Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2949

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-06-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
01/997564-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van gewoontewitwassen.

Verweer misbruik van strafvorderlijke bevoegdheden strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie wordt verworpen.

Verweer bestuurlijke boete en niet naleven van artikel 243 lid 2 Sv strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie wordt verworpen.

Rechtbank volgt het 6-stappenplan voor witwassen omdat aanvankelijk geen sprake was van een specifiek gronddelict.

Sterke aanwijzingen dat verdachte zich aan een of meer fiscale delicten heeft schuldig gemaakt.

Verhullende handelingen door gebruikmaking van een offshore-vennootschap (Virgin Islands).

Verdachte heeft slechts ten dele een verklaring gepresenteerd die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk voorkomt.

Vrijspraak onttrekking aan beslag.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank heeft korting toegepast wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/997564-16

Datum uitspraak: 24 juni 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren [geboortejaar] 1970,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

domicilie kiezende op het kantoor van de raadslieden: [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 december 2020, 25 mei 2021, 27 mei 2021 en 10 juni 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 september 2020.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 6 januari 2004

tot en met 29 juli 2016 te [gemeente 2] en/of te [gemeente] en/of (elders)

in Nederland en/of Zwitserland en/of Spanje en/of Monaco,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) dan verdachte,

althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, in

elk geval zich een of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans

aan schuldwitwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn

mededader(s) (krachtens voornoemde gewoonte)

A.

van een manege / paardenhouderij (gelegen aan de [adres 2] ),

en/of van een of meer geldbedragen gebruikt voor de aankoop van deze manege /

paardenhouderij en/of voor de bouw van en/of bouwwerkzaamheden aan die

manege / paardenhouderij,

(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld

en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die manege /

paardenhouderij en/of die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of wie dat/die

voorwerp(en) voorhanden had(den)

en/of

(telkens) bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad

en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,

en/of

B.

een of meermalen van (een) geldbedrag(en) (tot een totaalbedrag van 153.514

euro of daaromtrent (aan betaalde huur voor een appartement in [naam 1]

in [gemeente] ) (zaakdossier 1, paragraaf 2.3.3, p. 48 e.v.) en/of tot een

totaalbedrag van 172.695,00 euro of daaromtrent (aan betalingen aan [persoon 1]

en/of [bedrijf 1] ) (zaakdossier 1, paragraaf 2.3.4, p. 49) en/of tot een

totaalbedrag van omgerekend 867.815,00 euro of daaromtrent (aan contante

opnamen) (zaakdossier 1, paragraaf 2.3.4, p. 49) en/of tot een totaal bedrag

van 250.000,00 euro of daaromtrent (overmaking van de privé-bankrekening van

verdachte naar de bankrekening van [bedrijf 2] ) (zaakdossier 1,

paragraaf 2.3.5, p. 50)

(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld

en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat

geldbedrag(en) was/waren en/of wie die/dat voorwerp(en) voorhanden had(den),

en/of

(telkens) bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of

overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,

en/of

C.

van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer paarden (met een totale

waarde van 445.000,00 euro of daaromtrent) (zaakdossier 1, paragraaf 2.9, p.

60 e.v. / AMB-068)

(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld

en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat paard(en)

was/waren en/of wie die/dat voorwerp(en) voorhanden had(den)

en/of

(telkens) bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of

overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) telkens wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die manege / paardenhouderij en/of

die/dat geldbedrag(en) en/of die/dat paard(en) - onmiddellijk of middellijk -

geheel of gedeeltelijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

[bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 2]

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode

van 6 januari 2004 tot en met 29 juli 2016 te [gemeente 2] en/of te [gemeente]

en/of (elders) in Nederland en/of Zwitserland en/of Spanje en/of Monaco,

(telkens) tezamen en in vereniging met elkaar en/of met een of meer ander(en),

althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben

gemaakt, in elk geval zich een of meermalen schuldig heeft/hebben gemaakt aan

witwassen, althans aan schuldwitwassen,

immers heeft/hebben die rechtsperso(o)n(en) en/of een of meer van haar/hun

mededader(s) (krachtens voornoemde gewoonte)

A.

van een manege / paardenhouderij (gelegen aan de [adres 2] ),

en/of van een of meer geldbedragen gebruikt voor de aankoop van deze manege /

paardenhouderij en/of voor de bouw van en/of bouwwerkzaamheden aan die

manege / paardenhouderij,

(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld

en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die manege /

paardenhouderij en/of die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of wie dat/die

voorwerp(en) voorhanden had(den)

en/of

(telkens) bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad

en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,

en/of

B.

een of meermalen van (een) geldbedrag(en) (tot een totaalbedrag van 153.514

euro of daaromtrent (aan betaalde huur voor een appartement in [naam 1]

in [gemeente] ) (zaakdossier 1, paragraaf 2.3.3, p. 48 e.v.) en/of tot een

totaalbedrag van 172.695,00 euro of daaromtrent (aan betalingen aan [persoon 1]

en/of [bedrijf 1] ) (zaakdossier 1, paragraaf 2.3.4, p. 49) en/of tot een

totaalbedrag van omgerekend 867.815,00 euro of daaromtrent (aan contante

opnamen) (zaakdossier 1, paragraaf 2.3.4, p. 49) en/of tot een totaal bedrag

van 250.000,00 euro of daaromtrent (overmaking van de privé-bankrekening van

[verdachte] naar de bankrekening van [bedrijf 2] )

(zaakdossier 1, paragraaf 2.3.5, p. 50)

(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld

en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat

geldbedrag(en) was/waren en/of wie die/dat voorwerp(en) voorhanden had(den),

en/of

(telkens) bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of

overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,

en/of

C.

van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer paarden (met een totale

waarde van 445.000,00 euro of daaromtrent) (zaakdossier 1, paragraaf 2.9, p.

