Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2159

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
368806 / KG ZA 21-165
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Niet aannemelijk dat school geen plek heeft voor leerling met mogelijke zorgbehoefte. School is daarom gehouden leerling aan te nemen, ook al heeft zij de exacte zorgbehoefte niet kunnen vaststellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/368806 / KG ZA 21-165

Vonnis in kort geding van 23 april 2021

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

2. [eiser sub 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. C.W. Simonis te Zoetermeer,

tegen

de stichting

STICHTING ALGEMEEN TOEGANKELIJK ONDERWIJS ’S-HERTOGENBOSCH EN OMSTREKEN,

gevestigd te Rosmalen,

gedaagde,

verschenen in persoon, bijgestaan door mr H. Amziab te Woerden.

Partijen worden hierna [eisers] en de Stichting genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 maart 2021 met producties, genummerd 1 tot en met 15;

  • -

    de brief van mr. Amziab van 1 april 2021, tevens houdende conclusie van antwoord met producties, genummerd 1 tot en met 19;

  • -

    de brief van mr. Amziab van 7 april 2021;

  • -

    de brief van mr. Simonis van 1 april 2021 met een daarbij een USB-stick;

  • -

    de brief van mr. Simonis van 8 april 2021 met een productie, genummerd 16;

  • -

    de mondelinge behandeling via een Skype-verbinding ter zitting van 9 april 2021;

  • -

    de pleitnota van mr. Simonis

  • -

    de pleitnota van de Stichting.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De dochter van [eisers] , [A] , gaat sinds 2019 naar de kleutergroep van basisschool Het Palet te ’s-Hertogenbosch (hierna: Het Palet). Zij zit thans in groep 2.

2.2.

In november 2020 ontstonden er spanningen tussen [eisers] en Het Palet nadat Het Palet aan [eisers] had aangegeven dat een klasgenootje van [A] wegens wangedrag van [A] naar een andere klas werd overgeplaatst.

2.3.

[eisers] zijn hierop op zoek gegaan naar een andere school voor [A] . Hun keuze is daarbij gevallen op basisschool Het Noorderlicht te ’s-Hertogenbosch (hierna: Het Noorderlicht). Het Noorderlicht is één van de scholen van de Stichting.

2.4.

Bij e-mailbericht van 3 december 2021 (productie 2 van mr. Amziab) heeft mevrouw [B] , directeur van Het Noorderlicht, (hierna: [B] ) aan [eisers] bericht:

“(…)

Bij aanmelding gaan we de aanmeldprocedure volgen. Daarbij vragen we het (gehele digitale) dossier op en “wegen” de zorg. Dat zullen de zorgcoördinatoren bekijken en beoordelen.

Op die basis plaatsen wij leerlingen zodat we ook zeker weten dat we de zorg kunnen bieden.

Op basis wat ik nu weet van [A] ’s schoolse prestatie (in brede zin) zou daar geen enkel probleem moeten zijn.

(…)”

2.5.

Op 6 december 2020 hebben [eisers] [A] aangemeld bij Het Noorderlicht (productie 3 van mr. Amziab). Het Noorderlicht valt onder het overkoepelend bestuur van de Stichting.

2.6.

Op 7 december 2020 hebben [eisers] de KIJK-rapportage van [A] , opgemaakt door Het Palet, aan Het Noorderlicht doen toekomen (productie 4 van mr. Amziab).

2.7.

Op 9 december 2020 hebben [eisers] de ZIEN-rapportage van [A] , opgemaakt door Het Palet, met Het Noorderlicht gedeeld (productie 5 van mr. Amziab). Volgens de ZIEN-rapportage was [A] op 6 januari 2020 laag scorend op sociale flexibiliteit (13 op 100), impulsbeheersing (16 op 100) en inlevingsvermogen (9 op 100).

Op 20 oktober 2020 was [A] laag scorend op betrokkenheid (7 op 10), sociale flexibiliteit (1 op 100), impulsbeheersing (1 op 100) en inlevingsvermogen (9 op 100).

