Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:234

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-01-2021
Datum publicatie
26-01-2021
Zaaknummer
01/997024-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft meerdere jaren een professionele (sier-)vogelhandel gevoerd.

Hij wordt veroordeeld voor verschillende misdrijven, strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten. Onder meer heeft hij uitheemse vogels naar Nederland ingevoerd met het gevaar op verspreiding van besmettelijke dierziekten en grote risico’s voor de volksgezondheid.

Opgelegd wordt een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke ontzetting uit het recht om zich beroepsmatig bezig te houden met het kweken en handelen van vogels in welke vorm of hoedanigheid dan ook, voor de duur van drie jaren, met een proeftijd van drie jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2021/39 met annotatie van Pieters, S.
NJFS 2021/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/997024-16

Datum uitspraak: 26 januari 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren [geboortejaar] 1987,

wonende [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 januari 2021. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 september 2020. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij, te Udenhout in de gemeente Tilburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

A (delict 1) op of omstreeks 2 augustus 2017 (telkens) al dan niet opzettelijk vogels, die zijn verzonden vanuit een lid-staat of een andere staat die partij is bij het EER-Verdrag, dan wel vanuit een derde land, en via het grondgebied van een lid-staat, in Nederland heeft gebracht en/of bestemd waren voor Nederland, te weten: - 2, althans één of meer Grijswangbaardvogel(s) cq Vuurpluimbaardvogel(s) (Psilopogon pyrilophus) en/of

- 2, althans één of meer Zwartbrauwbaardvogel(s) (Psilopogon oorti) en/of

- 5, althans één of meer Chinese wielewaal/walen (Oriolus chinensis) en/of

- 4, althans één of meer lrena Buulbuul(s) (Anthochaera chrysoptera en/of

- 4, althans één of meer Blauwrugdwergpapegaai(en) (Psittinus cyanurus)

en/of

B (delict 2) in of omstreeks de periode van 24 september 2016 tot en met 9 augustus 2017 (telkens) al dan niet opzettelijk vogels (telkens) vogels die zijn verzonden vanuit een lid-staat of een andere staat die partij is bij het EER-Verdrag, dan wel vanuit een derde land en via het grondgebied van een lid-staat, in Nederland heeft gebracht en/of bestemd waren voor Nederland, waaronder, - 7 althans één of meer Cubaanse trogon(s) (Priotelus temnurus) en/of

- 7 althans één of meer Gekraagde trogon(s) (Trogon collaris) en/of

- 5, althans één of meer Filipijnse vleermuisparkiet(en) (Loriculus philippensis) en/of - 2 althans één of meer Roodrugtangara('s) (Ramphocelus passerinii) en/of

- 2 althans één of meer Zwartkoppitta('s) (Pitta sordida) en/of

- 6 althans één of meer Blauwkapbaardvogel(s) (Psilopogon armillaris) en/of

- 1 Zwartbrauwbaardvogel (Psilopgong oorti) en/of

- 1 Blauwvleugelpitta (Pitta moluccensis) en/of

- 1 Kleine smaragdbreedbek (Calyptomena viridis)

- 1 Japanse nachtegaal (Leiothrix lutea);

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

in of omstreeks de periode van 24 september 2016 tot en met 9 augustus 2017 te Udenhout in de gemeente Tilburg, althans in Nederland,(telkens) één of meer vogel(s), te weten:

- 2, althans één of meer stuk(s) Grijswangbaardvogel cq Vuurpluimbaardvogel (Psilopogon pyrilophus) en/of

- 5, althans één of meer stuk(s) Chinese wielewalen (Oriolus chinensis) en/of

- 4, althans één of meer stuk(s) lrena Buulbuul (Anthochaera chrysoptera) en/of

- 4, althans één of meer stuk(s) Blauwrugdwergpapegaai (Psittinus cyanurus),

- 7 althans één of meer Cubaanse trogon(s) (Priotelus temnurus ) en/of

- 7 althans één of meer Gekraagde trogon(s) (Trogon collaris) en/of

- 5, althans één of meer Filipijnse vleermuisparkiet(en) (Loriculus philippensis) en/of - 2 althans één of meer Roodrugtangara('s) (Ramphocelus passerinii) en/of

- 2 althans één of meer Zwartkoppitta('s) (Pitta sordida) en/of

- 6 althans één of meer Blauwkapbaardvogel(s) (Psilopogon armillaris) en/of

- 1 Zwartbrauwbaardvogel (Psilopgong oorti) en/of

- 1 Blauwvleugelpitta (Pitta moluccensis) en/of

- 1 Kleine smaragdbreedbek (Calyptomena viridis) en/of

- 1 Japanse nachtegaal (Leiothrix lutea),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die vogels (telkens) wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed (goederen) betrof;

