Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:2131

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
01/213242-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn vader van het leven beroofd door meerdere malen met een klauwhamer op de romp en het hoofd van zijn vader te slaan. Bewezenverklaring van doodslag.

Onvoldoende is komen vast dat staan dat de verdachte het vooropgezette plan heeft gehad om zijn vader van het leven te beroven. Sterke aanwijzingen dat verdachte in een hevige gemoedsopwelling heeft gehandeld. Vrijspraak van moord.

Beroep op psychische overmacht wordt verworpen.

Het feit wordt verdachte in verminderde mate toegerekend. De rechtbank legt een gevangenisstraf van zeven jaren met aftrek van het voorarrest op.

Verklaart de benadeelde partij (zus van het slachtoffer) niet-ontvankelijk in de vordering ten aanzien van de gevorderde shockschade en wijst de vordering af ten aanzien van de gevorderde affectieschade en proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.213242.20

Datum uitspraak: 29 april 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

thans gedetineerd te: P.I. Grave.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 december 2020, 19 februari 2021 en 15 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 oktober 2020. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 3 december 2020 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. Met inachtneming van deze wijziging is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 augustus 2020 te Sint-Michielsgestel, in elk geval in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte, meerdere malen, althans eenmaal, met kracht met een (klauw)hamer op de romp (voor- en achterwaarts) en/of het hoofd althans het lichaam geslagen van die [slachtoffer] , tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden is de officier van justitie van mening dat er sprake was van voorbedachte raad bij de verdachte. Hij heeft uitvoering gegeven aan zijn plan om zijn vader, [slachtoffer] (hierna te noemen: het slachtoffer) om het leven te brengen. De verdachte heeft kort voorafgaand aan de moord op het internet gezocht of men in de gevangenis kranten en boeken mag lezen. Vervolgens heeft hij na een ruzie met het slachtoffer - waarna het slachtoffer de woning voor ongeveer 45 minuten heeft verlaten - een hamer gepakt en hem opgewacht. De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van minstens 30 minuten kunnen beraden over de betekenis en de gevolgen van zijn daad en zich daarvan rekenschap kunnen geven. Het is redelijk aan te nemen dat verdachte van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad. Daarbij komt dat verdachte zich niet heeft teruggetrokken uit de geweldshandelingen en evenmin blijk heeft gegeven van (her)bezinning.

Gelet op de voorgeschiedenis van de verdachte en op wat in het hoofd van verdachte op de dag van het ten laste gelegde feit is omgegaan, kan niet worden gesteld dat slechts sprake was van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Daarvan kan zeker niet meer worden gesproken na het eerste douchemoment. Daar kwam besef en ontstond een keuze voor de verdachte.

Het dossier geeft verder geen blijk van eventuele andere contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad.

De officier van justitie is gelet op het voorgaande van mening dat de impliciet primair ten laste gelegde moord wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging vrijspraak van moord bepleit. De verdediging gaat daarbij uit van de verklaring van de verdachte, die betrouwbaar is.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte tot het moment van uitvoering slechts het voornemen had om het slachtoffer pijn te doen. Bij de verdachte is na het uitdelen van de eerste klap (op de rug) een gemoedsopwelling ontstaan. Het slachtoffer draaide zich om en krijste op de voor de verdachte kenmerkende en triggerende toon. De verdachte keek in de ogen van vader en besefte dat hij de veroorzaker is van alle ellende. Dat is het moment waarop cliënt het slachtoffer dood wilde maken en hij met de hamer meerdere malen op het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen. De verdachte dacht dat het slachtoffer was overleden. Tussen de eerste klap en de navolgende geweldshandelingen heeft de verdachte slechts een korte tijd van bezinning gehad waarin hij zich geen rekenschap heeft kunnen geven van de gevolgen van zijn gedragingen. Dat hij vervolgens is gaan douchen (in de veronderstelling dat het slachtoffer was overleden) en een korte tijd later ontdekte dat het slachtoffer nog niet was overleden en wederom met de hamer sloeg, maakt niet dat de verdachte een moment van kalm en rustig beraad heeft gehad. Het wilsbesluit en de geweldshandelingen volgen elkaar namelijk (wederom) in korte tijd op.

