Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2607

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-06-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
01-140882-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van het toen minderjarige slachtoffer. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden. Tevens legt de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 5.354,42 waarvan € 5.000,-- bestaat uit immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.140882.20

Datum uitspraak: 8 juni 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte] ,

geboren te [Geboortejaar] 1995,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd te P.I. Haaglanden, PPC.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 september 2020, 10 september 2020, 25 november 2020, 2 februari 2021, 29 april 2021 en 25 mei 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 juli 2020.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 januari 2020 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), [Slachtoffer] ( [Geboortedatum] ), heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [Slachtoffer] , te weten het brengen en/of duwen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [Slachtoffer] en/of het brengen en/of duwen van een of meer vingers in de vagina van die [Slachtoffer] en/of het vingeren van die [Slachtoffer] en/of het brengen van de tong in de vagina van die [Slachtoffer] en/of het likken van de vagina van die [Slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte, die [Slachtoffer] bij hem thuis heeft uitgenodigd en/of (vervolgens) de (voor)deur op slot heeft gedraaid, althans heeft afgesloten en/of zijn kleding heeft uitgetrokken en/of die [Slachtoffer] (gedeeltelijk) heeft ontkleed en/of op die [Slachtoffer] is gaan liggen en/of (aldus) fysiek overwicht heeft gehad op die [Slachtoffer] en/of aldus een dusdanige situatie en/of intimiderende situatie heeft gecreëerd dat die [Slachtoffer] zich daaraan niet kon en/of durfde te onttrekken en/of voorbij is gegaan aan het door die [Slachtoffer] verbale en/of non verbale en/of fysieke protest/verzet (waarbij die [Slachtoffer] onder meer heeft tegengestribbeld).

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Bron.

Een dossier van de Nationale Politie, eenheid Oost-Brabant, met dossiernummer PL2100-2020000726, afgesloten d.d. 17 juni 2020, aantal doorgenummerde bladzijden: 203. Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden. De hieruit afkomstige bewijsmiddelen zijn telkens verkort en zakelijk weergegeven.

Inleiding.

Op verdachte rust de verdenking dat hij zich op 1 januari 2020 in Eindhoven schuldig heeft gemaakt aan het verkrachten van de destijds 17-jarige [Slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank kan komen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen aan hem ten laste is gelegd. De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat de verklaringen van verdachte en [Slachtoffer] onduidelijkheden bevatten, dat er sprake was van vrijwilligheid en dat verdachte geen gebruik heeft gemaakt van geweld dan wel bedreiging met geweld tegen [Slachtoffer] .

Het oordeel van de rechtbank.

Vast staat dat verdachte vanaf het moment dat hij politieambtenaren sprak over 1 januari 2020, steeds verschillende verklaringen heeft afgelegd.

Hij heeft toen de verbalisanten op 2 januari 2020 zijn huis kwamen doorzoeken verklaard dat er geen meisje is geweest en dat hij geen onvrijwillige seks heeft gehad.

Nadat hij is aangehouden heeft hij op 29 mei 2020 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij die nacht enig moment op een bankje zat en er toen een meid naar hem toe kwam. Ze vroeg hem ook of ze met hem mee naar huis mocht. Ze zijn toen naar zijn huis gegaan en rustig gaan zitten. Toen begon zij met alles. Ze begon hem te zoenen en te kussen en ze begon zich uit te kleden. Ze zei dat ze 19 was. Op enig moment vroeg ze hem om haar te vingeren. Dat heeft hij gedaan. Hij heeft geen seks met haar gehad. Hij heeft haar ook gebeft, want daar heeft ze hem ook om gevraagd.

Op 4 juni 2020 heeft verdachte ook verklaard dat zij bij hem thuis het initiatief heeft genomen en dat hij haar heeft gevingerd en gebeft.

Ter zitting heeft verdachte ontkend dit eerder gezegd te hebben bij de rechter-commissaris en bij de politie. Hij heeft verklaard dat [Slachtoffer] samen met hem richting huis is gelopen en dat zij onderweg nog een glaasje water heeft gedronken in de keuken in het huis waar hij woont. Zij is niet in zijn kamer geweest en ze hebben toen geen lichamelijk contact gehad.

De rechtbank constateert dat verdachte in de laatste drie verklaringen bevestigt dat [Slachtoffer] bij hem thuis is geweest is die nacht, maar dat hetgeen daarna gebeurd is uit de verklaringen van verdachte niet helder wordt.

