Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2291

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
21/561
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet, voorlopige voorziening hangende bezwaar afgewezen, noodzaak tot sluiting i.v.m. groter geheel van drugshandel voldoende gemotiveerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 21/561

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 april 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker en

[verzoekster] , verzoekster

samen te noemen: verzoekers

(gemachtigde: mr. M.M. van der Marel),

en

de burgemeester van de gemeente Eindhoven, de burgemeester

(gemachtigde: mr. B. Timmermans en M. van de Hurk).

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2021 (het bestreden besluit), verzonden op 5 februari 2021, heeft de burgemeester besloten de woning aan het adres [adres 1] in [woonplaats] (de woning) op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten voor de duur van vier maanden.

Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld op de zitting van 31 maart 2021. Verzoeker is niet naar de zitting gekomen. Verzoekster heeft via Skype aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door hun gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

De feiten

1. Verzoekster is eigenaar van de woning. In de woning wonen ook verzoeker en hun twee minderjarige kinderen, [naam 1] van 5 jaar oud en [naam 2] van 2 jaar oud.

2. De ouders van verzoeker woonden tot voor kort op het adres [adres 2] en zij huurden een garagebox op het adres [adres 3] . Zij hebben recent hun woning moeten ontruimen en zijn vervolgens ingetrokken bij verzoekers.

3. Uit de bestuurlijke rapportage van 27 november 2020 blijkt dat naar aanleiding van een opsporingsonderzoek onderzoek is gedaan op drie adressen. Te weten de woning van verzoekers, de woning van de ouders van verzoeker en de door die ouders gehuurde garagebox. In de bestuurlijke rapportage is het volgende opgenomen.

“(…)

Naar aanleiding van een MMA-melding werd gesteld dat [naam 3] , hierna aangeduid als [naam 3] , zou handelen in verdovende middelen.

(…)

Het vooronderzoek bestond onder andere uit een aantal observaties. Uit de observaties is gebleken dat [naam 3] veelvuldig vanuit onder andere een voertuig handelde in verdovende middelen. Uit de observaties bleek verder dat er na dealcontacten met enige regelmaat teruggegaan werd naar het adres van de ouders van [naam 3] aan de [adres 2] .

Uit vooronderzoek is verder gebleken dat [naam 3] nauwelijks beschikt over een inkomen. Hij woont samen met zijn partner, medeverdachte, [verzoekster] en hun twee kinderen aan de [adres 1] in [woonplaats] . [verzoekster] beschikt ook nauwelijks over een inkomen. Daarnaast bleek tijdens het vooronderzoek dat er door [naam 3] en [verzoekster] , meer geld uitgegeven werd dan dat er officieel binnenkwam.

(…)

Verder blijkt uit de rapportage dat er tijdens de doorzoeking van de woning van verzoekers het volgende werd aangetroffen.

  • -

    48 gram (netto) hennep

  • -

    26 ongebruikte simkaarten

  • -

    een weegschaal

In de woning van de ouders van verzoeker ( [adres 2] ) is tijdens de doorzoeking het volgende aangetroffen.

  • -

    236,51 gram (netto) hennep

  • -

    een contant geldbedrag van € 87.490,–, waarvan een deel werd aangetroffen op de slaapkamer van verzoeker

In de garagebox ( [adres 3] ) werd bij de doorzoeking het volgende aangetroffen.

  • -

    een Audi RS3

  • -

    79,14 gram (netto) cocaïne

  • -

    103,38 gram (netto) heroïne

Verder is in de bestuurlijke rapportage opgenomen.

(…)

Tijdens het vervolgonderzoek werden veel getuigen gehoord en werden in beslag genomen telefoons onderzocht. Hieruit is gebleken dat [naam 3] jarenlang in verschillende drugs heeft gehandeld en geld witgewassen heeft. Zijn partner en ouders hebben rechtstreeks geprofiteerd met de drugshandel van [naam 3] .