60 e.v. / AMB-068)

(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld

en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat paard(en)

was/waren en/of wie die/dat voorwerp(en) voorhanden had(den)

en/of

(telkens) bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of

overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,

terwijl die rechtsperso(o)n(en) en/of en/of een of meer van haar/hun

mededader(s) telkens wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat

die manege / paardenhouderij en/of die/dat geldbedrag(en) en/of die/dat

paard(en) - onmiddellijk of middellijk - geheel of gedeeltelijk afkomstig

was/waren uit enig misdrijf,

hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot dat feit/die feiten

en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);

2.

hij op of omstreeks 8 november 2016 in de gemeente [gemeente 2] , althans in

Nederland,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk het paard [naam 2] , althans enig goed, aan het krachtens de wet

daarop gelegd beslag of aan een gerechtelijke bewaring, te weten een op 29

juli 2016 op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering gelegd

(conservatoir) beslag, heeft onttrokken en/of, wetende dat het daaraan

onttrokken was, heeft verborgen,

terwijl hij, verdachte, als bewaarder van het paard [naam 2] dit feit heeft

gepleegd;

(zaakdossier 2, p. 75 e.v.)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 november 2016 in de gemeente [gemeente 2] , althans in

Nederland, als bewaarder van het paard [naam 2] , waarop krachtens de wet beslag

was gelegd of welk paard in gerechtelijke bewaring was genomen, te weten een

op 29 juli 2016 op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering

gelegd (conservatoir) beslag,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk

heeft toegelaten dat een ander of anderen het paard [naam 2] aan bedoeld

krachtens de wet daarop gelegd beslag of aan bedoelde gerechtelijke bewaring

heeft/hebben onttrokken en/of wetende dat het daaraan onttrokken was,

heeft/hebben verborgen en/of

de dader(s), als medeplichtige ter zijde heeft gestaan bij het onttrekken van

het paard [naam 2] aan bedoeld krachtens de wet daarop gelegd beslag of aan

bedoelde gerechtelijke bewaring, en/of wetende dat het daaraan onttrokken was,

bij het verbergen van het paard [naam 2] ,

door [persoon 2] te benaderen en/of voor te stellen en/of uit te nodigen

langs te komen op de manege / paardenhouderij waar dat paard [naam 2] was

gestald en/of

door die [persoon 2] (vervolgens) een of meer (door hem, verdachte en/of

zijn mededader[s] opgemaakt[e]) document(en) ([waaronder] een verklaring van

eigendom van dat paard [naam 2] ) te laten tekenen en/of (ter ondertekening

[door [persoon 3] ]) mee te geven, en/of

door tegen [persoon 2] te zeggen dat dat paard [naam 2] was vrijgegeven

en/of

door (daarna) dat paard [naam 2] door die [persoon 2] mee te laten nemen.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging zijn de volgende verweren gevoerd.

1. misbruik van de strafvorderlijke bevoegdheden door het Openbaar Ministerie (hierna te noemen: OM);

er is in redelijkheid geen enkel ander scenario denkbaar waarom het OM begin juli 2016 met “spoed” een strafrechtelijk onderzoek zou hebben willen starten naar verdachte en zijn Nederlandse ondernemingen, dan dat zij daarmee op dat moment de collega’s van de Belastingdienst aan informatie hielp buiten diens eigen controlebevoegdheden om. Het beginsel van zuiverheid van oogmerk is geschonden, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging;

2) bestuurlijke boete en niet naleven van artikel 243, lid 2 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv);

de vervolging voor witwassen met een fiscaal gronddelict leidt na het opleggen van vergrijpboeten tot omzeiling van het verbod op strafvervolging ex artikel 243, lid 2 Sv. Door het niet aangeven van inkomsten te beboeten voor “belastingfraude” en te vervolgen voor witwassen van diezelfde inkomsten op grond van de stelling dat sprake is van een ongeïdentificeerd gronddelict, wordt door het OM het una via beginsel omzeild. De vergrijpboeten zijn feitelijk ter zake van het ten laste gelegde feitencomplex opgelegd zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De rechtbank overweegt met betrekking tot deze verweren als volgt.

Ad 1)

Vaststaat dat de Belastingdienst voorafgaand aan de start van het strafrechtelijk onderzoek vanuit de eigen bevoegdheid onderzoek heeft verricht naar de fiscale positie van verdachte en zijn Nederlandse ondernemingen. Tevens staat vast dat op enig moment, naar aanleiding van de gedane bevindingen, de casus in handen is gesteld van de boetefraudecoördinator van de Belastingdienst, waarna een zogenaamd S&S-overleg heeft plaatsgevonden en vervolgens de officier van justitie op grond van de exclusief aan de officier van justitie toekomende bevoegdheid een strafrechtelijk onderzoek is gestart op een verdenking van witwassen. Een verdenking was ontstaan na ontvangst van informatie vanuit het strafrechtelijk onderzoek [onderzoeksnaam] in combinatie met de gegevens van de Belastingdienst. Het gestarte onderzoek, waarbij bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn ingezet, heeft geleid tot de thans voorliggende strafzaak en een dagvaarding gericht op een verdenking van (gewoonte)witwassen en onttrekking aan een gelegd conservatoir beslag.

Naar het oordeel van de rechtbank vindt het standpunt van de verdediging dat strafvorderlijke bevoegdheden (uitsluitend) zijn ingezet ten behoeve van fiscale doeleinden in het voorgaande zijn weerlegging. Het strafrechtelijk onderzoek heeft geleid tot een zelfstandige verdenking. Dat informatie uit het strafrechtelijk onderzoek gedeeld is met de Belastingdienst doet daaraan niet af. Het verweer wordt verworpen.

Ad 2)

Uitgangspunt is dat op grond van artikel 68 Sr iemand niet tweemaal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit.

De belastinginspecteur heeft in het bestuursrechtelijke traject aan verdachte vergrijpboetes opgelegd voor het opzettelijk niet aangeven van inkomsten van [bedrijf 3] als ware het privé-inkomsten van verdachte over de jaren 2011 tot en met 2015.

Verdachte wordt in de onderhavige strafprocedure vervolgd voor witwassen. De officier van justitie heeft aangevoerd dat geen sprake is van vervolging voor fiscale fraude via een omweg: er is geen sprake van een bekend gronddelict.