De verklaringen van [Slachtoffer] zijn uitgebreid en worden ondersteund door de medische en forensische bevindingen die hieronder als bewijsmiddelen worden vermeld. Zij heeft bovendien in beide verhoren consistent verklaard. Dit maakt dat de rechtbank haar verklaringen tot uitgangspunt neemt. Zoals benoemd is voor deze verklaringen voldoende steunbewijs in het dossier. Dit betekent dat ook de tenlastegelegde dwang en het geweld naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zijn. Een en ander zal hieronder worden uitgewerkt.

Bij de beantwoording van de vraag of verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, heeft de rechtbank acht geslagen op de hieronder uitgewerkte redengevende bewijsmiddelen die haar uit onderhavig procesdossier zijn gebleken, te weten:

een verklaring van verdachte d.d. 4 juni 2020, dossierpagina 63

Ik heb haar gebeft en gevingerd.

een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [Verbalisant] en [verbalisant 1] d.d. 1 januari 2020, dossierpagina 70

[Slachtoffer] , maar die zich [Slachtoffer] laat noemen, deelde ons het volgende mede. Op nieuwjaarsnacht 2020 bevond [Slachtoffer] zich met een aantal vriendinnen in het uitgaansgebied van het Stratumseind te Eindhoven. Daar heeft zij een voor haar enigszins bekende jongen, [Verdachte] , rond de 25 jaar oud, ontmoet. Via een route door de wijk Gestel in Eindhoven kwamen ze bij een woning aan, waar [Verdachte] een kamer had. In zijn kamer begon [Verdachte] handtastelijk te worden. Dit tegen de wil van [Slachtoffer] in. Vervolgens pakte hij haar vast en ging bovenop haar liggen. Ze deelde mede dat ze een vaginale bloeding kreeg. Ze vertelde dat ze krassen aan de binnenzijde van haar bovenbenen had.

een proces-verbaal met betrekking tot de uitwerking van een studioverhoor van [Slachtoffer] d.d. 16 januari 2020, dossierpagina’s 88-94 en 96-97

Het was nieuwjaarsnacht 2020. Ik was met [Verdachte] meegelopen. Hij wilde seks en ik niet. Ik kreeg hem moeilijk van mij af. Ik heb dit wel geprobeerd en ik heb gezegd dat ik het niet wilde. Op een gegeven moment ging hij gewoon verder en toen is hij ook doorgedrongen. Verder heeft hij gevingerd, gebeft en vaginaal. Ik weet nog dat ik het niet wilde en dat ik hem van me af heb gekregen. Hij deed de deur op slot en toen trok hij zijn kleren uit. Ik zei nee en hij was sterker dan ik. Ik zat op zijn bed en hij trok mijn broek uit. Toen hij mijn broek uit kreeg, drong hij tot mij door. Ik stribbelde tegen. Ik had ook blauwe plekjes. Vaginaal deed hij met zijn piemel. Hij deed de seks op een hardhandige manier, omdat ik ook tegenstribbelde. Ik wilde naar huis. Hij is in mij geweest. Ik zei dat het vaginaal pijn deed en ik begon te schreeuwen van de pijn. Toen ging hij beffen en vingeren. Ik lag op bed toen hij mij ging vingeren. Hij deed het met ongeveer 4 vingers. Ik heb niet op alles gelet, ik versteende. De vingers zijn in mijn vagina geweest. Het voelde als duwen. Ik bloedde en mijn vagina was beschadigd door zijn piemel en door het vingeren. Het bloed komt uit mijn vagina. Hij ging ook met zijn tong in mijn vagina. Ik voelde dat.

een schriftelijk bescheid, te weten een letselbeschrijving, opgemaakt door forensisch geneeskundige [persoon 1] d.d. 1 januari 2020, dossierpagina 145

Persoon: [Slachtoffer] ( [Geboortedatum] ).

Bevindingen: Aanwezigheid van enkele geringe huidletsels (oppervlakkige wondjes met een maximale diameter van enkele millimeters) aan de binnenzijde van de rechterpols. Voorts drietal excoriaties (schramverwondingen met een lengte tot circa 3 centimeter) aan binnenzijde van het rechterbovenbeen. Het maagdenvlies toont een inscheuring op 7 uur (verlopend tot aan de buitenrand) met gering bloedverlies vanuit de wondranden, zonder verdere zichtbare beschadigingen. Het hymen (maagdenvlies) toont een inscheuring met actief bloedverlies, wat kan passen bij de verhaalde recentelijke vaginale penetratie.

een proces-verbaal van forensisch onderzoek, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 2] d.d. 18 januari 2020, dossierpagina’s 143-144

Betrokkene: [Slachtoffer] , geboren op [Geboortedatum] .

