Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2531

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
C/01/354629 / HA ZA 20-58
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk. Gebreken? Verzuim ingetreden? Deskundige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/354629 / HA ZA 20-58

Vonnis van 26 mei 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. X.H.C. Woodhouse te Utrecht,

tegen

[gedaagde] , H.O.D.N. [bedrijf],

wonende te [plaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.P.G. Verstappen te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 1 april 2020,

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 27 november 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald dat er een vonnis wordt uitgesproken.

2 De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?

2.1.

[gedaagde] heeft in opdracht van [eiser] een woning gebouwd aan de [adres] te [plaats 1] . De oplevering van de woning heeft plaatsgevonden. Zowel bij als na oplevering heeft [eiser] een aantal gebreken geconstateerd. Enkele gebreken heeft [gedaagde] hersteld. Partijen discussiëren onder andere over de vraag of alle gebreken zijn hersteld, of [gedaagde] aansprakelijk is voor de gebreken die na oplevering zijn geconstateerd en wat het kost om deze gebreken te herstellen. De rechtbank bespreekt de verschillende gebreken.

Wat is er gebeurd?

2.2.

Tussen [eiser] en [gedaagde] is een overeenkomst van aanneming van werk gesloten, zoals bedoeld in artikel 7:750 BW.

2.3.

De oplevering van de woning heeft op 21 februari 2019 plaatsgevonden en niet, zoals door [gedaagde] gesteld, in juni 2018 toen [eiser] in de woning ging wonen. Partijen hebben namelijk een door Vereniging Eigen Huis opgesteld opleveringsrapport / proces-verbaal van oplevering (hierna: rapport VEH 1) ondertekend, waarin staat dat de woning op 21 februari 2019 is opgeleverd. In juni 2018 is zo’n rapport niet gemaakt, terwijl [gedaagde] na juni 2018 gewoon heeft doorgewerkt om de bouw van de woning helemaal af te maken.

2.4.

Uit het rapport VEH 1 blijkt dat door de bouwkundige van Vereniging Eigen Huis 18 gebreken zijn geconstateerd, waarvan één gebrek onder protest van [gedaagde] is opgenomen in rapport VEH 1. Een ander punt in het rapport gaat over de energiezuinigheid van de woning. Partijen hebben over dit punt afgesproken dat [eiser] een luchtdoorlaatbaarheidsmeting zal laten uitvoeren door een externe deskundige. [gedaagde] heeft verklaard de genoemde tekortkomingen, naar de rechtbank begrijpt ook het onder protest opgenomen gebrek, uiterlijk binnen tien dagen te herstellen.

2.5.

[eiser] heeft de luchtdoorlaatbaarheidsmeting in februari 2019 laten uitvoeren door Raak Energie advies (hierna: REA). Uit het rapport van deze meting blijkt dat sprake is van een lekverlies. Het rapport van REA heeft [eiser] op 27 februari 2019 doorgezonden aan [gedaagde] met het verzoek het gebrek binnen 4 weken te verhelpen.

2.6.

Bij brief van 7 maart 2019 zet [eiser] de vordering tot nakoming van de opleveringsgebreken in rapport VEH 1 om in een vordering tot schadevergoeding. Eind maart 2019 zijn mensen van [gedaagde] nog langsgekomen om diverse gebreken te verhelpen. Op 3 april 2019 heeft [eiser] ook de vordering tot nakoming van het lekverlies omgezet in een vordering tot schadevergoeding.

2.7.

[eiser] heeft [gedaagde] op 10 en 21 april 2019 gewezen op een aantal nieuw geconstateerde gebreken en hem gevraagd om deze gebreken binnen een redelijke termijn te herstellen. De vordering tot nakoming van deze nieuw geconstateerde gebreken heeft [eiser] op 1 mei 2019 omgezet in een vordering tot schadevergoeding.

2.8.

