Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2266

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
370095 / KG ZA 21-248
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Onderwerp toestemming voor vakantie met minderjarige naar Kenia. De vrouw wenst met haar minderjarige kind op vakantie naar haar familie in Kenia te gaan. Haar echtgenoot weigert daarvoor toestemming te geven. De voorzieningenrechter overweegt dat van een noodzakelijke buitenlandse reis geen sprake is en wijst de vordering van de vrouw haar vervangende toestemming voor de reis met haar minderjarige kind te geven af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/370095 / KG ZA 21-248

Vonnis in kort geding van 30 april 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. P.A. van Enckevort te Venlo,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.G.J.M. van der Staak te Boxmeer.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 april 2021 met 8 producties

  • -

    de mail van mr Van der Staak van 28 april 2021 met productie

  • -

    de mondelinge behandeling op 30 april 2021 om 15.30 uur.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft een Nederlands en een Keniaans paspoort. [gedaagde] heeft een Nederlands paspoort.

2.2.

Partijen zijn gehuwd. Tussen hen is een procedure tot echtscheiding aanhangig.

2.3.

Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] [kind] (hierna: [kind] ) geboren. [kind] heeft een Nederlands en een Keniaans paspoort.

2.4.

[eiser] is van plan om samen met [kind] van 1 mei 2021 tot 23 mei 2021 naar haar familie in Kenia te reizen.

2.5.

Desgevraagd heeft [gedaagde] geen toestemming aan [eiser] gegeven om samen met [kind] naar Kenia te reizen.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert samengevat – aan haar vervangende toestemming te verlenen om met [kind] , in de periode van 1 mei tot 23 mei 2021 naar Kenia af te reizen en daar te mogen verblijven.

3.2.

Aan haar vordering heeft de vrouw – zakelijk weergegeven – ten grondslag gelegd dat zij de man heeft verzocht om toestemming te verlenen om met de minderjarige op bezoek te gaan bij haar familie in Kenia. De man heeft tot op heden geweigerd te voldoen aan de verzoeken van de vrouw en van haar advocaat. De vrouw heeft al vliegtickets gekocht voor de reis. Daarnaast heeft de school toestemming gegeven om de minderjarige één week langer van school te onthouden in verband met het familiebezoek. Op dit moment gelden er geen quarantaineverplichtingen voor reizigers vanuit Nederland naar Kenia. Daar komt bij dat de vrouw is gevaccineerd en zij ziet dan ook belemmeringen voor het bezoek in Kenia.

3.3.

De man heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling verweer gevoerd. Hij stelt dat het code oranje is in Kenia en zelfs een deel code rood. Alleen noodzakelijke reizen mogen worden gemaakt naar Kenia. In onderhavig geval is geen sprake van een noodzakelijke reis. De man is dan ook van mening dat de vrouw zonder de minderjarige dient te gaan. Bovendien mist de minderjarige onderwijs en dat acht de man niet wenselijk. Het afgelopen jaar heeft hij namelijk al veel fysieke lessen moeten missen.

4 De beoordeling

4.1.

Nu [eiser] en [kind] niet alleen de Nederlandse maar ook de Keniaanse nationaliteit hebben, is sprake van een internationaal geval en moet in de eerste plaats worden nagegaan of de voorzieningenrechter rechtsmacht en in het bevestigende geval in de tweede plaats worden beoordeeld welk recht op het geschil van partijen van toepassing is.

4.2.

Omdat [kind] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, heeft de voorzieningenrechter krachtens art. 8 lid 1 van de Brussel II bis-Verordening rechtsmacht. Op het geschil van partijen is op grond van art. 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht van toepassing.

4.3.

Omdat [eiser] op 1 mei 2021 met [kind] naar Kenia wenst af te reizen, heeft zij spoedeisend belang bij haar vordering.

4.4.

De vraag rijst of de voorzieningenrechter op grond van art. 1:253a BW [eiser] toestemming moet geven om met [kind] naar Kenia te reizen om daar haar familie te bezoeken. Zij betoogt dat zij een zware tijd achter de rug heeft omdat zij in de zorg werkt en de aanhangige echtscheidingsprocedure ook de nodige belasting met zich brengt. Zij heeft in Nederland geen familie en is er dringend aan toe om enige tijd bij haar familie door te brengen om daar op adem te komen. [gedaagde] gunt haar de reis met [kind] naar Kenia maar meent dat de op dit moment van toepassing zijnde Covid-maatregelen aan de reis met [kind] naar Kenia in de weg staan.

4.5.

Op dit moment geldt het dringende advies van de Nederlandse overheid om alleen noodzakelijke buitenlandse reizen te maken. Wat de voorzieningenrechter betreft is van een noodzakelijke reis geen sprake. Het is gezien de Corona-pandemie die de wereld heeft getroffen, niet in het belang van [kind] dat hij op dit moment met [eiser] voor familiebezoek naar Kenia vertrekt. Familiebezoek kan ook in de toekomst nog plaatsvinden als de pandemie daaraan niet meer in de weg staat. Nu [gedaagde] heeft verklaard dat hij in het geval van een familiebezoek van [eiser] naar Kenia voor [kind] kan zorgen, zou [eiser] in het geval zij zou menen dat de Corina-pandemie en het dringende advies van de Nederlandse overheid niet aan de reis in de weg staan ervoor kunnen kiezen om alleen voor familiebezoek naar Kenia af te reizen.

4.6.

De voorzieningenrechter zal de vordering van [eiser] op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, afwijzen.

4.7.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2021.1

1 type: EL coll: