Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2238

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
01/879187-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte, waaronder het op het hoofd stampen van het slachtoffer, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van dodelijk letsel gericht te zijn dat het niet anders kan zijn geweest dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank veroordeelt verdachte voor doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest.

De rechtbank bepaalt tevens dat verdachte nabestaanden een schadevergoeding moet betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0402
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879187-20

Datum uitspraak: 06 mei 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

thans gedetineerd te: P.I. Grave.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 4 juni 2020, 27 augustus 2020, 12 november 2020, 26 januari 2021 en 22 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 mei 2020.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 22 april 2021 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 februari 2020 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam te schoppen en/of te trappen en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam te stompen en/of te slaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 februari 2020 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam te schoppen en/of te trappen en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam te stompen en/of te slaan,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 februari 2020 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam te schoppen en/of te trappen en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam te stompen en/of te slaan,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Op zondag 16 februari 2020 om 07:25 uur komt bij de meldkamer van de politie Oost-Brabant een melding binnen dat een man op het trottoir aan de [adres] in Eindhoven ligt. De man is zwaar gewond, heeft bloed op zijn shirt, maar haalt nog wel adem. Wanneer de politie en ambulance ter plaatse komen, blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer] betreft. Het slachtoffer wordt naar het Catharinaziekenhuis in Eindhoven vervoerd en later wordt hij naar het Elisabeth-Tweesteden Ziekenhuis in Tilburg overgeplaatst. Diezelfde dag komt het slachtoffer te overlijden.

Verdachte wordt verweten dat hij het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd, dan wel dat hij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht met de dood ten gevolge dan wel dat hij het slachtoffer heeft mishandeld met de dood ten gevolge.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Verdachte heeft het slachtoffer (onder meer) opzettelijk op het hoofd gestampt terwijl hij op de grond lag, waarna het slachtoffer is overleden. Daarmee heeft verdachte het voorwaardelijk opzet gehad op de dood van het slachtoffer.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het slachtoffer tegen het hoofd heeft getrapt en dat geen sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood, waardoor het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Gelet op het voorgaande dient vrijspraak te volgen voor hetgeen primair ten laste is gelegd, aldus de verdediging. Ten aanzien van het subsidiaire en meer subsidiair ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Bewijsbijlage.

Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking en opsomming daarvan in de bijlage. Deze bijlage is gevoegd als bijlage A bij dit vonnis (pagina’s 16 tot en met 18).

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer, [slachtoffer] , is komen te overlijden door uitwendig, mechanisch, hevig, stomp, botsend geweld (trauma) op het hoofd met als gevolg uitgebreid schedel-hersen(vlies)letsel dat heeft geleid tot noodzaak tot hospitalisatie, een slechte neurologische toestand en uiteindelijk noodzaak tot beëindiging van de behandeling en overlijden. Ook zijn bij sectie pathologische bevindingen vastgesteld die, behoudens door stomp botsend geweld, ook zouden kunnen zijn ontstaan door overige geweldsvormen zoals smoren, verwurging en/of traumatische mechanische asfyxie.

De rechtbank overweegt dat verdachte niet heeft ontkend dat er een vechtpartij heeft plaatsgevonden tussen hem en het slachtoffer. Hij vertelt daarover, zakelijk weergegeven, dat de eerste geweldshandelingen hebben plaatsgevonden boven aan het trapje bij de ingang van de flat. Daar is over en weer met de handen/vuisten geslagen en is het slachtoffer door een klap van verdachte deels achterover van het trapje gevallen. Na de val is het slachtoffer opgestaan en naar de andere ingang aan de andere kant van de flat gelopen. Vervolgens is het slachtoffer met zijn broekriem in de hand weer op verdachte afgelopen. Verdachte heeft toen ook zijn riem gepakt en er is door zowel verdachte als het slachtoffer met de riemen geslagen. Verdachte heeft het slachtoffer daarbij ook met de gesp van zijn riem geraakt. Vervolgens heeft de vechtpartij zich verplaatst naar de parkeerplaats bij de flat. Verdachte heeft daarbij het slachtoffer in een nekklem genomen, tegen een geparkeerde auto aangeduwd en een knietje tegen zijn kin gegeven, waarna het slachtoffer op de grond is gevallen. Toen het slachtoffer op de grond lag, is verdachte naar het slachtoffer toe gelopen en heeft verdachte het slachtoffer nog een harde stamp op de borst gegeven.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verdachte het slachtoffer, terwijl het slachtoffer op de grond lag, op of tegen het hoofd heeft gestampt of tegen de borst.

