Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2318

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
SHE 20/731 Tweede Tussenuitspraak
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

WIA. Tweede tussenuitspraak. Naar aanleiding van de eerste tussenuitspraak (ECLI:NL:RBOBR:2020:5352) is het UWV nader ingegaan op de in zijn ogen ontbrekende duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen van werkneemster. Ook deze motivering overtuigt de rechtbank niet. De rechtbank ziet aanleiding om de duurzaamheid van de beperkingen aan te nemen. De werkneemster is weliswaar ook volledig arbeidsongeschikt geacht, maar dat op basis van de intensieve behandeling die zou lopen tot juni 2020. Het niet beschikbaar zijn van werkneemster is daarmee niet blijvend. Het UWV zal dan ook een (tweede) FML dienen op te stellen met daarin de (duurzame) beperkingen van werkneemster, los van de gevolgde intensieve behandeling. Met deze FML zal de arbeidsdeskundige B&B moeten onderzoeken of er voor de ex-werkneemster geschikte functies zijn te duiden en welke mate van arbeidsongeschiktheid hieruit voortvloeit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/731 Tussenuitspraak II

tussenuitspraak na tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2021 in de zaak tussen

[naam 3] B.V., [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam 1] ),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: mr. A.P.J. Mijs).

Procesverloop

Met het besluit van 18 juli 2019 heeft het UWV vastgesteld dat de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van de ex-werkneemster van eiseres ongewijzigd wordt voortgezet. Dit houdt in dat de ex-werkneemster volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt wordt geacht.

Eiseres is het met dit besluit niet eens en is in bezwaar gegaan. Met het besluit van 30 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft het UWV dit bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 29 september 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [naam 2] . Het UWV is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Bij tussenuitspraak van 2 november 2020 (hierna: tussenuitspraak I) heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit gebrekkig tot stand is gekomen en heeft zij het UWV in de gelegenheid gesteld het in de tussenuitspraak genoemde gebrek te herstellen.

Het UWV heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en heeft bij brief van 13 januari 2021 (met onderliggende stukken) gereageerd.

Hierop is door eiseres gereageerd met de brief van 5 februari 2021 (met onderliggende stukken).

De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Wat vooraf is gegaan

1. Deze uitspraak bouwt voort op tussenuitspraak I. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.

2. In tussenuitspraak I heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat de verzekeringsarts Bezwaar en Beroep (B&B) onvoldoende heeft aangegeven waarom verbetering van klachten in de toekomst kan leiden tot verbetering van de arbeidsmogelijkheden van de ex-werkneemster. Hierbij is de verzekeringsarts B&B ten onrechte niet ingegaan op de door de GZ-psycholoog aangehaalde nog bestaande klachten en het doel van de afgeronde behandeling. Ook heeft de verzekeringsarts B&B miskent dat een verbetering van klachten niet automatisch leidt tot een toename van de arbeidsmogelijkheden. Tot slot is onvoldoende gemotiveerd dat verbetering van de belastbaarheid is te verwachten, omdat de huidige behandeling is gestopt in juli 2020.

3. In reactie op de tussenuitspraak heeft het UWV in zijn brief van 13 januari 2021, met als bijlage een rapportage van de verzekeringsarts B&B van 13 januari 2021, aangegeven dat de therapie zich richt op taken/bezigheden in het dagelijkse leven. Hierdoor kan op verschillende levensdomeinen, waaronder sociale contacten, lichamelijke en geestelijke verzorging en maatschappelijke bezigheden, een betere balans ontstaan. En omdat arbeid een maatschappelijke bezigheid is en behoort tot de taken en bezigheden van het dagelijkse leven, zal effect in deze behandeling ook leiden tot verbetering van de arbeidsmogelijkheden. Daarnaast schrijft de verzekeringsarts B&B dat behandeling van de ex-werkneemster haar stabiliteit verder kan vergroten. Hieruit blijkt dat er al een zekere stabilisatie is opgetreden en dat die de komende tijd nog sterker zal worden. Tot slot motiveert de verzekeringsarts B&B dat de behandelaar heeft aangegeven dat verbetering in de loop van de behandeling te verwachten is en ook al heeft plaatsgevonden. Gelet op het stappenplan zoals dat wordt gehanteerd om vast te stellen of beperkingen duurzaam zijn, kan geen sprake zijn van duurzaamheid van de beperkingen.

