Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2234

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
01/993207-20, 01/993218-20 e.a.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissingen naar aanleiding van de regie-zittingen van 26ParkCity en 26Woodland op 13 en 15 april 2021.

Betreft onder meer onderzoekswensen in verband met Encrochat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummers:

01/993265-19 en 01/993227-21 [ [verdachte 1] ]

01/993303-19 [ [verdachte 2] ]

01/993307-20 [ [verdachte 3] ]

01/993308-20 [ [verdachte 4] ]

01/993207-20 [ [verdachte 5] ]

01/993323-20 [ [verdachte 6] ]

01/993365-20 [ [verdachte 7] ]

01/993218-20 [ [verdachte 8] ]

01/993279-20 en 01/993334-20 [ [verdachte 9] ]

01/993280-20 en 01/993335-20 [ [verdachte 10] ]

01/993281-20 [ [verdachte 11] ]

01/993309-20 [ [verdachte 12] ]

01/993316-20 [ [verdachte 13] ]

01/993324-20 [ [verdachte 14] ]

Op 4 mei 2021 te 08:45 uur hervat de rechtbank het onderzoek in de zaak tegen de veertien hiervoor genoemde verdachten.

De samenstelling van de rechtbank is als volgt:

mr. E. Boersma, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. A.E. de Kryger, leden, en

mr. C. Pauw, griffier.

Als officier van justitie fungeert mr. J.F Le Fever.

Verdachten en hun raadslieden zijn niet ter terechtzitting verschenen.

De voorzitter deelt als beslissingen van de rechtbank op de gedane verzoeken het navolgende mede:

De rechtbank merkt hierbij op voorhand op dat alle overwegingen en daaraan gekoppelde beslissingen die hierna volgen naar hun aard en inhoud – en gelet op de fase waarin de behandeling van de strafzaken zich bevindt - een voorlopig karakter hebben.

Door de betreffende raadslieden zijn diverse onderzoekswensen ingediend met betrekking tot Encrochat. Voor een deel hebben raadslieden dezelfde onderzoekswensen ingediend en in een aantal gevallen hebben raadslieden zich aangesloten bij de onderzoekswensen van de raadslieden van medeverdachten. De rechtbank zal hierna allereerst ingaan op de verschillende onderzoekswensen die zijn ingediend met betrekking tot Encrochat. Dit doet de rechtbank aan de hand van een aantal onderwerpen:

A. Toepassing EU-recht

B. Verzoeken ziende op de Frans-Nederlandse samenwerking

C. Stukken en getuigen met betrekking tot onderzoek 26Lemont

D. Betrouwbaarheidstoets Encrochatdata

E. Nog niet in het dossier bevindende Encrochatgesprekken

Ter onderbouwing van deze ingediende onderzoekswensen zijn door de betreffende raadslieden stukken uit het buitenland overgelegd.1

Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de overige onderzoekswensen die door de betreffende raadslieden zijn geformuleerd.

Ten aanzien van de verzoeken gedaan met betrekking tot Encrochat:

Inleiding Encrochat 2

Encro was een communicatieaanbieder van telefoons, waarmee middels de Encrochat applicatie versleutelde chats, bestaande uit tekstberichten en afbeeldingen, konden worden verzonden en ontvangen en waarmee onderling gebeld kon worden. Ook was het mogelijk om notities te bewaren op de telefoontoestellen. De gebruiker had niet de mogelijkheid om zelf applicaties te installeren op het toestel en was dus beperkt in het gebruik van de communicatieapplicaties die er door de leveranciers op gezet werden. Gebruikers kochten een telefoontoestel waarop de Encro applicaties vooraf geïnstalleerd waren in combinatie met een abonnement om de service te kunnen gebruiken. De duur van het abonnement was vaak 1, 3 of 6 maanden en kon verlengd worden.

Een Encrotelefoon werd geleverd met een simkaart waarmee alleen dataverkeer verzonden en ontvangen kon worden. Deze simkaart had een wereldwijde dekking.

Een Encrotelefoon kon door de gebruiker volledig worden gewist. Dit werd ook wel ‘panic-wipe’ genoemd.

Door Encrochat zijn diverse typen telefoontoestellen geleverd voor het gebruik van de Encrochat applicatie. In de periode dat er live data van de telefoons is verkregen betroffen dit de BQ Aquaris X2 en de BQ Aquaris X3/Carbon.

Middels de Encrochat applicatie konden de Encrochat gebruikers alleen onderling en 1-op-1 communicatie voeren. Er konden dus geen groepsgesprekken worden gevoerd. Deze communicatie kon tot stand komen nadat een gebruiker zijn ‘username’ stuurde naar een andere gebruiker, met het verzoek om toegevoegd te worden in diens contactenlijst. Gebruikers konden elkaars username opslaan in hun contactlijst onder een zelfgekozen omschrijving (‘nickname’). Er kon dus slechts gecommuniceerd worden met contacten in de contacten lijst en niet met elke Encrochatgebruiker waarvan de Encrochatgebruikersnaam bekend was.

Een Encro username bestond standaard, maar niet altijd, uit een combinatie van twee Engelse woorden.

Een chat kon bestaan uit tekstberichten en foto’s. Ieder bericht verliep na een vooraf ingestelde tijd, ook wel burn-time of beveiligde verwijdertijd genoemd. Deze tijd was door de gebruiker aan te passen, standaard stond hij ingesteld op zeven dagen.

Tevens kon er vanuit de chat een VoIP gesprek gevoerd worden.

Gang van zaken

Op basis van de stukken waarover de rechtbank beschikt wordt voorshands van het volgende uitgegaan:

  • -

    De in deze zaak aan de orde zijnde informatie van gebruikers van Encrochat crypto telefoons is in Frankrijk verzameld op basis van Franse strafvorderlijke bevoegdheden waarvoor een Franse rechter een machtiging heeft verleend.

  • -

    Voormelde informatie is in Frankrijk verzameld in het strafrechtelijk onderzoek naar het bedrijf Encrochat en daaraan gelieerde (natuurlijke) personen.

  • -

    In het kader van het onderzoek naar het bedrijf Encrochat is samengewerkt tussen Franse en Nederlandse opsporingsdiensten. Ten behoeve van die samenwerking is een JIT-overeenkomst gesloten.

  • -

    Omdat reeds tevoren bekend was dat binnen de georganiseerde criminaliteit in Nederland op grote schaal gebruik werd gemaakt van crypto-telefoons en daarbij behorende e-mailadressen, waaronder die van Encrochat, is als extra waarborg aan de Nederlandse rechter-commissaris een machtiging gevraagd om de informatie betreffende de Nederlandse gebruikers van cryptotelefoons of e-mailadressen van Encrochat te mogen analyseren en gebruiken in individuele strafzaken tegen klanten van Encrochat. De wettelijke basis daarvoor betreft artikel 126uba, lid 1 sub a, b, c en d Sv. De rechter-commissaris heeft, na toetsing aan dat artikel en de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, die (algemene) machtiging verleend met daarin bepaalde nadere kaders met waarborgen ten aanzien van de personen van wie en waarover data ontvangen zouden worden. Met inachtneming van die kaders zijn de verzamelde gegevens door de Nederlandse opsporingsambtenaren geanalyseerd. Indien daaruit informatie naar voren kwam die is gedeeld met een ander strafrechtelijk onderzoek is daarvoor eerst toestemming gevraagd aan de rechter-commissaris.

Er wordt vooralsnog van uitgegaan dat deze gang van zaken ook is toegepast met betrekking tot de informatie uit cryptotelefoons waarvan vermoed wordt dat deze in gebruik waren bij de verdachten.

A. Toepassing EU-recht

Er is door de verdediging bij de motivering van de onderzoekswensen verwezen naar de EU-richtlijnen 2002/58 en 2016/680, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en naar onder andere de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 oktober 2020 en 2 maart 2021. Hierbij is gesteld dat er in strijd met het EU-recht is gehandeld in onderzoek 26Lemont en in onderzoek 26ParkCity/26Woodland.

