Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2868

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
05-07-2021
Zaaknummer
8288796
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

omvang dienstverband - min-uren - verval wettelijke vakantieuren - eindafrekening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0849
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer : 8288796

Rolnummer : 20-408

Uitspraak : 29 april 2021

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. M.A. van Dalen (Arag SE),

t e g e n

1 de vennootschap onder firma [gedaagde sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagden,

gemachtigde: mr. W.A.T. Wieland.

Partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en – in vrouwelijk enkelvoud – ‘ [gedaagden] ’ genoemd. Waar nodig worden gedaagden afzonderlijk aangeduid als ‘ [gedaagde sub 1] ’, ‘ [gedaagde sub 2] ’ en ‘ [gedaagde sub 3] ’.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

  • -

    de dagvaarding (met producties 1 t/m 9);

  • -

    de conclusie van antwoord (met producties 1 t/m 12);

  • -

    de mondelinge behandeling (hierna ook: de zitting) gehouden op 5 november 2020. Partijen hebben ter gelegenheid daarvan spreekaantekeningen in de procedure gebracht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder door partijen op zitting naar voren is gebracht;

  • -

    de akte uitlaten tevens overlegging producties 13 t/m 16 van [gedaagden] ;

  • -

    de antwoordakte van [eiser] .

1.2.

[eiser] heeft haar vordering in de antwoordakte nader geconcretiseerd en gespecificeerd. Het gaat om een getalsmatige uitwerking van haar vordering bij dagvaarding en niet om een verandering of vermeerdering van eis. De kantonrechter heeft daarom geen reden gezien om [gedaagden] in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten.

1.3.

Tot slot is een datum voor het vonnis bepaald.

2. Inleiding

2.1.

[eiser] is vanaf 11 mei 2017 als pedagogisch medewerker bij [gedaagde sub 1] in dienst gekomen. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Jeugdzorg van toepassing. [eiser] heeft haar arbeidsovereenkomst met [gedaagde sub 1] opgezegd. De arbeidsovereenkomst is op 1 november 2019 geëindigd. In deze zaak gaat het over de vraag of [gedaagde sub 1] de arbeidsovereenkomst in financieel opzicht correct heeft afgewikkeld.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij dagvaarding om [gedaagden] hoofdelijk, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan haar te betalen:

  1. € 491,32 bruto aan achterstallig salaris voor oktober 2019;

  2. de gelden waarop zij volgens een correcte eindafrekening recht heeft, met verrekening van de al aan haar betaalde bedragen;

  3. € 3.308,18 bruto als vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen;

  4. € 628,85 als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten;

  5. de wettelijke rente vanaf 1 november 2019 over het onder a., b. en c. gevorderde;

  6. de wettelijke verhoging vanaf 1 november 2019 over het onder a., b. en c. gevorderde,

te vermeerderen met de proces- en nakosten.

3.2.

In antwoord op de akte uitlaten van [gedaagden] en de daarbij overgelegde producties heeft [eiser] haar vordering nader gespecificeerd als volgt:

  1. € 1.964,91 bruto aan salaris voor oktober 2019 en

  2. € 785,96 bruto aan pro rato vakantietoeslag en

  3. € 1.630,88 bruto aan 13de maand en

  4. € 1.494,24 bruto aan niet-genoten verlofdagen en

  5. de wettelijke verhoging over deze bedragen en

  6. de wettelijke rente over al deze bedragen,

  7. met vermindering van het al betaalde bedrag van € 1.630,40 netto;

te vermeerderen met de proces- en nakosten.

3.3.

[eiser] legt aan haar hoofdvorderingen, kort en zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

Vanaf januari 2019 is met [gedaagde sub 1] overeengekomen dat zij in plaats van 24 uren per week voortaan 32 uren per week werkt. In 2019 is haar salaris steeds volgens deze afspraak betaald, met uitzondering van het salaris van oktober 2019. [gedaagde sub 1] heeft voor die maand het uitbetaalde salaris gebaseerd op een eenzijdige wijziging van het aantal contracturen naar 24 uren per week. Zij vordert nabetaling van 8 uren salaris.