Op 6 juni 2019 heeft het Bureau voor de Bouwpathologie (hierna: BB) een rapport uitgebracht waarin enkele gebreken uit rapport VEH 1 nader worden toegelicht. Ook worden in dit rapport een aantal nieuwe gebreken vermeld. Op 25 januari 2020 is een werknemer van HALOMO bij [eiser] langs geweest, omdat een raam niet meer gesloten kon worden.

2.9.

Vereniging Eigen Huis heeft op 1 oktober 2020 een tweede bouwkundige keuring uitgevoerd ter (her)vaststelling van de gebreken, omdat [gedaagde] zich op het standpunt heeft gesteld dat de gebreken die staan vermeld in rapport VEH 1 zouden zijn hersteld (hierna: rapport VEH 2).

2.10.

[eiser] eist in deze procedure een vervangende schadevergoeding bestaande uit de kosten van het herstellen van de gebreken door derden ter hoogte van € 51.881,17. Ook wil [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten, expertisekosten en proceskosten.

2.11.

De verschillende gebreken waarover deze procedure gaat worden hierna beoordeeld.

De gebreken

Drie gebreken waarvoor verzuim niet is ingetreden

2.12.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] op de navolgende vier punten niet in verzuim is gekomen, zodat hij niet schadeplichtig is geworden tegenover [eiser] .

  1. Aansluiting dakkapelkozijnen (pagina 11 punt 2 rapport BB)

  2. Garagedeur (pagina 11 rapport BB, productie 11 en 12 dagvaarding)

  3. Beschadigingen keukenraam (productie 11 en 12 dagvaarding)

De rechtbank licht dit als volgt toe.

2.13.

Niet gesteld of gebleken is dat nakoming blijvend onmogelijk was. In dat geval bestaat pas recht op een vervangende schadevergoeding als de schuldenaar in verzuim is (artikel 6:87 lid 1 BW). In principe is daarvoor een ingebrekestelling noodzakelijk (artikel 6:82 lid 1 BW).

2.14.

De punten a 2=en b staan voor het eerst opgenomen in het rapport BB en punt c staat voor het eerst vermeld in productie 11 dagvaarding. Deze punten staan dus niet vermeld in rapport VEH 1 of in de mails van 10 en 21 april 2019. [eiser] heeft twee brieven (productie 11 en 12 dagvaarding) in het geding gebracht die verband houden met de gebreken in het rapport BB.

2.15.

De eerste brief dateert van 20 augustus 2019 (productie 11 dagvaarding). Als deze brief al is ontvangen door [gedaagde] (wat hij betwist), dan kan zij niet tot het verzuim van [gedaagde] leiden. De brief kan niet worden aangemerkt als ingebrekestelling, omdat daarin geen redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld. Dit is wel nodig om van een ingebrekestelling te kunnen spreken.

2.16.

Hetzelfde geldt voor de brief van 7 oktober 2019 (productie 12 dagvaarding). Ook deze brief kan niet worden aangemerkt als ingebrekestelling, omdat daarin geen redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld.

2.17.

Andere feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat [gedaagde] in verzuim is, zijn niet aangevoerd dan wel gebleken.

2.18.

De vordering van [eiser] op deze punten wordt daarom afgewezen.

1) Garantiecertificaat, handleidingen en gebruiksaanwijzingen aanleveren (punt 2 rapport VEH 1 en punt 2 rapport VEH 2)

2.19.

Hoewel [eiser] aangeeft dat het garantiecertificaat, de handleidingen en de gebruiksaanwijzingen behoren te worden aangeleverd, heeft hij daarover geen vordering ingesteld tegen [gedaagde] . [eiser] heeft namelijk geen afgifte of herstelkosten gevorderd op dit punt, zodat niets toe te wijzen is. Daar komt bij dat [gedaagde] heeft aangegeven dat hij de documenten al heeft aangeleverd op een CD. Het ligt dan op de weg van [eiser] om concreet te stellen welke documenten hij nog niet heeft ontvangen. Dat heeft [eiser] niet gedaan.

2) Pui bovendorpel, slecht afgewerkt en zicht op isolatie (punt 10 rapport VEH 1 en punt 7 rapport VEH 2)

2.20.