De rechtbank stelt vast dat in de tenlastelegging bedragen zijn opgenomen die hun herkomst zouden kunnen hebben in fiscale fraude. Dat brengt evenwel nog niet met zich dat sprake is van schending van het ‘una via beginsel’. Daarvoor is het volgende van belang.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in het bestuursrechtelijke traject en in het strafrechtelijke traject om verschillende beschermde rechtsgoederen die niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Waar de vergrijpboeten worden opgelegd ten behoeve van het nakomen van de belastingplicht, ziet de witwasbepaling op het beschermen van de integriteit van het financiële en economische verkeer door tegen te gaan dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft.

Daarbij komt dat de gevolgen van het opleggen van een vergrijpboete en die van de bij het instellen van een strafvervolging te verwachten strafrechtelijke sancties niet in hoge mate overeenkomen.

De rechtbank concludeert dat het ‘una via beginsel’ niet is geschonden en daarmee ook artikel 243, lid 2 Sv niet van toepassing is, zodat het verweer wordt verworpen.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in de vervolging kan worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bespreking feit 1

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is uitgegaan van een witwasonderzoek zonder gronddelict en volgt het zogenaamde 6-stappen arrest van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481).

Volgens de officier van justitie was een specifiek gronddelict onbekend.

Er was een vermoeden van witwassen, onder meer in verband met van toepassing zijnde witwasindicatoren. Het gaat dan onder meer om in Zwitserland geopende bankrekeningen terwijl daar een bankgeheim geldt, het gebruik van een offshore-vennootschap, contacten met personen met criminele antecedenten en het opnemen van grote hoeveelheden contant geld, waarmee de paper-trail wordt doorbroken.

De verklaring van verdachte voor de herkomst van het geld of de goederen is dat hij het geld heeft verdiend met paardenhandel. Volgens de officier van justitie bestaat er geen twijfel over de stelling van de verdediging dat gelden uit de paardenhandel bij de offshore [bedrijf 3] (hierna te noemen: [bedrijf 3] ) zijn binnen gekomen.

Echter, nu verdachte slechts een samengesteld overzicht van stortingen gerelateerd aan transacties met een of meer paarden heeft overgelegd, is de officier van justitie van mening dat zijn verklaring slechts minimaal concreet en verifieerbaar is gebleken. Volkomen onduidelijk gebleven is namelijk nog steeds hoe de gelden, die op de diverse Zwitserse bankrekeningen van [bedrijf 3] zijn ontvangen, vervolgens zijn doorgeleid, aan wie, waarom, of ze nog zijn aangevuld met andere gelden, of er belasting over is betaald en of er vermenging met criminele gelden heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de aanschaf van de stal, de paarden en andere uitgaven.

Een originele en gereconstrueerde administratie van [bedrijf 3] is door de verdediging nimmer beschikbaar gesteld.

Kort voor het onderzoek ter terechtzitting heeft de verdediging bankafschriften van de privérekeningen van verdachte ingebracht; de officier van justitie is daarover van mening dat hieruit weliswaar volgt dat de geïnvesteerde bedragen van [bedrijf 3] via een privérekening van verdachte bij [bedrijf 4] terecht zijn gekomen, maar dat nog steeds niet is komen vast te staan wat de specifieke herkomst van de bedragen is.

Voorts volgt volgens de officier van justitie uit onderzoek aan die bankafschriften in samenhang bezien met het overzicht van [persoon 4] van [bedrijf 5] (DOC-028) dat het aandeel van onverklaarbare inkomsten substantieel is ten opzichte van de inkomsten uit (vermoedelijk) paardenhandel en ten opzichte van de winst.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de verklaring(en) van verdachte onvoldoende concreet en onvoldoende verifieerbaar is gebleken.

Hetgeen de verdediging ter terechtzitting van 25 mei 2021 nog heeft aangevoerd over beleggingen die door de vermogensbeheerder in Zwitserland namens [bedrijf 3] zijn gedaan, maakt die conclusie niet anders omdat onduidelijk is wat voor beleggingen het betreft, wat de inleg was en wat de herkomst van de inleg was.

Tot slot heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit de resultaten van het totale onderzoek met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat ALLE geldbedragen een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige

aanvaardbare verklaring kan gelden voor een deel van de gelden. De officier van justitie heeft daarbij tevens opgemerkt dat dit voor een substantieel deel van de inkomsten van [bedrijf 3] geldt. Door vermenging van de onrechtmatig verkregen of behouden bedragen is het volledige bedrag dat is geïnvesteerd of besteed, geïnfecteerd geraakt.

De officier van justitie acht alle onderdelen in de tenlastelegging van feit 1 wettig en overtuigend bewezen, hetgeen gewoontewitwassen inhoudt van een totaalbedrag van

€ 4.164.024,-, nu dit bedrag deels van misdrijf afkomstig is.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangevoerd dat alle investeringen, genoemd in de tenlastelegging onder 1A en 1B, direct of indirect, afkomstig zijn van [bedrijf 3] .

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat toepassing van het 6-stappenplan niet aan de orde zou moeten zijn en er aldus ten onrechte een concrete en verifieerbare verklaring van verdachte wordt verlangd, nu duidelijk is dat fiscale fraude het gronddelict is.

Als toch het 6-stappenplan wordt gevolgd, dan is volgens de verdediging wel voldaan aan het vereiste dat verdachte een concrete, min of meer verifieerbare verklaring dient af te leggen die niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Kort gezegd houdt de verklaring van verdachte in dat al het geld dat hij heeft verdiend afkomstig is uit de paardenhandel en dat de uitgaven die volgens de tenlastelegging zijn gedaan vanuit de offshore-vennootschap [bedrijf 3] komen. Daarnaast is meer specifiek nog over inkomsten van [bedrijf 3] aangetoond dat [bedrijf 3] naast de inkomsten uit de paardenhandel ook inkomsten uit beleggingen had.

De verdediging heeft gesteld dat het OM vervolgens heeft nagelaten die verklaringen en de stukken ter onderbouwing daarvan zorgvuldig te onderzoeken.

De verdediging heeft op gronden die uiteengezet zijn in de pleitnota een bewijsverweer gevoerd ertoe strekkende dat niet kan worden bewezen dat de bedragen als vermeld in de tenlastelegging afkomstig zijn uit “belastingfraude”, meer specifiek het opzettelijk niet doen van aangiften inkomstenbelasting. Het is heel goed mogelijk dat verdachte nergens ter wereld belastingplichtig is geweest omdat hij steeds als ‘international traveler’ kon worden aangemerkt.

