Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2157

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
368802 / KG ZA 21-164
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Niet voldaan aan vereisten voor toewijzing geldvordering in kort geding. Vordering opheffen beslag afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/368802 / KG ZA 21-164

Vonnis in kort geding van 22 april 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEAD UITZENDBUREAU B.V.,

gevestigd te Leerdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R. van Biezen te 's-Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QUEST UITZENDBURO B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaten mrs. N. van Beurden en J.L. Vissers te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna Head en Quest genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 19 maart 2021 met 25 producties

  • -

    de brief van mr. Van Biezen van 1 april 2021 met aanvullende producties 26 tot en met 28

  • -

    de brief van mr. Van Beurden van 2 april 2021 met een eis in reconventie en 18 producties

  • -

    de brief van mr. Van Beurden van 7 april 2021 met aanvullende producties 19 tot en met 30

  • -

    de mondelinge behandeling die vanwege de Covid-19 maatregelen op 8 april 2021 heeft plaatsgevonden via een verbinding via Skype

  • -

    de pleitnota van Head

  • -

    de pleitnota van Quest met 1 bijlage.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn in 2016 een samenwerking aangegaan met betrekking tot het detacheren en verlonen van werknemers bij verschillende opdrachtgevers (hierna te noemen: inleners).

2.2.

Partijen hebben op 1 juli 2016 een overeenkomst getekend genaamd “Payroll overeenkomst”, prod. 2 bij dagvaarding en prod. 1 van de zijde van Quest. Deze overeenkomst kent de volgende - voor zover hier van belang zijnde - bepalingen:

“2. Payrolling verhouding Head Personeelsdiensten en Quest Uitzendburo B.V.: Quest Uitzendburo verzorgt de werving en selectie van nieuwe kandidaten. Vervolgens treedt de kandidaat in dienst bij Head uitzendbureau en deze wordt, krachten een aan de payrollonderneming verstrekte opdracht, uitsluitend ter beschikking gesteld aan Quest Uitzendburo om werkzaam te zijn bij de klanten van Quest uitzendburo.. de kandidaten zijn in diverse functies conform de regelementen van de klanten werkzaam. Per uitzonderlijke uitzending wordt door Quest Uitzendburo aan Head personeelsdiensten kenbaar gemaakt in welke branche en functie de kandidaat werkzaam is.

3. De lonen en toeslagen /overuren en pensioenrechten zijn variabel en cao-gebonden. Quest Uitzenburo bepaalt periodiek en bij elk functiewijziging de nieuwe lonen en toeslagen van de medewerkers en correspondeert deze aan Head Personeelsdiensten. Die laatste zorgt vervolgens voor de tijdige aanpassing hiervan. De verantwoordelijkheid voor de juistheid van de uurlonene/toeslagen en verantwoording van kostenvergoedingen (boventallig aan forfaitaire zaken) liggen te allen tijde bij Quest Uitzendburo. Quest Uitzendburo gaat akkoord met alle eventuele claims en boetes voortvloeiend uit tekortkomingen qua loon en toeslagen/overuren/pensioenen van de voor haar door Head Personeelsdiensten verloonde medewerkers mits zij in opdracht van Quest Uitzendburo handelt.

4. Quest Uitzendburo dient per voorgestelde kandidaat door te geven in welke functie en welke cao de uitzendkracht zal worden ingedeeld. De omrekeningsfactor wordt per functiegroep per cao bepaald en, eens per verhogingsperiode geherwaardeerd. De salarisverhogingen zullen per cao gebeuren. Alle salarisverhogingen buiten de cao om worden door Quest Uitzendburo doorgegeven aan Head Personeelsdiensten.

(…)”

2.3.

De Stichting Naleving cao Uitzendkrachten (hierna: SNCU) huurt onafhankelijke partijen in om namens het SNCU onderzoek te doen naar de juiste toepassing van cao’s op uitgeleende werknemers. APG is medio 2020 namens SNCU een onderzoek gestart bij HEAD.