Getuige [getuige] heeft bij de politie verklaard dat hij zag dat een man – waarvan later is gebleken dat dat verdachte was – een andere man (het slachtoffer) die op dat moment op de grond lag, tegen het hoofd, dan wel de schouders trapte. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige] verklaard dat hij heeft gezien dat het slachtoffer, terwijl het slachtoffer op de grond lag, door de verdachte tegen het hoofd is getrapt. Nadat [getuige] is voorgehouden dat hij bij de politie minder stellig was over het trappen tegen het hoofd, heeft [getuige] verklaard dat hij er zeker van is dat het slachtoffer niet tegen de buik is getrapt, maar dat de trap terecht is gekomen op een plek ter hoogte van de nek of daarboven. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de door [getuige] afgelegde verklaringen. Niet is gebleken dat het zicht van [getuige] werd belemmerd. Zijn verklaring komt bovendien op hoofdlijnen overeen met de verklaring die verdachte zelf over dat moment van de vechtpartij heeft afgelegd. Bovendien vindt de verklaring van [getuige] , dat het slachtoffer tegen het hoofd is getrapt, steun in de bij sectie vastgestelde ernstige letsels, zowel uitwendig als inwendig, op meerdere plaatsen, aan het hoofd van het slachtoffer.

De verklaring van verdachte, dat hij een harde stamp op de borst van het slachtoffer heeft gegeven, vindt geen steun in het dossier. Zo is op de voorzijde van de door het slachtoffer gedragen gele trui geen schoenafdruk waargenomen1, ondanks dat het die nacht regende. Ook is niet gebleken van letsels aan de schouders of (hoog op de) borst van het slachtoffer. Daarbij wijst de rechtbank erop, dat het dossier sterke aanwijzingen bevat dat de verklaring van verdachte in ieder geval op onderdelen niet naar waarheid is. Zo wordt in een telefoongesprek met zijn vriendin onder meer door verdachte gezegd dat hij ‘een eigen verhaal heeft ontworpen’.2

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte, anders dan hij daarover bij de politie en ter zitting heeft verklaard, het slachtoffer, dat op dat moment op de grond lag, met kracht op zijn hoofd heeft gestampt.

De rechtbank overweegt voorts dat zij het niet aannemelijk acht dat het slachtoffer de ernstige, dodelijke letsels reeds bij het vallen van de trap – aan het begin van het gevecht – zou hebben opgelopen. Uit het aanvullend rapport van de patholoog volgt dat het mogelijk is om na het oplopen van de bij het slachtoffer geconstateerde ernstige letsels actief te zijn, maar niet zodanig als door verdachte is beschreven, te weten het nog vechten en heen en weer lopen naar de andere zijde van de flat. Dit is volgens de patholoog in strijd met de ernstige letsels in het hoofd en op de borst, waarbij een persoon doorgaans minder actief of helemaal buiten westen geraakt.

Voorwaardelijk opzet

Vervolgens dient de rechtbank vast te stellen of sprake is van opzet aan de zijde van verdachte om te komen tot een bewezenverklaring van hetgeen primair ten laste is gelegd. De rechtbank kan op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet vaststellen dat verdachte de bedoeling heeft gehad om het slachtoffer van het leven te beroven. Dat betekent dat van ‘vol opzet’ in onderhavige kwestie geen sprake is. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer.

De rechtbank stelt bij de beantwoording van die vraag voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – aanwezig is als verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo een kans is niet alleen vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

De beantwoording van de vraag of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer hangt af van de feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Het zal in ieder geval moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen af dat verdachte één keer met grote kracht en met geschoeide voet tegen het hoofd van het op de parkeerplaats op zijn rug liggende slachtoffer heeft gestampt, terwijl het slachtoffer op dat moment weerloos en – zo moet redelijkerwijs worden aangenomen – verzwakt was als gevolg van de eerdere geweldshandelingen waaronder de toegepaste nekklem en het krijgen van een knietje van verdachte tegen het hoofd. De kans dat iemand in die omstandigheden als gevolg van dergelijk zwaar geweld tegen het hoofd, zijnde een kwetsbaar lichaamsdeel met vitale levensfuncties waaronder het brein, het leven verliest, is naar het oordeel van de rechtbank naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte, waaronder het teruglopen naar het slachtoffer om hem met kracht op zijn hoofd te stampen, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van dodelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de primair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen is.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierna in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 16 februari 2020 te Eindhoven, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door

- die [slachtoffer] met kracht op het hoofd te trappen en

- die [slachtoffer] meermalen, tegen het gezicht en tegen het hoofd te stompen en/of te slaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt de rechtbank bij bewezenverklaring van hetgeen primair ten laste is gelegd af te zien van oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank heeft bij haar beslissing over de strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij het door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch geformuleerde uitgangspunt dat bij een voltooide doodslag in de regel een gevangenisstraf voor de duur van ten minste acht jaar passend is (ECLI:NL:GHSHE:2021:197).