EU-richtlijn 2002/58

Zoals in artikel 3, eerste lid, van de EU-Richtlijn 2002/58 is bepaald, is deze EU-richtlijn van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in verband met de levering van openbare elektronische-communicatiediensten over openbare communicatienetwerken in de Gemeenschap. De rechtbank overweegt dat uit artikel 1, derde lid, van EU-Richtlijn 2002/58 blijkt dat deze richtlijn niet van toepassing is op de activiteiten van de staat op strafrechtelijk gebied. De genoemde arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 oktober 2020 maken dit niet anders, nu deze arresten zien op een door nationale overheden opgestelde nationale regeling en het in onderhavige zaak gaat om een door de Franse autoriteiten uitgevoerd strafrechtelijk onderzoek. De arresten zien dus op een andere situatie dan de onderhavige. Hetzelfde geldt voor de overige aangehaalde arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Digital Rights, Tele2, Ministerio Fiscal, Privacy International en La Quadrature du Net). In geen van de arresten was, anders dan in de onderhavige situatie, de telecomaanbieder als verdachte aangemerkt.

EU-richtlijn 2016/680

De EU-richtlijn 2016/680 beoogt te waarborgen dat gegevens die door rechtshandhavingsautoriteiten worden verzameld op een wettige en eerlijke wijze worden verwerkt, voor bepaalde legitieme doelen worden verzameld en verwerkt, en op passende wijze worden beschermd tegen ongeoorloofde en onrechtmatige verwerking.

Deze richtlijn is door Nederland geïmplementeerd in de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Een rechtstreeks beroep op de richtlijn is daarmee niet meer mogelijk. Wel dient de betreffende wetgeving richtlijnconform te worden geïnterpreteerd. Uit hetgeen is aangevoerd is niet gebleken dat de Nederlandse wetgeving en haar toepassing op dit punt strijdig is met deze richtlijn of dat de wettelijke voorschriften in dit geval niet zijn gevolgd.

Handvest

Betoogd is dat de wijze van bewaren en gebruiken van de Encrochatdata onrechtmatig zou kunnen zijn en dat dat een schending van artikel 7, 8 en 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zou kunnen opleveren. De rechtbank overweegt dat vooralsnog niet gebleken is van enige onrechtmatigheid met betrekking tot het bewaren en gebruiken van de Encrochatdata, nog afgezien van wat dat in deze zaak tot gevolg zou kunnen hebben.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank op dit moment van oordeel dat voor zover de verdediging ter onderbouwing van haar onderzoekswensen heeft verwezen naar de hiervoor aangehaalde EU-richtlijnen, het Handvest en arresten, dat onvoldoende is voor toewijzing van de verzoeken.

Prejudiciële vragen

Voor zover er nog door raadslieden is verzocht prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, wijst de rechtbank dit verzoek op dit moment af. De rechtbank kan pas na het inhoudelijke debat aan de hand van de feiten beslissen of het stellen van vragen noodzakelijk is als bedoeld in artikel 267 VWEU. Op dit moment is het stellen van deze vragen dan ook prematuur.

Verzoeken ziende op de Frans-Nederlandse samenwerking

Verzocht is om diverse stukken ter inzage en/of voeging te verstrekken en om diverse getuigen te horen om vervolgens – zo begrijpt de rechtbank – te toetsen wat de gang van zaken is geweest voorafgaand aan de inzet van de ‘interceptietool’ in Frankrijk, of deze ‘interceptietool’ rechtmatig is ingezet en of er door een mogelijke onrechtmatige inzet sprake is van schending van artikel 6 van het EVRM.

Er is in dat kader aangevoerd dat Nederland een grotere rol heeft gehad bij de Encrochathack in Frankrijk dan door het Openbaar Ministerie is en wordt gepresenteerd en dat het internationale vertrouwensbeginsel op basis hiervan geen stand kan houden. Ook is er aangevoerd dat gelet op de grootte van het onderzoek naar Encrochat en de enorme impact hiervan de verdediging de gelegenheid moet krijgen alles tegen het licht te houden. Er is verzocht om verschillende stukken in te kunnen zien en/of in het dossier te voegen, zodat de verdediging de rechtmatigheid van het optreden in Frankrijk kan toetsen. Hiertoe zijn verschillende stukken uit Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk ingebracht, zoals hiervoor gemeld.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. Vooropgesteld wordt dat (vooralsnog) niet is gebleken dat de Encrochatdata onrechtmatig zijn verkregen. Uit de stukken uit Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk trekt de verdediging de conclusie dat Nederland grotere betrokkenheid heeft gehad dan is en wordt gesteld door het Openbaar Ministerie en dat de verdediging daarom de rechtmatigheid moet kunnen toetsen. Het Openbaar Ministerie benoemt in de brief van 28 september 2020 dat voorafgaande aan het JIT in Nederland al een strafrechtelijk onderzoek liep naar Encrochat, en dat dat in Frankrijk ook het geval was. Het Openbaar Ministerie geeft aan dat voorafgaande aan het ondertekenen van de JIT-overeenkomst in Frankrijk de toetsing van het gebruik van de ‘interceptietool’ door de Franse rechter heeft plaatsgevonden. Dit is gebeurd zonder dat Nederland daar ter onderbouwing feiten en omstandigheden voor heeft aangedragen. Dit houdt in dat door een Franse machtiging in een Frans onderzoek een hack heeft plaatsgevonden op Frans grondgebied. Zelfs al zou de rol van de Nederlandse autoriteiten dus veelomvattender zijn dan tot nu toe het geval leek te zijn, dan is het naar oordeel van de rechtbank nog steeds een onderzoek dat onder de Franse regelgeving heeft plaatsgevonden. Op grond van het vertrouwensbeginsel ligt dit onderzoek niet ter toetsing voor. Wel is het aan de Nederlandse rechter om te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.

In HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629, is immers bepaald:

Ten aanzien van onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten van een andere tot het EVRM toegetreden staat, is de taak van de Nederlandse strafrechter ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd, strookt met de dienaangaande in het desbetreffende buitenland geldende rechtsregels (vgl. HR 18 mei 1999, NJ 2000/107).

Het vertrouwen dat de tot het EVRM toegetreden staat de bepalingen van dat verdrag eerbiedigt en dat de verdachte in geval van schending van enig ander recht dan zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dat hem in dat verdrag is toegekend, het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van die staat brengt voorts mee dat niet ten toets staat van de Nederlandse strafrechter of in het recht van het desbetreffende buitenland al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de door de verrichte onderzoekshandelingen eventueel gemaakte inbreuk op het recht van de verdachte op respect voor zijn privéleven, zoals bedoeld in art. 8, eerste lid, EVRM, en of die inbreuk geacht kan worden noodzakelijk te zijn, zoals bedoeld in het tweede lid van die bepaling. Daarbij neemt de Hoge Raad tevens in aanmerking dat (i) gelet op de rechtspraak van het EHRM aan een niet gerechtvaardigde inbreuk op het door het eerste lid van art. 8 EVRM gewaarborgde recht in de strafprocedure tegen de verdachte geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden, mits zijn recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM wordt gewaarborgd (vgl. EHRM 12 mei 2000, nr. 35394/97, NJ 2002/180 (Khan tegen Verenigd Koninkrijk) en EHRM 25 september 2001, nr. 44787/98, NJ 2003/670 (P.G. en J.H. tegen Verenigd Koninkrijk) en (ii) het in de Nederlandse strafzaak niet ten toets staande buitenlandse recht van doorslaggevende betekenis is voor de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van een dergelijke inbreuk.

Gelet op hetgeen reeds is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat thans onvoldoende is onderbouwd waarom aan het vertrouwensbeginsel voorbij moet worden gegaan. Evenmin is er een begin van aannemelijkheid dat de wijze waarop van de resultaten van voornoemd onderzoek in de strafzaken tegen de verdachten gebruik wordt gemaakt, een inbreuk maakt op het recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.

Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek ter inzage en/of voeging van de volgende stukken af:

  1. Het eerste verzoek van Frankrijk aan Nederland binnen Eurojust in april 2019;

  2. De rechtshulpverzoeken die zijn gedaan aangaande Encrochat c.q. daarop gegeven antwoorden van beide landen over een weer;

  3. Verslagen van de overleggen die er op politioneel en/of justitieel niveau zijn geweest sinds februari 2019.

  4. De JIT-overeenkomst;

  5. De ‘compliance’-documenten van de JIT-overeenkomst;

  6. Alle processen-verbaal aangaande informatie die voor de vorming van het JIT door de Franse autoriteiten is verzameld en later zijn ingevoegd in het JIT;

  7. Een aanvullend proces-verbaal van de verantwoordelijke officier van justitie (26Lemont) waarin wordt ingegaan op vragen van de verdediging over wat heeft plaatsgevonden voorafgaand en gedurende het JIT-onderzoek;

  8. Alle bevelen van in het buitenland betrokken rechters/officieren van justitie en de aanvragen en afwijzingen m.b.t. Encrochat;

  9. De (vertaalde) Franse rechtelijke machtigingen, verlengingen en de vorderingen daartoe;

  10. De (vertaalde) Franse processen-verbaal aangaande de wijze waarop de vergaarde informatie is verzameld en de wettelijke basis daarvan;

  11. Alle officiële overheidsstukken uit het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk die aldaar in lopende procedures door de vervolgende instantie worden ingebracht in het kader van Encrochat;

  12. Alle (officiële) overheidsstukken (Verenigd Koninkrijk en Frankrijk) uit disclosure-procedures;

  13. Een afschrift van de (diplomatieke) klacht(en) door Nederland bij het Verenigd Koninkrijk naar aanleiding van de disclosure van relevante informatie omtrent de Encrochathack;

  14. De brief die het LP naar alle officieren van justitie heeft gestuurd die in Encrochatzaken optreden over het geschade vertrouwen door het Verenigd Koninkrijk;

Gelet op het voorgaande en aangezien onvoldoende is gebleken dat het horen van deze getuigen van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing, wijst de rechtbank tevens af het verzoek tot horen van de getuigen:

  • -

    Franse officier van justitie Antione Berthelot;

  • -

    Nederlandse officier van justitie [officier van justitie 1];

  • -

    Nederlandse officier van justitie [officier van justitie 2];

  • -

    [getuige 1] ;

  • -

    [getuige 2] ;

  • -

    [getuige 3] ;

  • -

    [getuige 4] ;

  • -

    [getuige 5] ;

  • -

    De Franse Juges des libertés et de la détention Sandrine Normand, Valerie Lecrohart, Hughes Mory en Ali Haroune;

  • -

    [getuige 6] .

Stukken en getuigen met betrekking tot onderzoek 26Lemont

In de onderzoeken 26Parkcity en 26Woodland is gebruik gemaakt van informatie die verkregen is in onderzoek 26Lemont. Deze informatie is in beide onderzoeken gedeeld op basis van toestemming van de officier van justitie in onderzoek 26Lemont (p. 3-033 en 3-083) ex artikel 126dd Wetboek van Strafvordering. Dit is slechts mogelijk als deze beide onderzoeken eerst op de lijst geplaatst zijn horende bij de verstrekte machtiging ex artikel 126uba Wetboek van Strafvordering van de rechter-commissaris in onderzoek 26Lemont (p. 3-077 en 3-078).

Op dit moment is niet geheel inzichtelijk op welke wijze beide onderzoeken op die lijst terecht zijn gekomen, en evenmin is daarvan in deze specifieke onderzoeken een schriftelijke bevestiging van de rechter-commissaris. De officier van justitie heeft toegezegd te kunnen voorzien in:

  • -

    een proces-verbaal waarin zal worden uitgelegd wanneer en op welke manier men is gestuit op de verdachten van onderzoek 26Parkcity;

  • -

    een proces-verbaal van de rechter-commissaris waarin staat dat hij 26Parkcity aan de lijst van zaken had toegevoegd die mogen putten uit de 26Lemont-data.

De rechtbank draagt de officier van justitie op deze processen-verbaal (ziende op beide onderzoeken, met betrekking tot 26Woodland zo nodig in aangepaste versie nu de rechtbank niet weet op welke wijze een en ander in dat onderzoek heeft vorm gekregen) toe te voegen aan het dossier.

Het openbaar ministerie heeft meermalen te kennen gegeven dat 26Lemont een onderzoek is naar Encrochat als verdachte en naar daaraan gelieerde personen. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de stelling dat de verdachten in de onderzoeken 26ParkCity en 26Woodland ook specifiek onderwerp van onderzoek waren in onderzoek 26Lemont. De rechtbank neemt hierin mee dat onderzoek 26ParkCity al sinds 28 mei 2019 gaande was, en dus al liep lang voor dat er informatie gedeeld werd vanuit onderzoek 26Lemont. Het onderzoek 26Woodland is op 13 mei 2020 opgestart nadat vanuit onderzoek 26Lemont afschermprocessen-verbaal zijn verstrekt.

Verschillende raadslieden hebben een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, met betrekking tot de doorwerking van vormverzuimen. In dat arrest is beslist dat de begrenzing van artikel 359a Wetboek van Strafvordering tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” niet uitsluit dat een rechtsgevolg wordt verbonden aan een onrechtmatige handeling die buiten het bereik ligt van artikel 359a Wetboek van Strafvordering, dus (onderzoeks)handelingen die buiten het kader van het voorbereidend onderzoek plaatsvinden. Echter, ook dan geldt onverkort dat het daarbij moet gaan om onrechtmatig handelen “jegens de verdachte”. Er is vooralsnog geen begin van aannemelijkheid dat er sprake is van een vormverzuim jegens verdachte(n) in onderzoek 26Lemont dat een schending van artikel 6 EVRM in de huidige procedure oplevert.

Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek ter inzage en/of voeging van de volgende stukken af:

  • -

    Het dossier van onderzoek 26Lemont;

  • -

    Alle informatie vanuit 26Lemont met betrekking tot de gebruikersnamen die gekoppeld worden aan deze verdachten;

  • -

    Een aanvullend proces-verbaal van de verantwoordelijke officier van justitie (26Lemont) waarin wordt ingegaan op vragen van de verdediging over wat heeft plaatsgevonden voorafgaand en gedurende het onderzoek 26Lemont;

  • -

    Alle (schriftelijke en mondelinge) informatieverstrekking vanuit het Openbaar Ministerie aan de rechter-commissaris aangaande onderzoek 26ParkCity of (een van) de medeverdachte(n);

  • -

    Het proces-verbaal van verdenking jegens Encrochat en daaraan gelieerde personen dat is gebruikt ter onderbouwing van de aanvraag d.d. 13 maart 2020 aan de Rotterdamse rechter-commissaris om een machtiging ex artikel 126uba Wetboek van Strafvordering af te geven;

  • -

    Een afschrift van de aan de rechter-commissaris overhandigde lijst van onderzoeken;

  • -

    De vordering en onderliggende processen-verbaal, machtiging of verlenging van de rechter-commissaris en bevelen met betrekking tot de artikelen 126t en/of 126uba Wetboek van Strafvordering in 26Lemont;

  • -

    Alle vorderingen, afwijzingen en bevelen ex 126uba of anderszins welke in het kader van de Encrochatzaak voorhanden zijn bij het Openbaar Ministerie;

  • -

    Aanvullend proces-verbaal opgemaakt door de zaaksofficieren uit onderzoek 26Lemont aangaande de analyse van informatie die gedeeld is met het onderzoeksteam in onderzoek 26ParkCity;

  • -

    Een (aanvullend) proces-verbaal met betrekking tot de vragen wie, waarom, op welke wijze en met welke zoektermen heeft gezocht naar de betreffende informatie in de Encrochatdata en op grond waarvan men meende bepaalde personen of stukken informatie aan elkaar te mogen koppelen;

  • -

    De schriftelijke vastlegging van het doel van het verwerken, bewaren en gebruiken van de bulk Encrochatdata, waarin zich ook alle Encrochatdata bevond die onderdeel uitmaakt van onderhavig dossier, ook voordat deze formeel aan het onderhavig dossier werd toegevoegd, waaronder alle Encrochatdata die wordt toegeschreven aan cliënt, als genoemd in art. 9 lid 2 Wpg;

  • -

    De gegevensbeschermingseffectbeoordeling(en) die ex art. 4c Wpg is/zijn opgemaakt, betreffende de data als genoemd onder 1;

  • -

    Het/de register(s) dat/die ex. art. 31d lid 1 Wpg is/zijn opgemaakt door de verwerkingsverantwoordelijke in verband met de onder 1 genoemde data;

  • -

    Alle registers die ex art. 31d lid 2 Wpg zijn opgemaakt, in verband met de onder 1 genoemde data;

