Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2922

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
C/01/359631 FA RK 20-2777
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vernietiging erkenning. Gebleken is dat de man niet de biologische vader is van de minderjarige en er sprake is dwaling. Hiermee is aan de wettelijke criteria voor vernietiging erkenning voldaan. De wet biedt geen ruimte voor een belangenafweging.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek BES Boek 1 205
Burgerlijk Wetboek BES Boek 3 44
Burgerlijk Wetboek BES Boek 6 228
Burgerlijk Wetboek BES Boek 1 206
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 199
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0164
JPF 2021/108
FJR 2021/59.14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/01/359631 / FA RK 20-2777_3

Uitspraak: 31 mei 2021

Beschikking betreffende afstamming en alimentatie in de zaak van

[naam verzoeker]

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: de man,

advocaat mr. M.T. Kouwenhoven.

Belanghebbenden zijn:

[naam verweerder]

wonende te [woonplaats1] ,

verder te noemen: (de) moeder,

en

mr. M.Th. Linsen-Penning de Vries,

advocaat, kantoorhoudende te Eindhoven,

in de hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige:

- [naam minderjarige],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , hierna: [naam minderjarige] ,

als zodanig benoemd bij beschikking van deze rechtbank van [datum beschikking] .

Voor de mondelinge behandeling is ook uitgenodigd:

de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

regio Zuidoost Nederland, hierna te noemen: de raad.

De verdere procedure

Deze beschikking volgt op de beschikkingen van deze rechtbank van [datum beschikking] en [datum beschikking1] . Bij beschikking van [datum beschikking1] is de man ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vernietiging van de erkenning van [naam minderjarige] en is een DNA-onderzoek gelast. Iedere verdere beslissing op het verzoek tot vernietiging van de erkenning, de kinderalimentatie en de kostenveroordeling inzake het DNA-onderzoek is aangehouden.

Na de beschikking van [datum beschikking1] heeft de rechtbank kennisgenomen van:

  • -

    de deskundigenrapportage van [naam bedrijf] van 27 januari 2021;

  • -

    een brief van de bijzondere curator van 5 februari 2021;

  • -

    een brief van mr. Kouwenhoven van 8 februari 2021.

Uit het schrijven van de bijzondere curator en mr. Kouwenhoven blijkt dat partijen geen behoefte hebben aan een nadere mondelinge behandeling. De rechtbank heeft daarom de beschikking bepaald op heden.

De verdere beoordeling

Vernietiging erkenning

De rechtbank stelt ten eerste vast dat uit de resultaten van het DNA-onderzoek van [naam bedrijf] onomstotelijk blijkt dat de man niet de biologische vader is van [naam minderjarige] . De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat het dan vanwege de band tussen [naam minderjarige] en de man passend is een raadsonderzoek te gelasten om een beter beeld te krijgen van het functioneren van [naam minderjarige] , haar relatie met de man en de verstandhouding tussen de moeder en de man. De rechtbank begrijpt dit advies van de raad zo dat daarmee wordt bedoeld dat de rechtbank het verzoek van de man mogelijk dient af te wijzen als uit een raadsonderzoek blijkt dat daarmee het belang van [naam minderjarige] het meest is gediend. De wettekst van artikel 1:205, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) biedt echter geen ruimte voor een dergelijke belangenafweging door de rechtbank, althans de rechtbank komt haar in dat kader geen discretionaire bevoegdheid toe (vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad van 25 maart 2005 over artikel 1:207 BW, ECLI:NL:HR:2005:AT0412). Dit betekent dat een verzoek tot vernietiging van de erkenning moet worden toegewezen als aan de wettelijke criteria voor toewijzing van dat verzoek wordt voldaan.

Op grond van artikel 1:205, eerste lid, BW kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning worden toegewezen als blijkt dat de erkenner niet de biologische vader is van het kind en de erkenning onder invloed van een wilsgebrek tot stand is gekomen. Nu vaststaat dat de man niet de biologische vader is van [naam minderjarige] , dient de rechtbank te beoordelen of de erkenning onder invloed van een wilsgebrek tot stand is gekomen.