Tot slot is het bewijsverweer gevoerd dat verdachte geen wetenschap had of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de gelden/paarden afkomstig waren uit enig misdrijf dan wel uit belastingfraude, kort gezegd omdat verdachte de fiscaal-juridische vraagstukken heeft overgelaten aan gekwalificeerde adviseurs.

Met betrekking tot feit 1C, de inbreng van paarden in de vennootschap van [bedrijf 2] heeft de verdediging aangevoerd dat geen feiten en omstandigheden aan de orde waren die te kwalificeren zijn als dat het niet anders kan zijn dan dat deze paarden uit enig misdrijf afkomstig waren. Voor een vermoeden van witwassen was geen onderbouwing voorhanden en dientengevolge kon het stappenplan niet aan de orde zijn en kon ook geen concrete en verifieerbare verklaring worden verlangd. Tevens heeft de verdediging aangevoerd dat de Wwft-meldingen die de adviseurs van verdachte hebben gedaan door het OM niet zijn onderzocht, zodat van een eerlijk proces geen sprake kan zijn en het bewijs voor witwassen niet is geleverd.

Ook hier heeft het bewijsverweer te gelden dat niet kan worden bewezen dat verdachte wetenschap had van gelden of vermogen dat is gegenereerd uit belastingfraude dan wel enig ander misdrijf.

Het oordeel van de rechtbank.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn opgenomen en uitgewerkt in een bewijsbijlage (bijlage 1). Deze bewijsmiddelenbijlage maakt integraal onderdeel uit van dit vonnis. Verdachte wordt in het navolgende ook aangeduid als [verdachte]

Beoordelingskader witwassen

Vooropgesteld moet worden dat het door de officier van justitie toegepaste 6-stappenplan, zoals voornoemd, enkel kan worden toegepast als sprake is van een onbekend gronddelict.

De vraag is dus eerst of sprake was van een specifiek gronddelict (stap 1), zoals door de verdediging is betoogd. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend.

Uit het onderzoek in de onderhavige zaak is gebleken dat grote geldbedragen in Nederland zijn besteed aan onder meer de bouw van een manege en aan auto’s. Uit het ingestelde onderzoek bleek aanvankelijk geen specifiek gronddelict waaruit de verschillende aan de orde zijnde geldbedragen afkomstig zouden kunnen zijn.

De rechtbank volgt de stelling van de verdediging dan ook niet en zal verder het 6-stappenplan toepassen.

Stap 2: is sprake van een vermoeden van witwassen?

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen hierna wordt besproken feiten en omstandigheden oplevert die, in onderling verband en samenhang beschouwd, zonder meer een vermoeden van witwassen in het leven roepen.

Investeringen [gemeente 2]

Uit het onderzoek komt onder meer het volgende naar voren:

- [verdachte] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 4] die enig aandeelhouder en bestuurder is van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] );

-in de periode 2013-2015 is vanuit Zwitserland een bedrag van in totaal € 2.275.000,00 overgemaakt op de bankrekening van [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] );

- dit geld is geïnvesteerd in de aankoop/nieuwbouw van een manege/paardenhouderij gevestigd op het adres [adres 2] ;

- dit geld bleek indirect afkomstig van Zwitserse bankrekeningen op naam van de offshore vennootschap [bedrijf 3] ;

- [verdachte] was de "ultimate beneficial owner" (" UBO ", de uiteindelijke gerechtigde) van [bedrijf 3] ;

- medeverdachte [medeverdachte] heeft [verdachte] onder meer met betrekking tot de investeringen van het Zwitserse vermogen van [bedrijf 3] dan wel zijn (buitenlandse) privévermogen geadviseerd.

Opname contante gelden / overboekingen grote geldbedragen / huur van dure auto’s zonder in (witte) administratie verhuurder aanwezig te zijn

In de periode van 2010 tot en met 2014 is € 855.328,45 en 14.694,35 Zwitserse Francs contant opgenomen van de bankrekening van [bedrijf 3] . Dit gaat in grote bedragen per keer: negen maal is er meer dan € 50.000,- opgenomen, op 4 juni 2013 zelfs twee maal

€ 73.000,-. Op 30 januari 2015 wordt er € 250.000,- overgeboekt van een bankrekening op naam van [verdachte] in Monaco naar de rekening van [bedrijf 2] . In de periode 2010 tot en met 2014 worden (direct of indirect) betalingen verricht aan [bedrijf 1] , terwijl [verdachte] of [bedrijf 3] in de “witte” administratie van [bedrijf 1] niet is terug te vinden.

Inkomen/winst en/of vermogen

Uit het onderzoek komt naar voren dat [verdachte] nergens ter wereld aangifte heeft gedaan van zijn inkomen en/of vermogen en ook nergens belasting heeft betaald. Dit geldt eveneens voor zijn offshore vennootschap [bedrijf 3] .

Dat [verdachte] ondernemingsactiviteiten ontplooide via zijn offshore [bedrijf 3] is met betrekking tot de jaren 2010 tot en met maart 2015 onder meer af te leiden uit de inhoud van Zwitserse bankrekeningen op naam van deze offshore. Hierin zijn onder meer betalingen terug te vinden inzake de aan- en verkoop van paarden, de huur van stallen in Nederland, de kosten van het [bedrijf 6] en het vervoer van paarden. Ook is hieruit op te maken dat [verdachte] inkomsten als gevolg van de verkoop van paarden vervolgens ook heeft aangewend in het economische verkeer door er weer paarden mee aan te kopen.

[bedrijf 3]

Uit het onderzoek komt tevens naar voren dat [verdachte] naast UBO ook de feitelijk leidinggevende was van de op de British Virgin Islands gevestigde vennootschap [bedrijf 3] en dat hij (mede)beschikkingsmacht had over de Zwitserse bankrekeningen van deze offshore-vennootschap. Zo heeft hij onder meer toestemming gegeven aan zijn Zwitserse tussenpersoon/vermogensbeheerder [persoon 6] om € 780.000,00 naar de bankrekening van [bedrijf 4] over te maken betreffende de aankoop van het pand in [gemeente 2] .