De salarisspecificatie van oktober 2019 is tegelijkertijd de eindafrekening. Omdat [gedaagde sub 1] het aantal contracturen in oktober 2019 eenzijdig heeft gewijzigd, is ook te weinig vakantietoeslag en eindejaarsuitkering betaald. Zij vordert betaling van de correcte bedragen gebaseerd op 32 contracturen per week.

Op de eindafrekening heeft [gedaagde sub 1] ten onrechte € 1.522,28 ingehouden op de vergoeding voor niet-genoten verlofdagen. Het recht op verlof is niet correct bijgehouden. Ook blijkt nu dat er min-uren zijn afgeboekt omdat er te weinig werk zou zijn. Daarbij komt dat zonder aan de informatieverplichting is voldaan het nog bestaande recht op wettelijk verlof over 2018 in 2019 vervallen is verklaard en afgeboekt. [eiser] vordert correctie en vergoeding van niet-genoten vakantie.

Bij de uitbetaling van de gevorderde bedragen moet rekening worden gehouden met de bedragen die al bij de eindafrekening aan haar zijn overgemaakt.

3.4.

[gedaagden] concludeert bij antwoord tot afwijzing van al het gevorderde. Betwist wordt dat er fouten in de salarisbetaling, verlofregistratie en eindafrekening zijn gemaakt. Het aantal contracturen van [eiser] is vanaf januari 2019 niet ongeclausuleerd gewijzigd van 24 uren naar 32 uren per week. Met [eiser] is weliswaar overeengekomen dat zij vanaf januari 2019 maandelijks op basis van een 32-urige werkweek zou worden uitbetaald, maar daarbij is ook de afspraak gemaakt dat de uren die zij feitelijk niet werkte – en waarvoor dus wel werd betaald – in mindering zouden worden gebracht op haar tijd-voor-tijd uren (TVT-uren) en haar verloftegoed.

3.5.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, verder ingegaan.

4 De beoordeling

Omvang dienstverband

4.1.

Op de overgelegde loonstroken van 2019 staat dat [eiser] voor 32 uren per week bij

[gedaagde sub 1] in dienst was. Dat het recht op loon, vakantiegeld, eindejaarsuitkering, en de aanspraak op vakantie vanaf 1 januari 2019 is gebaseerd op een 32-urige werkweek is als zodanig tussen partijen niet in geschil. Dit staat dus vast.

4.2.

Dat het ging om een tijdelijke uitbreiding van het aantal contracturen is niet komen vast te staan. [gedaagden] heeft hiervoor onvoldoende gesteld. In de e-mail van

17 januari 2019 aan het administratiekantoor (productie 1 van [gedaagden] ) staat weliswaar dat [eiser] met ingang van 1 januari 2019 tot 1 april 2019 een tijdelijke verhoging van haar uren heeft, maar dat aan die situatie na 1 april 2019 een einde is gekomen blijkt nergens uit. Uit de salarisstroken volgt dat [eiser] ook na 1 april 2019 voor 32 uren per week is betaald (productie 2 van [eiser] ). Hoewel wel vaststaat dat met [eiser] op 15 april 2019 is gesproken over haar functioneren en het verlengen van de arbeidsovereenkomst, geldt dit niet voor de stelling van [gedaagden] dat vanwege het onvoldoende functioneren van [eiser] de arbeidsovereenkomst vanaf 10 april 2019 is voortgezet voor slechts 24 uren per week. [gedaagden] verwijst ter onderbouwing naar de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (productie 4 van [gedaagden] ). [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat zij kennis heeft genomen van die arbeids-overeenkomst. Vastgesteld wordt dat de betreffende arbeidsovereenkomst door geen van partijen is ondertekend. Ook is niet komen vast te staan dat partijen mondeling zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst zou worden voortgezet voor 24 uren per week. Uit het handelen van zowel [gedaagden] als [eiser] volgt immers dat zij er beide, ook na 10 april 2019, vanuit zijn gegaan dat de arbeidsomvang 32 uren per week bedroeg. Dit wordt niet anders door het WhatsApp-bericht van 2 augustus 2019 waarin [eiser] aan [gedaagden] schrijft dat zij alleen het loon van 24 uur heeft ontvangen en de rest nog niet.

4.3.