Verder heeft de raadsman nog opgemerkt dat de verdachte op het internet opvallende zoekslagen heeft gedaan, maar daaruit blijkt niet dat verdachte specifiek het plan had om het slachtoffer om het leven te brengen.

Indien de rechtbank van oordeel is dat de verdachte zich wel enige tijd heeft kunnen beraden op zijn genomen besluit, is de raadsman van mening dat het dossier voldoende contra-indicaties bevat voor het aannemen van voorbedachte raad, namelijk:

  • -

    zowel de besluitvorming om het slachtoffer om het leven te brengen als de uitvoering daarvan hebben in hevige drift plaatsgevonden;

  • -

    de tijdspanne tussen het moment van besluitvorming en uitvoering is uiterst kort geweest; en

  • -

    als er al gelegenheid tot beraad is geweest, dan is die gelegenheid pas ontstaan tijdens de uitvoering van het besluit.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage A bij dit vonnis, en dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Nadere overwegingen van de rechtbank.

De toedracht.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting van 15 april 2021 stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 22 augustus 2020 werd bij de politie melding gedaan dat [verdachte] (de verdachte) in verwarde toestand bij de woning van zijn moeder en broertje was aangekomen. Na enige tijd zou de verdachte hebben gezegd dat zij de hulpdiensten moesten bellen omdat zijn vader (slachtoffer) dood in de garage van zijn woning aan de [adres] in [gemeente] zou liggen.

De politie trof in de garage van de woning het slachtoffer met een ingeslagen schedel aan. De verdachte heeft het slachtoffer met een hamer meerdere malen op zijn hoofd en romp geslagen. Uit pathologisch onderzoek wordt de dood van het slachtoffer verklaard door hersenfunctiestoornissen en ernstig bloedverlies, door meervoudige en hevige stomp botsende geweldsinwerking op het hoofd. Daarbij kan het stomp botsend geweld op de romp een bijdrage hebben geleverd aan (de snelheid van) het intreden van de dood.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer op 22 augustus 2020 heeft gedood.

De verklaringen van de verdachte.

De verdachte heeft in zijn verhoren bij de politie uitgebreid verklaard over het aan hem ten laste gelegde feit. Deze verklaringen worden naar het oordeel van de rechtbank niet weersproken door enig forensisch of pathologisch onderzoek. Verder zijn er geen directe getuigen of andere bewijsmiddelen voorhanden, die de verklaringen van verdachte weerspreken. De rechtbank zal daarom uitgaan van de verklaringen van de verdachte.

In de kern komen die erop neer dat de verdachte op het moment dat het slachtoffer de woning verlaat een hamer pakt met de bedoeling om het slachtoffer pijn te doen. Het was op dat moment (nog) niet de bedoeling om het slachtoffer te doden. De verdachte wacht het slachtoffer op met de hamer en geeft hem daarmee een klap op zijn rug.

Het slachtoffer begint te krijsen op een voor de verdachte bekende toon. Op het moment dat de verdachte het slachtoffer in de ogen kijkt, beseft hij dat het slachtoffer de veroorzaker is van de ellende die de verdachte heeft ervaren. Op dat moment slaat hij het slachtoffer op zijn hoofd en blijft hij slaan, want, zo verklaart verdachte, hij moest gewoon dood. Hij denkt dat het slachtoffer is overleden. De verdachte gaat douchen en trekt schone kleren aan. Als bij beneden komt, hoort hij dat het slachtoffer nog geluid maakt. Er knapt opnieuw iets bij de verdachte. Hij gaat op het slachtoffer af, slaat hem opnieuw en blijft slaan totdat hij zeker weet dat het slachtoffer dood is.

Juridisch kader.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.

Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Verder heeft de Hoge Raad overwogen dat de vraag of de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven zich moeilijk leent voor strafrechtelijk bewijs. Dat geldt zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen of geen eenduidig inzicht geven in wat voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid tot nadenken en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.

De toepassing van het juridisch kader op de feiten.