Feit 2

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 september 2016 tot en met 9 augustus 2017, te Udenhout in de gemeente Tilburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen al dan niet opzettelijk, als houder van één of meer dier(en)/vogel(s) , te weten:

- 2, althans één of meer Grijswangbaardvogel(s) cq Vuurpluimbaardvogel(s) (Psilopogon pyrilophus) en/of

- 5, althans één of meer Chinese wielewaal/walen (Oriolus chinensis) en/of

- 4, althans één of meer lrena Buulbuul(s) (Anthochaera chrysoptera) en/of

- 4, althans één of meer Blauwrugdwergpapegaai(en) (Psittinus cyanurus),

- 7 althans één of meer Cubaanse trogon(s) (Priotelus temnurus) en/of

- 7 althans één of meer Gekraagde trogon(s) (Trogon collaris) en/of

- 5, althans één of meer Filipijnse vleermuisparkiet(en) (Loriculus philippensis) en/of - 2 althans één of meer Roodrugtangara('s) (Ramphocelus passerinii) en/of

- 2 althans één of meer Zwartkoppitta('s) (Pitta sordida) en/of

- 6 althans één of meer Blauwkapbaardvogel(s) (Psilopogon armillaris) en/of

- 1 Zwartbrauwbaardvogel (Psilopgong oorti) en/of

- 1 Blauwvleugelpitta (Pitta moluccensis) en/of

- 1 Kleine smaragdbreedbek (Calyptomena viridis) en/of

- 1 Japanse nachtegaal (Leiothrix lutea),

terwijl hij wist en/of redelijkerwijs kon vermoeden dat door zijn handelen of nalaten, een besmetting met dan wel de verspreiding van een krachtens artikel 15 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aangewezen besmettelijke dierziekte niet aan zijn verplichting heeft voldaan dergelijk handelen achterwege te laten, terwijl dit in redelijkheid van hem kon worden gevergd, en/of niet alle maatregelen heeft genomen die in redelijkheid van hem konden worden gevergd, teneinde zodanige besmetting of verspreiding te voorkomen, kon worden veroorzaakt,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die vogels in Nederland gebracht en/of samengebracht en/of verzameld en/of verkocht en/of verhandeld en/of overgedragen en/of onder zich gehad, terwijl hij niet voldeed aan de bepalingen van artikel 8.10 van de Regeling handel levende dieren en levende producten en/of hij vogels afkomstig uit derde landen (buiten EU) op zijn bedrijf samen heeft gebracht, terwijl deze vogels geen in gevangenschap gefokte vogels uit erkende vermeerderingsbedrijven waren, (art 5 EG Verordening 139/2013);

Feit 3

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 augustus 2017 tot en met 9 augustus 2017, te Udenhout in de gemeente Tilburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, heeft gehandeld in strijd met (een) bij de Regeling natuurbescherming aangewezen voorschrift(en) van (een) EU-verordening(en), te weten artikel 8, lid 1 van de Basisverordening (EG) nr. 338/97 door, al dan niet opzettelijk, specimen van de in bijlage B bij deze verordening genoemde soorten, te weten - 4, althans één of meer Blauwrugdwergpapegaai(en) (Psittinus cyanurus) en/of

- 5, althans één of meer Filipijnse vleermuisparkiet(en) (Loriculus philippensis) en/of

- 1 Japanse nachtegaal (Leiothrix lutea),

heeft aangekocht en/of verworven voor commerciële doeleinden en/of tentoongesteld voor commerciële doeleinden en/of gebruikt met winstoogmerk en/of verkocht en/of in bezit gehad met het oog op verkoop en/of ten verkoop aangeboden en/of vervoerd met het oog op verkoop;

Feit 4

hij op of omstreeks 9 augustus 2017, te Udenhout in de gemeente Tilburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen al dan niet opzettelijk:

- 4, althans één of meer Blauwrugdwergpapegaai(en) (Psittinus cyanurus) en/of

- 5, althans één of meer Filipijnse vleermuisparkiet(en) (Loriculus philippensis) en/of

- 1 Japanse nachtegaal (Leiothrix lutea),

althans van dieren van in bijlage B bij de CITES-basisverordening genoemde soorten, onder zich heeft gehad;

Feit 5

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 april 2017 tot en met 25 mei 2017 te Bodegraven - Reeuwijk en/of te Udenhout in de gemeente Tilburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, eieren van de fuut, althans eieren van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn heeft geraapt en/of onder zich heeft gehad;