Daarnaast blijkt uit aangetroffen handgeschreven formulieren/notities dat hij steeds persoonlijk opdracht heeft gegeven aan medewerkers van het kantoor van de Zwitserse tussenpersoon [persoon 7] , waaraan ook voornoemde [persoon 6] is verbonden, om geld over te maken van de Zwitserse bankrekeningen van [bedrijf 3] naar derden. Ook blijkt uit in het digitale beslag aangetroffen PDF-bestanden van de Zwitserse bankrekeningen van [bedrijf 3] dat privé-uitgaven van [verdachte] in zijn opdracht zijn betaald via deze Zwitserse bankrekeningen, zoals de huur van zijn appartement aan de [adres 3] .

Dat [verdachte] via zijn offshore [bedrijf 3] in de onderzochte jaren (2010 tot en met augustus 2015) "economische activiteiten" ontplooide, is onder meer ook op te maken uit ingestelde derdenonderzoeken door de Belastingdienst, de inhoud van de Zwitserse bankrekeningen van deze offshore, aangetroffen stukken inzake de huur van stallen in Nederland/kosten voor een dierenarts ( [bedrijf 6] )/het vervoer van paarden door [bedrijf 7] , de berichtgeving op internet en/of publicaties in kranten/tijdschriften en de door [verdachte] afgelegde verklaringen betreffende de bedrijfsactiviteiten van deze offshore-vennootschap.

Woonplaats

Uit het onderzoek blijkt dat [verdachte] gedurende de periode augustus 2008 tot en met december 2015 een gemeubileerd appartement heeft gehuurd in [naam 1] aan de [adres 3] waar de offshore [bedrijf 3] circa € 2.500,00 - € 3.000,00 per maand voor betaalde. Voorafgaand aan deze periode heeft [verdachte] een hotelkamer bij Van der Valk gehuurd vanaf 2004, voor minimaal 142 nachten (in 2006), 278 nachten (in 2005) tot en met 322 nachten in 2007.

[getuige] , een oud-medewerker van [verdachte] , heeft verklaard dat [verdachte] in de wintermaanden in Amerika verbleef. Bijvoorbeeld in 2015 gebruikte hij van medio april tot medio december Nederland als zijn basis. Vanaf Nederland bezocht hij dan toernooien in Europa, vaak in de weekenden.

Tevens komt uit het onderzoek, meer in het bijzonder afgetapte telefoongesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte] , naar voren dat [verdachte] heeft getracht te verhullen dat hij woonachtig was in Nederland door een appartement in België te huren, met als reden dat hij anders fiscaal hier als binnenlands belastingplichtige zou worden gepositioneerd én openheid zou moeten geven over zijn inkomen en/of vermogen in de jaren 2004 tot en met 2015. In september 2013 heeft hij zich laten inschrijven in Hamont-Achel te België, maar is daar vervolgens niet gaan wonen. Ook blijkt uit onderzoek dat [verdachte] tot 30 september 2013 ingeschreven heeft gestaan in Spanje terwijl hij daar niet woonachtig was. In de maand augustus 2014 heeft hij zich laten registreren als inwoner van Monaco.

Voorkoming belastingheffing

Hiervoor is reeds gerelateerd dat uit onderzoek naar voren komt dat [verdachte] en/of zijn offshore-vennootschap [bedrijf 3] nergens ter wereld aangifte hebben gedaan van hun inkomen/winst en/of vermogen, dan wel belasting betalen. Via deze constructie is belastingheffing, waar dan ook ter wereld, voorkomen.

Uit het onderzoek blijkt verder dat met behulp van diverse adviseurs en/of advocaten in 2016 is voorkomen dat Zwitserse autoriteiten gegevens over de bankrekening(en) van [bedrijf 3] . en/of de ultimate beneficial owner van deze offshore vennootschap gingen verstrekken aan de Nederlandse Belastingdienst.

Contacten met mensen met strafrechtelijke antecedenten

Uit een ander strafrechtelijk onderzoek, het onderzoek [onderzoeksnaam] , kwam [verdachte] naar voren als een mogelijke geldschieter voor een investering in een hotel die een van de hoofdverdachten in dat onderzoek [onderzoeksnaam] wilde doen. Medeverdachte [medeverdachte] kwam in dat onderzoek naar voren als tussenpersoon tussen deze hoofdverdachte in de zaak [onderzoeksnaam] en verdachte en tezamen zouden zij de mogelijkheden van een investering van € 1.500.000,- bespreken. Medeverdachte [medeverdachte] is in het onderzoek [onderzoeksnaam] door de rechtbank veroordeeld voor het medeplegen van witwassen. Een ander contact, [persoon 1] , eigenaar van [bedrijf 1] voornoemd, is veroordeeld voor belastingontduiking en valsheid in geschrifte. [persoon 6] is betrokken in een internationaal witwas-onderzoek.

Voormelde feiten en omstandigheden behelzen een aantal witwas-indicatoren, zoals het gebruik van een offshore-vennootschap, gebruik van bankinstellingen in landen met een bankgeheim, grote bedragen aan contante geldopnames, het verhullen van een woonplaats en contacten met personen met criminele antecedenten, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank in onderling verband en samenhang bezien zonder meer het vermoeden van witwassen.

De officier van justitie heeft een aantal concrete witwasverdenkingen geformuleerd. Deze verwijten komen er - kort gezegd - op neer dat verdachte, samen met een ander of anderen, de navolgende voorwerpen heeft witgewassen:

A: een manege en geldbedragen die zijn gebruikt voor de aankoop en bouw/verbouwing ervan (2.275.000);

B: -153.514,- aan betaalde huur van een woning in [naam 1] [gemeente] ;

-172.695,- aan betalingen aan [persoon 1] / [bedrijf 1] ;

-867.815,- aan contante opnamen;

-250.000,- aan overgemaakt geld van de privé-rekening van [verdachte] naar [bedrijf 2] ;

C: paarden (met een waarde van 445.000,-);

Gelet op het vermoeden van witwassen, ligt het op de weg van de verdachte om ter zake de herkomst van de middelen een verklaring te presenteren die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk voorkomt, waarvoor het vermoeden van witwassen dient te wijken en dat de bewijslast ter zake de criminele herkomst van die middelen weer ten volle bij de officier van justitie legt.