Hiervoor heeft de rechtbank de verklaringen van de verdachte in de kern weergegeven. Daaruit leidt de rechtbank drie fases af, die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, namelijk:

  1. de fase waarin het slachtoffer de woning verlaat en de verdachte een hamer pakt, tot aan het moment dat de verdachte de eerste klap geeft;

  2. de fase na de eerste klap, als de verdachte besluit het slachtoffer op het hoofd te slaan en daarmee door te gaan; en

  3. de periode waarin de verdachte in de veronderstelling is dat het slachtoffer is overleden, hij weer beneden komt na het douchen, de hamer oppakt en wederom begint met slaan.


1. De fase waarin het slachtoffer de woning verlaat en de verdachte een hamer pakt, tot het moment dat de verdachte de eerste klap geeft.

De rechtbank leidt uit de verklaringen van verdachte af dat hij op 22 augustus 2020 tussen 13.30 uur en 14.00 uur een woordenwisseling over zijn eetstoornis met het slachtoffer heeft gehad. Rond 14.15 uur verliet het slachtoffer de woning. De verdachte bleef in de woning achter en voelde zich – door de kwetsende woorden van het slachtoffer – verdrietig en hopeloos. In deze gemoedstoestand heeft hij een hamer uit de garage gepakt en heeft hij het slachtoffer opgewacht. De verdachte heeft (zowel bij de politie als tijdens het onderzoek ter terechtzitting) verklaard dat hij bij het pakken van de hamer geen plan had om het slachtoffer om het leven te brengen. Hij wilde het slachtoffer enkel pijn doen. Omstreeks 14.50 uur is het slachtoffer – eenmaal thuis aangekomen – direct naar de bovenverdieping van de woning gelopen. Enkele ogenblikken later is hij naar beneden gelopen, waarop hij onderaan de trap van de verdachte een klap met een hamer op zijn rug kreeg. De verdachte heeft verklaard dat hij ook bij het geven van de klap niet de intentie had het slachtoffer te doden.

De rechtbank staat voor de vraag of uit het voorgaande blijkt dat verdachte een vooropgezet plan heeft gehad om het slachtoffer om het leven te brengen.

De rechtbank is van oordeel dat het pakken van en het slaan met een hamer niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat de verdachte een (vooropgezet) plan heeft gehad om het slachtoffer te doden. In die beoordeling is onder meer van belang wat er in het hoofd van de verdachte is omgegaan op het moment dat hij de hamer heeft gepakt. De verdachte heeft daarover verklaard dat hij dat deed, omdat hij het slachtoffer pijn wilde doen.

De verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer aanvankelijk éénmaal op zijn rug heeft geslagen. Dit zou, zo overweegt de rechtbank, kunnen passen bij zijn verklaring dat hij bij het pakken van de hamer enkel de intentie had om het slachtoffer pijn te doen. De bevindingen van de patholoog zouden eveneens bij deze lezing kunnen passen. Het dossier bevat geen aanknopingspunten die de lezing van verdachte weerspreken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte op het moment dat hij de hamer pakte, vervolgens het slachtoffer daarmee opwachtte en hem een klap gaf het plan had het slachtoffer van het leven te beroven. Zij kan niet uitsluiten dat de verdachte, zoals hij heeft verklaard, op dat moment slechts de bedoeling had hem pijn te doen.

2. De fase na de eerste klap, als de verdachte besluit het slachtoffer op het hoofd te slaan en daarmee door te gaan.

Op basis van de verklaringen van verdachte gaat de rechtbank ervan uit dat het slachtoffer na de eerste klap begint te krijsen. De verdachte en het slachtoffer kijken elkaar in de ogen, volgens de verdachte voor het eerst in jaren. De verdachte beseft dat het slachtoffer de veroorzaker is van alle ellende. De verdachte was ‘beestachtig’. Op dat moment wil de verdachte het slachtoffer doden. Hij slaat op het hoofd van het slachtoffer en hij blijft slaan. Terwijl het slachtoffer via de keuken en de bijkeuken naar de garage probeert te vluchten, blijft verdachte hem met de hamer slaan, totdat het slachtoffer in de garage ‘knockout’ gaat. De verdachte denkt dat het slachtoffer is overleden.