[gedaagde] heeft erkend dat de bovendorpel niet door hem is afgewerkt. Er dient nog een aluminium strip aangebracht te worden. De kosten hiervan bedragen volgens [gedaagde] € 30,00. [eiser] heeft dit bedrag niet weersproken. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van het genoemde bedrag. [gedaagde] dient de herstelkosten ter hoogte van € 30,00 voor het afwerken van de pui bovendorpel aan [eiser] te betalen.

3) Waterslag plaatsing niet goed, afschot onvoldoende (punt 17 rapport VEH 1)

2.21.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [eiser] aangegeven dat het gebrek over de waterslag plaatsing is opgelost. De rechtbank begrijpt daaruit dat er geen sprake (meer) is van een gebrek, zodat de vordering op dit punt als ingetrokken moet worden beschouwd.

4) Gebrek aan kozijn voorpui (e-mail 10 april 2019)

2.22.

[eiser] heeft geconstateerd dat er water aan de binnenzijde van de voorpui naar binnen komt. Dit zou hij hebben laten herstellen door [A] en de kosten hiervan zouden € 788,92 bedragen.

2.23.

[gedaagde] betwist de hoogte van deze kosten. Volgens [gedaagde] is onduidelijk of deze kosten zijn gemaakt voor het herstellen van het gebrek aan de voorpui.

2.24.

De rechtbank oordeelt dat niet kan worden vastgesteld dat de door [eiser] gestelde kosten van € 788,92 zien op het herstel van de voorpui. De omschrijving op de factuur waar [eiser] naar verwijst (productie 17 akte overlegging producties tevens houdende vermeerdering van eis), sluit namelijk niet aan op het gestelde gebrek. Het gevolg is dat de vordering van [eiser] op dit punt wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

5) Ontbrekende insectenroosters (e-mail 21 april 2019)

2.25.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] aangegeven dat hij de ontbrekende insectenroosters zelf zal maken. Niet gesteld of gebleken is dat hiervoor nog vervangende schadevergoeding wordt geëist en wat die in dat geval zou moeten bedragen. Op dit punt is dus niets toe te wijzen.

Gestelde gebreken waarvoor het inschakelen van een deskundige noodzakelijk is

2.26.

Voor de gestelde gebreken die hierna aan de orde komen is de rechtbank van plan een deskundige in te schakelen. De rechtbank beschikt namelijk niet over de bouwkundige kennis om de vraag of sprake is van een gebrek te kunnen beantwoorden.

6) Waterslagen onder de raamkozijnen (punt 3 rapport VEH 1 en punt 3 rapport VEH 2)

2.27.

Uit de uitleg van [gedaagde] kan worden opgemaakt dat de aansluiting van de waterslag onder het raamkozijn onjuist was, maar dat dit gebrek zou zijn hersteld op 25 maart 2019.

2.28.

In het door [eiser] overgelegde rapport VEH 2 van 1 oktober 2020 staat echter dat nog steeds sprake is van een gebrek. De rechtbank vindt het daarom noodzakelijk om dit punt aan een deskundige voor te leggen. Het is de rechtbank gebleken dat het rapport VEH 2 en VEH 1 qua omschrijvingen van de gebreken niet altijd volledig overeenkomen. Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat aan VEH is gevraagd om de al in 2019 geconstateerde gebreken opnieuw tegen het licht te houden. De rechtbank leidt hieruit af dat indien in het VEH 2 rapport het gebrek nog steeds als gebrek staat genoemd, dit hetzelfde gebrek is als geconstateerd in rapport VEH 1. De rechtbank laat het aan de deskundige over om te bepalen wat de exacte omvang is van het gebrek.

2.29.

De rechtbank is voorlopig van oordeel dat op dit punt in elk geval de volgende vragen dienen te worden voorgelegd:

  1. Kunt u vaststellen of en zo ja, in hoeverre het door [eiser] gestelde gebrek, zoals weergeven in punt 3 rapport VEH 1 en punt 3 rapport VEH 2 aanwezig is?

