Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2603

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-06-2021
Datum publicatie
14-06-2021
Zaaknummer
8897959_E03062021
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Slapend dienstverband, hoogte transitievergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0795
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer 8897959 CV EXPL 20-6290

Vonnis van 3 juni 2021

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vakutrans B.V.,

gevestigd te Helvoirt,

gedaagde,

gemachtigde: mr. E.M.C. Melis.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” en “Vakutrans”.

1 Het procesverloop

1.1

In het dossier zitten de volgende processtukken:

  1. de dagvaarding van 24 november 2020, met bijlagen 1 tot en met 11;

  2. de conclusie van antwoord van 31 december 2020, met bijlagen 1 tot en met 6;

  3. het tussenvonnis van 14 januari 2021;

  4. e pleitnotities zijdens [eiser] .

1.2

Op 28 april 2021 heeft een mondelinge behandeling (zitting) plaatsgevonden. In verband met de coronamaatregelen heeft de zitting via een skypeverbinding plaatsgevonden. Daarbij was [eiser] aanwezig, bijgestaan door mr. J.K. Boesveld als gemachtigde. Ook was namens de zijde van [eiser] aanwezig mevrouw [A] (zij was betrokken bij de afwikkeling van de letselschadezaak). Vakutrans werd tijdens de zitting vertegenwoordigd door de heer [B] (directeur-eigenaar), bijgestaan door mr. E.M.C. Melis als gemachtigde. Partijen hebben tijdens de zitting nadere informatie verstrekt en hun standpunten toegelicht. Daarnaast hebben zij vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de zitting is besproken.

1.3

Aan het eind van de zitting hebben partijen verzocht om vonnis te wijzen, waarvan de uitspraak nader is bepaald op vandaag.

2 De feiten

Om een duidelijk beeld te krijgen van het geschil tussen partijen, zijn in ieder geval de volgende feiten van belang.

2.1

[eiser] is op 3 april 1995 in dienst getreden bij Vakutrans in de functie van chauffeur. Hij was werkzaam op basis van een 40-urige werkweek. Het basissalaris van [eiser] bedroeg € 2.420,01 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten. De CAO Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen is van toepassing op de arbeidsovereenkomst.

2.2

Naar aanleiding van een bedrijfsongeval is [eiser] arbeidsongeschikt geraakt. Hij heeft zich op 8 mei 2015 ziek gemeld. De loondoorbetalingsverplichting van Vakutrans is na 104 weken arbeidsongeschiktheid geëindigd op 5 mei 2017. Per 5 mei 2017 is aan [eiser] een WGA-uitkering toegekend. Vanaf 2 februari 2018 is die uitkering omgezet in een IVA-uitkering.

2.3

Op 11 april 2018 heeft Vakutrans (in de persoon van [C] , medewerkster Personeelszaken) de volgende brief aan [eiser] gestuurd:

“(…) Wij hebben onlangs vernomen dat er een toekenning vanuit het UWV is gekomen, betreffende je IVA aanvraag.

Wij willen middels deze brief bevestigen dat wij op de hoogte gesteld zijn en je informeren over de gevolgen daarvan voor jouw dienstverband.

Omdat je duurzaam arbeidsongeschikt bent bevonden heeft het UWV besloten om je vanaf 2 februari 2018 een IVA uitkering toe te kennen. Op 3 maart 2017 hebben we je geïnformeerd over het in stand houden van jouw dienstverband. Ook nu hebben we besloten je dienstverband, zonder loondoorbetalingsverplichting, in stand te houden.

Mocht je verder nog vragen hebben, neem dan gerust even contact met mij op. (…)”

2.4

In 2018 hebben de schadebehandelaars die destijds betrokken waren bij de afwikkeling van de letselschade als gevolg van het bedrijfsongeval met elkaar gecorrespondeerd over het eventuele einde van de arbeidsovereenkomst van [eiser] bij Vakutrans en de bijbehorende financiële afwikkeling (zoals de transitievergoeding).

2.5

Vanaf medio 2020 is er schriftelijk tussen de gemachtigden van partijen

(mr. Boesveld en mr. Melis) gecorrespondeerd over het einde en de financiële afwikkeling van de arbeidsovereenkomst.