Volgens het stappenplan witwassen is voorts het uitgangspunt dat als de verdachte dat vervolgens niet doet dan wel de gepresenteerde verklaring - al dan niet nadat deze aan nader onderzoek is onderworpen - geen hout snijdt, dan als enig overblijvende verklaring voor de herkomst van de in de tenlastelegging genoemde goederen/bedragen resteert dat deze afkomstig zijn uit misdrijf.

Stap 3: Van verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de gelden/goederen.

Verdachte heeft in de loop van het onderzoek, mede door overleggen van een samengesteld overzicht van stortingen gerelateerd aan transacties met een of meer paarden, als kort en zakelijk weergegeven verklaring voor de herkomst gegeven, dat al het geld dat hij heeft verdiend afkomstig is uit paardenhandel. Verdachte heeft getuigenverklaringen overgelegd van kopers van paarden. Later, kort voor de inhoudelijke behandeling van de strafzaak in mei 2021, heeft verdachte nog als aanvulling daarop gegeven dat een deel van het geld afkomstig is uit een beleggingsportefeuille die zijn bedrijf [bedrijf 3] onderhield vanuit Zwitserland. Verdachte heeft ook nog enkele rekeningoverzichten overgelegd.

Stap 4: Heeft verdachte hiermee een verklaring gepresenteerd die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk voorkomt, waarvoor het vermoeden van witwassen dient te wijken?

De rechtbank is van oordeel dat dit slechts ten dele het geval is. Met de getuigenverklaringen en rekeningoverzichten heeft verdachte zijn stelling dat hij zijn geld verdiende met de handel in paarden concreet, verifieerbaar en niet hoogst onwaarschijnlijk gemaakt. Dat er nog een andere herkomst van de gelden bestaat is nog steeds niet uit te sluiten, maar niet langer kan de conclusie worden getrokken dat het niet anders kan dan dat het geld een criminele herkomst heeft. Echter, voor de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat het geld dat verdachte verdiende (met paardenhandel en met beleggingen) fiscaal niet is gekend en de gelden daarmee een gedeeltelijke criminele herkomst hebben.

Verdachte heeft op geen enkel moment in het strafproces een verklaring gegeven waarmee aannemelijk is geworden dat hij op welke wijze dan ook aan zijn fiscale verplichtingen heeft voldaan. Dit terwijl uit het dossier naar voren is gekomen dat hij al sinds 2004 een groot deel van het jaar in het Van der Valk hotel en sinds 2008 in [naam 1] in [gemeente] verbleef en hij al vanaf 2010 in Nederland bedrijfsactiviteiten ontplooide. In een getapt telefoongesprek van 7 november 2013 met medeverdachte [medeverdachte] spreekt verdachte ook zelf over het ‘faken’ van een woonplaats in België voor belastingdoeleinden. Er zijn dan ook sterke aanwijzingen dat zijn fiscale woonplaats in Nederland was en/of dat hij omzet genereerde in Nederland en hij derhalve in Nederland belastingplichtig was en bewust niet voldaan heeft aan die plicht. Niet valt uit te sluiten dat verdachte op momenten in de ten laste gelegde periode (ook) elders belastingplichtig was en ook dan heeft hij niet voldaan – zo heeft hij zelf bij herhaling verklaard – aan zijn fiscale verplichtingen. Verdachte heeft ook nimmer zelf enig initiatief genomen om in de gegeven omstandigheden de hem toebehorende en/of de in Nederland gebruikte gelden fiscaal gekend te maken. Gezien het hiervoor vermelde telefoongesprek met [medeverdachte] was zijn houding ten aanzien van de fiscale kant van zijn bezigheden zoveel mogelijk de feitelijke situatie, tenminste met betrekking tot persoonlijke omstandigheden als zijn woonplaats, anders voor te stellen dan de werkelijkheid en deze te verhullen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er sterke aanwijzingen dat verdachte zich aan een of meer fiscale delicten heeft schuldig gemaakt. Hierbij merkt de rechtbank op dat, anders dan de verdediging aanvoert, specificatie van welk fiscaal delict als gronddelict moet worden aangemerkt naar haar oordeel in het kader van een witwasverdenking niet noodzakelijk is.

Verdachte heeft evenmin een verklaring gegeven voor de vraag waarom hij - voor de rechtbank onmiskenbare - verhullende handelingen heeft begaan door gebruik te maken van een offshore-vennootschap, gevestigd in de British Virgin Islands, genaamd [bedrijf 3] en waarom hij gelden afkomstig uit die vennootschap via Zwitserse (privé)bankrekeningen liet lopen die uiteindelijk naar zijn Nederlandse vennootschappen zijn doorgesluisd. Verdachte heeft op vragen daarover enkel verwezen naar zijn financieel adviseurs, terwijl uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte bij de beslissingen hierover steeds betrokken is geweest. Datzelfde geldt voor het opnemen van grote contante geldbedragen. Pas ter terechtzitting heeft verdachte hierover verklaard dat klanten, die zich overal ter wereld bevonden, soms contant betaald wilden worden, zonder hierover concreet te worden. Tevens heeft hij verklaard dat dienstverleners als hoefsmeden betaald werden. Verdachte heeft echter geen voor de rechtbank aannemelijke verklaring kunnen geven voor de gang van zaken dat in Zwitserland geld opgenomen werd door niet met name genoemde medewerkers van zijn vermogensbeheerders, welk geld vervolgens in contanten over de wereld moest worden verplaatst, om vervolgens in die landen door niet nader genoemde zaakwaarnemers ter plaatse contante betalingen te laten doen. Een dergelijke gang van zaken verhoudt zich slecht met betalingen die kennelijk vanaf de Zwitserse bankrekeningen werden gedaan voor bijvoorbeeld veterinaire diensten geleverd in Nederland.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat een medewerker van het kantoor van [medeverdachte] ( [persoon 8] ) in overleg met [medeverdachte] en [verdachte] paarden vanuit [verdachte] privé heeft ingebracht in [bedrijf 4] door deze als agio op de balans op te nemen. Vervolgens zijn deze paarden vanuit [bedrijf 4] als memoriaal boekingen bij [bedrijf 2] als 100% dochtervennootschap ingebracht. De reden daarvoor was het vermogen van [bedrijf 4] te vergroten.

