Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2454

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
20/1938, 20/1973
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is een vervolg op de tussenuitspraak ECLI:NL:RBOBR:2020:5970. De gemeente heeft de gevolgen van de inrichting voor de omgeving in kaart gebracht. Omdat er een reële kans is dat de luchtwasser een hoger rendement zal halen dan is bepaald in de Rgv, is voldoende onderbouwd dat op dit moment geen sprake is van ontoelaatbare milieugevolgen. mocht in de toekomst blijken dat een goed functionerende luchtwasser niet in staat is een hoger rendement dan 45% te behalen, zal de gemeente moeten motiveren waarom hij een geurbelasting van 30 Odourunit op 2 woningen in de directe omgeving niet ontoelaatbaar vindt. De gemeente heeft de bestaande omgevingsvergunning aangevuld met een streefwaarde, een monitoringsverplichting en de verplichting om een geurbeheersplan op te stellen als de streefwaarde niet wordt gehaald. De rechtbank verbetert de voorschriften naar aanleiding van de kritiek van eisers en de vergunninghoudster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8502
OGR-Updates.nl 2021-0126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 20/1938 en SHE 20/1973

einduitspraak van de meervoudige kamer van 25 mei 2021 in de zaak tussen

[Naam eiser 1] , te [plaats] , eiser 1,

(gemachtigde: mr. F.K. van den Akker),

[Naam eisers 2] , [Naam eisers 2] , [Naam eisers 2] , [Naam eisers 2] , [Naam eisers 2] , [Naam eisers 2] en , te [plaats] , eisers 2 ,

(gemachtigde: mr. V. Wösten),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landerd, verweerder

(gemachtigden: mr. P.P.G. Wintjens, M.M.J. Pijnenburg en D.T.M. Derks).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghoudster]., te [plaats] (vergunninghoudster), (gemachtigde: mr. M.I.J. Toonders).

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om een in twee fasen verleende omgevingsvergunning voor de activiteiten milieu en bouwen ten behoeve van het oprichten van een varkenshouderij aan de [adres] te [plaats] in te trekken of te wijzigen, afgewezen.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep van eiser 1 is geregistreerd onder zaaknummer SHE 20/1938, dat van eisers 2 onder zaaknummer SHE 20/1973. Eisers 2 hebben ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank afgewezen in de uitspraak van 21 september 2020 (zaaknummer SHE 20/1972).

De zaken zijn behandeld op de zitting van 17 november 2020. Eiser 1 is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Van eisers 2 zijn [Naam eisers 2] en [Naam eisers 2] verschenen met de gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Voor vergunninghoudster zijn haar gemachtigde en [naam] en [naam] verschenen.

Bij tussenuitspraak van 1 december 2020 (de tussenuitspraak)ECLI:NL:RBOBR:2020:5970, heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen op 12 januari 2021 (het herstelbesluit). Daarbij heeft hij het verzoek om intrekking afgewezen en heeft hij de omgevingsvergunning voor het oprichten van de varkenshouderij van vergunninghoudster gewijzigd.

Eisers en vergunninghoudster hebben hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Inleiding

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.

2 . In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder bij de beoordeling of sprake is van ontoelaatbare milieugevolgen niet kan volstaan met een verwijzing naar de maximale bandbreedte in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Wel heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het nog te vroeg is om te zeggen dat sprake is van een ontoelaatbaar milieugevolg. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheden op basis van artikel 2 .31, eerste lid, onder b, en artikel 2 .31, tweede lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De rechtbank heeft de volgende aanwijzingen gegeven in de tussenuitspraak:

 verweerder moet nader onderbouwen wanneer sprake is van ontoelaatbare gevolgen voor het milieu;

 verweerder moet onderbouwen of de nadelige gevolgen voor het milieu verder kunnen worden beperkt, gelet op de BBT conclusies in de Bref intensieve veehouderij;

 verweerder kan voorschrift 7.1. 2 .a. aanpassen naar aanleiding van de vragen van de rechtbank;

 verweerder moet bezien of er een streefwaarde in de omgevingsvergunning kan worden verbonden en, zo nodig de omgevingsvergunning hierop aanvullen.