2.6

Ten tijde van de zitting op 28 april 2021 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet door opzegging, overeenkomst of ontbinding geëindigd. Zeer recent voor voornoemde zitting is de letselschadezaak definitief afgewikkeld.

3 Het geschil

3.1

Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van [eiser] toegelicht dat de vordering van [eiser] ten aanzien van het tegoed aan vakantiedagen bij nader inzien € 9.744,74 bruto bedraagt. Met inachtneming hiervan vordert [eiser] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Vakutrans te veroordelen:

  1. om binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis mee te werken aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden zonder finale kwijting, op verbeurte van een door Vakutrans aan [eiser] te betalen dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag dat Vakutrans nalatig is aan deze veroordeling te voldoen;

  2. tot betaling van een (schade)vergoeding van € 46.707,93 bruto, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag, binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2020 tot de dag van volledige voldoening;

  3. tot betaling van het tegoed aan vakantiedagen van € 9.744,74 bruto binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente en wettelijke verhoging van 10% als niet binnen deze termijn van veertien dagen is betaald;

  4. om binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [eiser] een bruto/netto specificatie van de onder b) en c) genoemde bedragen te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag Vakutrans ter zake van de verstrekking van die specificaties in gebreke blijft;

  5. tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.242,08;

  6. in de kosten van deze procedure;

  7. tot betaling van de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2

Aan de vordering legt - [eiser] - kort weergegeven het volgende ten grondslag.

[eiser] doet een beroep op de Xella-beschikking van de Hoge Raad. Hij voert aan dat Vakutrans uit hoofde van goed werkgeverschap in de zin van artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) diende in te stemmen met zijn verzoek tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden onder toekenning van een vergoeding. Die vergoeding is gelijk aan de transitievergoeding berekend per de eerst mogelijke einddatum na afloop van de loondoorbetalingsplicht, dus per 5 mei 2017. Gelet op die datum moet volgens [eiser] de transitievergoeding berekend worden conform artikel 7:673 en 7:673a BW zoals deze artikelen luidden voor 1 januari 2020 (aldus voor de inwerkingtreding van de Wet arbeidsmarkt in balans, hierna: Wab). Dit brengt mee dat de transitievergoeding € 46.707,93 bruto bedraagt (zie voor de berekening van dit bedrag productie 6 bij dagvaarding).

[eiser] heeft aan Vakutrans gevraagd de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschikt te beëindigen met wederzijds goedvinden. Dit is onder andere omstreeks april 2018 aan de orde gesteld via de behandelaren die betrokken waren bij de afwikkeling van de letselschade als gevolg van het bedrijfsongeval. In reactie daarop heeft Vakutrans laten weten niet te willen meewerken aan een einde van het dienstverband. Dit blijkt volgens [eiser] bijvoorbeeld uit de door Vakutrans op 11 april 2018 verzonden brief (bijlage 3 bij dagvaarding). Daarnaast heeft [eiser] aangevoerd dat de werknemer geen ‘piepplicht’ heeft. Dit kan volgens [eiser] onder meer worden afgeleid uit de Victoria-beschikking van de Hoge Raad.

Verder heeft [eiser] op basis van artikel 7:641 BW nog aanspraak op de uitbetaling van vakantiedagen, te weten een bedrag van € 9.744,74 bruto (zie voor de berekening van dit bedrag punt 13. en 14. van de pleitnotities).

3.3

In reactie op de vordering heeft Vakutrans aangegeven dat het onjuist is dat zij de

arbeidsovereenkomst met [eiser] niet wil beëindigen onder toekenning van een

transitievergoeding. Zij is daartoe (nog steeds) bereid. Partijen verschillen echter over de

hoogte van de uit te keren transitievergoeding bij het einde van het dienstverband.

Volgens Vakutrans dient voor de berekening van de transitievergoeding uitgegaan te

worden van het geldende recht na 1 januari 2020, omdat het verzoek van [eiser] om over te

gaan tot beëindiging pas na die datum bij Vakutrans kenbaar is gemaakt. Daarom

is de Xella-beschikking van de Hoge Raad in dit geval niet van toepassing. Dit geldt temeer

nu de werknemer niet heeft ‘gepiept’. De Xella-beschikking gaat immers uit van een

piepplicht. De Hoge Raad heeft zich in die beschikking overigens niet uitgelaten over de

vraag of er op de werkgever een informatieverplichting rust om de werknemer te wijzen op

de mogelijkheid een verzoek tot medewerking aan beëindiging van de arbeidsovereenkomst

te doen onder toekenning van een transitievergoeding. In de Victoria-beschikking is

bevestigd dat het initiatief bij de werknemer is gelegd en er geen informatieverplichting

voor de werkgever is gecreëerd op basis van goed werkgeverschap, aldus Vakutrans. Ook

heeft zij nog gewezen op de compensatieregeling en het overgangsrecht van de Wab.