2.8.

Bij e-mailbericht van 10 december 2020 heeft [B] aan de directrice van Het Palet laten weten dat, wanneer zij het leerlingdossier ontvangen heeft, zij dit kan wegen qua zorgzwaarte en kan overgaan tot plaatsing, waarbij de intentie is om [A] op 15 december 2020 te laten beginnen op haar nieuwe school (productie 2 bij de dagvaarding).

2.9.

Op 14 december 2020 heeft [A] een halve dag “meegedraaid” op Het Noorderlicht.

2.10.

Op diezelfde datum hebben [eisers] en [B] met elkaar gesproken over [A] . Tijdens dit onderhoud gaf [B] [eisers] te kennen dat zij, naar aanleiding van de inhoud van de ZIEN-rapportage, [A] gedurende zes weken wilde observeren om te onderzoeken of en zo ja welke ondersteuningsbehoefte [A] zou hebben, alvorens haar definitief aan te nemen. [eisers] stemden daarmee niet in.

2.11.

[eisers] hebben [A] vervolgens ziekgemeld bij Het Palet.

2.12.

Begin januari 2021 hebben [eisers] [A] laten onderzoeken door drie onafhankelijk deskundigen van praktijk Spil te Vught. Spil heeft naar aanleiding van dit onderzoek een onderzoeksverslag opgesteld. Uit dit verslag blijkt niet van feiten of omstandigheden die zouden kunnen duiden op een ondersteuningsbehoefte van [A] .

2.13.

Bij brief van 26 januari 2021 heeft [B] aan [eisers] onder meer bericht dat de termijn voor het nemen van een beslissing over de toelating van [A] op Het Noorderlicht met vier weken is verlengd (productie 6 bij de dagvaarding).

2.14.

Bij brief van 8 februari 2021 heeft [B] aan [eisers] bericht dat de Stichting voornemens is het verzoek van [eisers] om toelating van [A] tot het Noorderlicht af te wijzen (productie 7 bij de dagvaarding). In deze brief staat onder meer het volgende vermeld.

“(…)

Op grond van het aanmeldingsformulier en de daarbij aangeleverde stukken blijkt dat [A] een ondersteuningsbehoefte heeft. Uit deze stukken blijkt echter niet wat de precieze ondersteuningsbehoefte van [A] is. Om die reden is aan u gevraagd of [A] door het Noorderlicht geobserveerd kan worden. Middels een observatie kan het Noorderlicht de precieze ondersteuningsbehoefte vaststellen en nader onderzoeken of de school de benodigde ondersteuning zelf kan bieden al dan niet met inzet van middelen of arrangementen vanuit het samenwerkingsverband. In uw e-mail van 16 december 2020 heeft u te kennen gegeven niet te kunnen instemmen met een observatie.

(…)

De data uit ZIEN-rapportage hebben echter een verband met gedrag en functioneren in een groep met andere kinderen en leerkrachten. De KIJK-rapportage en het verslag van het psychologisch onderzoek daarentegen zeggen echter niets over het gedrag van [A] met medeleerlingen ten aanzien van leerkrachten en gedrag in een groep/les. Hierdoor is de informatie die het Noorderlicht tot haar beschikking heeft te summier om de precieze ondersteuningsbehoefte van [A] vast te stellen, en om dit af te zetten tegen het schoolondersteuningsprofiel en de ondersteuningsarrangementen van het samenwerkingsverband om te beoordelen of de school de benodigde ondersteuning (zelf) kan bieden.

Indien het Noorderlicht de precieze ondersteuningsbehoefte wel had kunnen vaststellen was plaatsing van [A] op het Noorderlicht ook niet gelukt. In het zorgondersteuningsprofiel staat beschreven welke zorg er in de groepen geboden kan worden. Om de zorgzwaarte van de groepen hanteerbaar te houden is er een grens gesteld aan het aantal kinderen met zorg en/of een arrangement. In de kleutergroepen is die grens al bereikt. Dat maakt dat de school geen ruimte heeft om nog meer kinderen met een mogelijke zorgvraag -zoals [A] - te plaatsen.