3. Verweerder heeft in het herstelbesluit het bestreden besluit ingetrokken. Het beroep van eisers heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op het herstelbesluit, omdat met dit besluit niet volledig wordt tegemoetgekomen aan eisers. Omdat in het herstelbesluit de omgevingsvergunning van vergunninghoudster wordt gewijzigd, ontstaat van rechtswege (automatisch) een beroep van vergunninghoudster tegen het herstelbesluit.

De rechtbank zal hieronder aan de hand van de zienswijzen van eisers en vergunninghoudster het herstelbesluit beoordelen, eerst de afwijzing van het verzoek om intrekking van de omgevingsvergunning en vervolgens de wijziging van de omgevingsvergunning.

Ontoelaatbaar milieugevolg of niet?

4.1

In het herstelbesluit heeft verweerder in de eerste plaats herhaald dat geen sprake is van ontoelaatbare milieugevolgen omdat geen sprake zal zijn van een geurbelasting hoger dan de maximale voorgrondbelasting die op basis van de Wgv kan worden vastgesteld.

4.2

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 5.4 de tussenuitspraak al gezegd dat deze motivering onvoldoende is en ziet geen aanleiding voor een ander oordeel.

5.1

Verweerder heeft verder in het herstelbesluit met de nieuwste versie van het wettelijk voorgeschreven programma V-Stacks berekend wat de geurbelasting (voorgrondbelasting) is van de inrichting op de omliggende geurgevoelige objecten als de inrichting volledig in werking wordt gebracht en wordt uitgegaan van een rendement van de luchtwasser van 45%. Op één woning ( [adres] ) zal sprake zijn van een voorgrondbelasting van 29,3 Odourunit, op de hiernaast gelegen woning zal sprake zijn van een voorgrondbelasting van 27,5 Odourunit en op 8 woningen wordt de gemeentelijke geurnorm van 9 Odourunit overschreden tot maximaal 15 Odourunit. Verweerder laat een woning aan de [adres] bij een voormalige veehouderij buiten beschouwing. Verweerder is van mening dat slechts sprake is van een overbelaste situatie op een relatief beperkt percentage (26%) van de woningen binnen 500 meter van de inrichting. Op 2 woningen is sprake van een achtergrondbelasting die hoger is dan 20 Odourunit. Alleen op de woningen aan de [adres] , [nummer] en [nummer] is de inrichting van vergunninghoudster veruit de grootste bijdrager. Verweerder is van mening dat geen sprake is van ontoelaatbare milieugevolgen, zeker nu niet kan worden uitgesloten dat de luchtwasser een hoger rendement dan 45% zou kunnen hebben.

5.2

Eiser 1 is het hier niet mee eens. Eiser 1 vindt dat verweerder de lat te hoog legt en onvoldoende waarde hecht aan de eigen gemeentelijke geurnorm. Deze geurnorm wordt in 25% van de gevallen overschreden.

5.3

In het herstelbesluit heeft verweerder gedaan wat de rechtbank heeft gevraagd: verweerder heeft gekeken naar de mate van overschrijding, het aantal geurgevoelige objecten waar de geurnorm uit de gemeentelijke geurverordening wordt overschreden en de achtergrondbelasting in het gebied. De rechtbank begrijpt nog steeds niet waarom verweerder een zeer hoge geurbelasting op vier woningen niet beschouwt als een ontoelaatbaar milieugevolg. De enkele omstandigheid dat het gaat om een cluster van woningen en dat deze woningen maar een beperkt deel uitmaken van het totale aantal woningen in de omgeving van de inrichting, maakt de geurbelasting voor de bewoners van die woningen niet minder ontoelaatbaar. Het herstelbesluit schiet op dit onderdeel tekort. Verweerder heeft echter ook bij de beoordeling mogen betrekken dat een reële kans bestaat dat een goed functionerende combiluchtwasser een hoger rendement kan halen. Dit volgt voldoende uit de nota van toelichting op de wijziging van de Regeling geurhinder en veehouderij waar verweerder en vergunninghoudster op hebben gewezen. Bij een hoger rendement daalt de voorgrondbelasting op de woningen aan de [adres] en [nummer] . Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het herstelbesluit voldoende heeft onderbouwd dat op dit moment geen sprake is van ontoelaatbare milieugevolgen. De rechtbank wijst er ten overvloede op dat, mocht in de toekomst blijken dat een goed functionerende luchtwasser niet in staat is een hoger rendement dan 45% te behalen, verweerder beter zal moeten motiveren waarom hij een geurbelasting van 30 Odourunit op 2 woningen in de directe omgeving niet ontoelaatbaar vindt.