Feit 6

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2017 tot en met 9 augustus 2017, te Udenhout in de gemeente Tilburg, althans in althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, als houder van dier(en) aan dat/die dier(en) de nodige (medische) verzorging heeft onthouden, immers:

- was het donker en/of hing er een bedompte lucht in de ruimte waar de vogels werden gehouden, en/of

- lag er veel ontlasting op de bodem van de vogelkooien, en/of

- waren één of twee trogon(s) en/of één of twee arassari('s) en/of één buulbuul en/of één of twee honingzuiger(s) te mager, en/of

- had één bruinoor arassari zoolzweren op beide poten;

Feit 7

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 februari 2017 tot en met 21 september 2017 te Udenhout in de gemeente Tilburg, althans in althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, vogels, althans gezelschapsdieren heeft verkocht en/of ten verkoop in voorraad heeft gehouden en/of heeft afgeleverd en/of heeft gehouden ten behoeve van opvang en/of heeft gefokt ten behoeve van de verkoop en/of aflevering van nakomelingen, terwijl daarbij niet werd voldaan aan de paragraaf 2 van het Besluit houders van dieren, immers heeft hij en/of zijn mededaders

- in strijd met artikel 3.7 van genoemd besluit vogels verkocht en/of ten behoeve van de verkoop in voorraad heft gehouden en/of afgeleverd en/of gefokt ten behoeve van de de verkoop en/of aflevering van nakomelingen in (een) niet, overeenkomstig artikel 3.8 van het Besluit houders van dieren bij de minister van Economische Zaken, aangemelde inrichting en/of

- in strijd met artikel 3.10 van genoemd besluit door geen deugdelijke administratie bijgehouden van de gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven, waarin in ieder geval de volgende gegevens: naam, adres en woonplaats van degene van wie de gezelschapsdieren afkomstig waren, werd vermeld en/of

- in strijd met artikel 3.14 van genoemd besluit werd in de inrichting geen gebruik gemaakt van een protocol waaruit bleek dat de gezondheid van gezelschapsdieren die in de inrichting verbleven dagelijks gecontroleerd werd, maatregelen ter voorkoming van ziekten werden genomen en zieke gezelschapsdieren op passende wijze werden verzorgd, immers was geen gezondheidsprotocol aanwezig.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair onder A en B ten laste gelegde, met uitzondering van de Japanse nachtegaal. Voorts heeft zij gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle overige tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het, voornamelijk bij exclusieve vogels, lastig is de herkomst van de vogels te controleren en dat ten aanzien van sommige vogels aanwijzingen bestonden dat zij niet in het wild gevangen waren. De onder 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten heeft verdachte bekend.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Nadere overwegingen van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 1

Wettelijk kader

Op grond van artikel 10 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, zoals dit luidde ten tijde van het ten laste gelegde en voor zover hier van belang, kan de Minister het in Nederland brengen van dieren die dragers van smetstof kunnen zijn, verbieden dan wel verbieden, indien niet wordt voldaan aan door hem te stellen regels.

Op grond van artikel 2.1, tweede lid, tweede gedachtestreepje van de Regeling handel levende dieren en levende producten (hierna: de Regeling) is het verboden vogels in Nederland te brengen die zijn verzonden vanuit een lidstaat of een andere staat die partij is bij het EER-Verdrag, dan wel vanuit een derde land en via het grondgebied van een lidstaat in Nederland worden gebracht en bestemd zijn voor Nederland, een lidstaat of een andere staat die partij is bij het EER-Verdrag. Van een uitzondering op dat verbod is – kortgezegd – sprake als aangetoond kan worden dat het gaat om gekweekte vogels die vergezeld gaan van de juiste (gezondheids)documenten.

Overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 10 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren zijn misdrijven voor zover zij opzettelijk zijn begaan (artikel 2 Wet op de economische delicten).

Toepassing

Verdachte heeft bekend dat hij de in feit 1 onder A opgesomde vogels in Duitsland heeft opgehaald en in Nederland heeft gebracht. Vrijwel al deze vogels zijn bij hem thuis aangetroffen. Alleen de twee zwartbrauwbaardvogels zijn niet bij verdachte thuis, maar bij een klant in Nederland aangetroffen. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij de twee vogels aan deze klant had doorverkocht.

Verdachte heeft eveneens bekend dat hij de in feit 1 onder B opgesomde vogels in Duitsland heeft opgehaald en in Nederland heeft gebracht, met uitzondering van de Japanse nachtegaal. Die vogel heeft hij in Nederland verkregen na een ruil.