2.4.

Gedurende het onderzoek is gebleken dat er bij medewerkers van opdrachtgevers van Head - waaronder Quest - verkeerde uurlonen zijn toegepast, omdat wel een cao van toepassing bleek te zijn.

2.5.

Op 21 april 2020 heeft APG haar conceptrapportage gestuurd aan Head en heeft Head daarbij de gelegenheid geboden om daarop binnen 14 dagen te reageren. Op 7 mei 2020 heeft APG haar definitieve rapport uitgebracht en toegezonden aan Head.

2.6.

Bij brief van 23 juni 2020 heeft het SCNU aan Head medegedeeld dat zij de rapportage van APG hebben beoordeeld en tot de conclusie zijn gekomen dat in de onderzoeksperiode (van 25 maart 2016 tot en met 4 november 2018) de cao voor uitzendkrachten niet (geheel) correct is nageleefd. Deze benadeling is berekend op een bedrag van € 338.770,00. Deze berekening is een indicatie en Head is in de gelegenheid gesteld een tegenberekening te maken. Head is tevens gesommeerd - onder meer - eenduidig te verklaren dat Head een nabetaling zal doen binnen 12 weken na 23 juni 2020 van het op grond van de cao verschuldigde bedrag zoals door SNCU op basis van een steekproef indicatief berekende bedrag òf het door Head exact berekende bedrag. De heer [A] heeft deze verklaring op 24 juni 2020 namens Head ondertekend.

2.7.

Head heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid een tegenberekening te maken.

2.8.

Head heeft eind november 2020 aan Quest spread sheets toegestuurd waarin de nabetalingen per (door Quest aangedragen) werknemer gedetailleerd zijn weergegeven. Head en Quest hebben in de periode daarna met elkaar gecommuniceerd over de gevorderde nabetaling van SNCU.

2.9.

Op 28 december 2020 heeft de heer [B] van het bureau CIVAP een hercontrole uitgevoerd met betrekking tot de herberekeningen van Head. De totale nabetaling die SNCU vordert van Head in het kader van voormeld onderzoek bedraagt

€ 226.000,00. Head stelt dat een deel van die nabetaling (een bedrag van € 102.253,14) is terug te voeren op door Quest aangedragen werknemers, zodat Quest gehouden is dit bedrag aan Head te voldoen.

2.10.

Head heeft bij e-mailbericht van 21 januari 2021 Quest gesommeerd tot betaling over te gaan van een bedrag van € 102.253,14. Quest is tot op heden niet tot betaling overgegaan.

2.11.

Bij brief van 23 maart 2021 heeft SNCU Head gesommeerd om alsnog een bedrag van € 102.253,14 na te betalen binnen vier weken na 23 maart 2021, bij gebreke waarvan Head een schadevergoeding dient te betalen van € 100.000,00. Head heeft tot op heden niet betaald.

2.12.

Head heeft op 23 maart 2021 ten laste van Quest conservatoir derdenbeslag gelegd voor haar vordering van € 102.253,14 onder de ABN AMRO Bank, A.L.T. Montage B.V. en GTO Planting B.V. Het beslag onder de ABN AMRO Bank heeft tot een bedrag van omstreeks € 22.000,00 doel getroffen.

3 Het geschil in conventie

3.1.

