Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2156

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
368481 / KG ZA 21-144
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot opheffing van het beslag toegewezen. De bodemrechter heeft eerder uitspraak gedaan (Vgl. HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559). De voorzieningenrechter dient niet te beoordelen of terecht verlof voor het beslag is verleend, maar of op het moment van zijn beslissing grond bestaat voor opheffing van het gelegde beslag (HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273). Belangenafweging wordt gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/368481 / KG ZA 21-144

Vonnis in kort geding van 22 april 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. A.M. van Schaick te Tilburg,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.G. Krüger te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 maart 2021 met producties 1 tot en met 3;

  • -

    de brief van 6 april 2021 van mr. Krüger met twee producties;

  • -

    de mondelinge behandeling van 8 april 2021 te 11.15 uur die via een Skypeverbinding heeft plaatsgevonden;

  • -

    de pleitnota van mr. Van Schaick namens [eiser] ;

  • -

    de pleitnota van mr. Krüger namens [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is in een op 2 september 2020 uitgesproken vonnis (hierna: het vonnis) door deze rechtbank veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van

€ 55.150,00 vermeerderd met wettelijke rente, kosten en proceskosten.

2.2.

Op 2 november 2020 heeft [gedaagde] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.

2.3.

Op 21 januari 2021 heeft de raadsman van [eiser] de raadsman van [gedaagde] verzocht om vrijwillig aan het vonnis van 2 september 2020 te voldoen, waarna (de verzekeraar van) [gedaagde] een bedrag van € 69.569,58 op de derdengeldrekening van de raadsman van [eiser] heeft gestort.

2.4.

Bij verzoekschrift van 1 februari 2021 heeft [gedaagde] de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verlof gevraagd om conservatoir derdenbeslag te mogen leggen ten laste van [eiser] , onder andere “op” de derdengeldrekening van de raadsman van [eiser] .

2.5.

Op 2 februari 2021 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam het verlof verleend met begroting van de vordering van [gedaagde] op [eiser] op een bedrag van € 69.500,00, waarna [gedaagde] op 5 februari 2021 tot beslaglegging is overgegaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

1. het ten laste van [eiser] bij exploot van 5 februari 2021 door deurwaarder Van Dijk, gevestigd en kantoorhoudende te Venlo, gelegde beslag onder de ING Bank N.V., de ABN AMRO Bank N.V., de Coöperatieve Rabobank U.A. en de Stichting Beheer Derdengelden Linssen c.s., zoals genoemd in randnummers 47 e.v. van het verzoekschrift van 1 februari 2021 van [gedaagde] respectievelijk het verlof van 2 februari 2021 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam op te heffen;

2. [gedaagde] te verbieden om de verdere executie van het vonnis van 2 september 2020 van deze rechtbank te frustreren zolang het vonnis niet in hoger beroep is vernietigd op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of dagdeel;

3. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] legt daaraan - kort gezegd - ten grondslag dat het beslag ten onrechte is gelegd en dient te worden opgeheven. Zijn belang tot opheffing prevaleert boven het belang van [gedaagde] en het vonnis berust niet op een kennelijke misslag.

3.3.

[gedaagde] voert - kort gezegd - het volgende verweer:

[eiser] baseert zijn vorderingen op een onjuiste grondslag, de vorderingen zijn daarnaast (gedeeltelijk) juridisch niet toewijsbaar en de aangevoerde argumenten kunnen de vorderingen niet dragen. Tot slot bestaan er geen gronden om het door [gedaagde] gelegde conservatoire beslag op te heffen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om conservatoire derdenbeslagen, die zijn gelegd door [gedaagde] ten laste van [eiser] die in eerste aanleg van de bodemrechter gelijk heeft gekregen. [eiser] heeft opheffing van die beslagen gevorderd.

4.2.

De opheffing van een conservatoir beslag kan ingevolge het bepaalde in artikel 705 Rv. onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, indien het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. [eiser] moet in dat kader aannemelijk maken dat de vordering van [gedaagde] ter verzekering waarvan beslag is gelegd, ondeugdelijk is en daarnaast dient de voorzieningenrechter de wederzijdse belangen van partijen af te wegen.

4.3.