Wat de rechtbank ervan vindt

4. De rechtbank kan de verzekeringsarts B&B hierin niet volgen. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat hetgeen de verzekeringsarts B&B heeft geschreven in de rapportage van 13 januari 2021 slechts een herhaling van eerder ingenomen standpunten betreft, zonder nadere verduidelijking of concretisering. De door de rechtbank in tussenuitspraak I weergegeven onvolkomenheden heeft de verzekeringsarts B&B hiermee niet of in ieder geval onvoldoende weggenomen. Zo schrijft de verzekeringsarts B&B dat het evident is dat herstel met flinke ups en downs gaat en dat dit veel energie kost en dat dit onderdeel van ieder herstelproces is. Nog los van het feit dat dit weinig concreet en geïndividualiseerd is, heeft de verzekeringsarts B&B daarbij niet gemotiveerd dat de door de GZ-psycholoog beschreven en door de rechtbank in (overweging 12 van) tussenuitspraak I opgenomen (psychische) gezondheidstoestand in het geval van ex-werkneemster geen negatieve invloed hebben op de te ontwikkelen arbeidsmogelijkheden. De rechtbank acht hierbij mede van belang dat de ex-werkneemster al geruime tijd arbeidsongeschikt is, waarbij van herstel, in de zin van het ontwikkelen van arbeidsmogelijkheden, nauwelijks sprake is.

Tussenconclusie en gevolgen

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV thans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de beperkingen die ex-werkneemster heeft op 17 juli 2019 niet als duurzaam zijn aan te merken. De motivering van het bestreden besluit berust te zeer op algemene motiveringen en is te zeer gebaseerd op aannames van de ingezette langdurige behandeling om te kunnen gelden als een deugdelijke, voldoende concrete en op de situatie van ex-werkneemster toegespitste beoordeling. Het bestreden besluit is niet in lijn met de rechtspraak en het beoordelingskader en voldoet dus niet aan de eis die artikel 7:12, eerste lid, van de Awb aan een beslissing op bezwaar stelt.

6. Nu het UWV ook na tussenuitspraak I niet is geslaagd in het overleggen van een draagkrachtige motivering van het besluit dat de beperkingen van ex-werkneemster niet duurzaam zijn, is het naar het oordeel van de rechtbank niet zinvol het UWV andermaal in de gelegenheid te stellen een draagkrachtige motivering te overleggen. De rechtbank stelt daarom vast dat de beperkingen die ex-werkneemster heeft op 17 juli 2019 duurzaam zijn te achten.

7. Volgens artikel 47 van de Wet WIA heeft iemand recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering indien aan drie voorwaarden wordt voldaan:

  • -

    de betrokkene heeft de wachttijd doorlopen,

  • -

    de betrokkene is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en

  • -

    op de betrokkene is geen uitsluitingsgrond van toepassing.

8. Onder volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt volgens artikel 4 van de Wet WIA verstaan het als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat zijn om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het loon dat men verdiende voordat men ziek werd.

9. Met het oordeel dat de beperkingen die ex-werkneemster op 17 juli 2019 had duurzaam zijn, is echter nog niet gegeven dat ex-werkneemster recht heeft op een IVA-uitkering (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten). Immers, de verzekeringsarts komt in zijn rapportage van 17 juli 2019 tot de conclusie dat ex-werkneemster door de intensieve behandeling op medische gronden volledig arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Deze medische behandeling zou lopen tot juni 2020, zodat het niet beschikbaar zijn van ex-werkneemster niet blijvend is.