Head vordert samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Quest te veroordelen:

1. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Head te betalen de hoofdsom van

€ 102.253,14 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente,

2. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Head te betalen een voorschot op haar werkelijke schade ad € 5.000,00, te vermeerderen met wettelijke handelsrente,

3. om binnen één week na vonnis de laatst bekende gegevens te verstrekken van de werknemers die door Quest via Head zijn verloond in 2016 en 2017, waarvan door Head een spreadsheet is overgelegd, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

4. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Head te betalen terzake buitengerechtelijke kosten € 1.797,53, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente,

5. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Head te betalen de nakosten van dit geding,

6. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Head baseert haar vordering op Quest primair op nakoming van een contractuele vrijwaring, dan wel op een tekortkoming in de nakoming van de op Quest rustende informatieplicht uit hoofde van de tussen partijen gesloten payrollovereenkomst. In de tussen partijen gesloten payroll overeenkomst is in artikel 3 een vrijwaring opgenomen. De zinsnede in dat artikel “gaat akkoord met alle eventuele claims en boetes….” kan niet anders worden uitgelegd dan dat Quest aansprakelijk is, dan wel een vrijwaring verleent voor alle schade die Head lijdt als gevolg van de verkeerd berekende lonen bij de door Quest aangedragen medewerkers. Quest is direct in verzuim, aangezien de schade zich al heeft geopenbaard. Quest is, ondanks herhaalde sommatie, tot op heden niet overgegaan tot betaling van het bedrag van € 102.253,14. Voorts is Head subsidiair van mening dat Quest opzettelijk geen informatie heeft verstrekt over de toepasselijke cao’s en toeslagen aan Head. Quest heeft daarmee bewerkstelligd dat de door haar geplaatste werknemers minder betaald kregen dan waar zij op grond van de cao recht op hadden. Quest stelde zelf de wekelijkse spreadsheets op met de uurlonen en de doorberekende bedragen. Door niets te zeggen maar zelf wel de volle marge te ontvangen, heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens Head. Zij heeft Head willens en wetens bloot gesteld aan enorme aansprakelijkheden. Meer subsidiair stelt Head dat Quest ongerechtvaardigd is verrijkt, aangezien de extra loonkosten nu voor rekening komen van Head. Als Head de loonkosten direct had betaald aan de werknemers had Quest direct al minder marge ontvangen. Tenslotte is Quest tevens aansprakelijk voor alle verdere vermogensschade die Head lijdt als gevolg van het niet correct nakomen van de op Quest rustende informatieplicht. Daaronder zijn begrepen de werkelijke kosten die Head lijdt of heeft geleden om het SNCU onderzoek te faciliteren en zich te verweren tegen de geconstateerde omissies.

3.3.

Quest voert verweer.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

Quest vordert samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

1. primair: opheffing van alle door Head ten laste van Quest op 23 maart 2021 gelegde beslagen onder de ABN AMRO Bank, A.L.T. Montage B.V. en GTO Planting B.V.

subsidiair: Head te verplichten om binnen één dag na het in deze te wijzen vonnis over te gaan tot opheffing van alle door haar gelegde beslagen onder de ABN AMRO Bank, A.L.T. Montage B.V. en GTO Planting B.V., op straffe van verbeurte van een dwangsom,

2. te bevelen dat indien Head wederom verlof vraagt om beslag te mogen leggen ten laste van Quest tot zekerheid van de vorderingen c.q. de grondslagen, alsmede de reeds in dit kort geding aan de orde zijn gekomen feiten en omstandigheden, alsmede de in dit kort geding gewisselde processtukken, onder de aandacht van de desbetreffende voorzieningenrechter te brengen dat eerder een dergelijk beslag is opgeheven op grond van ondeugdelijkheid van die vordering, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

3. te verbieden dat Head rechtsmaatregelen neemt ter verkrijging van betalingen van Quest totdat in een bodemprocedure geoordeeld is dat op Quest een betalingsverplichting rust, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