[gedaagden] heeft niet gesteld op welke grondslag zij zich heeft gebaseerd bij de wijziging van het aantal contracturen in oktober 2019 van 32 naar 24 uur per week. Dat partijen die wijziging zijn overeengekomen is niet gebleken. [eiser] maakt terecht aanspraak op nabetaling van 8 uren aan salaris en het met deze uren corresponderende recht op vakantieopbouw, vakantietoeslag (8%) en 13e maand (8,3%).

Min-uren

4.4.

Tussen partijen staat vast dat [eiser] in 2019 niet altijd voor 32 uren per week is ingeroosterd. Met andere woorden: zij heeft niet altijd 32 uren per week gewerkt.

Volgens [gedaagden] is met [eiser] overeengekomen dat de minder gewerkte uren (min-uren) mochten worden verrekend met haar TVT-uren dan wel haar recht op vakantiedagen. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat hierover afspraken zijn gemaakt.

4.5.

In artikel 8.5 sub a van de cao Jeugdzorg staat dat wanneer een werknemer overwerkt hij extra verlofuren krijgt. Als hoofdregel geldt dat die uren moeten worden opgenomen in het kwartaal na het kwartaal dat is overgewerkt. Werknemer en werkgever mogen hierover andere afspraken maken. De kantonrechter begrijpt dat waar [gedaagden] spreekt over TVT-uren zij doelt op verkregen extra verlofuren vanwege overwerk. Dat partijen van de hoofdregel afwijkende afspraken hebben gemaakt is niet gesteld noch gebleken. De TVT-uren moeten dus worden opgenomen in het kwartaal nadat deze uren zijn opgebouwd. Vastgesteld wordt dat de vordering van [eiser] ook niet is gericht tegen de afboeking van de te weinig gewerkte uren in januari, februari, mei en juni 2019 van het saldo aan TVT-uren (zoals in productie 9 door [gedaagden] is verantwoord). Tussen partijen is dus niet in geschil dat [gedaagden] op grond van artikel 8.5 sub a van de cao Jeugdzorg min-uren mocht verrekenen met TVT-uren.

4.6.

Vanwege de betwisting daarvan door [eiser] is niet komen vast te staan dat is afgesproken dat min-uren op haar recht op vakantie mocht worden afgeboekt. Ook wanneer had moeten worden aangenomen dat die afspraak wel was gemaakt, zoals [gedaagden] stelt, had die afspraak niet in stand kunnen blijven. Een dergelijke afspraak zou in strijd zijn geweest met het bepaalde in de artikelen 7:634 BW in samenhang met artikel 7:638 BW en 7:640 BW. Kort gezegd komen deze bepalingen erop neer dat een werkgever niet kan tornen aan de wettelijke minimumaanspraak op vakantie en dat de werknemer daarvan tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst geen afstand kan doen. Van vakantieaanspraken boven het wettelijk minimum, het bovenwettelijke verlof, kan alleen bij schriftelijke overeenkomst tegen schadevergoeding afstand worden gedaan (artikel 7:640 lid 2 BW). Zo’n overeenkomst is niet overgelegd. De wet biedt geen ruimte voor andere afspraken die in het nadeel van de werknemer zijn (artikel 7:645 BW). Ook bij cao kan niet in het nadeel van de werknemer van de hiervoor genoemde wetsartikelen worden afgeweken.

4.7.

Dit betekent ook, anders dan [gedaagden] stelt, dat artikel 9.2 sub b van de cao Jeugdzorg geen grondslag biedt voor verrekening van min-uren met bovenwettelijke verlofuren. Deze cao-bepaling gaat over het bovenwettelijk verlof, in de cao aangeduid als verlofbudget, en geeft een werknemer en werkgever slechts de mogelijkheid om afspraken te maken over het opnemen van dit verlof in het voordeel van de werknemer. Die situatie is in deze zaak niet aan de orde.

4.8.