Vakutrans heeft niet bewust stilgezeten om onder een hogere transitievergoeding uit te

komen. [eiser] heeft simpelweg in 2018 en 2019 niet aan Vakutrans laten weten dat hij het

dienstverband wilde beëindigen. Daarnaast blijkt uit de brief van 11 april 2018 niet dat

Vakutrans niet mee wil werken aan het einde van de arbeidsovereenkomst. In die brief

wordt enkel bevestigd dat de arbeidsovereenkomst in stand zal blijven. Na die brief heeft

[eiser] geen contact opgenomen met Vakutrans. Verder heeft zij aangevoerd dat Vakutrans

in 2018 niet betrokken is geweest bij de afwikkeling van de letselschade. De als bijlage 3 bij

dagvaarding overgelegde correspondentie is voor haar dan ook nieuwe informatie. Op basis

van de Wab (dus berekend na 1 januari 2020) moet volgens Vakutrans aan [eiser] een

transitievergoeding van € 23.332,61 bruto worden toegekend (zie voor de

berekening bijlage 1 bij conclusie van antwoord).

Daarnaast heeft Vakutrans niet betwist dat zij nog vakantiedagen aan [eiser] dient uit te

betalen, maar volgens haar is [eiser] bij de berekening daarvan uitgegaan van een onjuist

uurloon. De juiste berekening moet zijn: 518,26 uren x € 13,91 per uur x € 1,08 aan

vakantietoeslag = € 7.785,72 bruto.

Ook heeft Vakutrans bezwaar gemaakt tegen de gevorderde wettelijke rente en

buitengerechtelijke incassokosten.

3.4

Op de grondslagen van de overige onderdelen van de vordering van [eiser] , de

nadere stellingen en verweren van partijen, althans voor zover deze van belang zijn voor de

beoordeling, komen hierna aan de orde.

4 De beoordeling

Wat houdt partijen verdeeld?

4.1

Wat partijen in deze procedure met name verdeeld houdt is de vraag of Vakutrans gehouden is de hoge transitievergoeding (berekend conform de methodiek van voor 1 januari 2020) aan [eiser] te betalen of de lage transitievergoeding (berekend conform de methodiek per 1 januari 2020 zoals geïntroduceerd door de Wab). Vakutrans heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van de door [eiser] gevorderde hoge transitievergoeding an sich, te weten € 46.707,93 bruto. Tijdens de zitting heeft [eiser] aangevoerd dat de eventuele lage transitievergoeding € 24.501,18 bruto bedraagt (inclusief overwerk-/onregelmatigheidstoeslag van gemiddeld € 598,00 bruto per maand), terwijl Vakutrans zich op het standpunt heeft gesteld dat de lage transitievergoeding € 24.002,10 bruto bedraagt. Echter, Vakutrans heeft tijdens de zitting ook aangevoerd dat rekening gehouden moet worden met een overwerk-/onregelmatigheidtoeslag en als die toeslag dan € 598,00 zou bedragen, dat Vakutrans bereid is om een nieuwe berekening te maken. Wat hier ook verder van zij, duidelijk is in ieder geval dat er een aanzienlijk verschil bestaat tussen de hoge en lage transitievergoeding.

Einde arbeidsovereenkomst

4.2

Voordat de kantonrechter kan toekomen aan de beoordeling van de vordering van [eiser] om Vakutrans te veroordelen tot betaling van een vergoeding, dient de arbeidsovereenkomst tussen partijen te zijn geëindigd dan wel binnen korte tijd te eindigen.

4.3

In de Xella-beschikking (ECLI:NL:HR:2019:1734), waarop [eiser] zich beroept, heeft de Hoge Raad op 8 november 2019 kort gezegd prejudiciële vragen over de beëindiging van zogenoemde slapende dienstverbanden beantwoord.1 Het antwoord op de vierde prejudiciële vraag luidt [de onderstreping is toegevoegd door de kantonrechter]:

“Het voorgaande brengt mee dat de vierde prejudiciële vraag als volgt moet worden beantwoord.