Wijziging van de omgevingsvergunning

6.1

Verweerder heeft in het herstelbesluit besloten de omgevingsvergunning van vergunninghoudster te wijzigen. Deze wijzigingen omvatten (kort samengevat) drie onderdelen:

 Verweerder voegt een monitoringsverplichting toe (voorschrift 7.1.2).

 Ook voegt verweerder een streefwaarde (inspanningsverplichting) toe met een geuremissie per stal op basis van een rendement van de luchtwasser van 85% (voorschrift 7.1.3).

 Daarnaast komt een verplichting op tot het opstellen van een geurbeheersplan nadat de monitoring is uitgevoerd (voorschrift 7.1.4).

Verweerder verwacht hierna dat het milieu voldoende toereikend is beschermd.

6.2

De rechtbank zal hierna de drie onderdelen en de reacties van partijen op de monitoringsverplichting en het geurbeheersplan bespreken.

Monitoringsverplichting

7. Verweerder verbindt het volgende monitoringsvoorschrift aan de omgevingsvergunning:

Voorschrift 7.1.2. (monitoring)

a. Binnen 8 maanden na het in gebruik nemen van de afzonderlijke stallen met de nummers 1, 2, 3 en 4, moet vergunninghoudster door middel van geurmetingen volgens de op dat moment geldende NTA 9065 de geurvrachten per emissiepunt van de dierverblijven vaststellen. Het meetplan moet vooraf worden voorgelegd en goedgekeurd zijn door het bevoegd gezag.

b. Het bevoegd gezag moet tijdig in kennis worden gesteld van de data en tijdstippen waarop de geurmetingen plaatsvinden zodat zij bij de geurmetingen aanwezig kan zijn.

c. Het onderzoek dient onder representatieve bedrijfsomstandigheden door een geaccrediteerde meetinstantie (monstername, analyse en debietmetingen) uitgevoerd te worden.

d. De resultaten worden binnen 6 weken na uitvoering van het onderzoek, zoals bedoeld onder a. van dit voorschrift, overgelegd aan het bevoegd gezag.

e. De metingen, zoals onder a. van dit voorschrift, dienen normaliter éénmaal per twee jaar te worden herhaald.

f. De meetresultaten van iedere meting, zoals bedoeld onder d. van dit voorschrift, worden door bevoegd gezag gedeeld met belanghebbenden in de omgeving.

8.1

Vergunninghoudster is van mening dat er geen grondslag is voor een monitoringsverplichting. Vergunninghoudster heeft benadrukt dat zij een onherroepelijke vergunning heeft.

8.2

De Wabo staat er echter niet aan in de weg dat een onherroepelijke vergunning wordt gewijzigd als wordt voldaan aan de daartoe gestelde voorwaarden in de Wabo. In hetgeen vergunninghoudster overigens heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om terug te komen op haar oordeel in rechtsoverweging 8 van de tussenuitspraak. Deze beroepsgrond van vergunninghoudster slaagt niet.

9.1

Eiser 1 en eisers 2 vragen zich af waarom is gekozen voor een termijn van 8 maanden na ingebruikname van alle stallen in plaats van elke stal afzonderlijk. Zij benadrukken dat de inrichting in de zomerperiode de meeste overlast zal veroorzaken.