Door GGD-arts [persoon 1] werd tijdens dit onderzoek een onderzoekset zeden gebruikt die voorzien was van het identiteitszegel ZAAD1147NL.

een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek, opgemaakt en ondertekend door [persoon 2] , NRGD-geregistreerd forensisch DNA-deskundige werkzaam bij The Maastricht Forensic Institute d.d. 18 februari 2020, dossierpagina 181

Ontvangen materialen. SIN-nummer: ZAAD1147NL, zedenkit slachtoffer [Slachtoffer] . Wattenstaafjes bemonsteringen buitenste schaamlippen nat en droog (1 en 2), wattenstaafje bemonstering binnenste schaamlippen (3), wattenstaafje bemonstering ingang vagina (4) en wattenstaafje bemonstering diep vaginaal (5). Van de bemonstering buitenste schaamlippen nat is met de Phadebas tube test een zwakke aanwijzing verkregen op de aanwezigheid van speeksel. Na toepassing van de SpermTrap methode, waarbij scheiding plaatsvindt in een spermafractie (SF) en een epitheelfractie (EF), zijn de bemonsteringen microscopisch onderzocht op de aanwezigheid van spermakoppen. Hierbij is in de bemonstering diep vaginaal één spermakop waargenomen.

een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek, opgemaakt en ondertekend door [persoon 2] , NRGD-geregistreerd forensisch DNA-deskundige werkzaam bij The Maastricht Forensic Institute d.d. 14 april 2020, dossierpagina’s 186-187

Er dient Y-chromosomaal DNA-onderzoek te worden verricht aan de bemonsteringen uit de zedenkit ZAAD1147NL waarin mannelijk celmateriaal is aangetroffen. Het Y-chromosomale DNA-profiel van verdachte [Verdachte] , geboren op [Geboortejaar] , dient vergeleken te worden met de DNA-profielen verkregen van het sporenmateriaal.

Resultaat van het DNA-onderzoek.

Bemonstering

DNA-profiel

Mogelijke donor van het celmateriaal

Binnenste schaamlippen

Epitheelcelfractie ZAAD1147NL#02EF

Enkelvoudig Y-chromosomaal DNA-profiel

Het Y-chromosomale DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van verdachte [Verdachte] *

Binnenste schaamlippen

Spermacelfractie

ZAAD1147NL#02SF

Enkelvoudig Y-chromosomaal DNA-profiel

Het Y-chromosomale DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van verdachte [Verdachte] *

Ingang vagina

Epitheelcelfractie ZAAD1147NL#03EF

Enkelvoudig Y-chromosomaal DNA-profiel

Het Y-chromosomale DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van verdachte [Verdachte] *

* statistische onderbouwing.

Statistische onderbouwing. De resultaten worden bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende, hypothesen:

Hypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van verdachte [Verdachte] of een andere man in de mannelijke lijn van verdachte.

Hypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van een willekeurige niet verwante man.

De resultaten van het onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is. Er wordt gebruik gemaakt van de volgende reeks waarschijnlijkheidstermen met bijbehorende likelihood ratio interval: zeer veel waarschijnlijker 10.000-1.000.000.

De door de verdediging gevoerde verweren ten aanzien van het ten laste gelegde feit merkt de rechtbank aan als bewijsverweren. Deze verweren worden weerlegd door de inhoud van de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