Daarnaast houdt de rechtbank in beginsel bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Verdachte heeft het leven van [slachtoffer] ontnomen door hem onder meer zeer hard tegen het hoofd te trappen, waardoor ernstig letsel is ontstaan waaraan het slachtoffer korte tijd later is komen te overlijden. Verdachte heeft met deze gewelddadige handelingen een onherstelbare inbreuk gemaakt op het grootste goed van een persoon, namelijk het recht op leven.

Uit de tijdens de terechtzitting namens de nabestaanden van het slachtoffer voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat de zij ernstig lijden onder het verlies van het slachtoffer en dat het gemis erg groot is. Verdachte heeft met het plegen van dit strafbare feit een onherstelbaar leed aan de nabestaanden van het slachtoffer aangedaan.

Daarnaast heeft het gewelddadige karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit laten zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om (zwaar) geweld tegen andere mensen te gebruiken. De verdachte had ervoor kunnen en moeten kiezen om weg te lopen van het slachtoffer, maar hij heeft dit nagelaten. Hij is teruggelopen naar het slachtoffer en heeft hem de fatale trap tegen het hoofd geven. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan.

Kijkend naar de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten werd veroordeeld. Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij een reeks van ernstige en minder ernstige geweldsdelicten heeft gepleegd waarbij aan hem zowel voorwaardelijke als onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen werden opgelegd. Daarnaast heeft de verdachte het onderhavige strafbare feit gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling.

Verdachte heeft bovendien geweigerd mee te werken aan het opstellen van pro justitia rapportages en de observatie in het Pieter Baan Centrum. Hierdoor is het niet mogelijk geweest onderzoek te doen naar eventuele onderliggende problematiek bij verdachte en kan een behandeladvies om recidive in de toekomst te beperken niet worden gegeven. Aan deze omstandigheden heeft de rechtbank, bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf, veel gewicht toegekend.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats en is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een bedrag van in totaal EUR 27.530,48 aan schadevergoeding. Dit bedrag bestaat uit EUR 10.030,48 aan materiële schadevergoeding (kosten lijkbezorging) en EUR 17.500,- aan immateriële schadevergoeding (bestaande uit vergoeding van affectieschade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een bedrag van in totaal EUR 18.632,77 aan schadevergoeding. Dit bedrag bestaat uit EUR 1.132,77 aan materiële schadevergoeding (kosten lijkbezorging) en EUR 17.500,- aan immateriële schadevergoeding (bestaande uit vergoeding van affectieschade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, telkens vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel nu deze vorderingen voldoende zijn onderbouwd.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling.

Materiële schade.

De rechtbank acht telkens toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte schade, de gevorderde materiële schadevergoeding. Voor benadeelde partij

[benadeelde 1] betreft dit een bedrag van EUR 10.030,48 (kosten lijkbezorging) en voor benadeelde partij [benadeelde 2] betreft dit een bedrag van EUR 1.132,77 (kosten lijkbezorging). Beide toegekende bedragen dienen te worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Affectieschade.

Affectieschade is op grond van de wet slechts toewijsbaar aan partners, ouders en kinderen. Op grond van artikel 6:108, vierde lid, sub g, van het Burgerlijk Wetboek kan hierop een uitzondering worden gemaakt en kan in uitzonderlijke gevallen affectieschade worden toegekend aan een persoon die niet tot de in de wet genoemde kring van gerechtigden behoort. De wetgever heeft in deze gevallen vergoeding enkel mogelijk gemaakt indien sprake is van een bijzondere affectieve relatie of zorgrelatie. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van een relatie die juridisch gezien als zodanig kan worden aangemerkt. Uit de slachtofferverklaring en de toelichting op de gevorderde schade blijkt weliswaar dat er sprake was van een zeer hechte familieband en dat de benadeelde partijen als broers van het slachtoffer zeer veel verdriet en pijn hebben ondervonden en nog steeds ondervinden door de plotselinge en gewelddadige dood van het slachtoffer, maar uit deze toelichting is deze door de wetgever beoogde bijzondere affectieve relatie onvoldoende gebleken. De rechtbank zal de benadeelde partijen dan ook niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de immateriële schadevergoeding bestaande uit vergoeding van affectieschade.

De benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] kunnen dit deel van hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen van materiële schadevergoeding tevens telkens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de nabestaanden van het slachtoffer bevordert, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan beide benadeelde partijen komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan beide benadeelde partijen, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] .

De benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] vorderen ieder een bedrag van EUR 17.500,- aan immateriële schadevergoeding (bestaande uit vergoeding van affectieschade), telkens vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, telkens vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel nu deze vorderingen voldoende zijn onderbouwd.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling.

Affectieschade is op grond van de wet slechts toewijsbaar aan partners, ouders en kinderen. Op grond van artikel 6:108, vierde lid, sub g, van het Burgerlijk Wetboek kan hierop een uitzondering worden gemaakt en kan in uitzonderlijke gevallen affectieschade worden toegekend aan een persoon die niet tot de in de wet genoemde kring van gerechtigden behoort. De wetgever heeft in deze gevallen vergoeding enkel mogelijk gemaakt indien sprake is van een bijzondere affectieve relatie of zorgrelatie. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van een relatie die juridisch gezien als zodanig kan worden aangemerkt. Uit de slachtofferverklaring en de toelichting op de gevorderde schade blijkt weliswaar dat er sprake was van een zeer hechte familieband en dat de benadeelde partijen als zussen van het slachtoffer zeer veel verdriet en pijn hebben ondervonden en nog steeds ondervinden door de plotselinge en gewelddadige dood van het slachtoffer, maar uit deze toelichting is deze door de wetgever beoogde bijzondere affectieve relatie onvoldoende gebleken. De rechtbank zal de benadeelde partijen dan ook niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de immateriële schadevergoeding bestaande uit vergoeding van affectieschade.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partijen veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

De benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] .

De benadeelde partij [benadeelde 5] vordert een bedrag van EUR 17.500,- aan immateriële schadevergoeding (bestaande uit vergoeding van affectieschade), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel nu deze vordering voldoende is onderbouwd.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling.

De rechtbank acht naar maatstaven van billijkheid toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de gehele vordering bestaande uit immateriële schadevergoeding (bestaande uit vergoeding van affectieschade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. Affectieschade is op grond van de wet slechts toewijsbaar aan partners, ouders en kinderen. Benadeelde partij [benadeelde 5] is de [moeder] van het slachtoffer en heeft om deze reden recht op vergoeding van affectieschade.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

art. 36f, 63, 287 van het Wetboek van Strafrecht

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. primair:

doodslag

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

BESLISSING:

T.a.v. primair:

Een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1] .

Maatregel van schadevergoeding van EUR 10.030,48 subsidiair 85 dagen gijzeling. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaande [benadeelde 1] , broer van het slachtoffer, van een bedrag van EUR 10.030,48 (zegge: tienduizend en dertig euro en 48 eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 10.030,48 materiële schadevergoeding (post: kosten lijkbezorging).

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] , broer van het slachtoffer, van een bedrag van EUR 10.030,48 (zegge: tienduizend en dertig euro en 48 eurocent), te weten EUR 10.030,48 materiële schadevergoeding (post: kosten lijkbezorging).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel, te weten de immateriële schadevergoeding (bestaande uit vergoeding van affectieschade), van de vordering niet-ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slecht bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 2] .

Maatregel van schadevergoeding van EUR 1.132,77 subsidiair 21 dagen gijzeling. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaande [benadeelde 2] , broer van het slachtoffer, van een bedrag van EUR 1.132,77 (zegge: elfhonderd tweeëndertig euro en 77 eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 1.132,77 materiële schadevergoeding (post: kosten lijkbezorging).

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] , broer van het slachtoffer, van een bedrag van EUR 1.132,77 (zegge: elfhonderd tweeëndertig euro en 77 eurocent), te weten EUR 1.132,77 materiële schadevergoeding (post: kosten lijkbezorging).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel, te weten de immateriële schadevergoeding (bestaande uit vergoeding van affectieschade), van de vordering niet-ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slecht bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 5] .

Maatregel van schadevergoeding van EUR 17.500,- subsidiair 122 dagen gijzeling. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaande [benadeelde 5] , moeder van het slachtoffer, van een bedrag van EUR 17.500,- (zegge: zeventienduizend en vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 122 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 17.500,- immateriële schadevergoeding (bestaande uit vergoeding van affectieschade).

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 5] , moeder van het slachtoffer, van een bedrag van EUR 17.500,- (zegge: zeventienduizend en vijfhonderd euro), te weten EUR 17.500,- immateriële schadevergoeding (bestaande uit vergoeding van affectieschade). Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 3] .

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding, te weten immateriële schadevergoeding (bestaande uit vergoeding van affectieschade).

Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 4] .

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding, te weten immateriële schadevergoeding (bestaande uit vergoeding van affectieschade).

Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,

mr. L. Soeteman en mr. F. Schneider, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,

en is uitgesproken op 6 mei 2021.

1 Zie pagina 631 en 632 van het proces-verbaal FO.

2 Zie pagina 411 van het proces-verbaal.