9.2

In het herstelbesluit legt verweerder uit waarom is gekozen voor een termijn van 8 maanden na het in gebruik nemen van de afzonderlijke stallen. Dan hebben in alle afdelingen van de 4 stallen minimaal één keer een ronde gespeende biggen of vleesvarkens gelegen. Ook is dan de biologie in de combiluchtwasser goed afgestemd op de dieren die worden gehouden in de inrichting. Dit betekent dat als de vergunninghoudster in januari 2021 begint met het opleggen van de eerste dieren de eerste metingen in september 2021 kunnen plaatsvinden. Deze metingen kunnen voor elke stal - zij beschikken elk over een gecombineerd biologisch luchtwassysteem - worden uitgevoerd. Dit is ook een tijd dat de buitentemperatuur normaliter hoog is en als er klachten zijn deze dan kunnen worden verwacht. Verweerder merkt op dat deze werkwijze ook bij het bemeten van proefstallen wordt gebruikt.

9.3

Gelet op de uitleg van verweerder begrijpt de rechtbank voorschrift 7.1.2 onder a, aldus dat de monitoringsverplichting per stal geldt. Verweerder heeft verder voldoende gemotiveerd waarom is gekozen voor een periode van 8 maanden na het in gebruik nemen van de afzonderlijke stallen en waarom wordt afgezien van het monitoren van afzonderlijke afdelingen binnen stallen. Eisers hebben niet bestreden en overigens zelf ook benadrukt dat biologische luchtwassers een aanloopperiode nodig hebben zodat de biologie in de wasser afgesteld raakt. Eisers 2 merken terecht op dat in de huidige redactie van voorschrift 7.1.2 niet valt uit te sluiten dat niet wordt gemeten in de warmere maanden in het jaar, ofwel juni tot en met september. Juist dan moet de luchtwasser goed werken. De rechtbank ziet daarom aanleiding de volgende tweede volzin aan voorschrift 7.1.2 onder c toe te voegen: “het onderzoek dient zoveel mogelijk plaats te vinden in de maanden juni tot en met september.”

10.1

Eisers 2 stellen vraagtekens bij de voorschreven meetmethode (NTA 9065). Zo wordt hier de rol van het veevoer buiten beschouwing gelaten. Zij wijzen verder op de diffuse emissies van een veehouderij waar meerdere geurbronnen zijn dan alleen de stallen (bijvoorbeeld mestkelders of een brijvoerinstallatie). Zij vragen zich ook af of wel onder representatieve omstandigheden (in een worst case scenario met de dieren op vol gewicht) wordt gemeten. Zij verzoeken de rechtbank op voorhand te bepalen dat de meetonzekerheidsfactor niet mag worden toegepast.

10.2

Voorschrift 7.1.2 heeft geen betrekking op de geurbelasting van de gehele inrichting maar is volgens de rechtbank terecht beperkt tot de geurbelasting van de onderdelen waar dieren worden gehouden. De Wgv ziet immers ook alleen op de geurbelasting vanuit dierenverblijven en niet vanuit een brijvoerinstallatie. Ook wordt in de Wgv geen rekening gehouden met de samenstelling van veevoer. Door middel van voorschrift 7.1.2 onder c, kan verweerder vergunninghoudster verplichten onder representatieve omstandigheden te meten. Hierbij kan verweerder in de gaten houden dat ook wordt gemeten als de dieren hun volle gewicht hebben bereikt. De rechtbank ziet in de vrees van eisers 2 daarom geen aanleiding om voorschrift 7.1.2 onder a en c aan te passen.