(…)

Nu het Noorderlicht de precieze ondersteuningsbehoefte niet heeft kunnen vaststellen, de grens van de zorgzwaarte in de kleutergroepen is bereikt en gezien de manier van communiceren, is de school voornemens tot weigering van over te gaan.

(…)”

2.15.

Bij brief van 12 februari 2021 heeft de advocaat van [eisers] gereageerd op het voornemen van de Stichting om [A] niet toe te laten tot Het Noorderlicht (productie 10 bij de dagvaarding). [eisers] geven in hun brief het volgende aan:

“(…)

4. Voor zover u al van deze ZIEN- rapportage uit had mogen gaan (quid non) geldt dat deze rapportage is gebaseerd op een niet ter zake deskundige. Niet valt dan ook in te zien waarom daaruit zou kunnen blijken dat [A] ondersteuning behoeft. Zulks klemt te meer nu cliënten in dat kader een psychologisch rapport overleggen waaruit onomstotelijk blijkt dat er -op basis van een wél een ter zake deskundige – niets aan de hand is met [A] . Meer juridisch blijkt daaruit dat er geen ondersteuningsbehoefte is.

5. Onjuist is dan ook uw conclusie dat de informatie die het Noorderlicht tot haar beschikking heeft te summier is om de precieze ondersteuningsbehoefte van [A] vast te stellen. Nogmaals: er is geen ondersteuningsbehoefte zodat er ook niet behoeft te worden gekeken naar ondersteuningsarrangementen van het samenwerkingsverband om te beoordelen of de school de benodigde ondersteuning (zelf) kan bieden.

(…)

10. Door dezen verzoek c.q. sommeer ik u mij uiterlijk maandag 15 februari 2021 te 12.00 uur te bevestigen dat u [A] toelaat (…).

(…)”

2.16.

Bij brief van 16 februari 2021 aan heeft de Stichting [eisers] in kennis gesteld van haar afwijzende besluit op het verzoek van [eisers] om toelating van [A] tot Het Noorderlicht (productie 11 bij de dagvaarding). In de brief staat onder meer het volgende vermeld.

“(…)

De ZIEN-rapportage die de directeur van het Noorderlicht onder ogen heeft gehad, heeft de indruk gewekt dat [A] een extra ondersteuningsbehoefte heeft. (…) Om die reden is aan u gevraagd of er een diagnostisch onderzoek verricht kan worden om zo een helder beeld te krijgen van de precieze ondersteuningsbehoefte van [A] . (…) Uw weigerachtige houding om medewerking te verlenen aan dit onderzoek heeft ertoe geleid dat hierin nog steeds geen inzicht bestaat.

(…)

Duidelijk is dat er een discrepantie is tussen uw kijk op de vraag of [A] een extra ondersteuningsbehoefte heeft en de beoordeling door het bevoegd gezag. Wij hebben samen met het samenwerkingsverband getracht om op zoek te gaan naar een andere passende school die bereid is [A] toe te laten. Wegens het gebrek aan inzicht is het helaas niet gelukt om een andere school te vinden, omdat onduidelijk is waaruit het passend onderwijsaanbod moet bestaan. (…).

Indien de precieze ondersteuningsbehoefte van [A] wel vastgesteld had kunnen worden was plaatsing van [A] op het Noorderlicht ook niet gelukt. (…)

Overgaan tot plaatsing kan pas als de ondersteuningsbehoefte is vastgesteld en de zorgzwaarte in de groep is gewogen. In het schoolondersteuningsprofiel staat beschreven welke zorg er in de groepen geboden kan worden. Om de zorgzwaarte van de groepen hanteerbaar te houden is er een grens gesteld aan het aantal kinderen met zorg en/of een arrangement. In de kleutergroepen op het Noorderlicht is die grens al bereikt. Dat maakt dat de school geen ruimte heeft om nog meer kinderen met een mogelijke zorgvraag -zoals [A] - te plaatsen.