op 1 januari 2020 te Eindhoven, door geweld, [Slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [Slachtoffer] , te weten het duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [Slachtoffer] en het duwen van vingers in de vagina van die [Slachtoffer] en het vingeren van die [Slachtoffer] en het brengen van de tong in de vagina van die [Slachtoffer] en bestaande dat geweld hierin dat hij, verdachte, die [Slachtoffer] bij hem thuis heeft uitgenodigd en vervolgens de deur op slot heeft gedraaid en zijn kleding heeft uitgetrokken en die [Slachtoffer] gedeeltelijk heeft ontkleed en op die [Slachtoffer] is gaan liggen en aldus fysiek overwicht heeft gehad op die [Slachtoffer] en aldus een dusdanige situatie heeft gecreëerd dat die [Slachtoffer] zich daaraan niet kon onttrekken en voorbij is gegaan aan het door die [Slachtoffer] verbale, non-verbale en fysieke protest/verzet, waarbij die [Slachtoffer] onder meer heeft tegengestribbeld.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan verdachte zal opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, én de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de deskundigen van het Pieter Baan Centrum (hierna telkens: ‘PBC’) te weinig gegevens over verdachte hadden om tot het advies terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege te komen, waardoor dit advies niet aan het opleggen van een dergelijke maatregel ten grondslag kan worden gelegd. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde, aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Aard en ernst van het feit.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van de toen minderjarige [Slachtoffer] . Een verkrachting betekent per definitie een ernstige en grove aantasting van de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Het betreft in zijn algemeenheid een uitermate schokkende, ingrijpende, beangstigende en vernederende gebeurtenis voor het slachtoffer met niet zelden langdurige psychische en emotionele naweeën alsook nadelige gevolgen op seksueel gebied. Dat het feit daadwerkelijk grote impact heeft gehad, blijkt uit de slachtofferverklaring van [Slachtoffer] die ter terechtzitting is voorgelezen en de vordering tot schadevergoeding die is ingediend. Voor het slachtoffer en de familie [Slachtoffer] geldt dat het feit grote impact op hun leven heeft gehad en tot op de dag van vandaag nog steeds heeft.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij op berekenende wijze misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen van het slachtoffer. [vertrouwelijk] . Verdachte heeft zich slechts laten leiden door zijn eigen (seksuele) behoeften en heeft geen enkele waarde gehecht aan de wil van het slachtoffer en de gevolgen die zijn gedragingen zouden hebben. Het behoeft verder geen betoog dat het bewezenverklaarde feit daarnaast ook bijdraagt aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving en gevoelens van afschuw en verontwaardiging oproepen. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

PBC-rapportage.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de deskundigen van het Pieter Baan Centrum te weinig gegevens over verdachte hadden om tot een strafadvies te komen, waardoor deze rapportage niet aan een beslissing over de aan verdachte op te leggen straf en/of maatregel, in het bijzonder de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, ten grondslag kan worden gelegd. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat uit de PBC-rapportage, opgemaakt en ondertekend door T.W. van de Kant, klinisch psycholoog, en E.A.M. Schouten, psychiater, van 23 maart 2021 naar voren komt dat verdachte heeft geweigerd om mee te werken aan de gesprekken en onderzoeken. Ondanks de weigerende houding van verdachte is er tijdens de observatieperiode enig contact geweest met verdachte, zijn er door de groepsleiding van het PBC verslagen over verdachte opgemaakt, heeft de milieurapporteur met de broer van verdachte en een ambulante hulpverlener enkele gesprekken gehad en zijn er politiemutaties en informatie uit de penitentiaire inrichtingen waar verdachte heeft gezeten bekeken. De rechtbank stelt derhalve vast dat de deskundigen op andere wijze dan via reguliere gesprekken en onderzoeken informatie over de persoon van verdachte hebben kunnen verzamelen. Op basis van deze informatie hebben de deskundigen zich voldoende voorgelicht geacht om een viertal stoornissen bij verdachte vast te stellen en uitspraken te doen over de doorwerking van deze stoornissen op het ten laste gelegde, het recidiverisico en om een strafadvies te kunnen formuleren. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman en zal de PBC-rapportage ten grondslag leggen aan haar oordeel over de aan verdachte op te leggen straf.

De aan verdachte op te leggen straf.

De rechtbank stelt vast dat uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 juli 2020 is gebleken dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor zedenmisdrijven.

Verder stelt de rechtbank vast dat in voornoemde PBC-rapportage onder meer het navolgende over de persoon van verdachte is vermeld:

(p. 52) ‘Bij betrokkene is primair sprake van een verstandelijke beperking, de ernst ervan is echter onduidelijk. Uit de observaties en verslagen van de groepsleiding in het PBC en het PPC Scheveningen en uit de informatie van de ambulant hulpverlener van Lunet Zorg in Eindhoven blijkt dat betrokkene heel weinig begrijpt, dat hij woorden verkeerd gebruikt of vervormt, dat hij slecht is afgestemd op de ander en dat hij snel overprikkeld raakt. Hij blijkt bovendien onvoldoende in staat stabiliteit te creëren op belangrijke levensgebieden en een maatschappelijk geaccepteerd bestaan op te bouwen. Dit alles duidt op een verstandelijke beperking. Ten tweede kan vastgesteld worden dat betrokkene antisociaal gedrag vertoont, zoals blijkt uit zijn strafblad, politiemutaties en verbaal agressief grensoverschrijdend gedrag. Ook is hij verbaal seksueel grensoverschrijdend naar vrouwelijke groepsleiding. Naast dit antisociale gedrag zijn er ook sterke aanwijzingen voor een antisociale attitude, maar of deze antisociale gedragingen en attitude voortkomen uit antisociale persoonlijkheidsproblematiek of vanuit een andere stoornis is niet duidelijk geworden. Ten derde stellen rapporteurs een stoornis in het gebruik van alcohol vast. Op basis van diverse politiemutaties en informatie van de broer van betrokkene wordt duidelijk dat betrokkene frequent wordt gesignaleerd onder invloed van alcohol, waardoor hij in de problemen raakt. Mogelijk is er ook sprake van een stoornis in cannabisgebruik, maar dit kan op basis van de beschikbare informatie onvoldoende worden onderbouwd. Ten vierde is er bij betrokkene tijdens de opname in het PBC sprake geweest van een paranoïde psychose. In welk kader het ontstaan van de psychose gezien moet worden is voor rapporteurs niet duidelijk geworden. Een drugs geïnduceerde psychose achten rapporteurs niet waarschijnlijk, maar valt niet geheel uit te sluiten. Mogelijk is sprake van een schizofrene ontwikkeling. Waarschijnlijk is sprake van een psychotische decompensatie vanwege overprikkeling bij een verstandelijke beperking.

De verstandelijke beperking en het antisociale gedrag waren zeker aanwezig in de periode van het ten laste gelegde. Betrokkene zegt de nacht van het ten laste gelegde twee bier te hebben gedronken. Het is voor ondergetekenden onduidelijk in hoeverre betrokkene inderdaad twee consumpties heeft gedronken of meer, en of, en in welke mate, dit zijn gedrag beïnvloed heeft. Of er in die periode ook sprake was van een psychotische stoornis is voor rapporteurs niet duidelijk.’

(p. 53) ‘De verstandelijke beperking en het antisociale gedrag hebben de keuzes en het gedrag van betrokkene beïnvloed. (…) De verstandelijke beperking en het antisociale gedrag van betrokkene hebben een sterke doorwerking gehad in het ten laste gelegde, indien bewezen. (…) Indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht, dan adviseren rapporteurs om het ten laste gelegde in een verminderde mate aan betrokkene toe te rekenen.’

De rechtbank neemt deze conclusies en adviezen over, in die zin dat de rechtbank het bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte zal toerekenen.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht dient hierop in mindering te worden gebracht.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

De officier van justitie heeft de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gevorderd op de terechtzitting van 25 mei 2021. Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is stelt allereerst vast dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Het hierna te kwalificeren feit betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Voorts merkt de rechtbank op dat het een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Uit de hiervoor reeds genoemde PBC-rapportage blijkt dat verdachte lijdende is aan een verstandelijke beperking, antisociaal gedrag vertoont, een stoornis heeft in het gebruik van alcohol en dat er tijdens de opname in het PBC sprake is geweest van een paranoïde psychose. De verstandelijke beperking en het antisociale gedrag waren volgens de deskundigen zeker aanwezig in de periode van het ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van de beoordeling van het gevaarscriterium heeft de rechtbank wederom acht geslagen op voornoemde PBC-rapportage, waarin onder meer het navolgende is gesteld:

(p. 54) ‘Rapporteurs achten het risico groot op met name agressieve uitbarstingen vanuit overprikkeling, die snel optreedt vanwege zijn verstandelijke beperking. Zeker als hij paranoïde-psychotisch decompenseert, hij geen overzicht meer heeft en hij zich bedreigd voelt, is de kans op geweld groot. De kans op een zedendelict vinden rapporteurs door de beperkingen van het onderzoek moeilijker te schatten, maar sluiten rapporteurs zeker niet uit. Bij gebruik van het risicotaxatie-instrument voor zedendelicten Static-Stable kunnen enkele items niet worden gescoord vanwege ontbrekende gegevens, desondanks komen rapporteurs tot een statistisch hoog risico bij een gecombineerde score van de Static-Stable, wanneer het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard.’