De rechtbank stelt vast dat de onder A en B genoemde vogelsoorten uitheems zijn en niet van nature in de Europese Unie voorkomen. Dat wist verdachte. Verdachte wist bovendien dat de vogels onder A en B vanuit derde landen, zoals Oekraïne, de Europese Unie waren binnengebracht. De vogels onder A en B waren niet aantoonbaar gekweekt door een erkend vermeerderingsbedrijf en gingen niet vergezeld van de vereiste (gezondheids)documenten. Ook daarvan was verdachte zich bewust.

Conclusie ten aanzien van het onder feit 1 primair tenlastegelegde

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder feit 1 primair onder A en B ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven. Ten aanzien van de Japanse nachtegaal kan de invoer in Nederland door verdachte niet worden vastgesteld, waardoor de rechtbank verdachte ten aanzien van deze vogel van het primair onder B tenlastegelegde vrijspreekt.

Conclusie ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde

Ten aanzien van de Japanse nachtegaal volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte deze door een ruil met [persoon] heeft verkregen en dat hij de vogel sindsdien voorhanden heeft gehad. De rechtbank stelt vast dat een Japanse nachtegaal een uitheemse vogelsoort betreft, die niet van nature in de Europese Unie voorkomt. Deze vogelsoort staat bovendien in Bijlage B van de CITES-basisverordening (zie hierna onder feit 3 en 4 verder uitgewerkt), zodat er voorwaarden worden gesteld aan de handel in deze vogelsoort. Handel is - kort gezegd - alleen toegestaan indien de legale herkomst van de betreffende vogel kan worden aangetoond. De legale herkomst kan blijken uit de aanwezigheid van een gesloten pootring of uit documenten die de legale herkomst van de vogel aantonen.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de Japanse nachtegaal een pootring droeg die gemanipuleerd was, duidelijk te groot was en gemakkelijk van de poot kon worden gehaald. Verdachte beschikte niet over documenten die de legale herkomst van de vogel konden aantonen. Verdachte bezat geen enkele documentatie met betrekking tot deze vogel. Dat de Japanse nachtegaal op een erkende manier gekweekt is, is gesteld noch gebleken.

De rechtbank concludeert op basis van deze feiten en omstandigheden dat het niet anders kan dan dat de Japanse nachtegaal die verdachte voorhanden had, een wilde vogel uit een derde land betrof die op enig moment door een ander dan verdachte binnen Nederland is gebracht. Nu de invoer van wilde vogels uit derde landen verboden is, is de Japanse nachtegaal van verdachte afkomstig van enig misdrijf.

De vraag is of verdachte dit ten tijde van het verkrijgen van de vogel wist. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. Verdachte wist immers dat aan de handel in Japanse nachtegalen bijzondere eisen worden gesteld. Voor verdachte was ook zichtbaar dat de Japanse nachtegaal een gemanipuleerde en te grote pootring droeg, hetgeen een contra-indicatie is voor een legale herkomst. Documentatie over de herkomst van de vogel ontbrak volledig. Niettemin heeft verdachte ten tijde van de verkrijging van deze vogel geen enkel onderzoek naar de herkomst van de vogel verricht. Verdachte heeft de vogel zonder vragen te stellen geruild gekregen. Deze handelswijze van verdachte, die vogelhandelaar is, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat verdachte wist dat de Japanse nachtegaal van misdrijf afkomst was. De rechtbank acht aldus de subsidiair tenlastegelegde opzetheling van de Japanse nachtegaal wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Wettelijk kader

Artikel 101a, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren schrijft voor dat de houder van één of meer dieren die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten, een besmetting met dan wel de verspreiding van een krachtens artikel 15 aangewezen besmettelijke dierziekte kan worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die in redelijkheid kunnen worden gevergd, teneinde zodanige besmetting of verspreiding te voorkomen.

Voormelde verplichting geldt op grond van artikel 15, eerste lid, onder e van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren in samenhang met artikel 2 van het Besluit aanwijzing diersoorten besmettelijke ziekten, voor alle diersoorten behorend tot de klasse vogels.

In artikel 7 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s worden als besmettelijke ziekten bij andere vogels dan pluimvee psittacose, pseudo-vogelpest (Newcastle Disease) en vogelpest (Aviaire Influenza) aangewezen.

Overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 101a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren zijn misdrijven voor zover zij opzettelijk zijn begaan (artikel 2 Wet op de economische delicten).

Toepassing

Het staat vast dat verdachte de onder feit 2 in de tenlastelegging vermelde vogels, met uitzondering van de Japanse nachtegaal, vanuit het buitenland in Nederland heeft gebracht en dat hij de vogels, ook de Japanse nachtegaal, heeft samengebracht (feit 1).