Onduidelijk is gebleven op welke wijze [verdachte] deze paarden heeft verkregen, met welke gelden [verdachte] de paarden heeft aangekocht en of daarover belasting is betaald.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het OM niet gehouden was nog meer onderzoek te doen dan het in het kader van dit strafrechtelijk onderzoek heeft gedaan. Uit het dossier komt naar voren dat, waar het OM heeft getracht nader onderzoek te doen naar de Zwitserse bankrekeningen dit door verdachte met zijn fiscaal adviseurs in Nederland en Zwitserland actief met juridische middelen is belet. Dit beletsel is niet opgeheven met bijvoorbeeld het door en onder regie van de verdediging alsnog en in een zeer laat stadium verstrekken van bankafschriften van Zwitserse bankrekeningen. Daarbij heeft het OM naar de ingebrachte gegevens steeds onderzoek gedaan en daarop inhoudelijk gereageerd, zelfs binnen zeer kort tijdsbestek.

De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat het niet anders kan dan dat de investeringen in de manege/paardenhouderij, de bestede geldbedragen en de paarden, zoals vermeld in de tenlastelegging, gedeeltelijk afkomstig waren uit enig misdrijf, niet nader te specificeren dan het ontduiken van belastingen, zodat van witwassen sprake is meer specifiek heeft verdachte tezamen en in vereniging met (onder meer) [medeverdachte] , [persoon 6] , de offshore vennootschap [bedrijf 3] en de Nederlandse vennootschappen van verdachte, de herkomst van de betreffende gelden en de paarden verhuld en heeft hij verhuld en/of verborgen wie rechthebbende(n) zijn/waren op die geldbedragen en de paarden.

Het bewijsverweer van de verdediging dat verdachte geen opzet heeft gehad op het witwassen omdat hij gekwalificeerde adviseurs heeft ingeschakeld voor de fiscaal-juridische vraagstukken wordt door de bewijsmiddelen verworpen. Op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat verdachte intensief contact onderhield met medeverdachte [medeverdachte] en de vermogensbeheerder [persoon 6] , hij zich terdege bewust was van het feit dat er verhullende handelingen (het faken van een woonplaats, geldstromen via privérekeningen) moesten plaatsvinden, hij zijn eigen beslissingen nam en niemand zonder zijn toestemming gelden kon overmaken.

Gelet op de aard, omvang en duur gedurende welke verdachte en zijn medeverdachten deze activiteiten hebben ontplooid, acht de rechtbank eveneens bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten van dit witwassen een gewoonte hebben gemaakt.

Bespreking feit 2, oordeel: vrijspraak

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat rechtsgeldig conservatoir beslag was gelegd op het paard [naam 2] . Het conservatoir beslag was gelegd onder en ten laste van [bedrijf 2] . Verdachte was aangewezen als bewaarder van het paard en heeft dit beslag niet geëerbiedigd door het paard mee te geven aan [persoon 3] .

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ook als het paard mogelijk niet zou toebehoren aan [bedrijf 2] maar aan [persoon 3] , dat geen vrijspraak kan opleveren. Het beslag had geëerbiedigd moeten worden en dat heeft verdachte niet gedaan.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, die bestuurder was en is binnen het bedrijf, zich heeft schuldig gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde feit: medeplegen van het toelaten van of behulpzaam zijn bij de onttrekking aan het beslag op het moment dat [persoon 3] het paard op 8 november 2016 meenam.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat niet bewezen kan worden dat het paard [naam 2] aan het beslag is “onttrokken” in de zin van artikel 198 Sr door het paard slechts enige tijd te verplaatsen.

De verdediging heeft daarnaast aangevoerd dat verdachte met zijn handelwijze, door de autoriteiten direct te informeren toen [persoon 3] het paard meenam, juist heeft laten zien dat verdachte het beslag respecteerde en hij aldus deed wat van hem als bewaarder werd verwacht. De verdediging heeft ook op die grond geconcludeerd tot vrijspraak van feit 2 omdat opzet op het onttrekken van het paard aan het strafvorderlijke beslag niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het oordeel van de rechtbank.

De getuige [persoon 3] heeft verklaard dat verdachte hem had gebeld en dat verdachte hem, toen hij terugbelde, had gezegd dat hij het paard moest komen ophalen bij verdachte. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig, mede gezien het feit dat verdachte nadat [persoon 3] het paard had meegenomen via zijn advocaat de autoriteiten heeft ingelicht over het feit dat het paard was meegenomen. De rechtbank schuift de verklaring van [persoon 3] terzijde. De rechtbank kan de exacte toedracht van wat er is gebeurd op 8 november 2016 niet vaststellen op grond van het dossier. Om die reden acht zij het feit niet wettig en overtuigend bewezen en zal zij verdachte daarvan vrijspreken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

in de periode van 6 januari 2004 tot en met 29 juli 2016 in Nederland, Zwitserland en Monaco,,

tezamen en in vereniging met anderen dan verdachte,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders krachtens voornoemde gewoonte

A.

van geldbedragen gebruikt voor de aankoop van de manege / paardenhouderij (gelegen aan de [adres 2] ) en voor de bouw van en bouwwerkzaamheden aan die

manege / paardenhouderij,

telkens de herkomst verhuld en/of verborgen en verhuld wie de rechthebbende(n) op die geldbedragen was/waren

en

B.

geldbedragen

tot een totaalbedrag van 153.514 euro (aan betaalde huur voor een appartement in [naam 1] in [gemeente] ) en

tot een totaalbedrag van 172.695,00 euro (aan betalingen aan [persoon 1] en/of [bedrijf 1] ) en

tot een totaalbedrag van omgerekend 867.815,00 euro (aan contante opnamen) en

tot een totaal bedrag van 250.000,00 euro (overmaking van de privé-bankrekening van

verdachte naar de bankrekening van [bedrijf 2] )

telkens de herkomst verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die geldbedragen was/waren

en

C.

van voorwerpen, te weten paarden (met een totale waarde van 445.000,00 euro)

telkens de herkomst verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die paarden was/waren,

en

bovenomschreven paarden verworven,

terwijl hij, verdachte en zijn mededaders wisten, dat die geldbedragen en die paarden

onmiddellijk gedeeltelijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de oplegging gevorderd van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht te volstaan met de enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht (bijlage 2).