Als is voldaan aan de vereisten van art. 7:669 lid 1 en lid 3, aanhef en onder b, BW voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, geldt als uitgangspunt dat een werkgever op grond van goed werkgeverschap in de zin van art. 7:611 BW, gehouden is in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding. Daarbij geldt dat die vergoeding niet meer behoeft te bedragen dan hetgeen aan transitievergoeding verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen.

Op dit uitgangspunt moet een uitzondering worden aanvaard als – op grond van door de werkgever te stellen en zo nodig te bewijzen omstandigheden – de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst. Zo’n belang kan bijvoorbeeld gelegen zijn in reële re-integratiemogelijkheden voor de werknemer. Zo’n belang kan niet gelegen zijn in de omstandigheid dat de werknemer op het moment dat hij zijn beëindigingsvoorstel doet, de pensioengerechtigde leeftijd bijna heeft bereikt.”

4.4

Tegen deze achtergrond wordt het volgende overwogen. Vast staat dat [eiser] het dienstverband wil beëindigen en dat Vakutrans daartoe bereid is. Vast staat ook dat [eiser] langer dan twee jaar arbeidsongeschikt is en hij ongeschikt is om de bedongen arbeid uit te voeren. Van reële re-integratiemogelijkheden of herplaatsingsmogelijkheden is niet gesteld of gebleken. Dit alles betekent dat de vordering van [eiser] zoals hiervoor is weergegeven bij 3.1 onder a) toewijsbaar is, met dien verstande 1) dat ‘zonder finale kwijting’ niet langer aan de orde is omdat dit zag op de afwikkeling van de letschade en ter zitting is toegelicht dat dit inmiddels is afgehandeld, en 2) dat de aan deze vordering gekoppelde dwangsom wordt afgewezen, omdat de kantonrechter geen dan wel onvoldoende aanleiding heeft om aan te nemen dat Vakutrans niet (tijdig) haar medewerking zal verlenen aan de beëindiging van het dienstverband nu zij deze bereidheid meermaals heeft toegezegd.

Hoge of lage (transitie)vergoeding bij einde arbeidsovereenkomst

4.5

Voor het antwoord op de vraag of de hoge of lage transitievergoeding moet worden toegekend bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, spelen volgens partijen met name de volgende onderwerpen een rol:

  1. de piepplicht van de werknemer;

  2. de informatieplicht van de werkgever.

Partijen hebben hierover verschillende standpunten ingenomen.

Piepplicht van [eiser] ?

4.6

Volgens [eiser] rust er geen “piepplicht” op de werknemer en voor zover dat wel het geval zou zijn, heeft hij tijdig, dat wil zeggen voor 1 januari 2020, aan Vakutrans gevraagd om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Vakutrans heeft hiertegen verweer gevoerd.

4.7

De kantonrechter deelt niet de visie van [eiser] dat een werknemer geen “piepplicht” heeft. De Xella-beschikking gaat daar immers wel degelijk van uit, want in die zaak had de werknemer al een voorstel tot beëindiging gedaan en ook uit de overwegingen van de Hoge Raad in die beschikking volgt dat het initiatief om over te gaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij de werknemer ligt (zie in dit verband hetgeen hiervoor bij 4.3 onderstreept is weergegeven). Met andere woorden: [eiser] diende wel degelijk aan Vakutrans kenbaar te maken dat hij wilde overgaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.8