  • -

    Alle documentatie als genoemd in art. 32 Wpg, in verband met de onder 1 genoemde data;

  • -

    Alle verslagen van eventuele audits die ex art. 33 lid 1 Wpg hebben plaatsgevonden, waaronder de afschriften van de controleresultaten die zijn verstuurd aan de Autoriteit Persoonsgegevens ex. art. 33 lid 2 Wpg, in verband met de onder 1 genoemde data;

  • -

    Een volledig verslag van de voorafgaande raadpleging van de Autoriteit Persoonsgegevens, ex. art. 33b Wpg, in verband met de onder 1 genoemde data, vergezeld van alle stukken die in dit verband aan de Autoriteit Persoonsgegevens zijn gestuurd en de schriftelijke reacties c.q. adviezen die de Autoriteit Persoonsgegevens heeft gegeven;

  • -

    Een volledig verslag van de Autoriteit Persoonsgegevens, vergezeld van onderliggende stukken, over de wijze waarop het toezicht en de bevoegdheden ex. art. 35b en 35c Wpg zijn aangewend in verband met de data als genoemd onder 1, waarbij de verdediging ook wenst te worden geïnformeerd of zij op enigerlei wijze vooraf om toestemming is gevraagd, om de onderhavige data te verwerken, bewaren en/of gebruiken en zo ja, hoe dat plaatsvond en op welke wijze daarop is gereageerd;

  • -

    een logbestand dat voldoet aan alle vereisten die de wetgever daaraan in de artikelen 5 t/m 7 van het Besluit onderzoek in geautomatiseerde werken heeft gesteld;

  • -

    de op basis van dat Besluit vereiste goedkeuringen, testrapporten of daarmee conform de regelgeving overeenkomende Franse documenten ten aanzien van het ingezette technische hulpmiddel.

Gelet op het voorgaande en aangezien onvoldoende is gebleken dat het horen van deze getuigen van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing wijst de rechtbank tevens af het verzoek tot horen van de getuigen:

  • -

    [getuige 7] ;

  • -

    [getuige 8] ;

  • -

    De officieren van justitie van het Landelijk Parket LAP0796, LAP0797 en LAP0798;

  • -

    Rechter-commissaris [rechter-commissaris].

Betrouwbaarheidstoets Encrochatdata

Er zijn verschillende onderzoekswensen ingediend met betrekking tot de ‘chain of evidence’ van de Encrochatdata. De rechtbank verstaat dat, conform de toezegging van de officier van justitie in de mail van 22 april 2021, rapportages van het NFI worden opgemaakt en verstrekt over de betrouwbaarheid van de inhoud van de chats zoals afkomstig uit 26Lemont en over wat er in Hansken inzichtelijk is van de informatie die door de interceptietool is verkregen. Gelet hierop is er naar het oordeel van de rechtbank thans geen noodzaak tot toewijzing van deze onderzoekswensen en wijst de rechtbank deze aldus af.

Nog niet in het dossier bevindende Encrochatgesprekken

De rechtbank verstaat dat de raadslieden, conform de toezegging van de officier van justitie in de brief van 6 april 2021, desgewenst inzage kunnen krijgen in het politiedossier bij het NFI, waaronder in de zich nog niet in het dossier bevindende Encrochatgesprekken. Met betrekking tot de Encrochatgesprekken die aan de cliënt van de betreffende raadsvrouw/raadsman worden toegerekend, heeft de officier van justitie te kennen gegeven dat die aan hen verstrekt zullen worden.

Gelet op het bovenstaande, acht de rechtbank de verstrekking van alle Encrochatgesprekken, zoals verzocht door een aantal raadslieden, thans niet noodzakelijk en wijst zij dit verzoek af. De verdediging kan een gemotiveerd verzoek doen voor de voeging van specifieke gesprekken wanneer zij de noodzaak hiertoe zien.

Ten aanzien van de verzoeken gedaan met betrekking tot het horen van getuigen:

De rechtbank ziet gelet op de aard van de zaak en de opbouw van het dossier aanleiding om met betrekking tot alle toegewezen getuigen op voorhand te bepalen dat deze verhoren toegevoegd zullen worden in de dossiers van alle verdachten. Dat betekent dat de rechtbank alle raadslieden in de gelegenheid zal stellen de betreffende verhoren bij te wonen.

De rechter-commissaris zal de raadslieden op de hoogte (laten) stellen wanneer de getuigen worden gehoord. De raadslieden dienen vervolgens uiterlijk 7 dagen voorafgaand aan de verhoren aan de rechter-commissaris aan te geven of zij aanwezig zullen zijn. De agenda van de rechter-commissaris is bij de planning van de verhoren leidend; indien de raadslieden verhinderd zijn, zullen zij voor vervanging zorg moeten dragen. De bevoegdheid tot het stellen van vragen tijdens het bijwonen van die verhoren is steeds beperkt tot het geval dat de inhoud van de verklaring van de getuige tijdens het verhoor relevant is voor de in de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering te beantwoorden vragen in de zaak tegen de verdachte voor wie de raadsvrouw/raadsman het verhoor bijwoont. De rechtbank gaat ervan uit dat de raadslieden, zoals sommigen ook reeds hebben toegezegd, zich hier terughoudend in op zullen stellen.

A. Het horen van de medeverdachten als getuige

De rechtbank ziet aanleiding om de getuigenverhoren van de medeverdachten, die door verschillende raadslieden zijn verzocht, toe te wijzen. Het betreft het verzoek om getuigen te horen die tevens als verdachten van deelname aan een crimineel samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 11B Opiumwet zijn aangemerkt. Hoewel deze verdachten tot op heden niet of zeer beperkt inhoudelijk hebben verklaard, ziet de rechtbank ten aanzien van deze getuigen een verdedigingsbelang. De getuigenverhoren zullen worden afgenomen door de rechter-commissaris en een verdachte zal niet als getuige worden gehoord in zijn eigen strafzaak.

De rechtbank wijst toe het verzoek tot horen van de getuigen (niet als getuige in eigen strafzaak):

  • -

    [verdachte 1]

  • -

    [verdachte 2]

  • -

    [verdachte 3]

  • -

    [verdachte 4]

  • -

    [verdachte 5]

  • -

    [verdachte 6]

  • -

    [verdachte 7]

  • -

    [verdachte 8]

  • -

    [verdachte 9]

  • -

    [verdachte 10]

  • -

    [verdachte 11]

  • -

    [verdachte 12]

  • -

    [verdachte 13]

  • -

    [verdachte 14]

Een aantal raadslieden heeft eveneens verzocht medeverdachte [medeverdachte] te horen. Aangezien de heer [medeverdachte] op 12-12-2020 overleden is, is dit verzoek niet voor toewijzing vatbaar. Dit verzoek wijst de rechtbank dan ook af.

Het horen van de overige getuigen

De rechtbank zal hierna een aantal specifieke verzoeken van raadslieden tot het horen van getuigen honoreren. Deze verzoeken zijn door de desbetreffende raadslieden naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd.

Ten aanzien van de overige verzoeken gedaan door mr. Flokstra namens verdachte [verdachte 1] :

A. Verstrekken van digitaal dossier aan verdachte in de P.I.

De rechtbank wijst het verzoek tot het verstrekken van een digitaal dossier aan verdachte in de P.I. af. Zij overweegt hiertoe dat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd, nu niet is gebleken dat het niet mogelijk is het fysieke dossier in de P.I. in te voeren.

Ten aanzien van de overige verzoeken gedaan door mr. Kint namens verdachte [verdachte 2] :

A. Verstrekken van geluidsopnames OVC

De rechtbank verstaat dat de officier van justitie, conform haar toezegging in de brief van 6 april 2021, de geluidsopnames van de opgenomen vertrouwelijke communicatie in de periode van 7 februari 2020 tot en met 23 juni 2020 in de Porsche Cayenne zal verstrekken.

Verstrekken van digitaal dossier aan verdachte in de P.I.

De rechtbank verstaat dat de officier van justitie, conform haar toezegging in de brief van 6 april 2021, zal overgaan tot dossierverstrekking aan verdachte via een USB-stick.

Voorlopige hechtenis

De raadsman heeft eerst verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen vanwege het ontbreken van ernstige bezwaren en gronden.