Voor een bewezenverklaring is vereist dat verdachte, als houder van de vogels, wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat door zijn handelen besmetting met dan wel verspreiding van een dierziekte kon worden veroorzaakt. Verdachte heeft aangevoerd dat hij niet wist dat er een besmettings- of verspreidingsrisico bestond ten aanzien van de vogels die onder feit 2 zijn opgesomd. De rechtbank is echter van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte dit wist, gelet op het volgende.

De vogels die in in de tenlastelegging onder feit 2 zijn genoemd, zijn dezelfde vogels die in feit 1 onder A en B worden opgesomd. Ten aanzien van deze vogels (ook de Japanse nachtegaal) is hiervoor overwogen dat dit uitsluitend exotische vogelsoorten betreffen die op illegale wijze via een derde land de Europese Unie ingevoerd zijn. Verdachte wist dit. Ten tijde van de verkrijging van deze vogels wist verdachte niets over de gezondheidstoestand van de vogels, anders dan wat hij met het blote oog kon waarnemen. Verdachte, die vogelhandelaar is, mag bekend worden verondersteld met het bestaan en de risico’s van besmettelijke vogelziektes en de verspreiding daarvan. Verdachte moet daarom hebben geweten dat met het invoeren van exotische illegale vogels, van welke de gezondheidstoestand hem onbekend is, een besmettelijke dierziekte kon worden veroorzaakt, dan wel een verspreiding daarvan. Door deze vogels niettemin in te voeren en geen maatregelen te treffen ter voorkoming van een besmetting of verspreiding van een besmettelijke dierziekte, heeft verdachte zich ten aanzien van deze vogels schuldig gemaakt aan het onder feit 2 ten laste gelegde. Hoewel de Japanse nachtegaal niet door verdachte uit het buitenland is ingevoerd, geldt voorgaande evenzeer voor deze vogel. Ook dit betrof een exotische illegale vogel, die verdachte tussen andere vogelsoorten heeft gezet, zonder te weten of deze vogel gezond was.

Conclusie

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

Ten aanzien van feit 3 en feit 4

Wettelijk kader

De (internationale) handel in beschermde dier- en plantensoorten is gereguleerd via de Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora (CITES).

Op grond van artikel 3.37, eerste lid, Wet natuurbescherming (Wnb) is het verboden in strijd te handelen met de bij de ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen. Ingevolge artikel 3.14 van de Regeling natuurbescherming worden onder meer als voorschriften als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, Wnb aangewezen artikel 8, eerste lid, in samenhang met het vijfde lid, van de CITES-basisverordening.

Artikel 8, eerste lid, van de CITES-basisverordening luidt dat de aankoop, het te koop vragen, verwerven voor commerciële doeleinden, het tentoonstellen voor commerciële doeleinden, het gebruik met winstoogmerk en het verkopen, het in bezit hebben met het oog op verkoop, het ten verkoop aanbieden of het vervoeren met het oog op verkoop van specimens van de in bijlage A genoemde soorten, verboden is. In het vijfde lid is bepaald dat de in het eerste lid genoemde verbodsbepalingen ook gelden voor specimens van de soorten genoemd in bijlage B, behalve indien ten genoegen van de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat is aangetoond dat die specimens verkregen werden en, indien zij niet uit de Gemeenschap afkomstig zijn, daarin werden binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna.

In het Besluit natuurbescherming is tevens onder artikel 3.24, tweede lid, het verbod op het onder zich hebben (bezit) van soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de CITES-basisverordening opgenomen.

Overtreding van het bepaalde in artikel 3.37, eerste lid, Wnb is gelet op artikel 3.14, onder a, van de Regeling natuurbescherming, genoemd in artikel 1a onder 1, WED, strafbaar gesteld in artikel 6, eerste lid onder 1 WED. Overtreding van het bepaalde in artikel 3.24, tweede lid is strafbaar gesteld in artikel 6, eerste lid onder 2 WED.

Toepassing

De Blauwrugdwergpapegaai, Filipijnse vleermuisparkiet en de Japanse nachtegaal zijn vogelsoorten die opgenomen zijn in bijlage B bij de CITES-basisverordening. Handel in dergelijke soorten is verboden, tenzij de vogel volgens de geldende wet- en regelgeving naar Nederland is gebracht of in Nederland is verkregen. Uit hetgeen onder feit 1 is overwogen is reeds gebleken dat daar geen sprake van is en dat deze vogels uit het wild afkomstig zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen dat verdachte de bij zijn woning aangetroffen vogels willens en wetens onder zich had en dat hij wist tot welke soort deze vogels behoorden. Verdachte kocht deze vogels in, huisvestte en verzorgde ze, om ze vervolgens te kunnen verkopen of om de van deze vogels afkomstige kweek te verkopen. Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, heeft verworven en met het oog op verkoop in bezit heeft gehad.