4. Head te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

Quest legt daaraan het volgende ten grondslag. De rechtsverhouding tussen Head en Quest kan, anders dan Head stelt, geenszins worden gekwalificeerd als een payrollovereenkomst. De werkwijze tussen partijen volgt uit prod. 18 van Head. Head heeft met de betreffende werknemers een detacheringsovereenkomst gesloten. Head is dus de formele werkgever die de werknemer plaatst bij zijn opdrachtgever (inlener). Uit de inleenovereenkomst volgt dat Head het uitzendbureau is en dat de inlener de opdrachtgever is (en dus niet Quest). Op de door Head gesloten inleenovereenkomsten zijn de ABU voorwaarden van toepassing. Uit de artikelen 8, 12 en 13 van deze ABU voorwaarden volgt dat Head haar eventuele aansprakelijkheden uit hoofde van controles door SNCU één op één kan doorleggen naar de inleners/opdrachtgevers. Voor zover al sprake is van een tekortkoming van Quest in de rechtsverhouding met Head, schiet Head tekort in haar schadebeperkingsplicht, omdat zij de vordering van SNCU kan verhalen op inleners, maar dit kennelijk (nog) niet heeft gedaan. Het beroep van Head op specifieke bepalingen uit de Payroll overeenkomst, die niet de feitelijke situatie en afspraken tussen partijen weergeeft, kan derhalve geen opgeld doen. Dat de feitelijke afspraken tussen Head en Quest anders zijn dan de afspraken die zijn opgetekend in de payrollovereenkomst volgt uit de door Quest overgelegde producties 5, 8 en 9. Reden waarom er toch een getekende payrollovereenkomst is, is omdat partijen snel een document hebben getekend dat een standaard document van Head is. Ook tijdens verschillende gesprekken die hebben plaatsgevonden met zowel Quest als Head is door Head uitgesproken dat partijen maar even snel wat hebben getekend. Nu Quest buiten de rechtsverhouding staat die geldt tussen Head en de inleners, ontbreekt de juridische grondslag voor de vorderingen van Head. Het door Head terzake deze vorderingen gelegde beslag dient te worden opgeheven, aangezien Head zonder deugdelijke onderbouwing en zonder het overleggen van verifieerbare bescheiden en betalingen beslag heeft laten leggen leggen en daarmee de onderneming van Quest heeft platgelegd. Het is een bewuste actie geweest van Head om op dinsdag beslag te leggen onder de ABN AMRO Bank, wetende dat uitbetalingen op woensdag plaatsvinden. Daarbij komt dat Head weet dat GTO één van de grotere klanten is van Quest en dat een derdenbeslag Quest ook commercieel raakt. Partijen dienen in een bodemprocedure tot een geschilbelslechting te komen en in de tussentijd dient het Head verboden te worden rechtsmaatregelen te treffen en dienen de gelegde beslagen te worden opgeheven.

4.3.

Head voert verweer.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

5.2.

Head heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat Quest kan worden aangesproken tot betaling van de vordering van SNCU uit hoofde van de tussen partijen gesloten payroll overeenkomst. Enerzijds op grond van de vrijwaringsbepaling in artikel 3 van die overeenkomst en anderzijds vanwege het feit dat Quest niet heeft voldaan aan haar informatieverplichting uit hoofde van die overeenkomst om Head te informeren over de juiste toepasselijke cao. Quest heeft zich daartegen verweerd met de stelling dat de payroll overeenkomst niet van toepassing is op de rechtsverhouding tussen partijen. Als de overeenkomst al heeft gegolden tussen partijen dan is deze met wederzijds goedvinden geëindigd. Die stelling heeft zij onvoldoende aannemelijk gemaakt.

5.3.