De rechtbank heeft, net als de officier van justitie en de verdediging, geconstateerd dat verdachte nauwelijks voorkomt in de zaaksdossiers die zien op de twee concreet ten laste gelegde cocaïne leveringen. Op de momenten dat de naam of de veronderstelde gebruikersnaam van verdachte wel voorkomt, is een rechtstreekse link met voornoemde twee leveringen niet te leggen. Met inachtneming van de toezegging van de officier van justitie dat het bij het onder feit 1 tenlastegelegde gaat om deze twee concrete leveringen, is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er thans onvoldoende ernstige bezwaren zijn voor feit 1.

Voor wat betreft feit 2 en 3 is de rechtbank van oordeel dat er nog steeds voldoende ernstige bezwaren zijn, zoals ook al eerder is aangenomen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die dit oordeel thans anders maken.

De recidivegrond is de enige grond waar de voorlopige hechtenis van verdachte nog op is gebaseerd. De raadsman heeft betoogd dat deze grond niet aanwezig is gelet op de blanco documentatie en de duur van de voorlopige hechtenis.

De rechtbank is echter van oordeel dat de recidivegrond nog steeds aan de orde is. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de thans aan verdachte verweten feiten dusdanig van aard zijn dat alleen al daaruit een ernstig gevaar voor herhaling kan worden afgeleid aangezien het kennelijk voor verdachte moeilijk is zich niet op te houden in kringen waarin op grote schaal in georganiseerd verband wordt gehandeld in verdovende middelen. Hoewel er op dit moment geen ernstige bezwaren meer zijn voor de verdenking zoals onder feit 1 ten laste is gelegd, maakt dat niet dat de veronderstelde rol van verdachte kleiner is geworden. Op basis van het dossier zou kunnen worden geconcludeerd dat verdachte gedurende de gehele tenlastegelegde periode een erg actieve rol had binnen de criminele organisatie en dat hij als rechterhand fungeerde van hoofdverdachte [verdachte 1] . Uit chatberichten kan worden afgeleid dat verdachte door [verdachte 1] werd gevraagd om in het diepste geheim een Van Gogh schilderij op te halen en dat hij dat ook daadwerkelijk gedaan heeft (p. 6-3078 en 6-3083). Het bedrijf van verdachte wordt gekoppeld aan een cocaïnetransport naar Engeland en bij verdachte zijn wapens aangetroffen. Al met al is de rechtbank, met name gelet op de veronderstelde rol van verdachte in de criminele organisatie en het gebruik van versleutelde communicatie, van oordeel dat het recidivegevaar wel degelijk aanwezig is.

Tot slot heeft de raadsman verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis aangezien het gestelde recidivegevaar ook ondervangen zou kunnen worden door het stellen van voorwaarden. Met betrekking tot het strafvorderlijk belang heeft de raadsman gewezen op de voortgang van de procedure. Voor wat betreft het persoonlijk belang van verdachte is gesteld dat het eigen bedrijf van verdachte moet worden onderhouden.

Op dit moment is nog onduidelijk wanneer de zaak inhoudelijk zal worden behandeld. Hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de recidivegrond maakt dat het ingewikkeld is om schorsingsvoorwaarden te formuleren passend bij dat gedrag.

De rechtbank acht daarom nadere informatie omtrent de mogelijkheid van elektronisch toezicht noodzakelijk bij de afweging met betrekking tot de beslissing omtrent de schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank draagt de officier van justitie op om een reclasseringsrapportage op te laten stellen met betrekking tot de mogelijkheid van elektronische controle.

Daarnaast acht de rechtbank zich graag voor de komende zitting voorgelicht door de officier van justitie omtrent welke schorsingsvoorwaarden te formuleren zijn die passen bij het recidivegevaar in deze zaak, waarbij bijvoorbeeld (en niet uitputtend) gedacht kan worden aan de mogelijkheid van borgsommen, het inleveren van reisdocumenten of andere bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft deze informatie nodig teneinde te onderzoeken of een schorsing van de voorlopige hechtenis tot de mogelijkheden behoort. Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis zal gelet op het bovenstaande worden afgewezen.

Ten aanzien van de overige verzoeken gedaan door mr. Van Boom namens verdachte [verdachte 3] :

A. Verstrekken van digitaal dossier aan verdachte in de P.I.

De rechtbank wijst het verzoek tot het verstrekken van een digitaal dossier aan verdachte in de P.I. af. Zij overweegt hiertoe dat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd, nu niet is gebleken dat het niet mogelijk is het fysieke dossier in de P.I. in te voeren.

Voorlopige hechtenis

De raadsman heeft eerst verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen vanwege het ontbreken van ernstige bezwaren en gronden, subsidiair omdat de situatie van artikel 67a, derde lid, Wetboek van Strafvordering van toepassing is. De rechtbank acht de ernstige bezwaren en de gronden waarop de voorlopige hechtenis van verdachte is gebaseerd onverkort aanwezig.

Specifiek met betrekking tot het verweer dat is gevoerd tegen het bestaan van ernstige bezwaren ten aanzien van feit 1 merkt de rechtbank op dat:

  • -

    uit de uitwerking OVC Porsche [kenteken] van donderdag 26 maart 2020 blijkt dat verdachte die dag onderweg is met medeverdachte [verdachte 2] en later ook [verdachte 1] . Die dag wordt meermalen tussen hen gesproken over ‘lijnen’, zo zegt verdachte dat hij een hasj-lijn met [naam 1] had (p. 6-3370). Verdachte verdient soms ook met de verkoop van wiet (p. 6-3371). Er wordt gesproken over ‘blokken’, een gangbare term voor verdovende middelen in sommige kringen. Verdachte heeft twee blokken verkocht aan iemand uit Estonia (p. 6-3371). Ook op p. 6-3375 wordt gesproken over blokken en lijnen opzetten. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte kennelijk met medeverdachten [verdachte 2] en [verdachte 1] uitgebreid spreekt over de handel in verdovende middelen. Het lijkt er niet op dat dit de eerste keer is dat hij dit doet;

  • -

    na politieacties bij beide veronderstelde transporten ‘ [naam 2] ’ op de hoogte wordt gesteld, dan wel zelf actief vraagt naar wat er is gebeurd (18 mei 2020: p. 6-020 en 6-021, 4 juni 2020 p. 6-133). Op 4 juni 2020 wordt door hem gevraagd of alleen ‘ [naam 3] ’ en ‘ [naam 4] ’ zijn gepakt;

  • -

    ‘ [naam 2] ’ zich op 4 juni 2020 inspant enkele cryptotelefoons van die dag opgepakte verdachten op afstand te laten wissen, waarbij het gaat om zowel telefoons met het systeem Encrochat als het systeem van Sky ECC (PV 19002-2233);

  • -

    (ook met betrekking tot feit 2) in elk geval in één van de bij verdachte thuis aangetroffen telefoons gebruik lijkt te zijn gemaakt van een andere manier van encryptie, te weten Sky ECC (p. 4-538). Dat betekent dat verdachte door de politie in verband wordt gebracht met het gebruik van twee verschillende soorten cryptosystemen, welke systemen kennelijk gelinkt worden aan meerdere verdachten in dit onderzoek, en waarover ook met verdachte werd gesproken (p. 6-1116).

De rechtbank is van oordeel dat er sprake van gevaar voor herhaling is, gelet op de aard van de aan verdachte verweten gedragingen en de omstandigheid dat de verweten handel in cocaïne in georganiseerd verband zou hebben plaatsgevonden. Verdachte wordt ervan verdacht tot de inner circle van het crimineel samenwerkingsverband te behoren waarbij de communicatie verliep via Encrochat en het systeem Sky ECC. In de berichten van Encrochat komt aan bod dat men rekening houdt met het onderling vervangen van rollen in verband met mogelijke gevangenneming. Bovendien is het - naar algemene ervaringsregels en zoals wordt aangenomen in vaste jurisprudentie - lastig om zich uit een crimineel samenwerkingsverband te onttrekken, hetgeen ook de recidivegrond onderschrijft. De rechtbank is voorts van oordeel dat het bepaalde bij artikel 67a, derde lid, Wetboek van Strafvordering nog niet aan de orde is.