De rechtbank moet ook ten aanzien van deze fase de vraag beantwoorden of sprake was van voorbedachte raad.

De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. De rechtbank vindt dat er gelet op de verklaringen van de verdachte sterke aanwijzingen zijn dat hij heeft gehandeld in een hevige gemoedsopwelling. Daarbij neemt zij de voorgeschiedenis van verdachte, zoals uit het dossier blijkt, in aanmerking.

Verder gaat de rechtbank er op basis van die verklaringen vanuit dat tussen het wilsbesluit van de verdachte om het slachtoffer te doden en de eerste klap op het hoofd nagenoeg geen tijd is verstreken. De verdachte slaat het slachtoffer onmiddellijk op zijn hoofd. Dat levert een contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad op.

Verdachte gaat achter het slachtoffer aan en slaat het slachtoffer vervolgens meermalen. Ook hier is het tijdsverloop beperkt, naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval te beperkt om ervan uit te gaan dat de verdachte de mogelijkheid heeft gehad om zich te beraden over zijn handelen en de gevolgen daarvan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit. Niet kan worden uitgesloten dat verdachte inderdaad, zoals door de verdediging is betoogd, heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

3. De periode waarin de verdachte in de veronderstelling is dat het slachtoffer is overleden, hij weer beneden komt, de hamer oppakt en wederom begint met slaan.

De rechtbank leidt uit de verklaringen van de verdachte af dat hij – nadat hij het slachtoffer meerdere malen met een hamer op zijn hoofd heeft geslagen en het slachtoffer op zijn buik in de garage lag – in de veronderstelling was dat het slachtoffer was overleden. De verdachte is vervolgens gaan douchen en heeft schone kleding aan gedaan. Toen hij beneden kwam hoorde hij het slachtoffer geluiden maken. Hij werd weer ‘een beest’ en begon andermaal op het lichaam en de schedel van het slachtoffer te slaan, totdat hij zeker wist dat het slachtoffer was overleden.

De rechtbank dient wederom de vraag te beantwoorden of het handelen van verdachte blijk geeft van voorbedachte raad.

De rechtbank overweegt dat uit het handelen van de verdachte (het douchen en het aantrekken van schone kleding) sterke aanwijzingen volgen dat hij, toen het slachtoffer op de grond viel in de garage, in de veronderstelling verkeerde dat het slachtoffer was overleden. Hij heeft ook verklaard dat hij dacht dat het slachtoffer op dat moment al dood was. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank daarom de periode waarin de verdachte onder de douche stond niet als een periode waarin de verdachte zich heeft kunnen beraden op zijn voorgenomen besluit. De rechtbank gaat ervan uit dat de verdachte pas op het moment dat hij het slachtoffer geluid hoorde maken opnieuw een wilsbesluit heeft genomen om het slachtoffer om het leven te brengen. Nu uit de verklaringen van de verdachte blijkt dat het voornemen en de uitvoering elkaar in een korte tijdspanne hebben opgevolgd, is sprake van een contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ook ten aanzien van deze periode niet vastgesteld kan worden dat sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg.

Zoekslagen op het internet.

De rechtbank overweegt dat de door verdachte op het internet verrichte zoekslagen niettemin zouden kunnen passen bij een vooropgezet plan om het slachtoffer om het leven te brengen. Zoekslagen zoals ‘krant en boek lezen in gevangenis’, ‘tbs voor moord uit liefde met klauwhamer’ en ‘vrij na moord’ geven in het licht van het aan verdachte ten laste gelegde feit op zijn minst te denken. Deze zoekslagen dienen echter, mede gelet op de psychische gesteldheid van de verdachte, met de nodige zorgvuldigheid te worden bekeken. Deskundigen hebben in het pro Justitia rapport beschreven dat de verdachte zich in de weken voorafgaand aan het ten laste gelegde feit in een neerwaartse spiraal bevond waarin hij onder meer dacht aan suïcide en aan het doden van zijn ex-vriendin. Verdachte zelf heeft verklaard dat (een groot deel van) deze zoekslagen gerelateerd moet(en) worden aan de gedachten die hij had om zijn ex-vriendin op te zoeken. Nu deze verklaring tot op zekere hoogte steun vindt in overige bewijsmiddelen, kan deze verklaring van verdachte niet zonder meer als onaannemelijk ter zijde worden geschoven. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank daarom van oordeel dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de door verdachte verrichte zoekslagen daadwerkelijk verband houden met zijn uiteindelijke handelen.