Conclusie

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank het onder feit 3 en feit 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

Ten aanzien van feit 5, feit 6 en feit 7

Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de bewijsmiddelen welke zijn opgenomen in de bewijsbijlage niet uitgewerkt. Op grond van de inhoud van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder feit 5, feit 6 en feit 7 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Ten aanzien van het onder feit 1 primair tenlastegelegde

in Nederland,

A (delict 1) op 2 augustus 2017 opzettelijk vogels, die zijn verzonden vanuit een derde land, en via het grondgebied van een lidstaat, in Nederland heeft gebracht, te weten: - 2 Grijswangbaardvogels c.q. Vuurpluimbaardvogels (Psilopogon pyrilophus) en

- 2 Zwartbrauwbaardvogels (Psilopogon oorti) en

- 5 Chinese wielewalen (Oriolus chinensis) en

- 4 lrena Buulbuuls (Anthochaera chrysoptera) en

- 4 Blauwrugdwergpapegaaien (Psittinus cyanurus)

en

B (delict 2) in de periode van 24 september 2016 tot en met 9 augustus 2017 telkens opzettelijk vogels die zijn verzonden vanuit een derde land en via het grondgebied van een lidstaat, in Nederland heeft gebracht, waaronder, - 7 Cubaanse trogons (Priotelus temnurus) en

- 5 Gekraagde trogons (Trogon collaris) en

- 5 Filipijnse vleermuisparkieten (Loriculus philippensis) en - 2 Roodrugtangara's (Ramphocelus passerinii) en

- 2 Zwartkoppitta's (Pitta sordida) en

- 6 Blauwkapbaardvogels (Psilopogon armillaris) en

- 1 Zwartbrauwbaardvogel (Psilopgong oorti) en

- 1 Blauwvleugelpitta (Pitta moluccensis) en

- 1 Kleine smaragdbreedbek (Calyptomena viridis);

Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde

op 9 augustus 2017 te Udenhout in de gemeente Tilburg, een vogel, te weten: 1 Japanse nachtegaal (Leiothrix lutea), voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die vogel wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde

in de periode van 24 september 2016 tot en met 9 augustus 2017, in Nederland, opzettelijk, als houder van vogels, te weten:

- 2 Grijswangbaardvogels c.q. Vuurpluimbaardvogels (Psilopogon pyrilophus) en

- 5 Chinese wielewalen (Oriolus chinensis) en

- 4 lrena Buulbuuls (Anthochaera chrysoptera) en

- 4 Blauwrugdwergpapegaaien (Psittinus cyanurus) en

- 7 Cubaanse trogons (Priotelus temnurus) en

- 5 Gekraagde trogons (Trogon collaris) en

- 5 Filipijnse vleermuisparkieten (Loriculus philippensis) en - 2 Roodrugtangara's (Ramphocelus passerinii) en

- 2 Zwartkoppitta's (Pitta sordida) en

- 6 Blauwkapbaardvogels (Psilopogon armillaris) en

- 1 Zwartbrauwbaardvogel (Psilopgong oorti) en

- 1 Blauwvleugelpitta (Pitta moluccensis) en

- 1 Kleine smaragdbreedbek (Calyptomena viridis) en

- 1 Japanse nachtegaal (Leiothrix lutea),

terwijl hij wist dat door zijn handelen of nalaten, een besmetting met een krachtens artikel 15 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aangewezen besmettelijke dierziekte, niet aan zijn verplichting heeft voldaan dergelijk handelen achterwege te laten, terwijl dit in redelijkheid van hem kon worden gevergd,

en niet alle maatregelen heeft genomen die in redelijkheid van hem konden worden gevergd, teneinde zodanige besmetting te voorkomen, kon worden veroorzaakt,

immers heeft hij die vogels in Nederland gebracht en/of samengebracht en/of verzameld en onder zich gehad, terwijl hij niet voldeed aan de bepalingen van artikel 8.10 van de Regeling handel levende dieren en levende producten en/of hij vogels afkomstig uit derde landen (buiten EU) op zijn bedrijf samen heeft gebracht, terwijl deze vogels geen in gevangenschap gefokte vogels uit erkende vermeerderingsbedrijven waren;

Ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde

op tijdstippen in de periode van 2 augustus 2017 tot en met 9 augustus 2017, in Nederland, heeft gehandeld in strijd met een bij de Regeling natuurbescherming aangewezen voorschrift van een EU-verordening, te weten artikel 8, lid 1 van de Basisverordening (EG) nr. 338/97 door, opzettelijk, specimen van de in bijlage B bij deze verordening genoemde soorten, te weten - 4 Blauwrugdwergpapegaaien (Psittinus cyanurus) en