(p. 55) ‘Rapporteurs zien geen beschermende functies in de persoonlijkheid van betrokkene en zeker niet in zijn functioneren zoals dat in het PBC is gezien. Binnen een sterk gestructureerde setting als het PBC en met professionele ondersteuning raakt betrokkene zodanig overprikkeld dat hij paranoïd-psychotisch ontregelt. (…) Betrokkene heeft noch een professioneel, noch een sociaal netwerk. Vanwege zijn stoornissen is het zeer waarschijnlijk dat betrokkene snel maatschappelijk nog verder af zal glijden. Hij accepteert geen hulp. De kans op overzichtsverlies, paranoïd-psychotische ontregeling en grensoverschrijdend handelen vanuit die geestestoestand achten rapporteurs groot. Vanwege zijn beperkingen heeft betrokkene protheses nodig om zich staande te kunnen houden. Deze dienen te bestaan uit veel structuur en ondersteuning. Ook is begrenzing nodig, vanwege de neiging tot antisociaal gedrag bij betrokkene. Derhalve dient het beveiligingsniveau hoog te zijn. Ook moet er kennis zijn van psychoses en de behandeling daarvan. Concluderend komen rapporteurs tot het advies van een hoog beveiligde forensisch psychiatrische setting met kennis van patiënten met een verstandelijke beperking en psychosegevoeligheid.’

(p. 56) ‘Ten aanzien van het juridisch kader beseffen rapporteurs dat betrokkene nog niet eerder behandeld is in een forensisch psychiatrisch kader en dat betrokkene een, indien bewezen, first offender is van een zedendelict. Toch komen rapporteurs tot het advies om aan betrokkene, indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht, de maatregel tbs met verpleging van overheidswege op te leggen. Bijzondere voorwaarden bij een straf of maatregel met voorwaarden zal betrokkene niet begrijpen, of hij zal zich vanuit zijn pathologie er tegen verzetten. Hij overziet afspraken en consequenties van afspraken niet en als reactie daarop gaat hij ageren. Rapporteurs achten een dergelijke constructie met bijzondere voorwaarden niet haalbaar. Rapporteurs zien geen alternatieve mogelijkheden qua behandelsetting en juridisch kader. Alleen plaatsing in een FPK of FPC gespecialiseerd in patiënten met een verstandelijke beperking, binnen het kader van tbs met bevel tot verpleging heeft een kans van slagen om het recidiverisico en het risico op geweld op termijn te beperken.’

De rechtbank heeft verder acht geslagen op een advies van de reclassering van 30 april 2021, waarin onder meer het navolgende is gesteld:

‘Het advies van de onderzoekers van het PBC is om TBS met dwangverpleging op te leggen. Gezien hun bevindingen en conclusies laten zij onzes inziens geen ruimte voor een uitvoering van voorwaarden in een kader waar een bepaalde commitment van betrokkene vereist is. De reclassering schat ook in dat betrokkene een langdurig en intensief traject nodig zal hebben. Een regulier kader met voorwaarden zal niet afdoende zijn, daar betrokkene zich niet aan enige behandeling en nader opgelegde (vrijwillige) voorwaarden en regels zal (kunnen) conformeren. (…) Alles overwegende, komt de reclassering tot de conclusie dat behandeling en begeleiding binnen een regulier voorwaardelijk kader niet toereikend en haalbaar is, gezien de problematiek/capaciteiten en houding van betrokkene. Wij zien geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering is van mening dat een strikter en intensiever kader van dwang en drang, waarbinnen op passende wijze tijdig ingegrepen en bijgesteld kan worden, geïndiceerd is.