Uit het hiervoor geschetste wettelijke kader volgt dat het beroep van [gedaagden] op verrekening van de verlofuren waarvan [eiser] betaling vordert met het aan haar betaalde loon evenmin kan slagen. Anders dan [gedaagden] meent, biedt artikel 7:628 lid 1 (oud) BW daarvoor geen grondslag. Ook niet bij de eindafrekening. Tot

1 januari 2020 bepaalde dit artikel dat de werkgever geen loon was verschuldigd als de werknemer de bedongen arbeid niet had verricht. Hoewel vaststaat dat [eiser] in 2019 niet altijd 32 uur per week heeft gewerkt, heeft [gedaagden] wel steeds – met uitzondering van oktober 2019 – het salaris voor 32 uur per week betaald. Wanneer het beroep op verrekening zou worden gehonoreerd is het gevolg dat alsnog wordt getornd aan het recht op vakantieaanspraken van [eiser] . Zoals hiervoor al uiteengezet is dat in strijd met de wet.

4.9.

In dit verband wordt nog opgemerkt dat [gedaagden] zich op dit punt ook niet consistent uitlaat. Zo voert zij in de conclusie van antwoord nadrukkelijk aan (randnummer 17) dat de verrekening van de min-uren op de eindafrekening niet ziet ‘op de opbouw van min-uren in verband met te weinig beschikbare werkzaamheden.’

Verval wettelijke vakantieuren 2018

4.10.

Op 3 oktober 2019 heeft [gedaagden] een restant van 74,06 aan wettelijke vakantieuren van 2018 laten vervallen. [gedaagden] wijst op artikel 7:640a BW waaruit volgt dat wettelijke vakantieuren zes maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is gekregen komen te vervallen. [eiser] had voldoende gelegenheid om vakantie op te nemen, was op de hoogte van haar vakantierechten en is ook voldoende geïnformeerd over de opbouw van de vakantieuren, aldus [gedaagden]

4.11.

Overwogen wordt als volgt.

4.11.1.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) heeft overwogen dat het opnemen van de jaarlijkse minimumvakantie niet een verantwoordelijkheid van de werknemer alleen is (HvJ EU 6 november 2018, C-684/16 Max-Planck/Shimizu, r.o. 43). Het gaat om een gedeelde verantwoordelijkheid, waarbij de werkgever een actieve, aansporende rol dient te vervullen. Dit brengt mee dat een werkgever zich slechts op het automatische verval van de jaarlijkse minimumvakantierechten kan beroepen, als hij kan aantonen dat hij de werknemer tijdig – en zo nodig formeel – ertoe heeft aangespoord zijn vakantie te nemen en hem erop heeft gewezen dat zijn rechten anders komen te vervallen (Max-Planck/Shimizu, r.o. 45-46)

4.11.2.

[gedaagden] heeft niet aan deze verplichting voldaan. Dat [eiser] inzage had in de hoogte van haar vakantierechten en ook in staat werd gesteld om daadwerkelijk verlof op te nemen doet er niets aan af dat [gedaagden] [eiser] had moeten aansporen om haar vakantieuren van 2018 op te nemen. [gedaagden] heeft niet onderbouwd dat dit is gebeurd. Ook blijkt nergens uit dat [eiser] erop is gewezen dat als zij dat niet zou doen haar vakantierechten over 2018 zouden komen te vervallen. Onder die omstandigheden had [gedaagden] de nog resterende vakantieuren van 2018 niet mogen laten vervallen. De afboeking van deze uren (74,06) was onterecht en moet zoals gevorderd worden gecorrigeerd.

Opgenomen vakantieuren 2019

4.12.

Volgens [eiser] is de verlofadministratie over 2019 niet correct. In de dagvaarding heeft zij de volgende registraties betwist:

41,00 uren (21 augustus);

18,25 uren (31 augustus).

4.13.

Na de zitting heeft [gedaagden] een totaaloverzicht overgelegd van de door [eiser] opgebouwde en opgenomen vakantieuren (productie 13) en onderliggende verlofuren-kaarten (productie 14). [eiser] heeft hierop bij antwoordakte gereageerd.

4.14.

Overwogen wordt als volgt.

4.14.1.

Aan de verlofuren-kaarten wordt geen betekenis gehecht. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat zij ooit verlofkaarten heeft ingediend of moest indienen om verlof aan te vragen. Of het op deze kaarten geregistreerde verlof correspondeert met door [eiser] genoten verlof kan niet worden vastgesteld. [eiser] heeft dit betwist en nergens uit blijkt dat [eiser] deze kaarten heeft ingevuld of met de inhoud daarvan heeft ingestemd.

4.14.2.

