Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:191

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-01-2021
Datum publicatie
21-01-2021
Zaaknummer
20/710 en 20/733
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning “De Raadskamer”

Omgevingsvergunning voor het realiseren van een aantal commerciële ruimtes en 27 appartementen in het centrum van Sint-Michielsgestel.

De rechtbank oordeelt dat de parkeervoorzieningen inherent zijn aan de in het bestemmingsplan toegestane woonfunctie en daarmee niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Omdat in het bestemmingsplan voor parkeren nog werd verwezen naar de bouwverordening en deze regeling per 1 juli 2018 is komen te vervallen, kan het aspect parkeren ook niet worden beoordeeld in het kader van de activiteit bouwen.

De beroepsgrond dat niet aan het exploitatieplan wordt voldaan, slaagt. Als voor een locatie een exploitatieplan is vastgesteld, bepaalt de wet dat aan de vergunning een voorschrift moet worden verbonden dat vergunninghouder de exploitatiebijdrage aan de gemeente moet betalen. Dat voorschrift is in deze zaak niet aan de vergunning verbonden. Volgens het college was dit niet nodig, omdat de kosten anderszins verzekerd zijn. De verhaalde kosten, bedragen echter minder dan de helft van de kosten die het college op grond van het exploitatieplan op vergunninghouder had moeten verhalen. De rechtbank oordeelt dat in die situatie niet gezegd kan worden dat de exploitatiebijdrage anderszins is verzekerd. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 20/710 en 20/733

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2021 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser 1,
(gemachtigde: B.J.W. Walraven),

[eiser] en [eiser], te [woonplaats] ,
eisers 2

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel, verweerder

(gemachtigde: mr. T.E.P.A. Lam).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam] B.V., te Geffen (vergunninghoudster).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een aantal commerciële ruimtes en 27 appartementen op het perceel [adres] , [adres] en [adres] .

Bij besluit van 28 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers deels gegrond verklaard en het primaire besluit met een verbeterde motivering in stand gelaten.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 24 november 2020 heeft verweerder het primaire besluit gewijzigd door aan de omgevingsvergunning een nieuw voorschrift toe te voegen. Dit besluit maakt op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege deel uit van deze procedure.

Eiser 1 en eisers 2 hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2020. Eiser 1 is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eisers 2 zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam] , [naam] en - via een Skype-verbinding - [naam] . Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] .

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De percelen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, vallen onder het bestemmingsplan “Centrum Sint-Michielsgestel 2010” (het bestemmingsplan). De percelen hebben hierin de bestemming “Centrum – 1”. Gronden met deze bestemming zijn op de begane grond bestemd voor detailhandel, dienstverlenende bedrijven en/of instellingen, horeca in de categorie 1 en 2 en ten hoogste 2 cafés.1 Daarnaast zijn de gronden bestemd voor wonen op alle verdiepingen.2 Ook zijn de gronden bestemd voor diverse ondergeschikte functies, waaronder verhardingen.3

1.2

De omgevingsvergunning omvat de activiteiten bouwen en afwijken van het bestemmingsplan. De afwijking van het bestemmingsplan ziet op het buiten het bouwvlak toestaan van balkons en het toestaan van een hogere goothoogte. In het bestreden besluit is daar ook het toestaan van het gebruik als parkeervoorzieningen aan toegevoegd, maar hier is verweerder in de beroepsprocedure weer van teruggekomen. De afwijking van het bestemmingsplan is verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).

1.3

Eiser 1 en eisers 2 hebben verschillende beroepsgronden aangevoerd die deels over dezelfde onderwerpen gaan. De beroepsgronden worden hierna per onderwerp besproken.

Communicatie

2

2.1

Eisers 2 hebben allereerst aangevoerd dat verweerder niet goed heeft gecommuniceerd. Daarnaast heeft verweerder, ondanks afspraken die daarover zijn gemaakt, eisers 2 niet bij de besluitvorming betrokken.

2.2

Verweerder stelt hierover dat de omgevingsvergunning in overeenstemming met de daarvoor geldende procedures tot stand is gekomen. De manier waarop verweerder – los van de wettelijk voorgeschreven procedure – met eisers 2 heeft gecommuniceerd, heeft geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

2.3

De rechtbank oordeelt als volgt. Er is geen wettelijke regel op grond waarvan verweerder belanghebbenden, zoals eisers 2, voorafgaand aan de hier verleende omgevingsvergunning bij de besluitvorming had moet betrekken. Dat eisers 2 ondanks toezeggingen nergens bij betrokken zijn, betekent - wat daar verder ook van zij - daarom niet dat verweerder de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen. Het betoog faalt.