  2. Zo ja, hoe moet het gebrek naar uw deskundig oordeel worden hersteld?

  3. Kunt u de kosten die gemoeid gaan met het herstel van de door u geconstateerde gebreken begroten.

  4. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

7) Schoorsteen loodslabbe (punt 9 rapport VEH 1, punt 6 VEH 2 en punt 7 rapport BB)

2.30.

Volgens [eiser] is de schoorsteen loodslabbe te kort en niet aangeklopt. [gedaagde] heeft dit betwist. De loodslabbe zou niet zijn aangeklopt, omdat deze correct is aangebracht. Ook zou de lengte voldoen. In de gevel van de schoorsteen zouden loketten zijn aangebracht als loodvervanger. De aangebrachte loodvervanger zou voldoende uitsteken voor de waterdichting.

2.31.

Gelet op de gemotiveerde betwisting, is het noodzakelijk om een deskundigenbericht in te winnen. De rechtbank is op dit moment van oordeel dat op dit punt in elk geval de volgende vragen dienen te worden voorgelegd:

Kunt u vaststellen of en zo ja, in hoeverre het door [eiser] gestelde gebrek, zoals weergeven in punt 9 rapport VEH 1, punt 6 VEH 2 en punt 7 rapport BB, aanwezig is?

Zo ja, hoe moet het gebrek naar uw deskundig oordeel worden hersteld?

Kunt u de kosten die gemoeid gaan met het herstel van de door u geconstateerde gebreken begroten.

Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

8) Buitendeurkozijn (achtergevel), stijl beschadigd (punt 12 rapport VEH 1 en punt 9 rapport VEH 2)

2.32.

Uit de uitleg van [gedaagde] kan worden opgemaakt dat het buitendeurkozijn beschadigd was, maar dat dit gebrek zou zijn hersteld door Timmerbedrijf [B] .

2.33.

In het door [eiser] overgelegde rapport VEH 2 van 1 oktober 2020 staat echter dat nog steeds sprake is van een gebrek. De rechtbank vindt het daarom noodzakelijk om dit punt aan een deskundige voor te leggen. Ook voor dit gebrek geldt dat de omschrijving van dit gebrek in het rapport VEH 2 niet exact overeenkomt met het rapport VEH 1. In het rapport VEH 2 wordt ook nog verwezen naar de deurstijl en het kozijn. De rechtbank laat het aan de deskundige over om te bepalen wat de exacte omvang is van het gebrek.

2.34.

De rechtbank is voorlopig van oordeel dat op dit punt in elk geval de volgende vragen dienen te worden voorgelegd:

  1. Kunt u vaststellen of en zo ja, in hoeverre het door [eiser] gestelde gebrek, zoals weergeven in punt 12 rapport VEH 1 en punt 9 rapport VEH 2 aanwezig is?

  2. Zo ja, hoe moet het gebrek naar uw deskundig oordeel worden hersteld?

  3. Kunt u de kosten die gemoeid gaan met het herstel van de door u geconstateerde gebreken begroten.

  4. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

9) Lichtstraat lekt (punt 15 rapport VEH 1 en punt 11 rapport VEH 2)

2.35.

Niet ter discussie staat dat de lichtstraat lekte. Volgens [gedaagde] is de lekkage aan de lichtstraat echter op 28 maart 2019 hersteld. In het door [eiser] overgelegde rapport VEH 2 van 1 oktober 2020 staat daarentegen dat nog steeds sprake is van een gebrek. De rechtbank vindt het daarom noodzakelijk om dit punt aan een deskundige voor te leggen.

2.36.

De rechtbank is op dit moment van oordeel dat op dit punt in elk geval de volgende vragen dienen te worden voorgelegd:

Kunt u vaststellen of en zo ja, in hoeverre het door [eiser] gestelde gebrek, zoals weergeven in punt 15 rapport VEH 1 en punt 11 rapport VEH 2, aanwezig is?

Zo ja, hoe moet het gebrek naar uw deskundig oordeel worden hersteld?

Kunt u de kosten die gemoeid gaan met het herstel van de door u geconstateerde gebreken begroten.

Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

10) Plat dak, afschot onvoldoende (punt 18 rapport VEH 1 en punt 13 rapport VEH 2)

2.37.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat het afschot van het platte dak onvoldoende was. Dit zou volgens [gedaagde] echter zijn hersteld door B&B Installatietechniek op 28 maart 2019. B&B Installatietechniek zou een nieuwe EPDM hebben aangebracht.

2.38.

In het door [eiser] overgelegde rapport VEH 2 van 1 oktober 2020 staat daarentegen dat het gebrek slechts deels is opgelost. De rechtbank vindt het daarom noodzakelijk om dit punt aan een deskundige voor te leggen.

2.39.

De rechtbank is op dit moment van oordeel dat op dit punt in elk geval de volgende vragen dienen te worden voorgelegd:

Kunt u vaststellen of en zo ja, in hoeverre het door [eiser] gestelde gebrek, zoals weergeven in punt 18 rapport VEH 1 en punt 13 rapport VEH 2, aanwezig is?

Zo ja, hoe moet het gebrek naar uw deskundig oordeel worden hersteld?

Kunt u de kosten die gemoeid gaan met het herstel van de door u geconstateerde gebreken begroten.

Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

11) Dakrand, dakoverstek boeiboord slordig afgewerkt (punt 19 rapport VEH 1, punt 14 rapport VEH 2 en punt 1 rapport BB)

2.40.

[eiser] heeft aangevoerd dat de boeiboord van de dakoverstek slordig is afgewerkt en dat sprake is van onvoldoende ventilatie. De afwerking van de boeiboord van de dakoverstek wordt besproken onder punt 19 rapport VEH 1, punt 14 rapport VEH 2 en punt 1 rapport BB. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat het punt van onvoldoende ventilatie ook volgt uit punt 1 rapport BB. De rechtbank begrijpt hieruit dat de onvoldoende ventilatie samenhangt met de boeiboorden. Deze punten zullen hierna daarom als een samenhangend geheel worden besproken.

2.41.

Uit het rapport BB volgt dat de boeiboorden slordig zouden zijn afgewerkt, omdat er sprake zou zijn van onvoldoende ventilatie, onbehandeld hout en onvoldoende voegbreedte. Dit zou gelden voor de gehele woning en de plafonds van de overkapping.

2.42.

[gedaagde] voert aan dat dit gebrek onder protest is opgenomen in rapport VEH 1. Volgens [gedaagde] is in het rapport BB ten onrechte uitgegaan van de montagevoorschriften van Trespa. Partijen hebben namelijk afgesproken om de dunnere 8 mm dikke XLKERN HPL beplating te gebruiken. [eiser] is hiervoor gecompenseerd met € 4.000,-. Deze beplating is verwerkt conform de daarvoor geldende verwerkingsvoorschriften. Ook is overal regelwerk voor ventilatie aangebracht. Dit regelwerk is ter plaatse geschilderd met zwarte primer. Aan de achterzijde is een aluminium hoekprofiel over de naad aangebracht na overleg met [eiser] .

2.43.

De rechtbank vindt het noodzakelijk om dit punt aan een deskundige voor te leggen. [eiser] heeft niet weersproken dat partijen hebben afgesproken om de dunnere 8 mm dikke XLKERN HPL beplating te gebruiken. De deskundige dient daarom uit te gaan van de verwerkingsvoorschriften die hiervoor gelden. De rechtbank is op dit moment van oordeel dat op dit punt in elk geval de volgende vragen dienen te worden voorgelegd:

Kunt u vaststellen of en zo ja, in hoeverre het door [eiser] gestelde gebrek, zoals weergeven in punt 19 rapport VEH 1, punt 14 rapport VEH 2 en punt 1 rapport BB, aanwezig is? Daarbij dient u uit te gaan van de verwerkingsvoorschriften die gelden voor 8 mm dikke XLKERN HPL beplating en niet de montagevoorschriften van Trespa.

Zo ja, hoe moet het gebrek naar uw deskundig oordeel worden hersteld?