10.3

De rechtbank heeft geen twijfels bij methode NTA 9065. Deze methode is breed geaccepteerd en wordt in het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) genoemd als de verplichte aanpak voor een geuronderzoek ingevolge artikel 2.7a van het Abm. Eisers 2 maken zich zorgen om het toepassen van een meetonzekerheidsfactor. Dit zou ertoe kunnen leiden dat in de praktijk de stallen twee keer zoveel hinder zouden mogen veroorzaken dan voorgeschreven. In de NTA 9065 (uit 2012) staat het volgende over de meetonzekerheidsfactor: “Er zijn vele bronnen van onnauwkeurigheid bij een geuronderzoek. Meetnormen geven doorgaans, maar niet altijd, de omvang van de onzekerheid in enkelvoudige verrichtingen. Op basis van het huidige niveau van kennis (2012) zijn de onnauwkeurigheden van diverse factoren niet of onvoldoende bekend. De omvang van de onzekerheid in, het totaal of delen van, een geuronderzoek zijn daardoor zelden te bepalen. Uit praktische overwegingen wordt een factor 2 toegepast voor de onzekerheid van een geuronderzoek, en ook bij (het deelresultaat van) veelgebruikte geuronderzoeksmethoden, dit in afwachting van de resultaten van nader onderzoek, praktijkmetingen, ringtests, enz”. Ingevolge de NTA 9065 (2012) wordt een meetonzekerheid factor 2 toegepast bij de controle en handhaving van vergunningsvoorschriften, wat volgens de rechtbank niet op één lijn kan worden geplaatst met de hier voorgeschreven monitoring. Deze onzekerheidsfactor 2 wordt overigens breed aanvaard en geaccepteerd in de rechtspraak (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3254 rechtsoverweging 7.3).
Het doel van de monitoring is om te zien of de luchtwasser werkt. De resultaten van de meting zijn van invloed op het geurbeheersplan dat vergunninghoudster moet opstellen op basis van voorschrift 7.1.4 . Volgens voorschrift 7.1.2.a zal verweerder het meetplan moeten goedkeuren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierbij kan aangeven hoe om te gaan met een eventuele meetonzekerheid. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om, in aanvulling op het verplicht voorschrijven van de NTA9065, nu al zelf in voorschrift 7.1.2 te bepalen dat toepassing van een meetonzekerheidsfactor onder alle omstandigheden achterwege moet blijven. De rechtbank vindt het niet nodig om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak hierover advies te vragen. Deze beroepsgrond van eisers slaagt niet.

11.1

Vergunninghoudster stelt niet te kunnen garanderen dat het ingeschakelde bureau in staat is binnen 6 weken na de meting de resultaten te produceren.

11.2

De rechtbank is van oordeel dat een termijn van 6 weken voldoende is om de resultaten van een meting te overleggen. Vergunninghoudster kan de meetinstantie hier op wijzen als zij opdracht geeft voor de uitvoering van een meting. De rechtbank ziet geen aanleiding voorschrift 7.1.2, onder d aan te passen.

12.1

Eisers vinden een interval van twee jaar te lang zeker nu dit soort luchtwassers een aanlooptijd nodig hebben. Vergunninghoudster vindt twee metingen om de twee jaar voldoende. Daarna blijkt voldoende of de luchtwasser werkt.

12.2

Verweerder heeft een termijn van twee jaar aangegeven waarna de metingen moeten plaatsvinden. Verweerder heeft hierbij opgemerkt dat een snellere herhaalmeting is gewenst als de meetresultaten of gegronde geurklachten hiertoe aanleiding geven.

12.3

In rechtsoverweging 8.12 van de tussenuitspraak overwoog de rechtbank het volgende: “In voorschrift 7.1.1 is een termijn van twee jaar opgenomen en dat zou betekenen dat eisers en de overige omwonenden gedurende een relatief lange tijd in onzekerheid verkeren. Het is dus niet verkeerd om een korter tijdspad op te nemen”. De belangen van omwonenden brengen dus met zich mee dat verweerder vergunninghoudster moet kunnen verplichten om sneller een meting uit te voeren. Volgens de rechtbank geeft de voorgestane redactie van voorschrift 7.1.2 onder e in het herstelbesluit (ondanks het woordje ‘normaliter’) verweerder echter niet zonder meer de bevoegdheid om vergunninghoudster te verplichten om eerder dan twee jaar een meting te laten uitvoeren. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en voorschrift 7.1.2 onder e als volgt aanpassen: “e. De metingen, zoals onder a. van dit voorschrift, dienen eenmaal per twee jaren te worden herhaald. Het bevoegd gezag kan bepalen dat een opvolgende meting eerder wordt uitgevoerd.
De werking van een biologische combiluchtwasser is afhankelijk van het goed gebruik en onderhoud van de wasser. Omdat de luchtwasser langere tijd zal worden gebruikt, ziet de rechtbank verder niet in waarom vergunninghoudster zou kunnen volstaan met twee metingen en is er geen noodzaak voorschrift 7.1.2. hier op aan te passen.