Conclusie.

De rechtbank is op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte het vooropgezette plan had om het slachtoffer van het leven te beroven. Ook is de rechtbank van oordeel dat (telkens) slechts een korte tijd is verstreken tussen het moment van besluitvorming en uitvoering en dat er sterke aanwijzingen zijn dat de verdachte in een hevige gemoedsopwelling heeft gehandeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg.

De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van de impliciet primair ten laste gelegde moord.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 22 augustus 2020 te Sint-Michielsgestel opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte, meerdere malen, met kracht met een klauwhamer op de romp (voor- en achterwaarts) en het hoofd geslagen van die [slachtoffer] , tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft betoogd dat er sprake was van psychische overmacht en heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Uit de verklaringen van verdachte en uit het pro Justitia rapport blijkt dat het voor de verdachte zeer moeilijk was zich te onttrekken aan de druk die op hem werd uitgeoefend door het slachtoffer. Er was sprake van een jarenlange situatie van chronische terreur. In het rapport is geconcludeerd dat de gezinsdynamiek een grote rol lijkt te hebben gespeeld in de ontstane klachten, symptomen en stoornissen van de verdachte. Uit het dossier blijkt dat de verdachte er zelfstandig van alles aan heeft gedaan om van zijn klachten af te komen. Op het moment dat hij werd aangekeken door het slachtoffer werd hij overspoeld door hevige woede, haat en angst die hij in al die jaren door zijn traumatische jeugd had opgebouwd, maar had afgeweerd. Verdachte verkeerde in een situatie waarin hij redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden aan de drang om het slachtoffer met een hamer te slaan. De verdachte dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op psychische overmacht.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van psychische overmacht. De verdachte had onder de gegeven omstandigheden anders kunnen en moeten handelen dan hij heeft gedaan. Hij heeft (kort) voorafgaand aan het incident meerdere alternatieven gehad om af te zien van zijn handelen. Verder heeft de verdachte zich door het slachtoffer onderaan de trap met een hamer op te wachten willens en wetens in de situatie gebracht waarin hij eventueel het wapen (dodelijk) zou gebruiken.

Het oordeel van de rechtbank.

Om een beroep op psychische overmacht te kunnen doen slagen moet er sprake zijn van een psychische drang veroorzaakt door een van buiten de verdachte komende oorzaak. De psychische drang moet van zodanige aard zijn dat de wilsvrijheid van de verdachte daardoor is aangetast en dat de verdachte in dit geval de drang om het slachtoffer te doden redelijkerwijs niet kon en ook niet behoefde te weerstaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van het verhandelde ter terechtzitting en hetgeen blijkt uit het dossier aannemelijk geworden dat de verdachte lange tijd onder druk heeft gestaan als gevolg van een traumatiserende gezinsdynamiek. De relatie tussen de verdachte en het slachtoffer verliep al geruime tijd uiterst moeizaam. Ook op de dag van het ten laste gelegde feit was er sprake van ruzie tussen beiden.

De verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer na de eerste klap begon te krijsen. Hij heeft verklaard dat het slachtoffer en hij keken elkaar in de ogen keken en dat hij besefte dat het slachtoffer de veroorzaker is van alle ellende. Op dat moment wil de verdachte het slachtoffer doden en slaat hij meermalen op het hoofd van het slachtoffer. De hiervoor genoemde omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een van buiten komende drang, die verdachte redelijkerwijs niet kon en ook niet behoefde te weerstaan.

De rechtbank overweegt verder dat het slachtoffer, toen verdachte voor de tweede keer met de hamer begon te slaan, weerloos op de grond lag. Van een buiten komende drang was dus ook op dat moment geen sprake.