Vergunde parkeervoorzieningen

3

3.1

Eiser 1 en eisers 2 stellen verder dat de vergunde parkeervoorzieningen op de begane grond in strijd zijn met het bestemmingsplan en dat daarom op dit punt een afwijking van het bestemmingsplan verleend had moeten worden. Anders dan verweerder in zijn verweerschrift stelt, past deze parkeervoorziening niet binnen het toegestane ondergeschikte gebruik voor verhardingen. Allereerst wordt in dit geval namelijk in een parkeergarage geparkeerd en niet op een verharding. Daarnaast volgt uit de plansystematiek niet dat parkeren beoogd is binnen het gebruik verhardingen. In het bestemmingsplan is parkeren toegestaan op gronden met de bestemming “Verkeer”. Parkeergarages zijn ook uitsluitend voorzien op gronden met deze bestemming, door middel van een specifieke functieaanduiding “parkeergarage”. Ook parkeren in de openbare ruimte vindt plaats binnen de bestemming “Verkeer”. Daarnaast zijn parkeervoorzieningen binnen de woonbestemmingen wel expliciet genoemd in de bestemming “Wonen-Uit te werken”. In het uitwerkingsplan voor deze gronden is bovendien noodzaak gezien om de functie parkeren expliciet toe te staan, in aanvulling op de verwijzing naar de regels van de bestemming “Wonen-1” van het bestemmingsplan. Gelet hierop passen de geplande parkeervoorzieningen niet binnen de bestemming “Centrum-1”, zodat een afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk is.
In het bestreden besluit heeft verweerder deze afwijking onvoldoende gemotiveerd. Hij had in dit kader onder andere onderzoek moeten doen naar de ruimtelijke effecten van het parkeergebruik, waaronder de gevolgen voor de parkeerdruk. Dit heeft verweerder nagelaten.

3.2

Verweerder stelt hierover dat hij in het bestreden besluit ten onrechte heeft geoordeeld dat de parkeervoorzieningen in strijd zijn met het bestemmingsplan. Binnen de bestemming “Centrum-1” zijn namelijk verhardingen toegestaan en daaronder vallen, mede gelet op de toegestane functies (zoals wonen en detailhandel), ook parkeervoorzieningen. Dit volgt ook uit de plansystematiek waarin binnen de diverse woon- en detailhandelsbestemmingen parkeervoorzieningen ook niet expliciet zijn genoemd. Zonder parkeervoorzieningen kunnen deze functies echter niet doelmatig gerealiseerd worden. Verweerder verwijst in dit kader verder naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4524 en 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1828 waarin is geoordeeld dat parkeervoorzieningen inherent zijn aan de geldende woonbestemmingen. Hij verwijst daarnaast naar de toelichting bij het bestemmingsplan waaruit blijkt dat parkeervoorzieningen onder de toegelaten functies in de bestemming “Centrum-1” worden begrepen.
Voor zover al sprake zou zijn van strijd met het bestemmingsplan, dan is dit volgens verweerder een geringe afwijking en moeten aan de motivering daarvan geen strenge eisen worden gesteld. Overigens vindt door het toestaan van parkeervoorzieningen op de begane grond, geen onevenredige aantasting van het woon-en leefmilieu plaats. Bewoners kunnen hun auto hierdoor inpandig parkeren en hoeven daardoor geen gebruik te maken van de openbare ruimte. De afwijking zorgt daarnaast niet voor onevenredige aantasting van de verkeersveiligheid en de bestaande parkeerbelasting. Verder gaat het om een inpandige wijziging waardoor het straat- en bebouwingsbeeld niet in negatieve zin wordt beïnvloed en is voor het hele project beoordeeld dat het niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Daarnaast worden de rechten van omliggende bedrijven door dit gebruik niet beperkt. Het gebruik is daarom niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