13.1

Eisers 2 willen een positie hebben bij de uitvoering van de meting en het toezicht op de inrichting. Zij willen dat de resultaten van de metingen openbaar worden gemaakt en zij willen toegang hebben tot de monitoringsgegevens die worden verzameld op grond van artikel 3.125 van het Abm. Ook willen zij zelf geurmetingen kunnen uitvoeren.

13.2

Vergunninghoudster wil juist dat de resultaten van de metingen alleen op verzoek worden gedeeld.

13.3

De rechtbank benadrukt dat verweerder het bevoegd gezag is ten aanzien van deze inrichting. Ingevolge hoofdstuk 5 van de Awb en hoofdstuk 5 van de Wabo heeft verweerder het monopolie op het toezicht en de handhaving van de milieuregelgeving. De rechtbank ziet geen aanleiding om voorschriften op te nemen om eisers 2 in een soortgelijke positie te brengen in afwijking van de Awb of de Wabo. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder zichzelf een actieve openbaarmakingsverplichting heeft opgelegd. Dit gaat ver, maar niet te ver. Uiteindelijk zal vergunninghoudster zich moeten inspannen om het vertrouwen van de omgeving te verkrijgen. Hierbij past dat verweerder de meetresultaten ongevraagd deelt met de omgeving. De rechtbank ziet geen aanleiding voorschrift 7.1.2 onder e te wijzigen.

Geurbeheersplan

14. In het herstelbesluit verbindt verweerder voorschrift 7.1.4 aan de omgevingsvergunning. Dit voorschrift luidt als volgt:

Voorschrift 7.1.4 (geurbeheersplan)

a. Vergunninghoudster dient een protocol (geurbeheersplan) op te stellen waarin duidelijk wordt gemaakt de wijze waarop wordt getracht om aan de streefnorm (de geuremissies) zoals opgenomen in voorschrift 7.1.3 te kunnen voldoen. Het protocol dient minimaal te bevatten:

• een overzicht van de geurbronnen en wanneer piekemissies kunnen optreden.

• de genomen en te treffen maatregelen om geuremissies te voorkomen of verminderen.

• de wijze van het opsporen van een geurbron.

• een protocol voor de monitoring van geur.

• een protocol hoe om te gaan met geurklachten, hierin dienen tevens acties te staan om adequaat te reageren.

• een jaarlijkse evaluatie van geurincidenten en genomen maatregelen.

• een jaarlijkse evaluatie van veranderingen in management die effect hebben op geur.

b. Het protocol moet door vergunninghoudster binnen 1 maand nadat de resultaten van de geurmetingen aan het bevoegd gezag zijn overgelegd, bij haar ter goedkeuring worden ingediend. Na deze goedkeuring door het bevoegd gezag moet het protocol worden uitgevoerd.

c. Het protocol is een flexibel document dat met goedkeuring van het bevoegd gezag door

vergunninghoudster voor zover noodzakelijk kan worden bijgesteld.

Verweerder heeft hierbij opgemerkt dat hij het moment van het opstellen van het geurbeheersplan heeft willen laten afhangen van de resultaten van de monitoring. Als op grond van de geurmetingen de feitelijke geuremissie is vastgesteld, dan kan vergunninghoudster gericht overgaan tot het opstellen en uitvoeren van een geurbeheersplan om hiermee de overschrijding van de geurnormen zoveel mogelijk ongedaan te maken. In het dictum van het herstelbesluit heeft verweerder bepaald dat voorschrift 7.1.4 pas in werking treedt als blijkt dat niet aan de streefnorm in voorschrift 7.1.3 kan worden voldaan.

15.1

Eiser 1 begrijpt niet waarom voorschrift 7.1.4 pas in werking treedt als blijkt dat niet wordt voldaan aan de streefnorm in voorschrift 7.1.3. Eisers 2 vinden dat in voorschrift 7.1.4 ten onrechte niets is bepaald over het technisch functioneren van de luchtwassers. Vergunninghoudster merkt op dat het de kennelijke bedoeling van verweerder is dat voorschrift 7.1.4 pas in werking treedt als blijkt dat niet aan voorschrift 7.1.3 kan worden voldaan, maar dat dit niet met zoveel woorden in voorschrift 7.1.4 is bepaald.