(…) Zoals reeds aan u is bericht wordt de manier waarop door u wordt gecommuniceerd door de directeur van het Noorderlicht als niet prettig ervaren. De manier waarop u communiceert heeft een belemmerende werking op een constructief en veilig gesprek tussen u en het Noorderlicht. Hierdoor zou ook de basis ontbreken voor een voor een goede samenwerking die vanuit pedagogisch-didactisch oogpunt noodzakelijk is en zijn weerslag zou hebben op [A] .

Het gegeven dat u heeft geweigerd om uw medewerking te verlenen aan nader onderzoek en de intrekking van uw toestemming om de ZIEN-rapportage te verwerken komt voor uw risico. Hierdoor heeft het bevoegd gezag de precieze ondersteuningsbehoefte van [A] niet kunnen vaststellen. Daarnaast is de grens van de zorgzwaarte in de kleutergroepen bereikt. Naar aanleiding van het voorgaande is besloten om definitief over te gaan tot weigering van [A] op het Noorderlicht.

(…)”

2.17.

Op 18 februari 2021 heeft de gemachtigde van [eisers] pro forma bezwaar aangetekend tegen het besluit van de Stichting van 16 februari 2021 om [A] niet toe te laten tot Het Noorderlicht, waarna zij op 2 maart 2021 de gronden van het bezwaar heeft aangevuld (producties 14 en 15 van mr. Amziab).

2.18.

[eisers] hebben inmiddels een verzoekschrift ex artikel 35 Uitvoeringswet AVG aan de rechtbank Oost-Brabant doen toekomen met als doel de ZIEN-rapportage uit de systemen van Het Palet te doen verwijderen (productie 12 bij de dagvaarding).

2.19.

Inmiddels heeft het College van Bestuur van de Stichting Signum, het bevoegd gezag van Het Palet aan [eisers] een voornemen kenbaar gemaakt tot verwijdering [A] van Het Palet (productie 16 van mr. Simonis)

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de Stichting te veroordelen om [A] binnen 2 dagen na het wijzen van dit vonnis als leerling toe te laten tot basisschool Het Noorderlicht, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

II. de Stichting te veroordelen om onderwijs voor [A] te faciliteren zolang er nog geen definitieve toelating/ accreditatie heeft plaatsgevonden, met dien verstande dat [A] op de gebruikelijke wijze en zonder restricties en/ of voorwaarden in de kleutergroep (2) wordt geplaatst van het Noorderlicht en dat [A] na de zomervakantie bij het Noorderlicht kan instromen in groep 3;

III. de Stichting te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten voor het geval voldoening van deze kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt.

3.2.

[eisers] leggen hieraan -kort weergegeven- het volgende ten grondslag.

Het Noorderlicht moet [A] aannemen, nu niets aan die aanname in de weg staat.

Het Noorderlicht heeft niet gemotiveerd van welke gegevens zij is uitgegaan bij haar voornemen om de toelating van [A] te weigeren. Het besluit is dan ook onnavolgbaar. Voor zover zij is uitgegaan van de ZIEN-rapportage, heeft te gelden dat deze rapportage onrechtmatig tot stand is gekomen nu er blijkens de schoolgids ten aanzien van kleuters geen ZIEN-rapportage wordt opgemaakt. Uit het rapport van Spil blijkt dat [A] in het geheel geen ondersteuningsbehoefte heeft.

Het besluit tot weigering van Het Noorderlicht is bovendien te laat genomen.

3.3.

De Stichting heeft als verweer -samengevat- het volgende aangevoerd.

De vorderingen van [eisers] ontberen een spoedeisend belang nu [eisers] er zelf voor kiezen [A] thuis te houden. [A] staat immers nog altijd ingeschreven op Het Palet.