- 5 Filipijnse vleermuisparkieten (Loriculus philippensis) en

- 1 Japanse nachtegaal (Leiothrix lutea),

in bezit te hebben gehad met het oog op verkoop;

Ten aanzien van het onder feit 4 tenlastegelegde

op 9 augustus 2017, te Udenhout in de gemeente Tilburg, opzettelijk:

- 4 Blauwrugdwergpapegaaien (Psittinus cyanurus) en

- 5 Filipijnse vleermuisparkieten (Loriculus philippensis) en

- 1 Japanse nachtegaal (Leiothrix lutea),

onder zich heeft gehad;

Ten aanzien van het onder feit 5 tenlastegelegde

op tijdstippen in de periode van 16 april 2017 tot en met 25 mei 2017 te Bodegraven - Reeuwijk en/of te Udenhout in de gemeente Tilburg, opzettelijk, eieren van de fuut onder zich heeft gehad;

Ten aanzien van het onder feit 6 tenlastegelegde

in de periode van 1 juli 2017 tot en met 9 augustus 2017, te Udenhout in de gemeente Tilburg, als houder van dieren aan die dieren de nodige (medische) verzorging heeft onthouden, immers:

- was het donker en hing er een bedompte lucht in de ruimte waar de vogels werden gehouden, en

- lag er veel ontlasting op de bodem van de vogelkooien, en

- waren twee trogons en twee arassari's en één buulbuul en twee honingzuigers te mager, en

- had één bruinoor arassari zoolzweren op beide poten;

Ten aanzien van het onder feit 7 tenlastegelegde

in de periode van 18 februari 2017 tot 21 september 2017 in Nederland, opzettelijk, vogels heeft verkocht en ten verkoop in voorraad heeft gehouden en heeft gefokt ten behoeve van de verkoop, terwijl daarbij niet werd voldaan aan de paragraaf 2 van het Besluit houders van dieren, immers heeft hij

- in strijd met artikel 3.7 van genoemd besluit vogels verkocht en ten behoeve van de verkoop in voorraad gehouden en gefokt ten behoeve van de verkoop in een niet overeenkomstig artikel 3.8 van het Besluit houders van dieren bij de minister van Economische Zaken, aangemelde inrichting en

- in strijd met artikel 3.10 van genoemd besluit door geen deugdelijke administratie bijgehouden van de gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven, waarin in ieder geval de volgende gegevens: naam, adres en woonplaats van degene van wie de gezelschapsdieren afkomstig waren, werd vermeld en

- in strijd met artikel 3.14 van genoemd besluit werd in de inrichting geen gebruik gemaakt van een protocol waaruit bleek dat de gezondheid van gezelschapsdieren die in de inrichting verbleven dagelijks gecontroleerd werd, maatregelen ter voorkoming van ziekten werden genomen en zieke gezelschapsdieren op passende wijze werden verzorgd, immers was geen gezondheidsprotocol aanwezig.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van zes maanden met een proeftijd van drie jaren. Voorts heeft zij een voorwaardelijke beroepsontzetting voor de duur van drie jaren met een proeftijd van drie jaren gevorderd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte heeft verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat hij de vogelhandel thans als hoofdinkomstenbron heeft en hij veel tijd kwijt is om hiermee zijn vaste lasten te kunnen dekken.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Strafverzwarende omstandigheden

Verdachte heeft meerdere jaren een professionele (sier-)vogelhandel gevoerd. Handel in levende dieren komt met een bepaalde verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid richt zich op bescherming van de biodiversiteit, op het welzijn van de dieren die een handelaar in zijn bezit heeft en op het voorkomen van risico’s voor verspreiding van ziekten. Die verantwoordelijkheid dient zich te uiten in het bijhouden van de regels, het naleven van die regels en het zorgvuldig omgaan met de dieren. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is bij de rechtbank van verdachte het beeld ontstaan van iemand die het belang van deze verantwoordelijkheden onvoldoende inziet. Verdachte houdt zich voornamelijk bezig met de handel en kweek van exclusieve vogels, maar verdiept zich nauwelijks in de bijbehorende regels. Hij kiest ervoor risico’s te nemen, wetende dat de vogels waarin hij is geïnteresseerd moeilijk kweekbaar zijn en (dus) in het wild worden gevangen. Tijdens de behandeling ter terechtzitting blijkt dat verdachte nog steeds niet volledig de regels naleeft en dat hij de verantwoordelijkheden die samenhangen met zijn (sier-)vogelhandel niet overziet, terwijl de (sier-)vogelhandel thans zijn hoofdinkomen is. Dit gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel rekent de rechtbank verdachte aan.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van uitheemse vogels naar Nederland met het gevaar op verspreiding van besmettelijke dierziekten en grote risico’s voor de volksgezondheid. Deze gevaren en de risico’s heeft verdachte ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen belangen. Dit terwijl de uitbraak van besmettelijke dierziekten zeer ernstige gevolgen kan hebben voor andere dieren en zelfs voor mensen. Dat behoeft in deze tijd geen betoog meer. Omdat bij de ontdekking van dierziektes met gevaar voor de dier- en volksgezondheid snel gehandeld moet worden, is een deugdelijke administratie van de handel noodzakelijk. Verdachte administreerde de handel in vogels echter niet correct en er was geen gezondheidsprotocol aanwezig waaruit bleek dat de gezondheid van de vogels dagelijks gecontroleerd werd, dat zieke vogels op passende wijzen werden verzorgd en waarin maatregelen ter voorkoming van ziekten werden opgenomen.