Kunt u de kosten die gemoeid gaan met het herstel van de door u geconstateerde gebreken begroten.

Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

12) Herstel luchtdoorlatendheid (punt 1 rapport VEH 1, rapport REA)

2.44.

Volgens [eiser] voldoet de luchtdoorlatendheid van de woning niet. Partijen discussiëren over de maatstaf waaraan de luchtdoorlatendheid dient te voldoen: aan de detaillering (in de tekeningen van) van de architect of aan de EP berekening van Klimaatbeheer?

2.45.

Volgens [gedaagde] is de woning ontworpen en gebouwd conform de gegevens van de architect en niet volgens de waarden uit de EP berekening van Klimaatbeheer. Partijen zijn in artikel 1 van de aannemingsovereenkomst echter uitdrukkelijk overeengekomen dat bijlage 1, die verwijst naar de bijgevoegde EP berekening van Klimaatbeheer, van toepassing is op de aannemingsovereenkomst. [gedaagde] heeft niet toegelicht in welk opzicht de gegevens van de architect afwijken van de EP berekening en waarom de gegevens van de architect zouden moeten prevaleren. De rechtbank is daarom van oordeel dat de luchtdoorlatendheid van de woning moet worden getoetst aan de waarden uit de EP berekening van Klimaatbeheer.

2.46.

Aangezien [gedaagde] de juistheid van de luchtdoorlaatbaarheidsmeting die is uitgevoerd door REA betwist, vindt de rechtbank het noodzakelijk om dit gebrek aan een deskundige voor te leggen. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat op dit punt in elk geval de volgende vragen dienen te worden voorgelegd:

Kunt u vaststellen of en zo ja, in hoeverre het door [eiser] gestelde gebrek, zoals weergeven in rapport REA, aanwezig is? Daarbij dient u de luchtdoorlatendheid van de woning te toetsen aan de waarden uit de EP berekening van Klimaatbeheer.

Kunt u vaststellen hoe het gebrek kan worden hersteld?

Kunt u de kosten die gemoeid gaan met het herstel van de door u geconstateerde gebreken begroten (al dan niet door het uitvoeren van schattingen)?

Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

13) EPDM dakbedekking niet geheel verkleefd met de ondergrond (punt 3 rapport BB)

2.47.

Volgens [eiser] is de EPDM dakbedekking niet geheel verkleefd met de ondergrond. Uit het rapport BB volgt dat onder het EPDM aan de achterzijde van de garage wind komt waardoor deze opgerukt wordt. Tevens waait dit onder de dakbedekking ook richting de overkapping. BB geeft in haar rapport aan dat is gebleken dat [gedaagde] al herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd.

2.48.

[gedaagde] voert aan dat de problematiek rond de dakbedekking in het verleden al is opgelost. Op 10 oktober 2018 is de dakbedekking op het garagedak geheel vervangen, waarbij aan de voorzijde het afschot is aangepast. Op 28 maart 2019 is de dakbedekking rondom de lichtstraat en boven de overkapping vervangen, waarbij tevens de afschot is aangepast. Tevens is boven de keuken de dakbedekking open gemaakt opnieuw verlijmd. Nadien zijn er geen klachten of gebreken kenbaar gemaakt, aldus [gedaagde] .

2.49.

De rechtbank is van oordeel dat uit het rapport BB volgt dat volgens BB de EPDM dakbedekking nog steeds niet goed is verkleefd ondanks dat [gedaagde] naar eigen zeggen herstelwerkzaamheden daaraan heeft uitgevoerd. Volgens [eiser] is er dus nog steeds sprake van een gebrek. De rechtbank vindt het noodzakelijk om dit gebrek aan een deskundige voor te leggen. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat op dit punt in elk geval de volgende vragen dienen te worden voorgelegd:

Kunt u vaststellen of en zo ja, in hoeverre het door [eiser] gestelde gebrek, zoals weergeven in rapport BB onder punt 3 (pagina 7 onderaan en pagina 8 bovenaan), aanwezig is?

