Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2369

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
20/87
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft haar pluimveehouderij in werking in afwijking van de laatste omgevingsvergunning. Zij heeft twee aanvragen ingediend om dit te legaliseren. De gemeente heeft deze aanvragen geweigerd. De rechtbank heeft de gemeente de gelegenheid gegeven gebreken in deze weigeringen te herstellen. Dat is echter niet gelukt. Dit wil echter niet zeggen dat een concreet zicht op legalisatie ontstaat. Het staat niet op voorhand vast dat de aanvraag zal worden ingewilligd. De gemeente hoeft geen rekening te houden met (de kans van slagen) van het beroep tegen de weigering van de aangevraagde vergunning. Een andere uitleg zou betekenen dat eiseres 1 met het enkele indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning, handhavend optreden zou kunnen uitstellen tot een einduitspraak van de Afdeling op het besluit omtrent de gevraagde vergunning. Dit zou leiden tot een handhavingsimpasse.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/87

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 mei 2021 in de zaak tussen

[naam 1] B.V. gevestigd te [vestigingsplaats] (eiseres 1),

[naam 2] B.V. gevestigd te [vestigingsplaats] (eiseres 2),

[naam 3] wonende de [vestigingsplaats] (eiser 3),

(gemachtigde: mr. J. van Groningen)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint Anthonis, verweerder

(gemachtigde: S. van Hoof).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [naam 4], [naam 5] , [naam 6] en [naam 7], allen wonende te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2018, verzonden 2 maart 2018, (het primaire besluit) heeft verweerder eisers gelast om de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in verband met het in werking hebben van een pluimveehouderij in afwijking van de geldende omgevingsvergunning, vóór 1 april 2018 te beëindigen en beëindigd te houden op straffe van een dwangsom van
€ 2.750,00 per week met een maximum van € 16.500,00.

Bij besluit van 3 december 2019, verzonden 5 december 2019, (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Bij besluit van 15 januari 2020 heeft verweerder de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom verlengd tot en met 14 februari 2020.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 20/87. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (SHE 20/1310).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld, gelijktijdig met de zaken met zaaknummers SHE 18/2571, SHE 19/1398 en SHE 19/1422, op de zitting van 2 februari 2021. Eisers zijn verschenen, waarbij eiser 3 optreedt namens eiseres 1 en eiseres 2, bijgestaan door de gemachtigde en ing. [naam 8] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder heeft de heer [naam 9] (wethouder) online aan de zitting deelgenomen. Van de derde-partijen is [naam 10] verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

  • -

    Op 26 juli 2010 is aan eiseres 1 een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend voor het houden van 106.000 vleeskuikens, verdeeld over 4 stallen met elk 26.500 vleeskuikens (inclusief verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren ). Deze vergunning is onherroepelijk en in werking getreden. De inrichting omvat een IPPC- installatie. In deze milieuvergunning is toestemming verleend voor een verlenging van de stallen 1 tot en met 4 en een wijziging van het stalsysteem. In de milieuvergunning zijn geluidsvoorschriften opgenomen voor het toegestane langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de representatieve bedrijfssituatie en het maximale geluidsniveau (voorschriften 5.1.2 en 5.1.3). De milieuvergunning is gelijkgesteld met een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1. eerste lid onder e, van de Wabo. Op 16 oktober 2014 is een omgevingsvergunning verleend voor het milieuneutraal veranderen van de inrichting. Die verandering had betrekking op het wijzigen van het emissiearme stalsysteem (stal met indirect gestookte warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag).

  • -

    Op 3 augustus 2016 heeft eiseres 1 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een wijziging van de werking van de geldende omgevingsvergunningen. Die aanvraag had betrekking op de volgende veranderingen van de inrichting: de uitbreiding van het aantal vleeskuikens naar 36.500 vleeskuikens per stal in plaats van 26.500 vleeskuikens per stal (ofwel een totaal van 146.000 vleeskuikens dus een toename van 40.000 vleeskuikens), het aanbrengen van een warmtewisselaar bij stallen 2, 3 en 4, een droogfilterwand in stallen 1 en 2 en wijzigingen in het aantal ventilatoren en de wijze van ventilatie in de stallen 1 t/m 4. Eiseres 1 heeft de wijzigingen in de ventilatie van de stallen uitgevoerd.