Aan een aantal vogels heeft verdachte de nodige verzorging onthouden. Daardoor heeft hij het welzijn van die vogels geschaad. Dit gedrag past niet bij iemand die, naar eigen zeggen, een grote voorliefde heeft voor deze dieren.

De strafmodaliteit

De rechtbank acht de maximale taakstraf in deze zaak geboden. Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding om een voorwaardelijke beroepsverbod op te leggen, gelet op de omstandigheid dat verdachte zich thans nog beroepsmatig bezig houdt met de vogelhandel in met name exclusieve vogels. Verdachte heeft bewust gekozen voor de professionele kant van de handel door dit zijn hoofdinkomstenbron te maken. Door het opleggen van deze straf wil de rechtbank verdachte ervan weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Verdachte dient zich bewust te zijn van de geldende wet- en regelgeving die hoort bij de professionele vogelhandel en zich hieraan te houden, waarbij het voorwaardelijk beroepsverbod als stok achter de deur fungeert.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat deze de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Een voorwaardelijke gevangenisstraf is naar het oordeel van de rechtbank niet geboden.

Redelijke termijn

Verdachte is in juli 2018 als verdachte gehoord in deze zaak en de rechtbank doet thans, twee en een half jaar later, uitspraak. Gelet op de beperkte overschrijding, in combinatie met de omstandigheid dat verdachte zelf meermaals om uitstel van de behandeling van de zaak heeft verzocht, is de rechtbank van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat inbreuk is gemaakt op de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uren en een voorwaardelijke beroepsontzetting voor de duur van drie jaren met een proeftijd van drie jaren.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op:

  • -

    artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 416 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    artikelen 1, 1a, 2, 6, 7 van de Wet op de economische delicten;

  • -

    artikelen 10, 15, 101a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

  • -

    artikel 2.1 van de Regeling handel levende dieren en levende producten;

  • -

    artikelen 3.1, 3.37 en 3.38 van de Wet natuurbescherming;

  • -

    artikel 3.14 van de Regeling natuurbescherming;

  • -

    artikel 3.24 van het Besluit natuurbescherming;

  • -

    artikelen 3 en 8 van de Basisverordening EG nr. 338/97;

  • -

    artikelen 2.2, 2.7, 8.11 en 8.12 van de Wet dieren;

  • -

    artikelen 3.6, 3.7, 3.10 en 3.14 van het Besluit houders van dieren.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert de misdrijven:

feit 1 primair

A. overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan;

en

B. overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

feit 1 subsidiair

opzetheling

feit 2

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 101a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

feit 3

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3.37 van de Wet natuurbescherming, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

feit 4

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3.38 van de Wet natuurbescherming, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

feit 5

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

feit 6

een gedraging in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, meermalen gepleegd

feit 7

een gedraging in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.7 van de Wet dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen.

t.a.v. feit 1 primair, feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6, feit 7

 Een taakstraf voor de duur van 240 uren [tweehonderdveertig uren] te vervangen door 120 dagen hechtenis indien verdachte deze taakstraf niet of niet naar behoren verricht.

t.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 7

 Een ontzetting uit het recht om zich beroepsmatig bezig te houden met het kweken en handelen van vogels in welke vorm of hoedanigheid dan ook, voor de duur van drie jaren.

bepaalt dat de ontzetting uit het recht om zich beroepsmatig bezig te houden met het kweken en handelen van vogels niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van drie jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H. Slaar, voorzitter,

mr. I.S. Peskens en mr. R. van den Munckhof, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C. Pauw, griffier,

en is uitgesproken op 26 januari 2021.