De rechtbank acht dus niet aannemelijk geworden dat ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een zodanige van buiten komende drang bij de verdachte dat redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd dat hij daaraan weerstand zou bieden. Het beroep op psychische overmacht wordt verworpen.

Verder is geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd om aan de verdachte voor moord een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 15 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de strafmaat – indien en voor zover de rechtbank aan een veroordeling toekomt – op het standpunt gesteld dat de rechtbank dient te volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf die ruimschoots onder de vijf jaren en negen maanden ligt. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de rechtbank de opgestelde indicatiepunten voor straftoemeting van het hofressort Den Haag als uitgangspunt behoort te nemen en in strafmatigende zin rekening dient te houden met:

  • -

    de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte;

  • -

    de proceshouding van de verdachte;

  • -

    zijn blanco justitiële documentatie;

  • -

    de negatieve rol die het slachtoffer in het leven (en in de psychische ontregeling) van de verdachte heeft gespeeld;

  • -

    de impact van de Wet straffen en beschermen op de feitelijke duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf, indien de rechtbank een gevangenisstraf van langere duur dan vijf jaren en negen maanden oplegt.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Ook weegt de rechtbank mee dat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij een voltooide doodslag in de regel een gevangenisstraf voor de duur van ten minste acht jaar oplegt (ECLI:NL:GHSHE:2021:197).

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte verkeerde langere tijd in een moeizame relatie met het slachtoffer. Naar aanleiding van een ruzie over verdachtes eetstoornis heeft de verdachte een hamer uit de garage gepakt en het slachtoffer opgewacht. De verdachte heeft aanvankelijk éénmaal op de rug van het slachtoffer geslagen waarna hij uitbrak in woede en werd overspoeld door gevoelens van haat en angst en met de hamer meerdere malen op het (achter)hoofd van het slachtoffer heeft geslagen. Het vluchtende slachtoffer is in de garage ten val gekomen, waarna de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij was overleden. Verdachte is gaan douchen. Toen hij het slachtoffer daarna nog geluiden hoorde maken, heeft hij opnieuw met de hamer op de schedel en de romp van zijn vader geslagen.

Doodslag is een misdrijf dat algemeen wordt beschouwd als één van de ernstigste misdrijven. Het opzettelijk benemen van iemands leven is de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, het recht op leven.

De verdachte heeft met zijn zeer gewelddadig handelen de rechtsorde ernstig geschokt en de nabestaanden groot en onherstelbaar leed toegebracht. In het bijzonder voor de zus van het slachtoffer, dat niet alleen moet leven met het verlies van haar broer, maar ook met het besef dat het slachtoffer is gedood door zijn eigen zoon. Dat het verlies ook daadwerkelijk grote impact op haar heeft gemaakt blijkt uit de door haar ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring en uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding.

De rechtbank heeft voor wat betreft de persoon van de verdachte acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie van 27 oktober 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie.

Verder is over de verdachte door psychiater M.A. Matton, GZ-psycholoog S. Labrijn en forensisch milieuonderzoeker S. Timmer (in opleiding en onder supervisie van G.M. Scheurwater) op 29 januari 2021 een pro Justitia rapportage opgemaakt. Uit dit rapport volgt onder meer – verkort en zakelijk weergegeven – dat verdachte al sinds zeventienjarige leeftijd kampt met lichamelijke en geestelijke klachten. Als gevolg van een traumatiserend gezinsklimaat heeft verdachte een scala aan neurotische (spannings- en angst)klachten en stoornissen ontwikkeld, zoals een borderline persoonlijkheidsstoornis, een ernstige somatisch-symptoomstoornis, een specifieke fobie en een in remissie zijnde stoornis in cannabisgebruik. Deze stoornissen hebben volgens de deskundigen geleid tot een zeer forse en chronische lijdensdruk. De wisselwerking tussen enerzijds de dysfuncties voortvloeiend uit de persoonlijkheidsstoornis en anderzijds de situatieve context tezamen, hebben ertoe geleid dat de verdachte zo zeer onder druk stond, dat hij geen mogelijkheid zag zich aan de situatie te onttrekken. De opgebouwde druk heeft geleid tot de zeer agressieve handelingen.