De officier van justitie heeft kenbaar gemaakt zich het recht voor te behouden om eventueel een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (ontnemingsvordering) aanhangig te zullen maken.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangevoerd dat het beslag op de paarden en de banksaldi ervoor hebben gezorgd dat de ondernemingen van verdachte de grootst mogelijke moeite hebben gehad om het hoofd boven water te houden. Daarnaast hebben negatieve berichtgevingen over verdachte en zijn bedrijven in de pers de nodige (reputatie)schade bij verdachte en de ondernemingen berokkend. De verdediging heeft verzocht deze omstandigheden mee te wegen in de eventuele strafoplegging.

Voorts heeft de verdediging de rechtbank verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte bezig is om in overleg met de Belastingdienst tot een oplossing te komen van het fiscale geschil waarmee hij als privé persoon te kampen heeft. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal het verdachte onmogelijk maken zijn werk uit te oefenen met alle gevolgen van dien voor zijn bedrijven en het personeel. Ook het oplossen van het fiscale geschil zal dan onmogelijk zijn.

Tot slot heeft de verdediging verzocht in de eventuele strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen, zoals in de bewezenverklaring nader is gespecificeerd.

Hij heeft dit tezamen met anderen en met zijn vennootschappen gedurende een groot aantal jaren gedaan.
Verdachte heeft op 6 januari 2004 een offshore vennootschap op de British Virgin Islands opgericht, waarvan hij ultimate beneficial owner en feitelijk leidinggever was, en bankierde zowel zakelijk als privé in Zwitserland, een land met bankgeheim. Verdachte liet zich op zakelijk en financieel gebied bijstaan door een vermogensbeheerder in Zwitserland. Alles lijkt erop gericht te zijn geweest het vermogen van verdachte aan het zicht van de fiscus onttrokken te houden.

Anders dan de verdachte zelf doet voorkomen, door zich achter de bemoeienissen van zijn adviseurs (de vermogensbeheerder in Zwitserland en medeverdachte [medeverdachte] , bestuurder van onder meer een belastingadvieskantoor) te verschuilen, speelde verdachte een actieve en belangrijke rol in de wijze waarop het witwassen, het verhullen van de herkomst van grote geldbedragen, al die jaren heeft plaatsgevonden.

Verdachte had en heeft naar het oordeel van de rechtbank als vooraanstaand paardenhandelaar in dure springpaarden met wereldwijde betrekkingen een voorbeeldfunctie en daarbij passen de gedragingen van verdachte allerminst. Verdachte heeft telkens verklaard hoe belangrijk onderling vertrouwen in de paardenwereld is, maar heeft met zijn gedragingen juist uiting gegeven aan ondoorzichtigheid en geheimzinnigheid, bijvoorbeeld door, zo heeft verdachte ter terechtzitting van 25 mei 2021 verklaard, bedragen tot ruim

€ 850.000,- door (een) onbekende derde(n) in Zwitserland contant te laten opnemen en over de wereld in contanten te laten verplaatsen omdat sommige personen nu eenmaal cash betaald wilden worden. Ondanks de vele aan hem gestelde vragen heeft hij geen enkel begrijpelijk inzicht gegeven in het hoe en waarom van dit soort verhullende handelingen.

Witwassen betekent een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel. Het reguliere handels- en betalingsverkeer wordt daardoor ondermijnd en de maatschappij wordt veel schade toegebracht.
Door zijn handelen heeft verdachte zijn concurrentiepositie vervalst en, refererend aan hetgeen de rechtbank hiervoor reeds over de voorbeeldfunctie van verdachte heeft overwogen, dit handelen draagt ertoe bij dat anderen een soortgelijke werkwijze menen te kunnen hanteren.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Deze oriëntatiepunten staan in verhouding tot de omvang van het totale witgewassen bedrag.
De aangewende geldbedragen en de waarde van de paarden hebben een deels legale herkomst die vermengd is met het deel afkomstig uit fiscale delicten. Dientengevolge is de exacte omvang van hetgeen in de onderhavige zaak in totaal is witgewassen niet vast te stellen. Niettemin acht de rechtbank aannemelijk dat dit bedrag in elk geval hoger is dan 1 miljoen euro, zodat het zwaarste oriëntatiepunt in beeld is (een gevangenisstraf van 24 maanden tot de maximale gevangenisstraf die volgens de strafbepaling wettelijk mogelijk is).

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de nog lopende bestuursrechtelijke procedure, waarin verdachte voor een bedrag van € 5.700.000 is aangeslagen en de omstandigheid dat is komen vast te staan dat verdachte ook geld afkomstig uit legale activiteiten heeft geïnvesteerd.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Er zijn 5 jaren verstreken na aanvang van de vervolging op 29 juli 2016. Het betreft een ingewikkelde strafzaak met internationale aspecten. Er was verzet tegen het opvragen van de Zwitserse bankgegevens, hetgeen invloed had op de voortgang van de zaak en er is sprake geweest van veel correspondentie tussen de procespartijen, veelal geïnitieerd door de verdediging en het desalniettemin in concreto slechts mondjesmaat verschaffen van relevante gegevens van de zijde van verdachte. Dit alles maakt dat de rechtbank het acceptabel had gevonden wanneer de strafzaak in eerste aanleg 3 jaren had geduurd. De redelijke termijn is aldus met 2 jaren overschreden en daarom zal de rechtbank een strafkorting toepassen en zal zij een gevangenisstraf opleggen van 15 maanden.

De rechtbank zal van deze straf bepalen dat een deel van 6 maanden voorwaardelijk wordt opgelegd om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 47, 420bis.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

acht de onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten niet wettig en

overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

verklaart het onder feit 1 primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.C. Palmboom, voorzitter,

mrs. A.H.J.J. van de Wetering en A. Bernsen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,

en is uitgesproken op 24 juni 2021.