De rechtbank neemt deze conclusies en de gronden waarop zij berusten over. De rechtbank stelt vast dat de deskundigen hebben aangegeven dat de verstandelijke beperking van verdachte onveranderbaar is en dat het antisociale, grensoverschrijdende gedrag een patroon van meerdere jaren heeft. De deskundigen achten het risico op met name agressieve uitbarstingen groot. Nu de deskundigen geen beschermende functies zien in de persoonlijkheid van verdachte en verdachte feitelijk dakloos is, hulpverlening afwijst en geen contact heeft met zijn familie, is de kans op overzichtsverlies, paranoïd-psychotische ontregeling en grensoverschrijdend handelen groot. Vanuit de beperkingen die verdachte heeft, heeft hij veel structuur, ondersteuning en begrenzing nodig om zich staande te kunnen houden. Concluderend hebben de deskundigen aangegeven dat de behandeling en begeleiding van verdachte dient plaats te vinden in een hoog beveiligde forensisch psychiatrische setting met kennis van patiënten met een verstandelijke beperking en psychosegevoeligheid. De deskundigen adviseren aan verdachte de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen, omdat alleen plaatsing in een PFK of FPC binnen het kader van een dergelijke maatregel een kans van slagen heeft om het recidiverisico en het risico op geweld te beperken.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat ter voorkoming van het opnieuw plegen van geweldsdelicten en ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk maakt. De rechtbank ziet geen andere optie dan aan verdachte een behandeling in de vorm van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen, nu verdachte bijzondere voorwaarden bij een straf, of een TBS-maatregel met voorwaarden, niet zal begrijpen en zich, vanuit zijn pathologie, tegen (bijzondere) voorwaarden zal verzetten.

Alles afwegende zal de rechtbank verdachte dan ook ter beschikking stellen. De rechtbank zal voorts bevelen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

De vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank komt tot toewijzing van de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade, bestaande uit de kosten voor kleding, het eigen risico en de reiskosten, en de gevorderde immateriële schade. De officier van justitie heeft ten aanzien van het gevorderde bedrag aan verlies van arbeidsvermogen aangevoerd dat dit bedrag dient te worden gematigd tot een periode van zes weken in plaats van 20 weken, nu het einde van het arbeidscontract van [Slachtoffer] samenvalt met de corona-lockdown, waardoor een bedrag van € 468,18 aan verlies van arbeidsvermogen (totaal bedrag van € 1.560,60 / 20 weken x 6 weken) kan worden toegewezen. Het totaal toe te wijzen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van de gevorderde ziekte-, reis- en parkeerkosten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft het gevorderde bedrag van € 250,- voor de schade aan de kleding betwist, omdat niet kan worden vastgesteld dat de betalingsbewijzen/bankafschriften betrekking hebben op de kleding die [Slachtoffer] nieuwjaarsnacht aan had. De raadsman heeft verder betoogd dat de post verlies van arbeidsvermogen dient te worden afgewezen, omdat er geen redelijke grond was om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Tot slot heeft de raadsman betoogd dat de gevorderde immateriële schade moet worden afgewezen, omdat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een causaal verband tussen de gevorderde immateriële schade en het ten laste gelegde feit.

Beoordeling van de rechtbank.

Kleding.

De rechtbank stelt vast dat de gevorderde materiële schade van € 250,- aan kleding enkel is onderbouwd met verwijzing naar een tweetal bankafschriften. Uit deze bankafschriften blijkt onvoldoende of de gevorderde bedragen rechtstreeks verband houden met de kleding die het slachtoffer heeft gedragen ten tijde van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank acht, gelet op het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, echter voldoende aannemelijk dat het slachtoffer ten gevolge van het bewezenverklaarde feit schade heeft geleden aan haar kleding. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank, in het kader van haar schattingsbevoegdheid, de omvang van de schade aan de kleding vast op een bedrag van
€ 250,-.

Eigen risico.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 93,98 ten aanzien van de gemaakte kosten voor het eigen risico.

Reis- en parkeerkosten.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 10,44 (3x € 3,48) voor de ziekenhuisbezoeken op
1 januari 2020, 21 januari 2020 en 8 januari 2021.

De rechtbank zal het overige gevorderde aan materiële schade, voor zover dit betrekking heeft op reis- en parkeerkosten, afwijzen en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde reis- en parkeerkosten in verband met het gesprek met de officier van justitie op 14 april 2021 en de terechtzitting van 25 mei 2021 dienen te worden afgewezen, aangezien die kosten niet te beschouwen zijn als vermogensschade zoals genoemd in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (hierna telkens: ‘BW’).