3.3

De rechtbank zal allereerst beoordelen of de op de begane grond geplande parkeervoorzieningen binnen het bestemmingsplan passen. Hiervoor is van belang dat binnen de bestemming “Centrum-1” wonen op alle verdiepingen is toegestaan. Gelet hierop is er geen grond voor het oordeel dat het realiseren van parkeervoorzieningen in dit geval in strijd is met deze bestemming. Parkeervoorzieningen ten behoeve van de bewoners van de appartementen zijn inherent aan de woonbestemming ter plaatse.4 Het feit dat de functie parkeren in artikel 5.1 van de planregels niet specifiek is genoemd, is onvoldoende om te concluderen dat parkeren binnen deze bestemming niet is toegestaan. De plansystematiek geeft daar geen aanleiding voor. Hoewel parkeren binnen de bestemming “Verkeer” weliswaar specifiek is toegestaan, zou het standpunt van eisers tot gevolg hebben dat binnen de verschillende bestemmingen in het bestemmingsplan waar wonen is toegestaan - zoals de woonbestemmingen (“Wonen-1” en “Wonen-3”) en de diverse centrumbestemmingen - nergens zou mogen worden geparkeerd. Die stelling kan de rechtbank niet volgen. Gelet op de toelichting bij het bestemmingsplan is dit ook niet de bedoeling van de planwetgever geweest, nu hierin voor alle centrumbestemmingen expliciet wordt genoemd dat parkeervoorzieningen zijn toegestaan. Voorgaande betekent dat de vergunde parkeervoorzieningen passen binnen het bestemmingsplan en dat hiervoor dus geen afwijking noodzakelijk was. Gelet hierop faalt het betoog van eisers.

Parkeerbehoefte

4

4.1

Eiser 1 en eisers 2 hebben daarnaast aangevoerd dat niet aan de parkeerbehoefte van het bouwplan wordt voldaan en dat er een tekort aan parkeerplaatsen zal ontstaan. Volgens eisers moet de parkeerbehoefte van het plan worden beoordeeld omdat voor het realiseren van de parkeervoorzieningen wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de vergunde parkeervoorzieningen echter toegestaan binnen het bestemmingsplan en is hiervoor dus geen afwijking van het bestemmingsplan nodig. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder in die situatie geen mogelijkheid heeft om de parkeerbehoefte van de te realiseren woningen en commerciële ruimtes alsnog te beoordelen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Ook is tussen partijen niet in geschil dat de wel verleende afwijkingen van het bestemmingsplan (het buiten het bouwvlak bouwen van balkons en het toegestaan van een hogere goothoogte) geen grotere parkeerbehoefte genereren. Deze afwijkingen kunnen daarom ook geen aanleiding zijn om de parkeerbehoefte van het plan in het kader van een goede ruimtelijke ordening te toetsen. Dit betekent dat de parkeerbehoefte van het project alleen aan de orde kan komen in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen. In dit geval staat echter ook niet ter discussie dat de regeling over parkeren uit het bestemmingsplan, waarbij verwezen werd naar de voorschriften uit de Bouwverordening, per 1 juli 2018 is komen te vervallen en dat de omgevingsvergunning voor bouwen daardoor niet kon worden geweigerd op de grond dat niet in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien. Dit betekent dat verweerder ook in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen niet aan enige parkeernorm kon toetsen. Of er na realisering van het gehele plan voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn, kan daarom - los van de vraag of dit het geval zal zijn - in deze procedure niet worden beoordeeld. Ook dit betoog van eisers faalt.

Commerciële ruimtes

5

5.1

Eiser 1 en eisers 2 hebben verder aangevoerd dat de omgevingsvergunning op de begane grond ten onrechte commerciële ruimtes in algemene zin toestaat en het gebruik niet beperkt tot alleen detailhandel. Omdat vergunninghoudster van plan is alleen detailhandel en commerciële dienstverlening te realiseren, heeft verweerder in deze beroepsgrond aanleiding gezien een nieuw besluit te nemen en aan de omgevingsvergunning een voorschrift te verbinden dat op de begane grond (enkel) detailhandel, dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen mogen worden gevestigd. Deze gewijzigde vergunning maakt op grond van artikel 6:19 van de Awb van rechtswege deel uit van deze procedure. Met dit voorschrift is tegemoet gekomen aan de bezwaren van eisers op dit punt, zodat deze beroepsgrond verder geen bespreking behoeft.

Buitenbergingen

6

6.1

Eiser 1 heeft verder aangevoerd dat ten onrechte niet wordt voldaan aan de artikelen 4.30 tot en met 4.33 van het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit) omdat er geen buitenbergingen komen bij de te realiseren woningen en er geen sprake is van een gelijkwaardige oplossing. Eiser 1 vreest hierdoor voor overlast indien toekomstige bewoners scootmobielen en andere zaken wegens ruimtegebrek op straat gaan stallen.