De verdachte was zich ten tijde van het aan hem ten laste gelegde feit bewust van de onrechtmatigheid van zijn handelen, maar werd in significante mate beperkt hiernaar te handelen door de dysfuncties die voortvloeiden uit zijn stoornissen. Gelet op de doorwerking van de vastgestelde stoornissen wordt geadviseerd om het feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Het risico op toekomstig geweld wordt ingeschat als laag. De deskundigen concluderen dat de verdachte zich in de beklemmende en traumatiserende gezinsdynamiek onvoldoende heeft kunnen ontwikkelen. Hij heeft echter gedurende het onderzoek intrinsieke motivatie voor behandeling getoond. Verder heeft hij prosociale levensdoelen gesteld en kan zijn tenminste gemiddelde intelligentie in zijn voordeel werken. De verwachting is dat er geen defecten zijn en dat de verdachte in de toekomst in staat zal zijn om affectieve relaties en banden aan te gaan. Gelet op het thans laag ingeschatte risico op gewelddadig recidive adviseren de deskundigen geen behandeling in een gedwongen kader.

De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van na te melden duur.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan waarop de officier van justitie haar eis heeft gebaseerd en de rechtbank van oordeel is dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Anders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding om rekening te houden met de wijzigingen die de Wet straffen en beschermen meebrengt voor het Penitentiair Programma. De aard en de ernst van het bewezen verklaarde leent zich niet voor het strafvoorstel dat de raadsman aan de rechtbank heeft gedaan. Bovendien is naar het oordeel van de rechtbank op dit moment evenmin zeker dat de verdachte in de toekomst zou mogen deelnemen aan het Penitentiair Programma.

Alles afwegend acht de rechtbank dan ook een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar, met aftrek van de duur die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

De rechtbank wijst het verzoek van de verdediging tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis af gelet op het thans verworpen beroep op psychische overmacht en de duur van de aan de verdachte op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De motivering met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] .

De vordering.

De benadeelde partij [benadeelde] heeft een civiele vordering ingediend ten bedrage van € 32.586,11. Zij heeft de volgende posten gevorderd:

Affectieschade € 17.500,00

Shockschade € 15.000,00

Proceskosten € 86,11

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden geconcludeerd dat de benadeelde partij ten aanzien van alle posten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op de in de pleitnota genoemde gronden primair bepleit dat de benadeelde partij, gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Indien en voor zover de rechtbank tot strafoplegging overgaat, heeft de raadsman subsidiair bepleit dat de gevorderde affectieschade dient te worden afgewezen. Daartoe is aangevoerd dat de door de benadeelde gestelde nauwe en effectieve band met het slachtoffer onvoldoende is onderbouwd. Deze band wordt bovendien door de verdediging nadrukkelijk betwist. Mocht de rechtbank de ongemotiveerde stellingen van de benadeelde partij wel als uitgangspunt nemen, dan heeft de raadsman bepleit dat de gestelde band tussen broer en zus geen uitzonderlijke situatie is zoals die door de wetgever (blijkens de wetsgeschiedenis) is vereist.

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde shockschade betoogd dat de benadeelde partij in dat deel van haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De verdediging betwist wederom de nauwe en affectieve band die voor toekenning van shockschade is vereist. Verder is onvoldoende onderbouwd dat de door de benadeelde partij opgelopen posttraumatische stressstoornis in rechtstreeks verband staat met de confrontatie met de strafzaak. Uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding lijkt juist te volgen dat sprake is van een medische predispositie. Nader onderzoek naar een al dan niet causaal verband levert een onevenredige belasting op van het strafgeding.

De raadsman heeft zich voor wat betreft de gevorderde proceskosten aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie. Gelet op artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek komen de gevorderde kosten niet in aanmerking voor vergoeding.

Ten aanzien van de gevorderde shock- en affectieschade heeft de raadsman meer subsidiair nog opgemerkt dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer. Het handelen van de verdachte vloeit voort uit de jarenlange terreur van het slachtoffer. Het is volgens de raadsman niet billijk om, gelet op het handelen van het slachtoffer, de verdachte tot betaling aan een derde te veroordelen. De vordering dient ook om deze reden te worden afgewezen. Tot besluit heeft de raadsman, uiterst subsidiair, verzocht om het gevorderde te matigen.