De rechtbank is verder van oordeel dat de reis- en parkeerkosten in verband met het gesprek met de officier van justitie op 14 april 2021 en de terechtzitting van 25 mei 2021 evenmin kunnen worden beschouwd als proceskosten. Bij het vaststellen van de (proces)kosten van de benadeelde partij past de rechtbank artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering analoog toe. Uit die bepaling volgt dat reiskosten naar de rechtbank ten behoeve van een terechtzitting alleen kunnen worden toegewezen als de benadeelde partij in persoon procedeert. De benadeelde partij heeft zich echter tijdens de terechtzitting van
25 mei 2021 laten bijstaan door een gemachtigde. De wet geeft daardoor geen mogelijkheid voor vergoeding van de gemaakte reiskosten als proceskosten. De rechtbank is verder van oordeel dat het gesprek met de officier van justitie op 14 april 2021 niet gelijk kan worden gesteld met een terechtzitting. Daarom zal de rechtbank die gevorderde kosten afwijzen.

Zijnde proceskosten acht de rechtbank wel toewijsbaar de gemaakte reis- en parkeerkosten die de benadeelde partij heeft gemaakt voor de pro forma-zittingen op 3 september 2020 en
10 september 2020, nu de benadeelde partij zich tijdens die zittingen niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde. Derhalve zal de rechtbank een bedrag van € 45,94 (bestaande uit
€ 18,72 voor de reiskosten op 3 september 2020, € 18,72 voor de reiskosten op 10 september 2020, € 5,30 voor de parkeerkosten op 3 september 2020 en € 3,20 voor de parkeerkosten op 10 september 2020) aan proceskosten toewijzen.

Verlies van arbeidsvermogen.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij niet voldaan heeft aan de schadebeperkingsplicht ex artikel 6:101 BW ten aanzien van de kosten die gemaakt zijn aan verlies van arbeidsvermogen, nu het slachtoffer ervoor heeft gekozen ontslag te nemen in plaats van gebruik te maken van de mogelijkheid tot ziekmelding. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het gevorderde aan verlies van arbeidsvermogen dient te worden afgewezen.

Immateriële schade.

Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade van € 5.000,- overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Voor zover hier van belang zou deze schade voor toewijzing in aanmerking komen als er sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Hiervoor geldt als uitgangspunt dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Een gevoel van onbehagen of het zich gekwetst voelen is onvoldoende voor toewijzing. In het geval waarin de aard en de ernst van de normschending niet evident met zich brengt dat de relevante nadelige (geestelijke) gevolgen voor de hand liggen, zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Uit de onderbouwing van de vordering volgt dat er bij het slachtoffer een posttraumatische stress-stoornis ten gevolge van het bewezenverklaarde feit is vastgesteld, waarmee is voldaan aan de maatstaf voor toewijzing. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 5.000,- redelijk en billijk, en zal dit bedrag dan ook volledig toewijzen.

Conclusie.

De rechtbank wijst het verzoek tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [Slachtoffer] , van een bedrag van € 5.354,42, bestaande uit € 354,42 aan materiële schade (€ 250,- aan kleding,
€ 93,98 aan eigen risico, € 10,44 aan reiskosten ziekenhuisbezoeken) en € 5.000,- aan immateriële schade. Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 45,94 (bestaande uit reis- en parkeerkosten gemaakt ten behoeve van de pro forma-zittingen bij de rechtbank van 3 september 2020 en 10 september 2020), en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De rechtbank wijst het meer gevorderde ten aanzien van de reis- en parkeerkosten en het gevorderde aan verlies van arbeidsvermogen af. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2020 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Verkrachting

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen:

Een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.

Een maatregel van schadevergoeding van € 5.354,42 subsidiair 61 dagen gijzeling.

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [Slachtoffer] , van een bedrag van € 5.354,42, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 61 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit € 354,42 aan materiële schade (bestaande uit € 250,- aan kleding, € 93,98 aan eigen risico, € 10,44 aan reiskosten ziekenhuis) en € 5.000,- aan immateriële schade. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [Slachtoffer] , van een bedrag van € 5.354,42, bestaande uit € 354,42 aan materiële schade (€ 250,- aan kleding, € 93,98 aan eigen risico, € 10,44 aan reiskosten ziekenhuis) en € 5.000,- aan immateriële schade.

Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 45,94 (bestaande uit reis- en parkeerkosten gemaakt ten behoeve van de pro forma-zittingen bij de rechtbank van
3 september 2020 en 10 september 2020), en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Wijst het meer gevorderde ten aanzien van de reis- en parkeerkosten en de gevorderde kosten aan verlies van arbeidsvermogen af.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Boersma, voorzitter,

mr. A.E. de Kryger en mr. G. de Jong en, leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.A.J. van der Heijden, griffier,

en is uitgesproken op 08 juni 2021.