  • -

    Verweerder heeft in 2017 en 2018 geconstateerd dat de stallen van het bedrijf worden geventileerd in afwijking van de omgevingsvergunningen uit 2010 en 2014.

  • -

    Op 21 maart 2018 is een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning milieuneutraal veranderen. Deze aanvraag heeft betrekking op het wijzigen van de ventilatoren in de achtergevel in overeenstemming met de feitelijke situatie.

  • -

    Bij besluit van 12 september 2018 (weigering 2018) heeft verweerder geweigerd aan eiseres 1 een omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteiten “het (ver)bouwen van een bouwwerk”, “milieu” en “het handelen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden” voor het veranderen van een pluimveehouderij (inrichting) op het perceel [adres] te [vestigingsplaats] . Eiseres 1 heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dat is geregistreerd onder zaaknummer SHE 18/2571.

  • -

    Bij besluit van 3 april 2019 (weigering 2019) heeft verweerder geweigerd aan eiseres 1 een omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit “het veranderen, of het veranderen van de werking, en het in werking hebben van een inrichting” (artikel 2.1 lid 1 onder e, sub 2 en 3 van de Wabo) voor het veranderen van de pluimveehouderij op het perceel [adres] te [vestigingsplaats] . Zowel eiseres 1 als de derde-partijen hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep van eiseres 1 is geregistreerd onder zaaknummer SHE 19/1422, dat van de derde-partijen onder zaaknummer SHE 19/1398.

  • -

    De rechtbank heeft op 24 januari 2020 een tussenuitspraak gedaan in de zaken SHE 18/2571, SHE 19/1398 en SHE 19/1422 (ECLI:NL:RBOBR:2020:285).

  • -

    Eiseres 2 is een holding waarin eiseres 1 als vennootschap is ondergebracht. Eiser 3 is directeur van deze holding en feitelijk leidinggevende in het bedrijf van eiseres 1.

  • -

    De derde-partijen wonen in de directe omgeving van het bedrijf van eiseres 1.

-

2. In het bestreden besluit heeft verweerder de last onder dwangsom gehandhaafd. Verweerder heeft het advies van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie overgenomen. Verweerder heeft de begunstigingstermijn verlengd tot 14 februari 2020. Na de tussenuitspraak is een mediationtraject gestart. Verweerder heeft het handhavingstraject opgeschort gedurende dit traject tot in ieder geval de zitting. Als eisers dwangsommen hebben verbeurd na 14 februari 2020, dan stelt de rechtbank wel vast dat de invordering van deze dwangsommen nog niet is verjaard ingevolge artikel 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.1

Eisers begrijpen niet waarom het primaire besluit tot drie (rechts)personen is gericht. Dit zou tot een disproportionele last leiden. De last onder dwangsom mag slechts éénmalig tot de verbeurte van dwangsommen leiden waarbij de één bevrijdend betaalt voor de ander.

3.2

Verweerder heeft aangegeven dat het besluit zich uitsluitend richt tot de twee besloten vennootschappen (eiseres 1 en eiseres 2) omdat deze beide op het adres [adres] in [vestigingsplaats] bij de Kamer van Koophandel zijn ingeschreven (en dus niet tot eiser 3). Verweerder ziet indicaties dat beide vennootschappen zeggenschap hebben over de inrichting en het dus in hun macht hebben om de overtreding te beëindigen. Verweerder heeft in de bezwaarprocedure aangegeven dat als een van de rechtspersonen de dwangsom betaalt, de andere rechtspersoon niet meer hoeft te betalen. Verweerder heeft dit op de zitting bevestigd. Dit staat echter niet in het primaire besluit. In het bestreden besluit is het primaire besluit op dit onderdeel niet aangepast (ook al hadden eisers in bezwaar precies hetzelfde aangevoerd).