Op de stelling van [eiser] dat zij in februari 2019 geen 1,5 uur heeft opgenomen en in juni 2019 geen 16,25 uren wordt voorbijgegaan. In alle overzichten die bij de dagvaarding waren overgelegd, en waarmee [eiser] op dat moment dus al bekend was, stonden deze uren als verlof geregistreerd. [eiser] heeft de juistheid daarvan pas betwist in haar antwoordakte. Dat is te laat en in strijd met een goede procesorde. [gedaagden] kan hierop immers niet meer reageren.

4.14.3.

Uit productie 13 van [gedaagden] volgt dat in augustus 2019 in totaal 44,25 uren zijn afgeboekt. Het gaat daarbij om uren die [eiser] in juli (41 uren) en augustus (3,25 uren) te weinig heeft gewerkt, zo blijkt uit de toelichting onder randnummer 47 en 48 van de conclusie van antwoord. Met de registratie van 3,25 uren is de eerdere registratie van 18,25 uren gecorrigeerd, aldus [gedaagden] De afgeboekte uren houden dus geen verband met door [eiser] opgenomen verlof. Zoals hiervoor al uitgebreid uiteengezet had [gedaagden] geen recht om de te weinig gewerkte uren in mindering te brengen op de vakantieaanspraken van [eiser] . Dat geldt ook voor de afboeking ten laste van het bovenwettelijk verlof in september 2019 van 7,5 uren en in oktober 2019 van 127,50 uren (randnummer 50 en 51 conclusie van antwoord). Het verlofoverzicht moet op al deze punten worden gecorrigeerd.

4.14.4.

Als niet gemotiveerd weersproken staat vast dat [eiser] de laatste twee weken van haar dienstverband verlof heeft opgenomen (vanaf 17 oktober tot en met 31 oktober 2019). Uitgaande van een arbeidsomvang van 32 uren per week moeten hiervoor 64 uren op het vakantieverlof in mindering worden gebracht. [eiser] heeft niet toegelicht waarom het om slechts 48 uren zou gaan, zodat die stelling wordt gepasseerd.

Conclusie vakantieuren

4.15.

[eiser] heeft onder randnummer 12 tot en met 15 van de antwoordakte uiteengezet hoeveel verlof zij vanaf 2017 heeft opgebouwd en met welk saldo zij in 2019 is begonnen. Dit betoog is inzichtelijk en ligt in lijn met de opgave van [gedaagden] (productie 13). Voor de berekening van het aantal uren waarop [eiser] bij uitdiensttreding nog recht op vergoeding heeft, wordt daarom als uitgangspunt genomen, zoals zij zelf stelt, dat in 2019 is begonnen met een recht op wettelijk verlof van 74,07 uren en een recht op bovenwettelijk verlof van 37,33 uren.

4.16.

Wanneer rekening wordt gehouden met wat hiervoor is overwogen – inhoudende dat geen verval van het wettelijk verlof 2018 heeft plaatsgevonden, [gedaagden] de te weinig gewerkte uren niet op de vakantieaanspraken mocht afboeken en dat in oktober 2019 recht bestond op een opbouw aan verlof op basis van een arbeidsomvang van 32 uur per week – heeft [eiser] nog recht op vergoeding van 60,57 uren aan niet-genoten vakantie.

wettelijk

Bovenwettelijk

1-1-2019

74,07

37,33

opbouw gecorr. voor oktober '19

103,98

40,44

---------

--------

totaal:

178,05

77,77

opname

Februari

1,50

Maart

17,50

Juni

16,25

September

96

Oktober

64

---------

--------

-17,20

77,77

17,20

-/-

60,57

4.17.

[gedaagden] wordt veroordeeld om € 926,94 bruto aan [eiser] te betalen als vergoeding voor niet-genoten vakantieuren (60,57 uren x € 14,17 bruto uurloon x 8% vakantietoeslag). Het meer gevorderde wordt afgewezen.

Eindafrekening

4.18.