Daarnaast is van belang dat een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag, waarbij de bodemrechter in eerste aanleg tot toewijzing van de vordering is gekomen en ingeval daartegen hoger beroep is ingesteld, niet zonder meer kan worden toegewezen, ook niet onder het voorbehoud van kennelijke misslagen in de uitspraak van de bodemrechter. Ook in een zodanig geval dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen. De omstandigheid dat de bodemrechter in eerste aanleg in de hoofdzaak reeds een uitspraak heeft gedaan, dient daarbij wel te worden meegewogen (Vgl. HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559). Voorts geldt dat in een opheffingskortgeding van een beslag de voorzieningenrechter niet dient te beoordelen of terecht verlof voor het beslag is verleend, maar of op het moment van zijn beslissing grond bestaat voor opheffing van het gelegde beslag (HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273).

4.4.

Ten aanzien van de belangenafweging heeft [eiser] aangevoerd dat hij - nu hij na jaren procederen gelijk heeft gekregen - over het door (de verzekeraar van) [gedaagde] betaalde geldbedrag wenst te (kunnen) beschikken om zo zijn geliefde hobby te kunnen voortzetten. [eiser] wenst het geldbedrag aan te wenden voor de aankoop van een nieuw papegaaienkoppel en hoopt daarmee op jonge papegaaien. Desgevraagd heeft [eiser] ter zitting toegelicht dat daar een jarenlange voorbereiding aan vooraf gaat en daarin is zijn belang dan ook gelegen. De tijd dringt volgens [eiser] , omdat er wellicht een periode van 10 tot 15 jaar mee gemoeid kan zijn en [eiser] zal - gelet op zijn leeftijd van 61 jaar - dan al op leeftijd zijn.

4.5.

Daartegenover staat het belang van [gedaagde] . Een prognose van het door [gedaagde] ingestelde hoger beroep kan de voorzieningenrechter in het kader van dit kort geding niet geven, waardoor aan hetgeen [gedaagde] daarover heeft aangevoerd wordt voorbijgegaan. Rest slechts het belang van [gedaagde] dat ziet op het veiligstellen van verhaal voor een eventuele vordering van hem die wellicht zal ontstaan indien het gerechtshof zal oordelen dat [gedaagde] het gelijk aan zijn zijde heeft. Dat belang wordt echter gedekt door zijn verzekeraar.

4.6.

De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat het belang van [eiser] dient te prevaleren boven het belang van [gedaagde] en dat leidt tot toewijzing van vordering 1..

4.7.

Ten aanzien van vordering 2. overweegt de voorzieningenrechter dat de Hoge Raad leert dat een vordering tot het treffen van een verbod op conservatoire maatregelen, terwijl er inmiddels al een vonnis door de bodemrechter is gewezen, de afstemmingsregel niet geldt en een belangenafweging dient te worden gemaakt (HR 3 april 2020 ECLI:NL:HR:2020:599). De vordering dat [gedaagde] veroordeeld wordt de (verdere) executie van het vonnis niet te frustreren is niet voldoende bepaald. De voorzieningenrechter zal ook vordering 2. in aangepaste vorm toewijzen. [eiser] heeft van de bodemrechter gelijk gekregen en de hiervoor gemaakte belangenafweging leidt ertoe dat een verbod op conservatoire maatregelen ter voorkoming van (verdere|) executie van het vonnis op zijn plaats is. [eiser] moet kunnen beschikken over het bedrag dat hem door de bodemrechter is toegekend. Aan [eiser] moet worden toegegeven dat de gekozen handelswijze van [gedaagde] niet elegant te noemen is. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om een executiegeschil jegens [eiser] te starten in plaats van het geldbedrag op de derdengeldrekening van de advocaat van [eiser] te voldoen en direct daarna beslag te leggen.

4.8.

De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen als hierna gemeld.

4.9.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 106,01

- griffierecht 309,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.431,01

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op de ten laste van [eiser] bij exploot van 5 februari 2021 door deurwaarder Van Dijk, gevestigd en kantoorhoudende te Venlo, gelegde beslagen onder de ING Bank N.V., de ABN AMRO Bank N.V., de Coöperatieve Rabobank U.A. en de Stichting Beheer Derdengelden Linssen c.s., zoals genoemd in randnummers 47 e.v. van het verzoekschrift van 1 februari 2021 van [gedaagde] respectievelijk het verlof van 2 februari 2021 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam,

5.2.

verbiedt [gedaagde] (een) conservatoire maatregel(en) te treffen ter voorkoming van verdere executie van het vonnis van 2 september 2020 van de rechtbank Oost-Brabant zolang het vonnis niet in hoger beroep is vernietigd,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 5.2. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.431,01, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2021.