens actieve betrokkenheid bij de oprichting van de Nederlandse vennootschappen van [medeverdachte] . Verdachte heeft [medeverdachte] vergezeld naar de notaris en hij heeft de vennootschappen zelfs laten inschrijven op het adres van zijn eigen kantoor op de [naam 3] in [gemeente 2] . Toen de manege in [gemeente 1] werd aangekocht, zorgde hij eerst dat de registratie van het adres van [medeverdachte] in België verwerkt was. Daarna gaf hij [persoon 4] de opdracht tot het overmaken van een geldbedrag vanuit [bedrijf 4] via de privérekening van [medeverdachte] naar de Nederlandse vennootschappen. [medeverdachte] hoefde slechts nog toestemming te geven voor de overboekingen, zo blijkt uit de mail van 16 oktober 2013 van verdachte aan [persoon 4] .

Verdachte heeft de aanvullende financiering verzorgd voor de aankoop en bouw van de manege/paardenhouderij, waarbij verdachte afwijzingen van de aanvraag kreeg van onder andere [bedrijf 10] en [bedrijf 11] wegens onduidelijkheden rondom de financiële (fiscale) achtergronden van [medeverdachte] . Daarbij legde hij (een gedeelte van) het resultatenoverzicht van [persoon 3] van [bedrijf 5] met betrekking tot de bedrijfsresultaten van [bedrijf 4] over aan [bedrijf 10] en [bedrijf 12] . Vastgesteld kan worden dat verdachte daarmee zicht had op de financiële situatie van [bedrijf 4] .

Ondanks het feit dat [verdachte] in het mailverkeer heeft vermeld dat op de cijfers van [persoon 3] geen accountantscontrole is toegepast, heeft hij deze vervolgens wel gebruikt voor de aanvragen van hypothecaire financieringen.

Uit het voorgaande blijkt van een zeer actieve rol van verdachte bij de financiële constructie die door [medeverdachte] en zijn vennootschappen werd gebruikt. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] en [persoon 4] bij de verhullende handelingen, waarmee de geldbedragen afkomstig uit [bedrijf 4] werden aangewend ten behoeve van de bedrijfsvoering van de Nederlandse vennootschappen.

Het bewijsverweer dat verdachte geen wetenschap had van het in de zaak [medeverdachte] aan de orde zijn gronddelict belastingfraude wordt door de bewijsmiddelen verworpen.

De rechtbank zal vrijspreken van onderdeel B van de tenlastelegging, nu niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte actieve betrokkenheid had bij de bedoelde uitgaven, contante opnamen en overmaking door [medeverdachte] , zoals vermeld in onderdeel B.

Gelet op de aard, omvang en duur gedurende welke verdachte en zijn medeverdachten de activiteiten hebben ontplooid, acht de rechtbank eveneens bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten van dit witwassen een gewoonte hebben gemaakt.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen , in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

in de periode van 1 januari 2012 tot en met 13 oktober 2015 te [gemeente 1] in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen dan verdachte,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders krachtens voornoemde gewoonte

A.

van geldbedragen gebruikt voor de aankoop van deze manege / paardenhouderij (gelegen aan de [adres 2] te [gemeente 1] ) en voor de bouw van en bouwwerkzaamheden aan die

manege / paardenhouderij,

telkens de herkomst verhuld en/of verborgen en verhuld wie de rechthebbende(n) op die geldbedragen was/waren

en

C.

van voorwerpen, te weten paarden (met een totale waarde van 445.000,00 euro)

telkens de herkomst verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die paarden was/waren,

en

bovenomschreven paarden verworven,

terwijl hij, verdachte en zijn mededaders wisten, dat die geldbedragen en die paarden

onmiddellijk gedeeltelijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de oplegging gevorderd van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie maakt kenbaar zich het recht voor te behouden om eventueel een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te zullen maken.

Het standpunt van de verdediging.

Namens verdachte is verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte zelf Wwft-meldingen over het witwassen heeft gedaan en op eigen initiatief afscheid heeft genomen van zijn klant. Voorts is verzocht rekening te houden met de effecten van deze

Tevens is verzocht rekening te houden met de ouderdom van de feiten en met de overschrijding van de redelijke termijn.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen, zoals in de bewezenverklaring nader is gespecificeerd.

Hij heeft dit tezamen met anderen gedurende een aantal jaren gedaan.
Verdachte wist dat zijn klant [medeverdachte] een offshore-vennootschap op de British Virgin Islands had, waarvan hij ultimate beneficial owner en feitelijk leidinggever was, en dat hij zowel zakelijk als privé bankierde in Zwitserland, een land met bankgeheim.

Verdachte speelde een actieve en belangrijke rol in de wijze waarop het witwassen, het verhullen van de herkomst van grote geldbedragen, heeft plaatsgevonden door zijn bemoeienissen bij de aankoop en bouw van een dure manege.

Verdachte is al eerder veroordeeld voor het medeplegen van witwassen. Dat vonnis is nog niet onherroepelijk, maar zoals ook toen ten nadele van verdachte is overwogen, heeft verdachte in onderhavige zaak blijkens zijn houding en verklaring ter terechtzitting getoond weinig besef te hebben van zijn eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen of hij zich in zijn professionele rol aan witwassen schuldig maakte. Ook nu weer is hij een klant vergaand ter wille geweest en heeft daarmee grenzen overschreden, die aan zijn functioneren in de financiële en belastingadviespraktijk worden gesteld.

Witwassen betekent een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel. Het reguliere handels- en betalingsverkeer wordt daardoor ondermijnd en de maatschappij wordt veel schade toegebracht.
Door zijn handelen heeft verdachte de concurrentiepositie die [medeverdachte] innam mede vervalst.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Deze oriëntatiepunten staan in verhouding tot de omvang van het totale witgewassen bedrag.
De aangewende geldbedragen en de waarde van de paarden hebben een deels legale herkomst die vermengd is met het deel afkomstig uit fiscale delicten. Dientengevolge is de exacte omvang van hetgeen in de onderhavige zaak in totaal is witgewassen niet vast te stellen. Niettemin acht de rechtbank aannemelijk dat dit bedrag in elk geval hoger is dan 1 miljoen euro, zodat het zwaarste oriëntatiepunt in beeld is (een gevangenisstraf van 24 maanden tot de maximale gevangenisstraf die volgens de strafbepaling wettelijk mogelijk is).

De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde straf een passende straf en is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving in beginsel niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Er zijn 5 jaren verstreken na aanvang van de vervolging op 29 juli 2016. Het betreft een ingewikkelde strafzaak met internationale aspecten. Dit maakt dat de rechtbank het acceptabel had gevonden wanneer de strafzaak in eerste aanleg 3 jaren had geduurd. De redelijke termijn is aldus met 2 jaren overschreden en daarom zal de rechtbank een strafkorting toepassen en zal zij een gevangenisstraf opleggen van 8 maanden.

De rechtbank zal van deze straf bepalen dat een deel van 4 maanden voorwaardelijk wordt opgelegd om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 47, 63, 420bis.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met

een proeftijd van 2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.C. Palmboom, voorzitter,

mrs. A.H.J.J. van de Wetering en A. Bernsen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,

en is uitgesproken op 24 juni 2021.