De man stelt primair dat sprake is van bedrog. De moeder betwist dit.

De rechtbank overweegt als volgt. Van bedrog is sprake als iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen of een andere kunstgreep (artikel 3:44, derde lid, BW). Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bedrog. De man heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat de moeder ten tijde van de erkenning wist dat hij niet de biologische vader was van [naam minderjarige] . De moeder betwist dit ook. Gelet hierop heeft de man onvoldoende onderbouwd dat de moeder daarvan wetenschap had en zij opzettelijk geen of onjuiste mededeling aan de man heeft gedaan om hem te bewegen [naam minderjarige] te erkennen. Dat de man jaren later diverse andere geruchten heeft gehoord, maakt dit niet anders.

Subsidiair stelt de man dat sprake is van dwaling. De moeder voert hiertegen geen verweer.

De rechtbank overweegt als volgt. Met toepassing van artikel 6:228, eerste lid, BW dient het beroep van de man op dwaling te worden gehonoreerd indien:

( a) de dwaling te wijten is aan een inlichting van de moeder, tenzij zij mocht aannemen dat de erkenning ook zonder die inlichting zou worden gedaan;

( b) de moeder in verband met wat zij over de dwaling wist of behoorde te weten de dwalende had behoren in te lichten; of

( c) de moeder bij de erkenning van dezelfde onjuiste veronderstelling als de man is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de man daardoor van de erkenning zou afzien.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een situatie zoals bedoeld onder (b). Voor de moeder is altijd bekend geweest dat zij in het conceptietijdvak gemeenschap heeft gehad met een andere man dan de man. Hoewel de moeder stelt dat zij nooit heeft getwijfeld of de man de biologische vader was van [naam minderjarige] , had zij moeten weten of behoren te weten dat de mogelijkheid bestond dat iemand anders dan de man de biologische vader is van [naam minderjarige] en had zij de man daarover voorafgaand aan de erkenning moeten inlichten. Voorstelbaar is immers dat de man, als hij destijds had geweten dat hij mogelijk niet de biologische vader was van [naam minderjarige] , haar niet zonder eerst daarover duidelijkheid te hebben verkregen zou hebben erkend. Nu de moeder de man hierover niet heeft ingelicht, is de rechtbank van oordeel dat de erkenning van [naam minderjarige] door de man onder invloed van dwaling tot stand is gekomen. Dit betekent dat aan de wettelijke criteria voor vernietiging van de erkenning is voldaan. De rechtbank zal het daartoe strekkende verzoek van de man toewijzen.

De rechtbank geeft de man nog mee dat de emotionele band die een kind met zijn opvoeder heeft niet wijzigt door de resultaten van een DNA-onderzoek of een rechterlijke beslissing over de afstamming. [naam minderjarige] ziet de man nog steeds als haar vader en hecht veel waarde aan het contact met hem. Dit blijkt ook uit het verslag en de brief van de bijzondere curator. Het is dan ook in het belang van [naam minderjarige] dat de man zich voor het contact met [naam minderjarige] blijft inzetten, zodat hun warme band behouden blijft.

Kinderalimentatie

De man verzoekt de beschikking van 20 augustus 2013 te vernietigen en te bepalen dat de reeds geïnde alimentatie per oktober 2019 aan hem moet worden terugbetaald dan wel een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie juist acht.

De rechtbank is niet bevoegd een eerder gewezen beschikking te vernietigen. De rechtbank begrijpt het verzoek van de man daarom zo dat hij vraagt de beschikking van 20 augustus 2013 te wijzigen en te bepalen dat de man met ingang van 1 oktober 2019, zijnde de datum waarop de man voor het laatst kinderalimentatie aan de moeder heeft betaald, niet langer gehouden is kinderalimentatie voor [naam minderjarige] aan de moeder te betalen en de reeds geïnde alimentatie per oktober 2019 aan de man moet worden terugbetaald.