Het oordeel van de rechtbank.

Affectieschade.

De Wet affectieschade heeft het mogelijk gemaakt om aan naasten van iemand die overlijdt door een strafbaar feit immateriële schadevergoeding toe te kennen vanwege het verdriet om het gemis van een dierbare. Blijkens artikel 6:108, derde en vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek hebben broers en zussen in beginsel geen recht op vergoeding. De wetgever heeft in deze gevallen vergoeding enkel mogelijk gemaakt indien sprake is van een bijzondere affectieve relatie of zorgrelatie. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van een relatie die juridisch gezien als zodanig kan worden aangemerkt. De vordering van de benadeelde partij zal daarom worden afgewezen.

Shockschade.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan vergoeding van shockschade plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele shock wordt teweeggebracht door het waarnemen van het tenlastegelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid, hetgeen zich met name voor zal doen als sprake is van een nauwe (affectieve) band met degene die door het misdrijf om het leven is gekomen. Voor vergoeding is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

De rechtbank overweegt dat uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding weliswaar volgt dat de benadeelde een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (namelijk een complexe posttraumatische stressstoornis) heeft opgelopen, maar dat uit die onderbouwing niet zonder meer volgt dat dit geestelijk letsel direct gevolg is geweest van de waarneming van of de confrontatie met het bewezenverklaarde misdrijf. Uit de brief van psychiater [psychiater] volgen aanwijzingen dat ten minste een deel van de klachten van de benadeelde partij reeds voorafgaand aan het feit aanwezig was. Het is voor de rechtbank in het kader van deze strafzaak niet eenvoudig vast te stellen of en zo ja, in welke mate, de complexe posttraumatische-stressstoornisklachten het rechtstreeks gevolg zijn van de confrontatie met het om het leven brengen van het slachtoffer. Daarvoor is nader onderzoek nodig dat de duur en de omvang van deze strafzaak teveel zou belasten.

Het voorgaande brengt mee dat voor zover de gevraagde schadevergoeding verband houdt met shockschade, de benadeelde partij in haar vordering niet kan worden ontvangen. Zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Proceskosten.

De benadeelde stelt dat zij kosten heeft gemaakt voor het slachtoffergesprek met de officier van justitie en voor het bijwonen van de zittingsdagen op 15 en 16 april 2021. De rechtbank overweegt dat de civiele proceskostenregeling (in beginsel) een limitatieve en exclusieve regeling voor de proceskostenvergoeding bevat (ECLI:NL:HR:2015:1600). Op grond van artikel 238, eerste en tweede lid, en artikel 239 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in onderlinge samenhang bezien, komen alleen voor vergoeding in aanmerking – voor zover hier relevant – reiskosten voor het bijwonen van de zitting van de partij die aanspraak heeft op proceskostenvergoeding indien in persoon mag worden geprocedeerd en ook daadwerkelijk in persoon is geprocedeerd. Voor andere reiskosten – zoals voor het bezoeken van leden van het openbaar ministerie of de advocaat – kent de proceskostenregeling geen vergoeding. Voor de benadeelde partij geldt dat zij de zitting van 15 april 2021 heeft bijgewoond, maar dat zij toen niet in persoon heeft geprocedeerd. Zij liet zich immers bijstaan door een advocaat. Artikel 238 lid 2 Rv is dan van toepassing en voor toekenning van een proceskostenvergoeding wegens reiskosten van een partij is dan geen plaats. De rechtbank zal de gevorderde proceskosten dan ook afwijzen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak.


De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:

doodslag;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf:

een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren;

beveelt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf;

beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] :

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor zover die ziet op shockschade en bepaalt dat deze onderdelen van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht;

wijst af de vordering van de benadeelde partij voor zover die ziet op affectieschade en proceskosten;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,

mr. L. Soeteman en mr. N. Flikkenschild, leden,

in tegenwoordigheid van mr. T.F.M. Eijkhout, griffier,

en is uitgesproken op 29 april 2021.