Dat [eiser] voor 1 januari 2020 daadwerkelijk aan Vakutrans een voorstel heeft gedaan om over te gaan tot beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst is naar het oordeel van de kantonrechter niet, althans onvoldoende, gebleken. Zo heeft [eiser] in het geheel geen schriftelijke stukken overgelegd waaruit volgt dat hij voor 1 januari 2020 rechtstreeks aan Vakutrans heeft gevraagd om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Met betrekking tot de periode voor 1 januari 2020 heeft hij alleen e-mails uit april 2018 overgelegd die de verzekeraars, welke betrokken waren bij de afwikkeling van de letselschade als gevolg van het bedrijfsongeval, onderling hebben gestuurd (bijlage 3 bij dagvaarding), en heeft [eiser] de op 11 april 2018 van Vakutrans aan hem gezonden brief, zoals hiervoor is weergegeven bij 2.3 (bijlage 4 bij dagvaarding), in het geding gebracht. Uit de e-mails van de schadebehandelaars blijkt weliswaar dat zij in april 2018 de mogelijkheid van beëindiging van de arbeidsovereenkomst in het kader van de afwikkeling van de letselschadezaak (kort) ter sprake hebben gebracht, maar uit die e-mailwisseling kan niet, althans onvoldoende, worden afgeleid dat de schadebehandelaars hierover in contact zijn getreden met [eiser] dan wel Vakutrans en dus dat daaruit kan worden afgeleid dat [eiser] aan Vakutrans heeft gevraagd om de arbeidsovereenkomst ook daadwerkelijk te beëindigen. Het betreft namelijk mailcorrespondentie tussen de schadebehandelaren. In dit verband heeft Vakutrans onweersproken gesteld dat zij aan [eiser] heeft laten weten dat zij het dienstverband pas wilde beëindigen zodra de letselschadezaak was afgewikkeld. Daarnaast heeft Vakutrans onweersproken gesteld dat zij de e-mails van de schadebehandelaren uit april 2018 waarop [eiser] zich beroept, pas voor het eerst in het kader van deze procedure heeft gezien, dus eind 2020. Ook uit de brief van 11 april 2018 kan niet worden afgeleid dat [eiser] op enig moment, althans in elk geval voor 1 januari 2020, aan Vakutrans heeft verzocht om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Verder zijn er geen stukken in de procedure gebracht waaruit zou kunnen blijken dat [eiser] in reactie op de brief van 11 april 2018 aan Vakutrans kenbaar heeft gemaakt dat hij bezwaar heeft tegen instandhouding van de arbeidsovereenkomst of sterker nog dat hij (actief) verzoekt om beëindiging daarvan. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat hij na de brief van 11 april 2018 (telefonisch) is blijven aandringen op het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, maar dat blijkt nergens uit en Vakutrans heeft dat betwist. Pas vanaf medio 2020 is er tussen partijen (althans tussen mr. Boesveld en mr. Melis) gecommuniceerd over de beëindiging van het dienstverband (zie bijlagen 5 tot en met 10 bij dagvaarding). Zo heeft Vakutrans op 16 juni 2020 een vaststellingsovereenkomst aan [eiser] gezonden om het dienstverband met wederzijds goedvinden per 1 augustus 2020 te beëindigen onder toekenning van transitievergoeding van € 23.332,61 bruto. Vervolgens heeft [eiser] daarop afwijzend gereageerd, heeft er over en weer nog correspondentie plaatsgevonden, maar heeft dat niet tot overeenstemming geleid.

Informatieplicht van Vakutrans?

4.9

Vervolgens heeft het debat tussen partijen zich toegespitst op de vraag of het goed werkgeverschap in de zin van artikel 7:611 BW inhoudt dat de werkgever verplicht is de werknemer te informeren over de mogelijkheid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een transitievergoeding nadat de loondoorbetalingsverplichting is geëindigd (in dit geval op 5 mei 2017), en meer in het bijzonder dat de hoogte van de toe te kennen transitievergoeding door invoering van de Wab op 1 januari 2020 wijzigt.

4.10

Voorop wordt gesteld dat in de Xella-beschikking van de Hoge Raad van 8 november 2019 niet de vraag aan de orde was of een werkgever een werknemer dient te informeren over de mogelijkheid om het slapende dienstverband te beëindigen onder toekenning van een vergoeding. In die zaak was immers al een voorstel gedaan door werknemer. De Hoge Raad heeft zich daarover dan ook niet uitgelaten. Uit de Xella-beschikking kan dus geen algemene informatieplicht voor de werkgever worden afgeleid. Dat laat echter onverlet dat er onder omstandigheden wel een informatieplicht voor de werkgever zou kunnen bestaan. Anders gezegd: beoordeeld moet worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval of er op Vakutrans een informatieplicht rustte. De kantonrechter is van oordeel dat dat hier niet zo is. Vakutrans heeft uitdrukkelijk aan [eiser] laten weten dat zij ervoor kiest om de arbeidsovereenkomst in stand te laten totdat de letselschadezaak is afgewikkeld. [eiser] , wie tijdens de afwikkeling van de letselschadezaak voorzien was van professionele rechtsbijstand, heeft op die mededeling niet gereageerd of anderszins actie ondernomen, althans dat is niet gesteld of gebleken. Van Vakutrans kan mede daarom dan ook niet worden verwacht dat zij desondanks [eiser] actief zou benaderen om het dienstverband eerder te beëindigen, temeer omdat uit de wet een dergelijke verplichting niet voortvloeit.