15.2

De rechtbank begrijpt het herstelbesluit aldus dat verweerder heeft beoogd voorschrift 7.1.4 voorwaardelijk in werking te laten treden. Daarmee krijgt het herstelbesluit op dit punt een voorwaardelijk karakter en dat is volgens de rechtbank in strijd met de Wabo. Hoofdstuk 6 van de Wabo biedt geen grondslag voor een voorwaardelijke inwerkingtreding. Verweerder had deze bedoeling tot uitdrukking moeten brengen in voorschrift 7.1.4 zelf. Dat voorschrift maakt onderdeel uit van de omgevingsvergunning op basis waarvan de inrichting van vergunninghoudster in werking is. Deze bedoeling komt onvoldoende tot uitdrukking in voorschrift 7.1.4. Dit voorschrift is dus niet goed geformuleerd.

15.3

De rechtbank is verder van oordeel dat er geen noodzaak is voor een geurbeheersplan als wordt voldaan aan de streefwaarde. In tegenstelling tot eiser 1 is de rechtbank van oordeel dat het niet zinvol is om vergunninghoudster meteen te verplichten een geurbeheersplan op te stellen. Hoe meer informatie wordt verzameld over de werking van de luchtwasser en de daadwerkelijke omvang van de geurbelasting, des te beter kan een meer concreet geurbeheersplan worden opgesteld.

15.4

De inhoud van het geurbeheersplan is algemeen geformuleerd. De rechtbank is het hier mee eens. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder het geurbeheersplan moet goedkeuren. Bovendien is het geurbeheersplan een flexibel document dat kan worden aangepast. Het technisch functioneren van de luchtwasser zal blijken uit de geurmetingen. De rechtbank ziet in de kritiek van eisers 2 geen aanleiding voorschrift 7.1.4 aan te passen.

15.5

De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en voorschrift 7.1.4 onder a als volgt aanpassen: “Indien wordt geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de streefwaarde in voorschrift 7.1.3 dient vergunninghoudster binnen drie maanden na deze constatering een protocol (geurbeheersplan) op te stellen waarin duidelijk wordt gemaakt de wijze waarop wordt getracht om aan de streefnorm (de geuremissies) zoals opgenomen in voorschrift 7.1.3 te kunnen voldoen. Het protocol dient minimaal te bevatten:

• een overzicht van de geurbronnen en wanneer piekemissies kunnen optreden.

• de genomen en te treffen maatregelen om geuremissies te voorkomen of verminderen.

• de wijze van het opsporen van een geurbron.

• een protocol voor de monitoring van geur.

• een protocol hoe om te gaan met geurklachten, hierin dienen tevens acties te staan om adequaat te reageren.

• een jaarlijkse evaluatie van geurincidenten en genomen maatregelen.

• een jaarlijkse evaluatie van veranderingen in management die effect hebben op geur.

Conclusie

16.1

Uit de tussenuitspraak volgt dat de beroepen tegen het bestreden besluit gegrond zijn. De rechtbank zal het bestreden besluit volledigheidshalve vernietigen. De beroepen van eisers en het van rechtswege beroep van vergunninghoudster tegen het herstelbesluit zijn gegrond. De rechtbank vernietigt het herstelbesluit voor zover hierin is bepaald dat voorschrift 7.1.4 pas in werking treedt nadat uit de eerste monitoring blijkt dat niet aan de streefnorm in voorschrift 7.1.3 kan worden voldaan, alsmede voor zover hierin is bepaald dat voorschriften 7.1.2 onder c en voorschrift 7.1.2. onder e en voorschrift 7.1.4 onder a aan de omgevingsvergunning worden verbonden. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en voorschrift 7.1.2 onder c en onder e en voorschrift 7.1.4 onder a als volgt aanpassen:

7.1.2

c. Het onderzoek dient onder representatieve bedrijfsomstandigheden door een geaccrediteerde meetinstantie (monstername, analyse en debietmetingen) uitgevoerd te worden. Het onderzoek dient zoveel mogelijk plaats te vinden in de in de maanden juni tot en met september.