3.3

De rechtbank stelt vast dat het primaire besluit zich niet richt tot eiser 3. Weliswaar is in de aanhef eiser 3 genoemd, maar de rechtbank begrijpt dat dit is gebeurd omdat eiser 3 leiding geeft aan eiseres 1 en directeur-groot aandeelhouder is van eiseres 2. Verweerder had overigens wel het bezwaar dat is gemaakt namens eiser 3 om die reden niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het beroep van eiser 3 is daarom gegrond.

3.4

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding, omdat de stallen van het bedrijf worden geventileerd in afwijking van de omgevingsvergunningen uit 2010 en 2014. Een last onder dwangsom kan worden opgelegd aan een overtreder. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres 1 kon aanschrijven in haar hoedanigheid van vergunninghouder en de drijver van de inrichting. Zij kan als overtreder worden aangemerkt. De enkele inschrijving van eiseres 2 op het adres van de inrichting is onvoldoende om haar als overtreder aan te merken. Het primaire besluit richt zich ten onrechte tot eiseres 2.

4.1

Eisers stellen dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Voor de feitelijk aangebrachte ventilatoren is een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Verweerder weigert de omgevingsvergunning te verlenen, maar vergeet volgens eisers dat de ventilatiebehoefte ook in de (in 2010 en 2014) vergunde situatie leidt tot een verhoogde geluidsbelasting. In de vergunning is een te lage geluidsnorm opgenomen. Eisers leiden uit de hiervoor genoemde tussenuitspraak van de rechtbank van 24 januari 2020 af dat het absoluut niet zeker is dat het besluit waarbij de omgevingsvergunning is geweigerd in stand zal blijven. Onder deze omstandigheden (de ingediende ontvankelijke aanvraag, in combinatie met de tussenuitspraak) dient niet zonder meer van het ontbreken van concreet zicht op legalisatie te worden uitgegaan. Door weigering van de aangevraagde omgevingsvergunning zou verweerder zelf de basis voor de handhaving kunnen creëren.

4.2

Verweerder stelt dat een vergunning is verleend voor het in gebruik hebben van ventilatoren. Op basis van de onherroepelijke omgevingsvergunningen uit 2010 en 2014 mag verweerder er van uitgaan dat kan worden voldaan aan de geluidsnormen in de representatieve bedrijfssituatie, ook al zou de ventilatiebehoefte groter zijn. Dit valt ook niet te controleren, omdat eiseres 1 het ventilatiesysteem afwijkend heeft uitgevoerd. De ventilatoren zijn 24 uur per dag in werking. Hiermee vallen ze onder de representatieve bedrijfssituatie. Bij een aantal metingen zijn forse overschrijdingen gemeten van de grenswaarden in de omgevingsvergunningen voor de avond- en nachtperiode. In de aangevraagde (en geweigerde) situatie kan dan ook niet worden voldaan aan het van toepassing zijnde voorschrift 5.1.2 uit de milieuvergunning van 26 juli 2010. Zolang het besluit tot weigering niet is vernietigd door de bestuursrechter moet het ervoor worden gehouden dat (ook) hierin geen concreet zicht op legalisatie is gelegen.

4.3

Van concreet zicht op legalisatie van het handelen zonder een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu kan alleen sprake zijn als ten tijde van het besluit een ontvankelijke aanvraag ter legalisatie van de illegale activiteit is ingediend (zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1542). Vereist is in de regel dat een vergunningaanvraag strekkende tot legalisatie van de illegale situatie is ingediend, die volgens het bevoegd gezag voldoende gegevens bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de inrichting voor het milieu en dat het bevoegd gezag geen beletselen ziet voor verlening van de gevraagde vergunning.

4.4

De rechtbank stelt voorop dat de basis voor het primaire besluit is gelegen in de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Die overtreding bestaat uit het gewijzigd uitvoeren van het ventilatiesysteem in afwijking van de onherroepelijke vergunningen van 2010 en 2014. Verweerder heeft eiseres 1 niet aangeschreven vanwege het overschrijden van de grenswaarden in de vergunningen van 2010 en 2014. In het midden kan blijven of een verhoging van de grenswaarden vergunbaar is.