Conclusie

4.11

De conclusie op grond van het voorgaande is dat aan [eiser] een transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 lid 2 BW toekomt die is berekend naar de normen bij een beëindiging na 1 januari 2020, oftewel in optiek van partijen de lage vergoeding. Aan [eiser] wordt aldus een bedrag van € 24.501,18 bruto toegekend.

4.12

Verder vordert [eiser] wettelijke rente over de transitievergoeding. Artikel 7:686a lid 1 tweede zin BW bepaalt dat de wettelijke rente is verschuldigd vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Gelet daarop zal de wettelijke rente worden toegewezen zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

Vakantiedagen

4.13

Vakutrans heeft erkend dat zij bij het einde van het dienstverband nog een bedrag

aan vakantie-uren aan [eiser] moet voldoen. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] nog

518,26 uren aan vakantie open heeft staan. Partijen twisten echter over de vraag met welk

uurloon bij de berekening van het tegoed aan vakantiedagen dient te worden gerekend. In de

kern komt dit op het volgende neer. Volgens moet Vakutrans gerekend worden met een

uurloon van € 13,91 bruto, omdat dit het uurloon is wat gold ten tijde van de opbouw van de

vakantiedagen en omdat uitgegaan moet worden van het einde van de

loondoorbetalingsverplichting op 5 mei 2017 (conform artikel 67a lid 8 CAO). [eiser] gaat

daarentegen uit van een uurloon van € 17,41, omdat de eindafrekening van vakantiedagen

plaatsvindt aan het einde van het dienstverband en dan naar waarde van die uren op dat

moment. Omdat het dienstverband nog niet is geëindigd en vanaf 1 januari 2019 geldt dat

toeslagen en overuren meetellen in het loon dat over vakantiedagen wordt gerekend conform

artikel 67a lid 9 CAO), dient gerekend worden met een hoger uurloon, aldus [eiser] .

4.14

Artikel 7:639 lid 1 BW bepaalt dat de werknemer tijdens zijn vakantie recht houdt op loon. Hiervan kan niet in het nadeel van de werknemer worden afgeweken (artikel 7:640 BW). Op grond van artikel 7:641 lid 1 BW betaalt de werkgever bij het einde van de arbeidsovereenkomst de niet-opgenomen, nog openstaande vakantiesaldo uit. Volgens de Hoge Raad betreft het loonbegrip uit artikel 7:639 en 7:641 BW het gehele tussen werkgever en werknemer overeengekomen loon, ook bekend als ‘de vergoeding door de werkgever aan de werknemer verschuldigd ter zake van de bedongen arbeid’ (Hoge Raad 12 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3681).

4.15

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter met [eiser] van oordeel dat de overwerk-/onregelmatigheidstoeslag onderdeel uitmaakt van het loonbegrip en dat deze toeslag ook tijdens vakantie moet worden uitbetaald. Wat betreft de hoogte van het uurloon, oordeelt de kantonrechter dat uitgegaan moet worden van het loon zoals dat geldt op het moment dat [eiser] aanspraak kan maken op uitbetaling van de niet genoten vakantie-uren. Dat is bij het einde van de arbeidsovereenkomst. De conclusie is dat Vakutrans 518,26 uren x € 17,41 x 1,08= € 9.744,74 bruto aan tegoed vakantiedagen aan [eiser] moet betalen.

4.16

De gevorderde wettelijke verhoging van 10% en wettelijke rente wordt toegewezen zoals gevorderd, dus wettelijke verhoging en wettelijke rente is pas verschuldigd als Vakutrans niet binnen een termijn van veertien dagen na dit vonnis het tegoed aan vakantiedagen aan [eiser] heeft voldaan.