7.1.2

e. De metingen, zoals onder a. van dit voorschrift, dienen eenmaal per twee jaren te worden herhaald. Het bevoegd gezag kan bepalen dat een opvolgende meting eerder wordt uitgevoerd.

7.1.a Indien wordt geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de streefwaarde in voorschrift 7.1.3 dient vergunninghoudster binnen drie maanden na deze constatering een protocol (geurbeheersplan) op te stellen waarin duidelijk wordt gemaakt de wijze waarop wordt getracht om aan de streefnorm (de geuremissies) zoals opgenomen in voorschrift 7.1.3 te kunnen voldoen. Het protocol dient minimaal te bevatten:

• een overzicht van de geurbronnen en wanneer piekemissies kunnen optreden.

• de genomen en te treffen maatregelen om geuremissies te voorkomen of verminderen.

• de wijze van het opsporen van een geurbron.

• een protocol voor de monitoring van geur.

• een protocol hoe om te gaan met geurklachten, hierin dienen tevens acties te staan om adequaat te reageren.

• een jaarlijkse evaluatie van geurincidenten en genomen maatregelen.

• een jaarlijkse evaluatie van veranderingen in management die effect hebben op geur.

16.2

De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het herstelbesluit voor zover dit is vernietigd.

17. Omdat de rechtbank de beroepen van eisers gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers (ieder afzonderlijk) gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.335,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus). Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder in de door vergunninghoudster gemaakte kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus tot een bedrag van € 267,00.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen van eiser 1 en eisers 2 tegen het bestreden besluit gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart de beroepen van eiser 1 en eisers 2 en het van rechtswege ontstane beroep van vergunninghoudster tegen het herstelbesluit gegrond;

  • -

    vernietigt het herstelbesluit voor zover hierin is bepaald dat voorschrift 7.1.4 pas in werking treedt nadat uit de eerste monitoring blijkt dat niet aan de streefnorm in voorschrift 7.1.3 kan worden voldaan en voor zover hierin is bepaald dat voorschriften 7.1.2 onder c en voorschrift 7.1.2. onder e aan de omgevingsvergunning worden verbonden;

  • -

    bepaalt dat de volgende voorschriften ter vervanging aan de omgevingsvergunning worden verbonden:

  • -

    7.1.2.c. Het onderzoek dient onder representatieve bedrijfsomstandigheden door een geaccrediteerde meetinstantie (monstername, analyse en debietmetingen) uitgevoerd te worden. Het onderzoek dient zoveel mogelijk plaats te vinden in de maanden juni tot en met september.

  • -

    7.1.2. e. De metingen, zoals onder a. van dit voorschrift, dienen eenmaal per twee jaren te worden herhaald. Het bevoegd gezag kan bepalen dat een opvolgende meting eerder wordt uitgevoerd;

  • -

    7.1.4.a Indien wordt geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de streefwaarde in voorschrift 7.1.3 dient vergunninghoudster binnen drie maanden na deze constatering een protocol (geurbeheersplan) op te stellen waarin duidelijk wordt gemaakt de wijze waarop wordt getracht om aan de streefnorm (de geuremissies) zoals opgenomen in voorschrift 7.1.3 te kunnen voldoen. Het protocol dient minimaal te bevatten:

• een overzicht van de geurbronnen en wanneer piekemissies kunnen optreden.

• de genomen en te treffen maatregelen om geuremissies te voorkomen of verminderen.

• de wijze van het opsporen van een geurbron.

• een protocol voor de monitoring van geur.

• een protocol hoe om te gaan met geurklachten, hierin dienen tevens acties te staan om adequaat te reageren.

• een jaarlijkse evaluatie van geurincidenten en genomen maatregelen.

• een jaarlijkse evaluatie van veranderingen in management die effect hebben op geur.

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het herstelbesluit voor zover dit is vernietigd;

  • -

    draagt verweerder op het griffierecht van € 178,00 aan eiser 1 en eisers 2 te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser 1 en eisers 2 tot een bedrag van
    € 1.335,00;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van vergunninghoudster tot een bedrag van
    € 267,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. M.M. Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 25 mei 2021.

griffier de voorzitter is verhinderd te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.