Doordat [naam 3] niet vanuit de genoemde woningen dealde, maar rijdend, bestond er

weinig overlast van aanloop van drugsafnemers bij een van de woningen.

(…)

Het standpunt van de burgemeester

4. In het bestreden besluit heeft de burgemeester zich onder verwijzing naar artikel 13 van de Opiumwet en naar de Beleidsregels artikel 13b Opiumwet Eindhoven 2019 (het Beleid), op het standpunt gesteld dat hij bevoegd was de woning van verzoekers te sluiten. Volgens de burgemeester was hij vanwege de ernst van het geval ook genoodzaakt de woning te sluiten en heeft hij dat in redelijkheid voor de duur van vier maanden kunnen doen.

Het karakter van de procedure: een voorlopige voorziening

5. Het gaat hier om een verzoek om voorlopige voorziening. Uitgangspunt van de wet is dat het maken van bezwaar de werking van een besluit niet opschort (zie artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daartoe is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. In dat artikel is verwoord dat als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De verzoeker moet dus goede redenen hebben die maken dat hij de beslissing op zijn bezwaarschrift niet kan afwachten en een uitzondering op de hoofdregel dat het bezwaar de uitvoering van het besluit niet schorst, rechtvaardigen. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de beslissing op bezwaar. De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die in een later stadium in een eventuele bodemprocedure over de zaak beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.

Onverwijlde spoed?

6. Omdat de woning op korte termijn wordt gesloten als uitvoering wordt gegeven aan het besluit, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van ‘onverwijlde spoed’ in de zin van artikel 8:81 van de Awb.

De argumenten van verzoekers

7. Verzoekers voeren aan dat er wel hennep in huis was, maar dat dit hooguit enkele grammen waren en voor eigen gebruik. Ook voeren verzoekers aan dat de burgemeester in dit geval had moeten volstaan met een schriftelijke waarschuwing. Meteen sluiten is volgens verzoekers in strijd met het eigen beleid van de burgemeester en zodoende ook in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Volgens verzoekers blijkt ook uit relevante rechtspraak dat bij een eerste overtreding moet worden uitgegaan van een waarschuwing, tenzij sprake is van een ernstig geval. Hieruit volgt volgens verzoekers dat de burgemeester een kenbare en zorgvuldige afweging moet maken om te beoordelen of een woning moet worden gesloten, kan worden volstaan met een waarschuwing of met een andere minder ingrijpende maatregel. Volgens verzoekers biedt het beleid van de burgemeester ook voldoende mogelijkheden om te volstaan met een minder vergaande maatregel dan sluiting. De burgemeester heeft volgens verzoekers onvoldoende rekening gehouden met hun belangen. Verzoekers kunnen binnen de gestelde termijn geen vervangende woonruimte vinden en bovendien zijn de ouders van verzoeker recentelijk bij hen ingetrokken, omdat hun woning aan de [adres 2] werd ontruimd.

8. Voor zover verzoekers hebben gewezen op de eerder ingediende zienswijze, met het verzoek deze als herhaald en ingelast te beschouwen, stelt de voorzieningenrechter vast dat de burgemeester hierop in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan. Met de enkele verwijzing naar de zienswijze hebben verzoekers niet duidelijk gemaakt op welke punten het bestreden besluit onjuist of onvolledig is en waarom. De voorzieningenrechter zal hierna daarom ingaan op de door verzoekers in bezwaar en in het verzoek aangevoerde gronden.

Voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit

Beoordelingskader

9. Volgens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang als in woningen lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

10. Vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is dat mag worden aangenomen dat drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking als de aangetroffen hoeveelheid groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik. Daarbij is in beginsel aannemelijk dat de drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn, als de maximale hoeveelheid voor eigen gebruik, te weten 0,5 gram bij harddrugs en 5 gram bij softdrugs, wordt overschreden. Het is dan aan de rechthebbende op het pand om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid drugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. Als het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen. Dit betekent dat als het om een geringe overschrijding van de grens van een gebruikershoeveelheid gaat en de rechthebbende feiten en omstandigheden kan noemen waaruit volgt dat het om een hoeveelheid voor eigen gebruik zou kunnen gaan, er dan in beginsel toch geen bevoegdheid tot sluiting is en de burgemeester zal moeten motiveren waarom desondanks de conclusie gerechtvaardigd is dat de aangetroffen hoeveelheid softdrugs bestemd is voor de verkoop, aflevering en vertrekking, zodat hij niettemin bevoegd is om ter zake van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 14 maart 2018 en 4 april 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:738 en ECLI:NL:RVS:2018:1125)).

Bevoegdheid om te sluiten

11. Tussen partijen is niet in geschil dat er een hoeveel softdrugs aanwezig was in de woning van verzoekers. Volgens verzoekers zou dit wel veel minder zijn geweest dan de 48 gram waar de burgemeester vanuit gaat. Tijdens de zitting heeft verzoekster gezegd dat wellicht sprake is van een typefout en dat in er in plaats van 48 gram 4,8 gram softdrugs in de woning aanwezig kan zijn geweest, dus een gebruikershoeveelheid. De softdrugs was volgens verzoekers ook geheel voor eigen gebruik. De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in dit standpunt. In de bestuurlijke rapportage van de politie staat dat in de woning 48 gram softdrugs is aangetroffen in een heuptasje. Dat hier sprake zou zijn van een typefout vindt de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt. Ook de stelling van verzoekster ter zitting dat 48 gram softdrugs niet in een heuptasje zou passen, vindt de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekers naar voren hebben gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de bestuurlijke rapportage. De burgemeester heeft daarom uit mogen gaan van de 48 gram softdrugs die in de bestuurlijke rapportage is genoemd. Daarmee was de burgemeester bevoegd de woning van verzoekers te sluiten.

Noodzakelijkheid

12. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van de woning ook noodzakelijk was. Volgens de burgemeester maakt de woning van verzoekers deel uit van een georganiseerde of misdadige context en maakt dat dat sprake is van een zeer ernstig geval. De voorzieningenrechter volgt de burgemeester in dit standpunt. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat verzoeker jarenlang heeft gehandeld in drugs. Hierbij was ook de woning van zijn ouders betrokken en ook een door zijn ouders gehuurde garagebox. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester bij zijn beoordeling van de ernst van wat is aangetroffen in de woning van verzoekers ook mogen betrekken wat is aangetroffen in de woning van de ouders van verzoeker en in diens garagebox. Er is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een groter geheel van drugshandel waar de woning van verzoekers deel van uit maakt. Dit baseert de voorzieningenrechter mede op wat in de woning zelf is aangetroffen. Het ging daar weliswaar om een niet heel grote handelshoeveelheid softdrugs, maar in combinatie met de aangetroffen weegschaal en de 26 ongebruikte simkaarten concludeert de voorzieningenrechter dat de woning van verzoekers deel uitmaakte van het drugshandelnetwerk van verzoeker.

Tijdens de zitting heeft verzoekster gezegd dat zij de simkaarten in het verleden heeft meegenomen van haar toenmalige werkgever. De kaarten werden daar niet gebruikt en omdat haar partner een telefoonabonnement had bij Lebara dacht zij dat hij ze misschien kon gebruiken. Zij had de kaarten dus aan verzoeker gegeven en hij heeft ze weer mee naar de woning van verzoekster genomen op het moment dat hij bij haar introk. De voorzieningenrechter vindt de verklaring van verzoekster voor de aanwezigheid van de simkaarten onvoldoende omdat daaruit niet blijkt dat verzoeker ze niet zou gebruiken voor drughandel. Tijdens de zitting heeft verzoekster immers desgevraagd verklaard niet te weten of en zo ja, waarvoor verzoeker de simkaarten op dit moment gebruikt.

13. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sluiting van de woning ook noodzakelijk gelet op de doelen van woningsluiting. Het kan niet gezegd worden dat er geen kans op herhaling bestaat, enkel omdat verzoeker op dit moment nog in detentie zit. De voorzieningenrechter wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY5160). Daarin heeft de Afdeling overwogen dat de burgemeester gelet op de ernst van de situatie heeft mogen concluderen dat sluiting van de woning noodzakelijk was om te voorkomen dat de woning opnieuw zou worden gebruikt voor de georganiseerde drugshandel. De burgemeester heeft daarbij in redelijkheid geen gewicht hoeven toekennen aan de omstandigheid dat de betrokkene ten tijde van de besluitvorming was gedetineerd, reeds omdat de burgemeester op het voortduren van die detentie geen invloed had. Bovendien heeft de burgemeester er tijdens de zitting terecht op gewezen dat sluiting van de woning, die in een woonwijk ligt, ook een signaalfunctie heeft naar de omgeving van de woning. Namelijk dat gezien wordt dat wordt opgetreden tegen drugshandel.

Evenredigheid

14. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester de woning ook in redelijkheid voor de duur van vier maanden heeft kunnen sluiten. Dat een directe sluiting bij een eerste overtreding in strijd is met het eigen beleid van de burgemeester, zoals verzoekers hebben aangevoerd, volgt de voorzieningenrechter niet. Hierboven is al vastgesteld dat de burgemeester uit heeft kunnen gaan van een ernstig geval. Volgens het beleid van de burgemeester kan hij in ernstige gevallen een woning voor langere of onbepaalde tijd sluiten. Dat de burgemeester in dit geval heeft gesloten voor de duur van vier maanden is daarom niet in strijd met het beleid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is ook geen sprake van strijd met het rechtzekerheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel. In het bestreden besluit legt de burgemeester uitgebreid uit waarom hij vindt dat sprake is van een ernstig geval en waarom hij direct over gaat tot sluiting van de woning voor vier maanden. Ten slotte blijkt uit de rechtspraak niet dat bij een eerste overtreding in alle gevallen moet worden volstaan met een waarschuwing. Het uitgangspunt moet een waarschuwing zijn, maar hiervan kan in ernstige gevallen worden afgeweken1. Het beleid van de burgemeester is daarmee in overeenstemming.

15. De voorzieningenrechter is daarnaast van oordeel dat de burgemeester voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van verzoekers. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers onvoldoende aangetoond dat zij niet in staat zijn vervangende woonruimte te vinden of dat zij financieel niet in staat zouden zijn vervangende woonruimte te betalen. Met het feit dat in de woning ook twee minderjarige kinderen wonen, heeft de burgemeester voldoende rekening gehouden. De burgemeester heeft namelijk een langere begunstigingstermijn gegeven om verzoekers meer tijd te geven om naar andere woonruimte te zoeken en ook heeft de burgemeester hulp aangeboden als het verzoekers zelf niet lukt vervangende woonruimte te vinden. Tijdens de zitting heeft de burgemeester desgevraagd gezegd dat de kinderen niet op straat zullen komen te staan en dat verzoekster en de kinderen eventueel gebruik kunnen maken van een noodopvang voor gezinnen. Bij de vraag of de burgemeester in redelijkheid voor de duur van vier maanden heeft kunnen sluiten, weegt de voorzieningenrechter ook mee dat niet gezegd kan worden dat verzoekster geen enkel verwijt te maken valt. Verzoekster woonde samen met verzoeker in de woning en ook als zij niets wist van de aanwezigheid van de drugs, had zij hiervan wel redelijkerwijs op de hoogte kunnen zijn.

Conclusie

16. Gelet op het bovenstaande concludeert de voorzieningenrechter dat de burgemeester bevoegd was de woning te sluiten en dat hij dat ook in redelijkheid voor de duur van vier maanden heeft kunnen doen.

17. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.S. Verstraelen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. J.A. Meijer-Habraken, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 14 april 2021.

griffier de voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Zie de uitspraak van de Afdeling van 28-11-2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4412.