Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2555

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
369894 / KG ZA 21-236
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot vervangende toestemming vakantie met minderjarig kind naar Saoedi-Arabië afgewezen. Niet in belang van het kind. Gegronde vrees dat vrouw zal doorreizen naar het onveilige Syrië.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/369894 / KG ZA 21-236

Vonnis in kort geding van 31 mei 2021

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. K. Tülü te Alkmaar,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. H. Yousef te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 april 2021 met 5 producties

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de mondelinge behandeling via Skype op 19 mei 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben de Syrische nationaliteit en zijn gehuwd geweest. Zij wonen beiden in Nederland.

2.2.

Uit het huwelijk is op [geboortedatum] in Syrië het thans nog minderjarige kind [A] (hierna te noemen: [A] ) geboren. Ook [A] heeft de Syrische nationaliteit.

2.3.

Partijen hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [A] . [A] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw in [woonplaats] .

2.4.

[A] heeft weinig contact met de man.

2.5.

Bij beschikking van deze rechtbank van 4 december 2019 is [A] op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant, Helmond voor de duur van één jaar.

2.6.

De ondertoezichtstelling is per 4 december 2020 geëindigd.

2.7.

De vrouw heeft eerder dit jaar aan de man verzocht om haar toestemming te verlenen om met [A] naar Syrië te reizen om de zieke moeder van de vrouw te bezoeken. De man heeft die toestemming geweigerd.

2.8.

Bij e-mail van haar advocaat van 31 maart 2021 en in een gelijkluidende brief gedateerd 9 april 2021 heeft de vrouw de man nogmaals verzocht om haar toestemming te verlenen om met [A] naar Syrië te reizen. Daarbij kondigt de vrouw aan dat zij in kort geding vervangende toestemming zal vorderen als de man geen toestemming verleent.

2.9.

De man heeft opnieuw geweigerd toestemming te verlenen.

2.10.

De vrouw heeft vervolgens haar verzoek aangepast in die zin dat zij niet langer toestemming aan de man vraagt voor een reis naar Syrië, maar naar Saoedi-Arabië.

2.11.

Ook voor die reis weigert de man toestemming te verlenen.

2.12.

De vrouw heeft vervolgens dit kort geding gestart.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert – samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, vervangende toestemming te verlenen aan de vrouw om met [A] naar Saoedi-Arabië te reizen in de periode 10 juli 2021 tot en met 22 augustus 2021, althans een zodanige regeling te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren.

3.2.

De vrouw legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

Het is in het belang van [A] dat zij op vakantie kan om tot rust te komen. Zij heeft namelijk veel stress ondervonden de afgelopen periode in verband met corona.

Daarnaast wil de vrouw met [A] familie bezoeken in Saoedi-Arabië.

De vrouw heeft voor de reis toestemming nodig van de man. De man weigert echter die toestemming te verlenen.

3.3.

De man voert daartegen, zakelijk weergegeven, het volgende verweer.

De man heeft gegronde redenen om geen toestemming te geven voor de reis. Hij vreest dat de vrouw vanuit Saoedi-Arabië zal doorreizen naar Syrië om haar moeder te bezoeken. De man wil niet dat [A] naar Syrië reist omdat het daar te onveilig is.

Daarnaast vreest de man dat de vrouw niet terug zal keren met [A] uit Syrië en besluit om daar te blijven.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Omdat de zaak internationale aspecten heeft, rijst de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Dat is het geval op grond van artikel 8 lid 1 van de Brussel II bis-Verordening (Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000). [A] heeft namelijk haar gewone verblijfplaats in Nederland.

4.2.

Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen) dient Nederlands recht te worden toegepast.

4.3.

Het gaat in dit kort geding om de vraag of de man terecht weigert om toestemming te verlenen aan de vrouw om met [A] in de zomervakantie naar Saoedi-Arabië te reizen. Bij beantwoording van die vraag dient het belang van [A] voorop te staan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende aannemelijk geworden dat de voorgenomen reis in het belang van [A] is. Zoals de man terecht stelt bestaat onder de gegeven omstandigheden voor hem voldoende aanleiding om te vrezen dat de vrouw eenmaal aangekomen in Saoedi-Arabië met [A] zal doorreizen naar Syrië, mogelijk zelfs met de bedoeling om daar te blijven en niet meer terug te keren naar Nederland. Syrië was namelijk het oorspronkelijke reisdoel van de vrouw. Dat wordt door niet betwist en blijkt ook onder meer uit de door de vrouw zelf overgelegde e-mail en brief van haar advocaat waarin de vrouw toestemming vraagt aan de man om met [A] naar Syrië te reizen. Dat het niet in het belang van [A] is dat zij naar Syrië reist, is evident. De situatie in Syrië is uiterst onveilig in verband met de burgeroorlog die daar woedt. Dat blijkt ook uit het feit dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor heel Syrië code rood heeft afgegeven en reizen naar dat land afraadt.

4.4.

Daar komt bij dat de vrouw ter zitting heeft verklaard dat zij nog altijd graag naar Syrië wil reizen om haar zieke moeder te bezoeken. Het wijzigen van de reisbestemming in Saoedi-Arabië door de vrouw lijkt daarnaast enkel te zijn gebeurd op advies van haar advocaat. Dat de vrouw daadwerkelijk zelf van gedachten is veranderd en niet meer de intentie heeft om naar Syrië te gaan, daarvan is de voorzieningenrechter niet overtuigd. Daarbij speelt ook mee dat de vrouw niet heeft laten zien dat zij de reis naar Saoedi-Arabië behoorlijk heeft uitgewerkt. Zij heeft niet of nauwelijks concrete informatie verstrekt over de reis. Zo heeft de vrouw bijvoorbeeld niet duidelijk gemaakt waar zij van plan is te verblijven in Saoedi-Arabië, wie zij daar zal bezoeken (de vrouw heeft het slechts over niet nader geduide familieleden) en hoe zij naar haar bestemming zal reizen.

4.5.

Slotsom is dat van de man onder de gegeven omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij toestemming geeft aan de vrouw om met [A] naar Saoedi-Arabië te reizen. Voor zover de vrouw stelt dat het in het belang van [A] is dat zij op vakantie kan in verband met de stressvolle periode die zij achter de rug heeft, dan lijken er voorshands voldoende andere mogelijkheden voor de vrouw om aan dat belang tegemoet te komen. De vrouw kan bijvoorbeeld met [A] binnen de EU op vakantie. De man heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat hij bereid is om daar wel toestemming voor te verlenen. Het enkele feit dat de vrouw zelf liever naar Saoedi-Arabië wil, is onvoldoende zwaarwegend. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de voorzieningenrechter geen grond ziet om de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor een reis naar Saoedi-Arabië. De vordering van de vrouw zal daarom worden afgewezen. Dat geldt ook voor zover de vrouw vordert een andere voorziening te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren. Die vordering is onvoldoende bepaald. Het is ook niet de taak van de voorzieningenrechter om te bedenken welke voorziening zou moeten worden getroffen.

4.6.

Gelet op het feit dat partijen ex-echtelieden zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2021.