Door de raadsman is subsidiair schorsing verzocht bij gebrek aan zicht op een inhoudelijke behandeling en vanwege de persoonlijke belangen van verdachte.

Op dit moment is nog onduidelijk wanneer de zaak inhoudelijk zal worden behandeld.

Uit hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de recidivegrond blijkt dat in deze specifieke zaak het bewustzijn van politie en justitie groot is en dat men erg gefocust is op ‘onder de radar’ blijven. Dat maakt het ingewikkeld om schorsingsvoorwaarden te formuleren passend bij dat gedrag.

De rechtbank acht daarom nadere informatie omtrent de mogelijkheid van elektronisch toezicht noodzakelijk bij de afweging met betrekking tot de beslissing omtrent de schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank draagt de officier van justitie op om een reclasseringsrapportage op te laten stellen met betrekking tot de mogelijkheid van elektronische controle.

Daarnaast acht de rechtbank zich graag voor de volgende zitting voorgelicht door de officier van justitie omtrent welke schorsingsvoorwaarden te formuleren zijn die passen bij het recidivegevaar in deze zaak, waarbij bijvoorbeeld (en niet uitputtend) gedacht kan worden aan de mogelijkheid van borgsommen, het inleveren van reisdocumenten of andere bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft deze informatie nodig teneinde te onderzoeken of een schorsing van de voorlopige hechtenis tot de mogelijkheden behoort.

Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis zal gelet op het bovenstaande worden afgewezen.

Ten aanzien van de overige verzoeken gedaan door mr. Dunsbergen namens verdachte [verdachte 4] :

A. Voorlopige hechtenis

De raadsman heeft verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen vanwege het ontbreken van een grond, en daarnaast het bestaan van ernstige bezwaren voor feit 1 het eerste deel (aangaande de 80 kg) betwist. De rechtbank acht de ernstige bezwaren en de gronden waarop de voorlopige hechtenis van verdachte is gebaseerd onverkort aanwezig.

Specifiek met betrekking tot het verweer dat is gevoerd tegen het bestaan van ernstige bezwaren ten aanzien van feit 1 (de 80 kg) merkt de rechtbank nog op dat:

  • -

    in de dagen voorafgaand aan 4 juni 2020 door ‘ [accountnaam 1] ’ (het account dat aan verdachte wordt gelinkt) dagelijks wordt gecommuniceerd met anderen over voorraden en logistiek (p. 6-555 en 6-556);

  • -

    op 4 juni ‘ [accountnaam 2] ’ (account waarvan gezegd wordt dat dat van medeverdachte [verdachte 1] is) en ‘ [accountnaam 1] ’ communiceren over de aanhoudingen die dag, uit die berichten kan worden afgeleid dat verdachte voorafgaande aan de aanhouding nog rechtstreeks contact gehad heeft met medeverdachte [verdachte 10] en dat hij precies weet waar het over gaat (p. 6-189);

  • -

    het Encrochat-account van [accountnaam 1] is actief tot 4 juni 2020 en vanaf 6 juni 2020 wordt verdachte gelinkt aan een nieuw Encrochat-account, te weten [accountnaam 3] (p. 6-441)

Dit betekent dat voor alle feiten voldoende ernstige bezwaren zijn.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake van gevaar voor herhaling is, gelet op de aard van de aan verdachte verweten gedragingen en de omstandigheid dat de verweten handel in cocaïne in georganiseerd verband zou hebben plaatsgevonden. Verdachte wordt ervan verdacht tot de inner circle van het crimineel samenwerkingsverband te behoren waarbij de communicatie verliep via Encrochat en het systeem Sky ECC. In de berichten van Encrochat komt aan bod dat men rekening houdt met het onderling vervangen van rollen in verband met mogelijke gevangenneming. Bovendien werden op 3 november 2020 (na de eerste pro forma zitting in deze zaak) in de cel en in de broekzak van verdachte twee iPhones 8 aangetroffen, waarbij het vermoeden bestaat dat er Whatsappcontact was met de eveneens gedetineerde medeverdachte [verdachte 1] (p. 6-3087). Hieruit blijkt dat verdachte er niet voor terugdeinst om zelfs in hechtenis de regels met de voeten te treden om maar ongezien in contact te kunnen blijven met een medeverdachte. Tot slot is het - naar algemene ervaringsregels en zoals wordt aangenomen in vaste jurisprudentie - lastig om zich uit een crimineel samenwerkingsverband te onttrekken, hetgeen ook de recidivegrond onderschrijft.

Door de raadsman is subsidiair schorsing verzocht bij gebrek aan zicht op een inhoudelijke behandeling en vanwege de persoonlijke belangen van verdachte.

Op dit moment is nog onduidelijk wanneer de zaak inhoudelijk zal worden behandeld.

Uit hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de recidivegrond blijkt dat in deze specifieke zaak het bewustzijn van politie en justitie groot is en dat men erg gefocust is op ‘onder de radar’ blijven. Dat maakt het ingewikkeld om schorsingsvoorwaarden te formuleren passend bij dat gedrag.

De rechtbank acht daarom nadere informatie omtrent de mogelijkheid van elektronisch toezicht noodzakelijk bij de afweging met betrekking tot de beslissing omtrent de schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank draagt de officier van justitie op om een reclasseringsrapportage op te laten stellen met betrekking tot de mogelijkheid van elektronische controle.

Daarnaast acht de rechtbank zich graag voor de volgende zitting voorgelicht door de officier van justitie omtrent welke schorsingsvoorwaarden te formuleren zijn die passen bij het recidivegevaar in deze zaak, waarbij bijvoorbeeld (en niet uitputtend) gedacht kan worden aan de mogelijkheid van borgsommen, het inleveren van reisdocumenten of andere bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft deze informatie nodig teneinde te onderzoeken of een schorsing van de voorlopige hechtenis tot de mogelijkheden behoort.

Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis zal gelet op het bovenstaande worden afgewezen.

Ten aanzien van de overige verzoeken gedaan door mr. De Pater namens verdachte [verdachte 5] :

A. Getuigen

De rechtbank wijst toe het verzoek tot horen van de getuigen:

  • -

    [getuige 9] , geboren op [geboortedag 1] 1971 te [geboorteplaats 1] , thans gedetineerd te Groot-Brittannië, ingeschreven aan de [adres 1] ;

  • -

    [getuige 10] , geboren op [geboortedag 2] 1975 te [geboorteplaats 2] , wonende aan de [adres 2] .

Dit verzoek is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en het Openbaar Ministerie verzet zich hier niet tegen.

Opmaken schorsingsrapportage

De raadsman heeft verzocht voor de volgende zitting een schorsingsrapportage te laten opstellen door de reclassering waarin naar voren komt welke voorwaarden de reclassering daarvoor noodzakelijk acht. De officier van justitie heeft zich hiertegen niet verzet. De rechtbank wijst dit verzoek toe.

Ten aanzien van de overige verzoeken gedaan door mr. Beukers-Bouten namens verdachte [verdachte 6] :

A. Verstrekken van originele histo’s van KPN

De rechtbank verstaat dat de officier van justitie, conform haar toezegging in de brief van 6 april 2021, de originele histo’s van KPN over de periode van 29 april tot en met 18 mei 2020 zal verstrekken.

Verstrekking video-opname observatie 18 mei 2020

De rechtbank verstaat dat de officier van justitie, conform haar toezegging in de brief van 6 april 2021, de video-opnames van de observatie op 18 mei 2020 zal verstrekken.

Getuigen

De rechtbank wijst toe het verzoek tot horen van de getuige [getuige 11], geboren op [geboortedag 3] 1960, wonende aan de [adres 3] . Dit verzoek is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en het Openbaar Ministerie verzet zich hier niet tegen.

De rechtbank wijst af het verzoek tot horen van de getuige [getuige 12] . De verdediging heeft nog niet het ondervragingsrecht kunnen uitoefenen, maar [getuige 12] heeft niet als getuige – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring afgelegd met een belastende strekking. Het gaat om een bericht dat aan hem wordt toegeschreven, waarover de verdediging hem zou willen horen. De rechtbank is van oordeel dat, naar de stand waarin het onderzoek zich op dit moment bevindt, onvoldoende grond bestaat om het verzoek tot het horen van [getuige 12] toe te wijzen. Hierin speelt mee dat verdachte zelf heeft verklaard dat zijn bijnaam ‘ [naam 5] ’ is (pag. 5-529). Het verzoek tot het horen van deze getuige zal dan ook worden afgewezen.