4.5

In dit geval ziet verweerder een beletsel voor verlening van de aangevraagde omgevingsvergunning. De vergunning is namelijk geweigerd vóór het nemen van het bestreden besluit. In de uitspraak van heden in de zaken SHE 18/2571, SHE 19/1398 en SHE 19/1422, vernietigt de rechtbank de weigering 2018 en het door verweerder genomen herstelbesluit. Dit wil echter niet zeggen dat een concreet zicht op legalisatie ontstaat. Gelet op de uitspraak van heden staat niet op voorhand vast dat de aanvraag zal worden ingewilligd. Verweerder hoeft geen rekening te houden met (de kans van slagen) van het beroep tegen de weigering van de aangevraagde vergunning. Een andere uitleg zou betekenen dat eiseres 1 met het enkele indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning, handhavend optreden zou kunnen uitstellen tot een einduitspraak van de Afdeling op het besluit omtrent de gevraagde vergunning. Dit zou leiden tot een handhavingsimpasse. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.1

Eisers merken op dat het niet mogelijk is om de ventilatoren in de achtergevel in overeenstemming te brengen met de geldende vergunningen, omdat in dat geval niet is gegarandeerd dat de stallen het hele jaar adequaat worden geventileerd. Dit heeft niet te maken met het aantal vleeskuikens, maar met de ventilatiebehoefte die afhankelijk is van de leeftijd van de vleeskuikens in combinatie met de temperatuur van het moment.

5.2

Verweerder gaat er op basis van de onherroepelijke omgevingsvergunningen uit 2010 en 2014 van uit dat met het destijds vergunde ventilatiesysteem wel kan worden voldaan aan de ventilatiebehoefte.

5.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder mag uitgaan van de rechtmatigheid van de omgevingsvergunningen uit 2010 en 2014. Eiseres 1 heeft per slot van rekening die werking van de inrichting zelf aangevraagd. Als met het destijds vergunde ventilatiesysteem niet kan worden voorzien in de ventilatiebehoefte, dan zal eiseres 1 op een andere wijze moeten proberen deze behoefte te temperen. Eiseres 1 heeft overigens op zitting aangegeven dat de stallen ook worden gekoeld met een vernevelingssysteem en dat daardoor sprake is van een minder grote ventilatiebehoefte. Onder deze omstandigheden is handhavend optreden niet onevenredig. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder op basis van de uitgevoerde geluidmetingen er van mag uitgaan dat het feitelijk aanwezige ventilatiesysteem een grotere geluidsbelasting veroorzaakt dan het vergunde systeem en dat verweerder niet de ogen en de oren mag sluiten voor de klachten van de derde-partijen.

6. De beroepen van eiser 3 en eiseres 2 zijn gegrond. Het beroep van eiseres 1 is ongegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het primair besluit ten aanzien van eiseres 2 en eiser 3 is gehandhaafd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en herroept het primaire besluit voor zover dit is gericht aan eiseres 2. De rechtbank verklaart het bezwaar van eiser 3 niet-ontvankelijk omdat het primaire besluit niet aan hem is gericht en hij niet als belanghebbende bij het primaire besluit kan worden aangemerkt.

7. Omdat de rechtbank de beroepen van eiseres 2 en eiser 3 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres 2 en eiser 3 het betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres 2 en eiser 3 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.136,00 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift namens eisers 2, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting namens eiseres 2, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van eiseres 1 ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep van eiseres 2 en eiser 3 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het primaire besluit ten aanzien van eiseres 2 en eiser 3 is gehandhaafd;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover daarbij aan eiseres 2 een last onder dwangsom is opgelegd;

  • -

    verklaart het bezwaar van eiser 3 tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde (gedeelte van het) bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,00 aan eiseres 2 en eiser 3 te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 2 en eiser 3 tot een bedrag van
€ 2.136,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. J.D. Streefkerk en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Meiden, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 19 mei 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.