Bruto/netto specificaties

4.17

De vordering tot het verstrekken van deugdelijke bruto/netto specificaties waarop onder meer de betalingen zoals toegewezen in dit vonnis staan vermeld, is toewijsbaar, omdat dit een wettelijke verplichting is waaraan Vakutrans heeft te voldoen. De aan deze vordering verbonden dwangsom wordt afgewezen, omdat de kantonrechter geen dan wel onvoldoende aanleiding heeft om aan te nemen dat Vakutrans niet (tijdig) aan deze veroordeling zal voldoen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.18

[eiser] heeft verder € 1.242,08 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Vakutrans betwist dat [eiser] aanspraak kan maken op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, omdat - kort weergegeven - uit de dagvaarding niet blijkt dat [eiser] daadwerkelijk incassohandelingen heeft verricht. Voor zover [eiser] al aantoonbaar incassohandelingen heeft verricht, had [eiser] geen aanleiding om in redelijkheid die handelingen te verrichten, aldus Vakutrans. Hiermee miskent Vakutrans dat voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten niet relevant is of, en zo ja welke, incassohandelingen [eiser] heeft verricht. De maximale hoogte van de vergoeding is namelijk uitsluitend gerelateerd aan de hoogte van de verschuldigde hoofdsom en niet aan de aard en omvang van de verrichte incassowerkzaamheden. Dit stelsel brengt mee dat, indien de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser incassohandelingen heeft verricht waartoe hij in redelijkheid kon overgaan, de volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) genormeerde vergoeding door de schuldenaar verschuldigd is ongeacht de aard en omvang (zie: Hoge Raad 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405, r.o. 3.6). Onweersproken is gesteld dat de gevorderde vergoeding van € 1.242,08 is berekend conform het Besluit en zal daarom worden toegewezen.

Proceskosten en nakosten

4.19

Vakutrans is grotendeels in het ongelijk gesteld. Daarom wordt zij veroordeeld in de proceskosten van [eiser] . Op basis van de toe te wijze hoofdsom worden de proceskosten tot en met vandaag vastgesteld op € 1.603,54 (bestaande uit: € 108,54 aan dagvaardingskosten, € 499,00 aan griffierecht en € 996,00 (2 punten x € 498,00) aan salaris gemachtigde).

4.20

Vakutrans wordt ook, zoals gevorderd, veroordeeld tot betaling van de nakosten. De nakosten worden conform landelijk beleid in kantonzaken begroot op een half salarispunt, met een maximum van € 124,00. In dit geval wordt een bedrag van € 124,00 toegewezen.

4.21

Verder wordt de gevorderde wettelijke rente over de nakosten toegewezen vanaf de vijftiende dag nadat Vakutrans tot het betalen van deze kosten is aangemaand.

Tot slot

4.22

Wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen nadere bespreking meer, omdat dit in het licht van al hetgeen in dit vonnis is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1

veroordeelt Vakutrans om binnen veertien dagen mee te werken aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden;

5.2

veroordeelt Vakutrans om binnen veertien dagen na beëindiging van de arbeidsovereenkomst de (transitie)vergoeding ter hoogte van € 24.501,18 bruto aan [eiser] uit te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd en Vakutrans met tijdige betaling in gebreke blijft;

5.3

veroordeelt Vakutrans om binnen veertien dagen € 9.744,74 aan [eiser] het tegoed aan vakantiedagen te betalen, te vermeerderen met wettelijke verhoging van 10% en wettelijke rente indien Vakutrans niet binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis voornoemd tegoed aan vakantie aan [eiser] heeft voldaan;

5.4

veroordeelt Vakutrans om binnen veertien aan [eiser] te verstrekken een deugdelijke bruto/netto specificatie;

5.5

veroordeelt Vakutrans om aan [eiser] te betalen € 1.242,08 aan buitengerechtelijke incassokosten;

5.6

veroordeelt Vakutrans in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] tot heden vastgesteld op € 1.603,54;

5.7

veroordeelt Vakutrans in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 124,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag nadat Vakutrans schriftelijk tot betaling is aangemaand tot de dag van betaling;

5.8

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

5.9

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Kobussen, kantonrechter, ondertekend door

mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op

3 juni 2021.

1 Van een slapend dienstverband is volgens de Hoge Raad sprake als een werkgever de arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid wegens ziekte van een werknemer niet heeft opgezegd, hoewel hij daartoe wel bevoegd is, en hij de werknemer geen loon meer betaalt.