Kunt u vaststellen hoe het gebrek kan worden hersteld?

Kunt u de kosten die gemoeid gaan met het herstel van de door u geconstateerde gebreken begroten?

Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

14) Beschadigde glaslatten (e-mail 10 april 2019)

2.50.

[gedaagde] heeft herstelwerkzaamheden uitgevoerd bij het raam van de badkamer, waarbij glaslatten zijn losgehaald en opnieuw (na kitten onderzijde raam) zijn teruggeplaatst. Volgens [eiser] zijn de glaslatten hierdoor beschadigd.

2.51.

[gedaagde] betwist dat sprake is van schade. De rechtbank vindt het noodzakelijk om dit punt aan een deskundige voor te leggen. De rechtbank is op dit moment van oordeel dat op dit punt in elk geval de volgende vragen dienen te worden voorgelegd:

Kunt u vaststellen of en zo ja, in hoeverre de door [eiser] gestelde schade, zoals weergeven in de e-mail van 10 april 2019, aanwezig is en hoe deze schade is ontstaan?

Zo ja, hoe moet de schade naar uw deskundig oordeel worden hersteld?

Kunt u de kosten die gemoeid gaan met het herstel van de door u geconstateerde schade begroten.

Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

15) Losgekomen hoekstrippen (e-mail 21 april 2019)

2.52.

[gedaagde] betwist niet dat de hoekstrippen zijn losgekomen, maar voert aan dat herstel daarvan zeer eenvoudig is en de kosten daarvan nihil zijn. Volgens [gedaagde] kan daarom niet gesproken worden van een gebrek.

2.53.

De rechtbank kan dit niet volgen. De stellingen dat het herstel zeer eenvoudig is en de kosten nihil zouden zijn, duiden juist op de aanwezigheid van een gebrek. [gedaagde] heeft dus onvoldoende gemotiveerd betwist dat sprake is van een gebrek.

2.54.

Aangezien de hoogte van de herstelkosten tussen partijen ter discussie staat, vindt de rechtbank het noodzakelijk om dit gebrek aan een deskundige voor te leggen. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat op dit punt in elk geval de volgende vragen dienen te worden voorgelegd:

Kunt u aangeven wat het door [eiser] gestelde gebrek, zoals weergeven in de e-mail van 21 april 2019, inhoudt?

Zo ja, hoe moet het gebrek naar uw deskundig oordeel worden hersteld?

Kunt u de kosten die gemoeid gaan met het herstel van de door u geconstateerde gebreken begroten.

Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

Beroep [gedaagde] op artikel 7:758 lid 3 BW slaagt niet

2.55.

[gedaagde] voert aan dat hij op grond van artikel 7:758 lid 3 BW niet aansprakelijk is voor de nieuwe punten, waarmee hij blijkbaar bedoelt alle punten die niet in VEH 1 staan. Voor de vier punten waarvoor het verzuim niet is ingetreden, zoals besproken in 2.12 tot en met 2.18, is dit verweer niet meer van belang. De vordering van [eiser] op deze punten wordt namelijk afgewezen. Voor de andere punten geldt dat het verweer van [gedaagde] niet slaagt. [gedaagde] heeft namelijk niet toegelicht waarom [eiser] deze gebreken redelijkerwijs had moeten ontdekken op het tijdstip van oplevering.

Hoe nu verder?

2.56.

Voordat tot het benoemen van een deskundige wordt overgegaan, stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid zich uit te laten over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Ook verzoekt de rechtbank partijen zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige. Partijen kunnen ook een of meer concrete personen voorstellen als deskundige(n), maar alleen als zij het daarover vooraf eens zijn geworden.

2.57.

De rechtbank is op dit moment van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige en dat de hiervoor geformuleerde vragen dienen te worden voorgelegd.

2.58.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door [eiser] moeten worden betaald.

2.59.

In afwachting van de door partijen te nemen akte zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 9 juni 2021 voor akte uitlating [eiser] en [gedaagde] waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage zoals overwogen in 2.56-2.58,

;

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Schollen-den Besten en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2021.