Ten aanzien van de overige verzoeken gedaan door mr. Grijmans namens verdachte [verdachte 7] :

A. Voorlopige hechtenis

De raadsman heeft eerst verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen vanwege het ontbreken van ernstige bezwaren en gronden, subsidiair omdat de situatie van artikel 67a, derde lid, Wetboek van Strafvordering van toepassing is. De rechtbank acht de ernstige bezwaren en de gronden waarop de voorlopige hechtenis van verdachte is gebaseerd onverkort aanwezig. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die dit oordeel op dit moment anders maken.

Specifiek met betrekking tot het verweer dat is gevoerd tegen het bestaan van ernstige bezwaren merkt de rechtbank nog op dat de Encrochatnaam ‘ [accountnaam 4] ’, de naam die aan verdachte wordt toegeschreven, niet vanaf het begin van de tenlastegelegde periode in het dossier voorkomt, niet maakt dat er geen ernstige bezwaren zijn voor de betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten. [accountnaam 4] staat in direct contact met de Encrochatnaam [accountnaam 2] , die aan hoofdverdachte [verdachte 1] wordt gelinkt, en uit het dossier komt thans het beeld naar voren dat verdachte tracht zich actief te profileren binnen het crimineel samenwerkingsverband.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake van gevaar voor herhaling is, gelet op de aard van de aan verdachte verweten gedragingen en de omstandigheid dat de verweten handel in cocaïne in georganiseerd verband zou hebben plaatsgevonden. Daarnaast is verdachte reeds eerder veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet. De rechtbank is voorts van oordeel dat het bepaalde bij artikel 67a, derde lid, Wetboek van Strafvordering nog niet aan de orde is.

Door de raadsman is subsidiair schorsing verzocht vanwege de persoonlijke belangen van verdachte. Hiertoe is verdachtes financiële situatie naar voren gebracht en zijn gezondheid. De rechtbank wijst dit verzoek toe, omdat zij van oordeel is dat het belang dat verdachte heeft bij schorsing van de voorlopige hechtenis moet prevaleren boven het belang van de strafvordering en het belang dat de maatschappij heeft bij het voortduren van de voorlopige hechtenis van verdachte. De schorsing van de voorlopige hechtenis zal ingaan op 4 mei 2021 te 15:00 uur en duurt tot aan de einduitspraak in deze zaak. Deze beschikking is apart geminuteerd.

Ten aanzien van de overige verzoeken gedaan door mr. Raza namens verdachte [verdachte 8] :

A. Beantwoording vragen met betrekking tot geheimhoudersgesprekken

Voor zover dit als een concreet verzoek bedoeld is, merkt de rechtbank het volgende op.

De rechtbank verstaat dat, conform de toezegging van de officier van justitie in de brief van 6 april 2021, er vanuit onderzoek 26Lemont processen-verbaal zullen worden opgemaakt betreffende de geheimhouders(gesprekken) en de schifting daarvan.

Ten aanzien van de overige verzoeken gedaan door mr. Zuketto namens verdachte [verdachte 9] :

A. Voorlopige hechtenis

De raadsman heeft verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen vanwege het ontbreken van ernstige bezwaren ten aanzien van de criminele organisatie en het ontbreken van gronden bij alle feiten. De rechtbank acht de ernstige bezwaren en de gronden waarop de voorlopige hechtenis van verdachte is gebaseerd onverkort (zoals ook aangenomen bij de vorige zitting van de rechtbank en door het gerechtshof bij beschikking van 17 november 2020) aanwezig. Door de raadsman zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die dit oordeel thans anders maken. Uit het huidige dossier blijken voldoende ernstige bezwaren voor de betrokkenheid van verdachte bij de criminele organisatie. Dat verdachte niet voorkomt in de opgesomde processen-verbaal door de raadsman, maakt dit niet anders nu de verdenking op meer berust dan deze processen-verbaal. Deelnemen aan een organisatie is niet exclusief (men kan theoretisch deelnemen aan meerdere organisaties tegelijk) en is evenmin hetzelfde als ‘erbij horen’ in de zin van dagelijks spraakgebruik. Op verdachte rust de verdenking dat hij gedurende een langere periode meermalen medeverdachten heeft voorzien van voorraden cocaïne. Hij lijkt in die periode met meerdere medeverdachten rechtstreeks contact te hebben gehad en faciliteert wanneer er kennelijk geen andere chauffeur voor handen is.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake van gevaar voor herhaling is, gelet op de aard van de aan verdachte verweten gedragingen en de omstandigheid dat de verweten handel in cocaïne in georganiseerd verband zou hebben plaatsgevonden. Verdachte wordt ervan verdacht deel uit te maken van een crimineel samenwerkingsverband waarbij de communicatie verliep via Encrochat en het systeem Sky ECC. In de berichten van Encrochat komt aan bod dat men rekening houdt met het onderling vervangen van rollen in verband met mogelijke gevangenneming. Bovendien is er in juli 2020 in de cel van verdachte een mobiele telefoon aangetroffen (p. 6-3087). Hieruit blijkt dat verdachte er niet voor terugdeinst om zelfs in hechtenis de regels met de voeten te treden om maar ongezien in contact te kunnen blijven met de buitenwereld. Tot slot is het - naar algemene ervaringsregels en zoals wordt aangenomen in vaste jurisprudentie - lastig om zich uit een crimineel samenwerkingsverband te onttrekken, hetgeen ook de recidivegrond onderschrijft. In combinatie met de omstandigheid dat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet, is de rechtbank van oordeel dat de recidivegrond waarop de voorlopige hechtenis is gebaseerd onverkort aanwezig is.

Door de raadsman is subsidiair schorsing verzocht bij gebrek aan zicht op een inhoudelijke behandeling en vanwege de persoonlijke belangen van verdachte. Op dit moment is nog onduidelijk wanneer de zaak inhoudelijk zal worden behandeld.

Uit hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de recidivegrond blijkt dat in deze specifieke zaak het bewustzijn van politie en justitie groot is en dat men erg gefocust is op ‘onder de radar’ blijven. Dat maakt het ingewikkeld om schorsingsvoorwaarden te formuleren passend bij dat gedrag.

De rechtbank acht daarom nadere informatie omtrent de mogelijkheid van elektronisch toezicht noodzakelijk bij de afweging met betrekking tot de beslissing omtrent de schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank draagt de officier van justitie op om een reclasseringsrapportage op te laten stellen met betrekking tot de mogelijkheid van elektronische controle.

Daarnaast acht de rechtbank zich graag voor de volgende zitting voorgelicht door de officier van justitie omtrent welke schorsingsvoorwaarden te formuleren zijn die passen bij het recidivegevaar in deze zaak, waarbij bijvoorbeeld (en niet uitputtend) gedacht kan worden aan de mogelijkheid van borgsommen, het inleveren van reisdocumenten of andere bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft deze informatie nodig teneinde te onderzoeken of een schorsing van de voorlopige hechtenis tot de mogelijkheden behoort.

Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis zal gelet op het bovenstaande worden afgewezen.

Ten aanzien van de overige verzoeken gedaan door mr. Van Kleef namens verdachte [verdachte 10] :

A. Verstrekken van digitaal dossier aan verdachte in de P.I.

De rechtbank verstaat dat de officier van justitie, conform haar toezegging ter terechtzitting op 15 april 2021, zich zal inzetten tot dossierverstrekking aan verdachte via een USB-stick.

Getuigen

De rechtbank wijst af het verzoek tot horen van de getuigen:

  • -

    [getuige 13] , hoofdagent politie;

  • -

    [getuige 14] , aspirant politie.

Dit betreffen geen getuigen à charge en er is thans onvoldoende gemotiveerd waarom deze getuigenverhoren relevant kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en/of 350 Wetboek van Strafvordering.

Voorlopige hechtenis

Door de raadsman is schorsing verzocht bij gebrek aan zicht op een inhoudelijke behandeling en vanwege de persoonlijke belangen van verdachte.