Op grond van artikel 40 lid 3 Wet op het primair onderwijs (hierna: Wpo) is Het Noorderlicht gehouden onderzoek te doen naar de (mogelijke) ondersteuningsbehoefte van het aangemelde kind in relatie tot de ondersteuningsmogelijkheden van de school. Ondanks herhaaldelijk verzoek van [B] heeft Het Noorderlicht geen compleet leerlingdossier van [A] ontvangen. Het Palet heeft geen onderwijskundig rapport willen verstrekken. Gelet hierop kan de precieze ondersteuningsbehoefte van [A] niet worden vastgesteld. De KIJK-rapportage en het verslag van Spil zeggen niets over het gedrag van [A] in een groep met leeftijdsgenoten. De ZIEN-rapportage geeft daarvan wel een beeld. Er is geen wettelijk verbod op het gebruik van een ZIEN-rapportage bij kinderen van groep 1-2. In het geval van [A] wekt de ZIEN-rapportage de indruk dat [A] een extra ondersteuningsbehoefte heeft. Met de informatie die de Stichting beschikbaar heeft is de inschatting dat [A] een zorgniveau heeft van minimaal 3. De Stichting heeft op de voet van artikel 40 lid 4 Wpo getracht een passende school voor [A] te vinden die bereid is haar toe te laten. Wegens het gebrek aan inzicht in de precieze ondersteuningsbehoefte van [A] is het niet gelukt om een andere school te vinden, omdat onduidelijk is waaruit het passend onderwijsaanbod moet bestaan.

Omdat [A] nog steeds staat ingeschreven op Het Palet, was Het Noorderlicht niet gehouden om [A] hangende de aanmeldprocedure alvast tijdelijk te plaatsen op Het Noorderlicht.

Zo de precieze ondersteuningsbehoefte van [A] wel had kunnen worden vastgesteld, dan was plaatsing van [A] op Het Noorderlicht ook niet gelukt omdat de grens qua zorgzwaarte in de huidige kleutergroepen al bereikt is.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De spoedeisendheid blijkt reeds uit de aard van de vordering. [eisers] stellen dat [A] sedert half december 2020 geen onderwijs meer volgt. Het is in het belang van [A] dat zij zo spoedig mogelijk weer naar school kan. Dat [A] nog altijd staat ingeschreven op Het Palet maakt dit niet anders, te meer nu Het Palet inmiddels een procedure tot verwijdering van [A] is gestart.

4.2.

Niet in geschil is dat Het Noorderlicht beschikt over plaatsruimte in groep 2 voor het aannemen van nieuwe leerlingen. Uit de gedingstukken blijkt dat Het Noorderlicht er ten tijde van de aanmelding van [A] vanuit ging dat [A] geplaatst kon worden. Een en ander blijkt ook uit het feit dat Het Noorderlicht [A] heeft een keer heeft laten meelopen met de groep waarin zij zou worden geplaatst.

4.3.

Ingevolge artikel 40 lid 3 Wpo beoordeelt het bevoegd gezag of de aanmelding een kind betreft dat extra ondersteuning behoeft. Hiertoe kan het bevoegd gezag de ouders verzoeken gegevens over te leggen betreffende stoornissen of handicaps van het kind of beperkingen in de onderwijsparticipatie.

4.4.

[eisers] hebben in het licht van artikel 40 lid 3 Wpo aan Het Noorderlicht de door Het Palet opgestelde KIJK-rapportage doen toekomen. Op verzoek van Het Noorderlicht hebben [eisers] vervolgens ook de ZIEN-rapportage aan Het Noorderlicht verstrekt. [eisers] zijn er voorshands niet in geslaagd aannemelijk te maken dat deze ZIEN-rapportage onrechtmatig tot stand is gekomen. Niet valt in te zien waarom een dergelijke rapportage niet had mogen worden opgemaakt. De stelling van [eisers] dat dit in de schoolgids staat acht de voorzieningenrechter daartoe volstrekt onvoldoende.

4.5.