Als gezegd heeft [eiser] voor oktober 2019 recht op salaris voor 32 uren per week, oftewel € 1.964,91 bruto. De door [eiser] als productie 7 overgelegde eindafrekening, tevens salarisspecificatie oktober 2019, moet in die zin worden gecorrigeerd. De kantonrechter heeft aan de hand van de cumulatieven op de salarisspecificatie van september 2019 (productie 2 van [eiser] ) becijferd dat [eiser] bij de eindafrekening recht heeft op € 746,65 bruto aan vakantietoeslag. Het meer gevorderde wordt afgewezen. [eiser] maakt aanspraak op in totaal € 1.630,88 bruto aan 13e maand. Dit bedrag ligt voor toewijzing gereed. Aan vergoeding voor niet-genoten vakantieuren heeft [eiser] , als hiervoor overwogen, recht op € 926,94 bruto. [gedaagden] wordt veroordeeld tot betaling van deze bedragen met verrekening van het bij de eerder opgemaakte eindafrekening al uitbetaalde bedrag van € 1.630,40 netto. Op grond van artikel 7:626 BW is [gedaagden] verplicht om aan [eiser] een opgave te verstrekken van de bedragen waartoe zij in dit vonnis wordt veroordeeld.

Wettelijke verhoging

4.19.

De op grond van artikel 7:625 BW gevorderde wettelijke verhoging wordt toegewezen (50%). Aan de hiervoor geldende criteria is voldaan. Dat [gedaagden] vanaf maart 2020 extra kosten heeft vanwege het coronavirus staat hieraan niet in de weg. Zoals zij zelf aangeeft kan zij mogelijk voor die extra kosten worden gecompenseerd. Wat daarvan ook zij, niet valt in te zien waarom eventuele financieel nadelige consequenties van het coronavirus op [eiser] moeten worden afgewenteld waar het op de weg van [gedaagden] had gelegen om haar correct en op tijd te betalen.

Wettelijke rente

4.20.

Uit de dagvaarding in samenhang bezien met de antwoordakte van [eiser] wordt begrepen dat vanaf 1 november 2019 wettelijke rente over de toegewezen bedragen wordt gevorderd. Die vordering is toewijsbaar, met uitzondering van de gevorderde wettelijke rente over de wettelijke verhoging. Niet gebleken is dat [gedaagden] op dit punt in verzuim is geraakt na in gebreke te zijn gesteld. Dit betekent dat de gevorderde wettelijke rente over de wettelijke verhoging wordt toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, te weten 23 januari 2020.

Buitengerechtelijke kosten

4.21.

[eiser] heeft in de antwoordakte haar vordering per onderdeel (A tot en met I) op een rij gezet. In die opsomming wordt niet langer een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten gevorderd. Aangenomen wordt, ook gelet op hiertegen door [gedaagden] gevoerde verweer, dat [eiser] dit onderdeel van haar vordering heeft ingetrokken zodat hierop niet meer hoeft te worden beslist.

Hoofdelijke veroordeling

4.22.

De hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als vennoten van [gedaagde sub 1] ligt voor toewijzing gereed.

Proces- en nakosten

4.23.

[gedaagden] wordt als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure. De gevorderde veroordeling in de nakosten, door [eiser] gemaximeerd op € 100,00, en de rente hierover wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagden] , hoofdelijk, om aan [eiser] te betalen:

A. € 1.964,91 bruto aan salaris van oktober 2019;

B. € 746,65 bruto aan vakantietoeslag;

C. € 1.630,88 bruto aan 13e maand;

D. € 926,94 als vergoeding voor niet genoten verlofdagen;

E. te vermeerderen met de wettelijke verhoging conform artikel 7:625 BW over de hiervoor genoemde bedragen;

F. te vermeerderen met de wettelijke rente over de hiervoor onder A., B., C. en D. genoemde bedragen vanaf 1 november 2019 tot aan de dag van volledige betaling;

te vermeerderen met de wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf 23 januari 2020 en

G. al het voorgaande te verminderen met het al betaalde bedrag van € 1.630,40 netto;

H. veroordeelt [gedaagden] , hoofdelijk, in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 116,94 aan dagvaardingskosten, € 236,00 aan griffierecht en

€ 933,00 (3 punten) als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

I. veroordeelt [gedaagden] , hoofdelijk, in de kosten die na dit vonnis ontstaan, als gevorderd begroot op maximaal € 100,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast) te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de 15e dag nadat [gedaagden] schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand tot aan de dag van betaling;

J. verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

K. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Godrie, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2021.