Op dit moment is nog onduidelijk wanneer de zaak inhoudelijk zal worden behandeld. Voor dat sprake kan zijn van een schorsing, dient helder te zijn op welke wijze kan worden voorkomen dat verdachte zich opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten. Dat is in deze zaak ingewikkeld omdat de verdenking is dat verdachte deel uitmaakt van een crimineel samenwerkingsverband waarbij de communicatie verliep via Encrochat en het systeem Sky ECC. In de berichten van Encrochat komt ook aan bod dat men rekening houdt met het onderling vervangen van rollen in verband met mogelijke gevangenneming. Het crimineel samenwerkingsverband is zich kennelijk bewust van politie en justitie en is erg gefocust op ‘onder de radar’ blijven.

De rechtbank acht daarom nadere informatie omtrent de mogelijkheid van elektronisch toezicht noodzakelijk bij de afweging met betrekking tot de beslissing omtrent de schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank draagt de officier van justitie op om een reclasseringsrapportage op te laten stellen met betrekking tot de mogelijkheid van elektronische controle.

Daarnaast acht de rechtbank zich graag voor de volgende zitting voorgelicht door de officier van justitie omtrent welke schorsingsvoorwaarden te formuleren zijn die passen bij het recidivegevaar in deze zaak, waarbij bijvoorbeeld (en niet uitputtend) gedacht kan worden aan de mogelijkheid van borgsommen, het inleveren van reisdocumenten of andere bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft deze informatie nodig teneinde te onderzoeken of een schorsing van de voorlopige hechtenis tot de mogelijkheden behoort.

Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis zal gelet op het bovenstaande worden afgewezen.

Ten aanzien van de overige verzoeken gedaan door mr. De Vries namens verdachte [verdachte 13] :

A. Opmaken reclasseringsrapportage ten behoeve van de inhoudelijke behandeling

Vanwege de huidige stand van het onderzoek en de aard van de overige ingediende onderzoekswensen, zal de rechtbank later beslissen op dit verzoek.

Ten aanzien van de voortgang van het onderzoek in de zaken van alle verdachten:

De rechtbank zal de behandeling van deze zaak aanhouden tot de zitting van 6 juli 2021. Ter zitting op 13 en 15 april 2021 is medegedeeld dat de zitting van 6 juli 2021 in beginsel het karakter van een pro formazitting zou hebben, tenzij (een van) de raadslieden aan zou geven dat er nog zaken te bespreken zijn naast de voorlopige hechtenis. Gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht en gelet op bovenstaande beslissingen zal de zitting van 6 juli 2021 echter een volledig gevulde pro formazitting zijn en zal in september/oktober een nadere regiezitting worden gepland. Omdat nog niet bekend is hoe de situatie zal zijn in september/oktober 2021, worden vooralsnog twee dagen voor die zitting gereserveerd. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat geen van de op dit moment geschorste verdachten verwacht wordt op die zitting. De rechtbank zal nog via de mail aan de raadslieden kenbaar maken welke termijnen tegen die tijd zullen gelden.

Mocht een van de raadslieden constateren dat in het vorengaande verzuimd is te beslissen op een door haar/hem gestelde onderzoekswens, dan gaat de rechtbank ervan uit dat dit tijdig voor de volgende regiezitting in september/oktober 2021 kenbaar wordt gemaakt.

De rechtbank:

- schorst het onderzoek in de zaken met de parketnummers 01/993265-19 en 01/993227-21 [verdachte [verdachte 1] ], 01/993303-19 [verdachte [verdachte 2] ], 01/993307-20 [verdachte [verdachte 3] ], 01/993308-20 [verdachte [verdachte 4] ], 01/993207-20 [verdachte [verdachte 5] ], 01/993279-20 en 01/993334-20 [verdachte [verdachte 9] ], 01/993280-20 en 01/993335-20 [verdachte [verdachte 10] ] tot de terechtzitting van 6 juli 2021 (tijdstip vooralsnog niet bekend).

stelt de termijn van de schorsing op langer dan één maand na heden, doch een termijn van drie maanden niet te boven gaande, om de klemmende redenen dat alle binnen één maand na heden te houden terechtzittingen reeds zijn geappointeerd en geen ruimte bieden om deze zaak te behandelen en omdat niet te verwachten valt dat de nog uit te voeren onderzoekshandelingen binnen één maand na heden zullen zijn afgerond.

- schorst het onderzoek in de zaken met de parketnummers 01/993323-20 [verdachte [verdachte 6] ], 01/993365-20 [verdachte [verdachte 7] ], 01/993218-20 [verdachte [verdachte 8] ], 01/993281-20 [verdachte [verdachte 11] ], 01/993309-20 [verdachte [verdachte 12] ], 01/993316-20 [verdachte [verdachte 13] ] en 01/993324-20 [verdachte [verdachte 14] ] voor onbepaalde tijd.

- verwijst de zaken naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, onder verwijzing naar al hetgeen de rechtbank hiervoor heeft besloten omtrent de wijze waarop de zaken worden verwezen en het horen van getuigen.

stelt de stukken met dat doel in handen van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

- draagt de officier van justitie op toe te voegen aan het dossier:

(1) een proces-verbaal waarin zal worden uitgelegd wanneer en op welke wijze men is gestuit op de verdachten van 26ParkCity/26Woodland, en;

(2) een proces-verbaal van de rechter-commissaris van onderzoek 26Lemont staat dat hij 26ParkCity/26Woodland aan de lijst van zaken had toegevoegd die mogen putten uit de 26Lemont-data.

- draagt de officier van justitie voor de verdachten [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] , [verdachte 9] en [verdachte 10] op om voor 6 juli 2021

(1) een reclasseringsrapportage op te laten stellen met betrekking tot de mogelijkheid van elektronische controle;

(2) schorsingsvoorwaarden te formuleren die passen bij het recidivegevaar in deze zaken.

- draagt de officier van justitie voor de verdachte [verdachte 5] op om voor 6 juli 2021 een reclasseringsrapportage op te laten stellen waarin naar voren komt welke voorwaarden de reclassering noodzakelijk acht voor een schorsing;

- beveelt de oproeping van de verdachten tegen het tijdstip van de nadere terechtzitting met kennisgeving van dat tijdstip aan hun raadsvrouw/raadsman.

stelt de stukken met dat doel in handen van de officier van justitie.

Voor zover de voorwaarden behorende bij de schorsing van de voorlopige hechtenis inhouden dat verdachte ter terechtzitting dient te verschijnen, geldt dit niet voor de regiezitting van september/oktober 2021.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 (1) Conference Operation Musefull JIT required or not d.d. 8 januari 2020, (2) Verslag van bijeenkomst F-NL-UK op 22 januari 2020, (3) Email correspondentie tussen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 4] en [getuige 3] van 23, 28, 29, 30 en 31 januari en 6 februari 2020, (3) NCA-documenten d.d. 30 januari 2020, (4) Warrants French c.a. 30 januari 2020, (5) Vertaalde Nationale Gendarmerie processen-verbaal van vordering d.d. 3 februari 2020, (6) NCA Memo d.d. 5 februari 2020 Court of Appeal Judgement d.d. 5 februari 2021, (7) Verslag CPS/NCA Meeting d.d. 13 februari 2020, (8) Handgeschreven verslag bijeenkomst F-NL-UK van 29 januari en 3 en 19-21 februari 2020, (9) Europol Siena Information Exchange Message d.d. 22 februari 2019, (10) Warrant application d.d. 24 maart 2021, (11) Europol Siena Information Exchange Message NL aan UK d.d. 27 maart 2020, (12) Gendarmerie Nationale documenten: Summary minutes part 1-4 d.d. 2 april, 3 april en 22 juni 2021, (13) Email van [getuige 1] naar [getuige 2] d.d. 28 juli 2020, (14) NCA document 17 augustus 2020, (15) Email van [getuige 2] naar [naam 6] d.d. 4 augustus 2020, (16) NCA document 3 september 2020, (17) Tape transcript Plaister (NCA), [getuige 1] (Gendarmerie), Berthelot (Deputy Public Prosecutor), Keeping (NCA) en Seillier (International Liaison Assistant) d.d. 25 september 2020, (18) High Court of Justice Judgement d.d. 26 oktober 2020 en (19) Disclosure notes 1 & 2

2 Proces-verbaal van bevindingen LERDB20001-3905