Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2407

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
369288 / KG ZA 21-194
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Koopovereenkomst met betrekking tot vloer. Kantonrechter veroordeelt koper tot schadevergoeding. Verkoper gaat in appel en wenst de vloer door een deskundige te laten onderzoeken. De koper mag de vloer gedurende vier weken na betekening van het vonnis niet aanpassen of wijzigen en moet een deskundige toelaten om de vloer te inspeceteren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/369288 / KG ZA 21-194

Vonnis in kort geding van 7 mei 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VLOERENKAMER B.V.,

gevestigd te Oirschot,

eiseres,

advocaat mr. A.P. van Knippenbergh te Best,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. C.W.L. van de Merbel te Tilburg.

Partijen zullen hierna Vloerenkamer en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 april 2021 met 10 producties

  • -

    de mondelinge behandeling die op 26 april 2021 vanwege de Covid-19 maatregelen heeft plaatsgevonden via een verbinding via Skype

  • -

    de pleitnota van Vloerenkamer

  • -

    de pleitnota van [gedaagden]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De Vloerenkamer exploiteert een groot- en detailhandel in houten-, laminaat- en kunstofvloeren te Oirschot.

2.2.

Op 23 februari 2018 hebben [gedaagden] een eikenhouten vloer gerookt en met witte olie behandeld, voor een oppervlakte van 97 m2 besteld bij de Vloerenkamer evenals lijmproducten en plinten voor een totaalbedrag van € 7.371,24, incl. BTW. Op 24 april 2018 hebben [gedaagden] nog eens 17 m2 van dezelfde vloer met benodigdheden besteld bij de Vloerenkamer voor een bedrag van € 1.350,00 incl. BTW.

2.3.

De vloer van de Vloerenkamer is op 16 mei 2018 en de dagen daarna door een derde ( [bedrijf] te [woonplaats] ) in de woning van [gedaagden] aan [het adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) gelegd.

2.4.

Tussen partijen is een procedure gevoerd bij deze rechtbank, kamer voor kantonzaken, locatie [woonplaats] , geregistreerd onder nummer 8662243 / CV EXPL 20-4574. [gedaagden] hebben zich in die procedure - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat de door Vloerenkamer geleverde houten vloer gebrekkig is en dat Vloerenkamer gehouden is tot betaling van vervangende schadevergoeding.

2.5.

Bij vonnis van 11 maart 2021 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de door de Vloerenkamer geleverde vloer gebreken vertoont, die een tekortkoming in de nakoming oplevert van de zijde van Vloerenkamer. Vloerenkamer is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 16.289,00 terzake vervangende schadevergoeding, alsmede de expertisekosten, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten, in totaal een bedrag van € 19.315,27.

2.6.

Vloerenkamer heeft vrijwillig aan het vonnis voldaan en heeft een bedrag van

€ 19.315,27 betaald aan [gedaagden]

2.7.

Vloerenkamer heeft op 14 april 2021 appel ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter van 11 maart 2021.

2.8.

Bij e-mailbericht van 18 maart 2021 heeft de advocaat van Vloerenkamer [gedaagden] verzocht, ondanks de betaling op basis van het vonnis, niet de vloer aan te passen lopende hoger beroep.

2.9.

Bij e-mailbericht van 22 maart 2021 heeft de advocaat van [gedaagden] medegedeeld dat [gedaagden] daartoe niet bereid zijn.

2.10.

Vloerenkamer is voornemens een deskundige, de heer M.R.C.M. van Rozendaal van Vloertechnisch Adviesbureau, onderzoek te laten doen naar de staat van de vloer en de vermeende gebreken.

3 Het geschil

3.1.

Vloerenkamer vordert - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

  1. [gedaagden] te verbieden de houten vloer op de begane grond van de woning voor de duur van vier weken na het te wijzen vonnis op welke wijze dan ook aan te passen of te wijzigen, al dan niet middels derden, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

  2. [gedaagden] te gebieden de deskundige ing. M.R.C.M. van Rozendaal van Vloertechnisch Adviesbureau te Oisterwijk binnen vier weken na het te wijzen vonnis toe te laten tot de woning teneinde een inspectie aan de vloer te laten plaatsvinden, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

  3. [gedaagden] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

Vloerenkamer legt daaraan het volgende ten grondslag. Vloerenkamer heeft appel ingesteld tegen het vonis van de kantonrechter van 11 maart 2021. Vloerenkamer wenst in appel een nieuwe onpartijdige deskundige een deskundigenrapport op te laten stellen ten aanzien van de vermeende gebreken en de schade aan de vloer. Aangezien de kantonrechter terzake de schadevergoeding enkel is uitgegaan van het in opdracht van [gedaagden] opgestelde deskundigenrapport van [A] , terwijl een contra-expertise niet is meegenomen in de bewijsbeoordeling, heeft Vloerenkamer een een groot belang bij het in stand laten van de huidige situatie van de vloer totdat een onafhankelijk deskundige toegang heeft gekregen tot de vloer. Als Vloerenkamer niet in de gelegenheid wordt gesteld om de door haar ingeschakelde deskundige de vloer te laten inspecteren, zal zij in de procedure in appel in bewijsnood komen te verkeren. Door te weigeren een deskundige de vloer te laten inspecteren, handelen [gedaagden] onrechtmatig jegens Vloerenkamer. Vloerenkamer heeft de appeldagvaarding al uitgebracht en zij dient uiterlijk 6 weken na 11 mei 2021 de memorie van grieven in te dienen. Zij dient dan te beschikken over een deskundigenrapport dat het rapport van [A] kan weerleggen. Zij heeft dan ook een spoedeisend belang bij de door haar ingestelde vorderingen.