10. In de uitspraak van 25 juli 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een oordeel gegeven over de situatie waarbij uit de beoordeling van de verzekeringsarts blijkt dat sprake is van zeer aanzienlijke en blijvende (arbeids)beperkingen.1 Als het UWV in een dergelijk geval vindt dat geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, is het onvoldoende als de verzekeringsarts alleen een inschatting maakt dat de belastbaarheid op een slechts beperkt (deel)terrein of in slechts beperkte mate nog zal kunnen verbeteren. In een dergelijk geval moet een toereikend arbeidskundig onderzoek plaatsvinden. Dat onderzoek moet aannemelijk maken dat aan die beperkte verbetering van de belastbaarheid relevantie toekomt voor de beoordeling van de arbeidsmogelijkheden van de betrokkene en voor zijn verdienvermogen uit die arbeidsmogelijkheden. Het is namelijk mogelijk dat alleen al de beperkingen die de verzekeringsarts als blijvend heeft beoordeeld, leiden tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. In die situatie komt aan de beperkte verbetering van de belastbaarheid, zoals de verzekeringsarts die heeft vastgesteld, geen betekenis toe bij de beantwoording van de vraag of sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, omdat de betrokkene al volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is door de beperkingen die níet meer kunnen verbeteren.

11. Hiermee wordt het volgende bedoeld. Er kan sprake zijn van een situatie dat de verzekeringsarts van het UWV een deel van de beperkingen van een betrokkene duurzaam vindt (dus dat ze niet meer kunnen verbeteren) en een deel van de beperkingen niet. De verzekeringsarts moet dan een tweede Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opstellen waarin alléén de beperkingen zijn opgenomen die volgens de verzekeringsarts duurzaam zijn. Met deze FML moet de arbeidsdeskundige onderzoeken of er nog geschikte functies voor betrokkene te vinden zijn. Als uit het onderzoek van de arbeidsdeskundige blijkt dat met die FML geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid (dus 80-100%) dan wordt de betrokkene niet volledig én duurzaam arbeidsongeschikt bevonden zoals is bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA (zoals hierboven vermeld).

12. De rechtbank ziet aanleiding om de onder 10. genoemde rechtspraak van toepassing te achten op de situatie van ex-werkneemster. Het gaat hier namelijk om de situatie dat een deel van de beperkingen (de intensieve behandeling) niet duurzaam is te achten, terwijl het overige deel van de beperkingen (zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen) wel duurzaam is te achten. Het UWV zal dan ook een FML dienen op te stellen met daarin de (duurzame) beperkingen van ex-werkneemster, los van de op 17 juli 2019 gevolgde intensieve behandeling.

13. Met deze FML zal de arbeidsdeskundige B&B moeten onderzoeken of er voor de ex-werkneemster geschikte functies zijn te duiden en welke mate van arbeidsongeschiktheid hieruit voortvloeit.

Conclusie en gevolgen

14. Gelet op voorgaande overwegingen berust het bestreden besluit op een ontoereikende medische grondslag. De rechtbank ziet, uit een oogpunt van finale geschillenbeslechting, aanleiding met toepassing van artikel 8:51a Awb het UWV nogmaals in de gelegenheid te stellen het hiervoor aangeduide gebrek in het besluit te herstellen. Daartoe dient het UWV een FML op te stellen met daarin opgenomen alle beperkingen van ex-werkneemster zoals deze golden op 17 juli 2019. Vervolgens zal met een arbeidskundig onderzoek de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld moeten worden. Mocht uit dit onderzoek naar voren komen dat ex-werkneemster volledig (80-100%) arbeidsongeschikt is, dan volgt hieruit dat zij per 17 juli 2019 recht heeft op een IVA-uitkering en zal het UWV het verdere recht op IVA-uitkering dienen vast te stellen. Mocht uit het onderzoek naar voren komen dat ex-werkneemster niet volledig (35-80% of minder dan 35%) arbeidsongeschikt is, dan heeft zij geen recht op een IVA-uitkering en zal haar WIA-uitkering voor dat moment ongewijzigd worden voortgezet.

15. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.

16. Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, mededelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

17. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013.2

18. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    draagt het UWV op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

  • -

    stelt het UWV in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen in deze tussenuitspraak;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 13 april 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

1 ECLI:NL:CRVB:2014:2519.

2 ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.