Op basis van de ZIEN-rapportage vermoedt Het Noorderlicht dat [A] een aanzienlijke zorgbehoefte heeft. Om daadwerkelijk te kunnen vaststellen of en zo ja in welke mate [A] een zorgbehoefte heeft, had Het Noorderlicht [A] voorafgaand aan de definitieve toelating tot Het Noorderlicht willen (laten) observeren. Aan de Stichting moet worden toegegeven dat [eisers] , door hieraan niet te willen meewerken, zich niet coöperatief hebben opgesteld richting Het Noorderlicht. Van belang daarbij is wel dat de Stichting toelating van [A] niet kon binden aan de voorwaarde van een proefplaatsing of voorafgaande observatie. Vgl. [C] , Onderwijsrecht, Den Haag 2019, p. 421.

4.6.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de Stichting [A] niet heeft mogen weigeren vanwege het feit dat haar exacte ondersteuningsbehoefte niet kon worden vastgesteld. Immers, de Stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat plaatsing van [A] ook niet mogelijk zou zijn geweest wanneer de ondersteuningsbehoefte van [A] wel had kunnen worden vastgesteld, veronderstellenderwijs aannemende dat [A] inderdaad een zorgbehoefte heeft. De Stichting heeft weliswaar aangegeven dat de grens van de zorgzwaarte van alle kleutergroepen op het Noorderlicht reeds bereikt is maar zij heeft haar stelling op dit punt onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ter adstructie van haar stelling heeft de Stichting als productie 19 een overzicht van alle zorgleerlingen per groep met de daaraan gekoppelde zorgzwaarte in het geding gebracht. Uit dit overzicht blijkt echter niet dat de grens van de zorgzwaarte bij de kleutergroepen is bereikt. De Stichting heeft immers niet aangegeven welke grens zij hanteert en op grond waarvan deze grens gehanteerd wordt, laat staan dat zij een en ander met schriftelijke stukken heeft onderbouwd.

4.7.

Nu, ook wanneer ervan moet worden uitgegaan dat [A] een aanzienlijke zorgbehoefte heeft, niet aannemelijk is geworden dat Het Noorderlicht geen plek heeft voor [A] , valt niet in te zien op welke grond de Stichting zou kunnen weigeren om [A] als leerling van Het Noorderlicht aan te nemen. Dat Het Noorderlicht de communicatie met [eisers] als onprettig ervaart is, hoe vervelend ook, geen grond om [A] te weigeren. Zodra [A] als leerling van Het Noorderlicht staat ingeschreven, heeft Het Noorderlicht bovendien alle gelegenheid om [A] te observeren en haar zorgbehoefte vast te stellen.

4.8.

Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de vordering van [eisers] die ertoe strekt de Stichting te veroordelen om [A] toe te laten op Het Noorderlicht, moet worden toegewezen. De voorzieningenrechter zal de Stichting twee weken na betekening van dit vonnis geven om de toelating van [A] tot het Noorderlicht voor te bereiden. De vorderingen onder II worden afgewezen. Als gevolg van de toewijzing van de vordering I moet de Stichting [A] als leerling toelaten en zal [A] op het Noorderlicht naar school kunnen. Het is prematuur om de Stichting thans te veroordelen om [A] na de zomervakantie in te laten stromen in groep 3.

4.9.

De ter versterking van de gevraagde veroordeling gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat deze zal worden beperkt als na te melden.

4.10.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.11.

De Stichting zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding € 103,83

- griffierecht 309,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.428,83

4.12.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt de Stichting om binnen twee weken na betekening van dit vonnis [A] als leerling toe te laten tot basisschool Het Noorderlicht, gelegen aan het adres Eerste Rompert 9 te ’s-Hertogenbosch;

5.2.

veroordeelt de Stichting om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat zij niet aan de onder 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;

5.3.

veroordeelt de Stichting in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 1.428,83, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van vijftiende dag na betekening dit vonnis na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.4.

veroordeelt de Stichting in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de Stichting niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2021.