3.3.

[gedaagden] voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vast staat dat Vloerenkamer vrijwillig aan de veroordeling in het vonnis van de kantonrechter van 11 maart 2021 heeft voldaan. Het geschil tussen partijen kan derhalve, anders dan Vloerenkamer stelt, niet worden gekwalificeerd als een executiegeschil. De vorderingen van Vloerenkamer worden dan ook niet getoetst aan de maatstaf die geldt bij een executiegeschil.

4.2.

De rechtsverhouding tussen partijen wordt bepaald door de koopovereenkomst van de eikenhouten vloer van 23 februari 2018.

4.3.

Vloerenkamer heeft haar vorderingen gebaseerd op artikel 6:162 BW, onrechtmatig handelen van de zijde van [gedaagden] jegens Vloerenkamer. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bieden echter de stellingen van Vloerenkamer onvoldoende feitelijke aanknopingspunten om het beroep van Vloerenkamer op onrechtmatige daad, aan de hand van deze maatstaf te toetsen. De weigering van [gedaagden] om een deskundige toe te laten tot hun woning kan niet leiden tot het oordeel dat zij onrechtmatig jegens Vloerenkamer handelen.

4.4.

De voorzieningenrechter zal de rechtsgronden aanvullen en vat de stellingen van Vloerenkamer op als een beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 6:248 lid 1 BW. Bij de toepassing van artikel 6:248 lid 1 BW dient de rechter de nodige terughoudendheid in acht te nemen. Verder geldt dat de rechter in kort geding (in beginsel) niet mag treden in de rechtsverhouding tussen partijen.

4.5.

Hoewel aan [gedaagden] kan worden toegegeven dat zij al meerdere keren medewerking hebben verleend aan het uitvoeren van een deskundigenonderzoek en aan het laten herstellen van de vloer en begrijpelijk is dat daaraan op enig moment een einde moet komen, ziet de vordering van Vloerenkamer er op dat [gedaagden] gedurende een afzienbare termijn van vier weken de vloer (nog) niet laten vernieuwen en dat zij de door Vloerenkamer ingeschakelde deskundige toegang verschaffen tot de woning teneinde de staat van de vloer te kunnen beoordelen. Die vordering kan worden toegewezen. De gevorderde medewerking maakt, anders dan [gedaagden] stellen, niet een zodanige inbreuk op het eigendomsrecht van [gedaagden] dat van hen in redelijkheid niet kan worden verwacht die inbreuk te dulden. Vloerenkamer wenst haar stellingen in hoger beroep nader te onderbouwen met een nog in opdracht van haar te verrichten deskundigenonderzoek. Zij heeft daarmee een gerechtvaardigd belang bij haar verzoek. Wat er verder ook van zij - de voorzieningenrechter heeft partijen ter zitting voorgehouden dat wellicht een voorlopig deskundigenonderzoek in casu meer in de rede ligt - [gedaagden] hebben onvoldoende feitelijke omstandigheden gesteld die aan het verlenen van medewerking aan het laten uitvoeren van een dergelijk onderzoek in de weg staan. Dat zij al meerdere keren hun wedewerking hebben verleend aan het verrichten van een deskundige onderzoek acht de voorzieningenrechter daarvoor onvoldoende.

4.6.

Een uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW) voortvloeiende maatstaf brengt mee dat [gedaagden] thans gehouden kunnen worden hun medewerking te verlenen aan het laten uitvoeren van een deskundigenonderzoek zoals thans door Vloerenkamer gewenst. Dat Vloerenkamer met het door haar te verrichten deskundigenonderzoek voornamelijk het rapport van [A] wil weerleggen, terwijl de rechtbank zich bij haar oordeel juist voornamelijk heeft gebaseerd op de rapporten van ZNEB en MuBoMa doet hieraan niet af. Dit geldt eveneens voor de stelling van [gedaagden] dat het door Vloerenkamer gewenste deskundigenonderzoek niet voldoet aan de vereisten voor toewijzing van een voorlopig deskundigenbericht ex artikel 194 of 202 Rv. De stellingen van [gedaagden] op dit punt doen er niet aan af dat in redelijkheid kan worden verlangd dat zij de door Vloerenkamer gevraagde medewerking verlenen. Wat uiteindelijk de waarde zal zijn van het door Vloerenkamer te verrichten deskundigenrapport zal in hoger beroep moeten blijken en dient voor rekening en risico van Vloerenkamer te blijven.

4.7.

Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen zullen worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal, gelet op de door [gedaagden] in deze procedure ingenomen stellingen, eveneens worden toegewezen, zij het dat deze zal worden beperkt als volgt.

4.8.

[gedaagden] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Vloerenkamer worden begroot op:

- dagvaarding € 85,81

- griffierecht 667,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.768,81

4.9.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [gedaagden] de houten vloer op de begane grond van de woning aan [het adres] te [woonplaats] voor de duur van vier weken na betekening van het vonnis op welke wijze dan ook aan te passen of te wijzigen, al dan niet middels derden,

5.2.

veroordeelt [gedaagden] om aan Vloerenkamer een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt,

5.3.

gebiedt [gedaagden] de deskundige ing. M.R.C.M. van Rozendaal van Vloertechnisch Adviesbureau te Oisterwijk binnen vier weken na betekening van het vonnis toe te laten tot de woning [het adres] te [woonplaats] teneinde een inspectie aan de vloer te laten plaatsvinden,

5.4.

veroordeelt [gedaagden] om aan Vloerenkamer een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.3. uitgesproken hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt,

5.5.

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van Vloerenkamer tot op heden begroot op € 1.768,81,

5.6.

veroordeelt [gedaagden] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2021.