Vast staat dat partijen op 1 juli 2016 een overeenkomst hebben getekend, genaamd “payroll overeenkomst”. Quest heeft niet betwist dat zij de overeenkomst heeft getekend en zij heeft evenmin de in die overeenkomst opgenomen bepalingen betwist. De uitleg van Quest dat zij weliswaar de door Head als prod. 2 overgelegde overeenkomst heeft getekend, maar dat deze overeenkomst geenszins de bedoeling van partijen weergeeft is door Quest onvoldoende onderbouwd en vindt ook geen bevestiging in de stukken. Quest heeft wel gesteld dat in de besprekingen tussen partijen ook door Head is uitgesproken dat de overeenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd, maar dit wordt door Head ontkend en hiervan kan in de stukken geen onderbouwing worden gevonden. Dat Quest de overeenkomst maar heeft getekend omdat dit een standaard model van Head was, kan zonder enige andere toelichting, die ontbreekt, niet overtuigen, temeer niet nu [C] kennelijk reeds betrokken was bij de onderhandelingen tussen partijen en het in de rede had gelegen dat hij namens Quest terzake het tekenen van de overeenkomst (zo nodig) enig voorbehoud had gemaakt. Quest heeft niet nader toegelicht waarom het voor partijen van belang was om een standaard model te tekenen, terwijl dit, in de stelling van Quest, niet de rechtsverhouding tussen partijen weergeeft en de samenwerking zoals opgenomen in de payrollovereenkomst zich in casu niet heeft voorgedaan. Anders dan Quest stelt kan het beroep van Head op de bepalingen in de overeenkomst van 1 juli 2016 dan ook niet zonder meer terzijde worden geschoven.

5.4.

De verwijzing door Quest naar het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034, leidt niet tot een ander oordeel. Uit dit arrest van de Hoge Raad volgt dat de vraag naar de kwalificatie van een overeenkomst moet worden onderscheiden van de - daaraan voorafgaande - vraag welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Nadat de rechter met behulp van die maatstaf de inhoud van de overeenkomst - dat wil zeggen de wederzijdse rechten en verplichtingen - heeft vastgesteld (uitleg), kan hij beoordelen of die overeenkomst de kenmerken heeft van een benoemde overeenkomst (kwalificatie). Anders dan Quest stelt dient bij de vraag welke rechten en verplichtingen partijen over en weer zijn overeengekomen, in aanmerking te worden genomen dat partijen op 1 juli 2016 genoemde overeenkomst hebben ondertekend. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft Quest niet aannemelijk gemaakt dat de bedoeling van partijen geheel anders was.

5.5.

Het voorgaande betekent dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de vordering van Head iedere grondslag ontbeert. Indien moet worden aangenomen dat de bepalingen uit de payroll overeenkomst tussen partijen gelden, kan vooralsnog niet worden uitgesloten dat Quest door Head kan worden aangesproken voor de vordering van SNCU op Head. Anders dan Head veronderstelt betekent dit echter niet dat de vordering in kort geding voor toewijzing gereed ligt. Naar de vraag wat de precieze rechtsverhouding tussen partijen is dient - gelet op de door partijen over en weer ingenomen stellingen - nader feitenonderzoek te worden gedaan, waarvoor deze procedure in kort geding zich niet leent. Daarbij heeft Quest - naast de betwisting van de grondslag van de vordering - tevens het verweer gevoerd dat zij door Head eerst eind november 2020 op de hoogte is gesteld van het onderzoek van SNCU jegens Head en de daaruit voortvloeiende vordering. Dit, terwijl Head al op 21 april 2020 een conceptrapportage heeft ontvangen van APG (in opdracht van SNCU, met de mogelijkheid voor Head om daarop binnen 14 dagen te reageren. Ook heeft Head al op 23 juni 2020 de aanschrijving van SNCU ontvangen (op basis van de rapportage van APG) dat de cao’s moeten worden nageleefd en heeft Head een verklaring getekend dat zij betaling over zal gaan. Nu Quest daarmee eerst eind november 2020 is geconfronteerd is Quest de mogelijkheid onthouden zich in de discussie met SCNU te mengen en zelf verweer te voeren in de richting van SNCU. De vraag rijst in hoeverre het in dat kader gerechtvaardigd is dat Head de betaling thans (volledig) op Quest verhaald. Ook hiernaar dient in een bodemprocedure nader onderzoek te worden verricht.

5.6.