De moeder voert hiertegen geen verweer. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij aangegeven niets van de man nodig te hebben en dat zij, als zij had geweten dat de man niet de biologische vader was van [naam minderjarige] , nooit aanspraak had gemaakt op kinderalimentatie.

De rechtbank stelt vast dat door de vernietiging van de erkenning sprake is van een wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de kinderalimentatie rechtvaardigt.

De rechtbank overweegt verder als volgt. Ingevolge artikel 1:206 BW heeft de vernietiging van de erkenning, nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, terugwerkende kracht. Uit de wetgeschiedenis van artikel 1:206 BW blijkt dat de gevolgen van de terugwerkende kracht vanuit het oogpunt van rechtszekerheid beperkt zijn. Het derde lid van artikel 1:206 BW bepaalt onder meer dat door de vernietiging van de erkenning geen vordering tot teruggave van alimentatie ontstaat. Dit artikel beoogt dus feitelijk de financiële stand van zaken ten tijde van de vernietiging te fixeren en lijkt daarbij uit te gaan van een situatie waarbij de alimentatie ook steeds is betaald.

Het voorgaande betekent dat de man met terugwerkende kracht nooit de (juridische) vader van [naam minderjarige] is geweest en de grondslag voor zijn onderhoudsverplichting voor [naam minderjarige] met terugwerkende kracht is komen te vervallen. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de man met terugwerkende kracht vanaf oktober 2019 geen onderhoudsplicht heeft voor [naam minderjarige] . De rechtbank zal de beschikking van 20 augustus 2013 dienovereenkomstig wijzigen.

De hiervoor genoemde bepaling van artikel 1:206, derde lid, BW brengt met zich dat als het LBIO al betalingen van de man heeft geïnd, de man deze betalingen niet van de moeder kan terugvorderen. Het daartoe strekkende verzoek van de man zal daarom worden afgewezen.

Kosten DNA-onderzoek

Uit de nota van [naam bedrijf] van 28 januari 2021 blijkt dat de totale kosten voor het verwantschapsonderzoek € 685,00 bedragen.

Gelet op de stellingen van partijen en het feit dat het in het belang van [naam minderjarige] is dat duidelijkheid bestaat over het verwekkerschap van de man, is de rechtbank van oordeel dat de kosten van het DNA-onderzoek door de moeder en de man, ieder voor de helft, dienen te worden gedragen. De rechtbank zal dan ook als zodanig beslissen.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure, zal de rechtbank de proceskosten zo compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank:

vernietigt de erkenning gedaan door [naam verzoeker] , geboren te [geboorteplaats1] op

[geboortedatum1] , van de minderjarige:

- [naam minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ;

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 20 augustus 2013 voor wat betreft de daarin vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam minderjarige] en bepaalt dat de man met terugwerkende kracht vanaf oktober 2019 niet onderhoudsplichtig is voor [naam minderjarige] ;

bepaalt de kosten van het deskundigenonderzoek door [naam bedrijf] op € 685,00;

wijst de moeder en de man ieder voor de helft de kosten van het deskundigenonderzoek door [naam bedrijf] toe en veroordeelt de moeder en de man aan de griffier van deze rechtbank elk te voldoen: € 342,50 voor ingevolge artikel 199 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorlopig in debet gestelde deskundigenkosten;

bepaalt dat de betaling aan de griffier dient te geschieden door betaling van een door de moeder en de man te ontvangen factuur, afkomstig van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LCDR), binnen twee weken na ontvangst daarvan;

verklaart deze beschikking voor wat betreft de alimentatie en de kostenveroordeling met betrekking tot het deskundigenonderzoek uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af;

compenseert de gemaakte proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Aarts, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 31 mei 2021.

mku

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen wederpartij, binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak
b. door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.