Bij dit alles speelt tevens een rol dat sprake lijkt te zijn van een restitutierisico aan de zijde van Quest. Quest heeft in dat kader aangevoerd dat de vele vennootschapsrechtelijke constructies aangestuurd door de heer [D] , zoals blijkt uit bijlage 1 bij de pleitnota van Quest, het risico met zich brengen dat de activiteiten van Head eenvoudig kunnen worden gestaakt en onder een andere entiteit kunnen worden voortgezet, zoals (blijkbaar) al veelvuldig is gebeurd. Dit brengt het risico met zich brengt dat het door Quest te betalen bedrag niet meer te verhalen is op Head gedurende na afloop van een bodemprocedure. Voorts is gebleken dat Head de vordering van SNCU tot op heden, ook na sommatie, niet heeft voldaan en kennelijk eerst dit kort geding is gestart jegens Quest, terwijl zij wel van oordeel is dat zij de vordering aan SNCU dient te voldoen. Dit bevestigt het vermoeden van Quest dat Head thans niet over voldoende financiële middelen beschikt om tot betaling over te gaan, zodat het ook om die reden maar de vraag is of Head in staat zal zijn om het bedrag van € 102.253,14 terug te betalen aan Quest als achteraf blijkt dat zij deze ten onrechte heeft ontvangen.

5.7.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van Head onder 1 en 2 niet voldoen aan de vereisten die gelden voor toewijzing van een geldvordering in kort geding. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen. De overige verweren van Quest behoeven daarmee geen nadere bespreking.

5.8.

De vordering onder 3 om binnen één week na vonnis de laatst bekende gegevens te verstrekken van de werknemers die door Quest via Head zijn verloond in 2016 en 2017, waarvan door Head een spreadsheet is overgelegd, zal, bij gebreke van een deugdelijke grondslag, eveneens worden afgewezen.

5.9.

Nu de vorderingen onder 1 tot en met 3 voor afwijzing gereed liggen, zullen ook de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.

5.10.

Head zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Quest worden begroot op:

- griffierecht € 4.200,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 5.216,00

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

6.2.

Toepassing van de onder 6.1 weergegeven toets brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het derdenbeslag mag blijven rusten. Uit hetgeen in conventie is overwogen vloeit voort dat naar de vordering van Head nader feitenonderzoek dient plaats te vinden, waarvoor partijen worden verwezen naar de bodemrechter. Head heeft er belang bij verhaal zeker te stellen voor de situatie dat haar vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Nu het beslag onder de ABN AMRO Bank beperkt doel heeft getroffen (tot een bedrag van € 22.000,00) en Quest overigens niet concreet heeft onderbouwd in hoeverre zij door het gelegde beslag in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd, brengt een afweging van de belangen van partijen mee dat de vordering tot opheffing van het gelegde beslag zal worden afgewezen. Daarmee ligt tevens de onder 2 gevorderde veroordeling voor afwijzing gereed.

6.3.

Het onder 3 gevorderde verbod om rechtsmaatregelen te treffen ter verkrijging van betalingen van Quest totdat in een bodemprocedure geoordeeld is dat op Quest een betalingsverplichting rust, zal ook worden afgewezen. Mede gelet op het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter staat het Head, in beginsel, vrij om nieuwe rechtsmaatregelen te treffen, die elk op hun eigen merites moeten worden beoordeeld. Daar komt bij dat de vordering te onbepaald is om, op straffe van verbeurte van een dwangsom, te worden toegewezen.

6.4.

Quest zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Head worden begroot op:

- salaris advocaat € 1.016,00

- overige kosten 0,00

Totaal € 1.016,00

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

wijst de vorderingen af,

7.2.

veroordeelt Head in de proceskosten, aan de zijde van Quest tot op heden begroot op € 5.216,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

7.3.

veroordeelt Head in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

7.4.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

7.5.

wijst de vorderingen af,

7.6.

veroordeelt Quest in de proceskosten, aan de zijde van Head tot op heden begroot op € 1.016,00,

7.7.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2021.