6.2

Verweerder stelt hierover primair dat het relativiteitsvereiste aan vernietiging op deze grond in de weg staat. De normen waar eiser 1 naar verwijst, strekken ter bescherming van de belangen van toekomstige bewoners van de appartementen. Namelijk hun belang bij een afsluitbare berging om fietsen te beschermen tegen weer en wind. De regeling strekt niet tot bescherming van het belang van eiser 1 dat is gelegen in het behoud van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt volgens verweerder wel aan het Bouwbesluit voldaan, omdat sprake is van een gelijkwaardige oplossing door het realiseren van bergingen bij de woningen en een gemeenschappelijke fietsenstalling op de begane grond.

6.3

Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de rechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven rechtsregel, indien deze kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. De normen uit het Bouwbesluit waarop eiser 1 zich beroept, strekken kennelijk niet tot de bescherming van zijn belangen. Die regels strekken tot bescherming van de toekomstige bewoners of gebruikers van de woningen en niet tot bescherming van anderen zoals eiser 1. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2086. Het betoog faalt.

Locatie en inrichting van de bouwplaats

7

7.1

Eiser 1 en eisers 2 kunnen zich daarnaast niet vinden in de geplande locatie en inrichting van de bouwplaats. Volgens hen zal de bouwplaats op deze locatie de doorstroom van het verkeer en de verkeersveiligheid aantasten, omdat de weg wordt versmald en vrachtwagens bij de huidige inrichting op de doorgaande weg bij de bushalte zullen moeten wachten. Eisers 2 vrezen hierdoor bovendien een verslechtering van de luchtkwaliteit bij hun woning. Daarnaast zal eventueel achteruitsteken op een drukke weg moeten gebeuren en is de bouwplaats alleen toegankelijk voor vrachtwagens die uit noordelijke richting komen. Ook moeten voor de bouwplaats zes bomen worden gekapt, wat een negatief effect heeft op de leefkwaliteit. Op de tekening die vergunninghoudster heeft ingediend in het kader van de door verweerder uitgeschreven prijsvraag voor de ontwikkeling van het project, is de inrit op een andere locatie ingetekend. Als de inrit op die locatie komt, hoeven slechts twee bomen te worden gekapt. Het is niet duidelijk waarom van deze inrichting is afgeweken.

7.2

Verweerder stelt hierover dat de tekening van de bouwplaats hoort bij het veiligheidsplan als bedoeld in artikel 8.7 van het Bouwbesluit dat een verplicht onderdeel is van de vergunningsaanvraag. De bouwplaats is voorzien op het [adres] aan de oostzijde van het plan. Op deze locatie kan het bouwverkeer de bouwplaats op- en afrijden zonder achteruit te hoeven rijden. Hierdoor worden overlast en onveilige situaties zo veel mogelijk voorkomen. Daarnaast zijn er geen alternatieve locaties die aanzienlijk minder bezwaren hebben.

7.3

Vergunninghouder heeft hieraan toegevoegd dat de inrit van de bouwplaats ten opzichte van de tekening bij de prijsvraag is verplaatst omdat vrachtwagens anders naast de toren moeten staan wachten en de gemeente vreest dat hierdoor schade aan de toren zal ontstaan. Verder is de bouwplaats nu zo ingericht dat hierop twee vrachtwagens kunnen staan, zodat deze niet op de weg hoeven te wachten.

Op grond van artikel 8.1 van het Bouwbesluit moet de uitvoering van bouw- en sloopwerkzaamheden zodanig zijn dat voor de omgeving onveilige situaties of voor de gezondheid of bruikbaarheid nadelige hinder zoveel mogelijk wordt voorkomen. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wabo moet aannemelijk zijn dat aan de eisen van het Bouwbesluit wordt voldaan. Verweerder komt hierbij beoordelingsvrijheid toe.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval voldoende aannemelijk gemaakt dat de locatie van de bouwplaats aan artikel 8.1 uit het Bouwbesluit voldoet. Dat er – zoals eisers stellen – ook andere mogelijkheden waren, betekent niet dat verweerder de omgevingsvergunning voor bouwen daarom op dit punt had moeten weigeren. Voor zover eisers 2 hebben aangevoerd te vrezen voor een verslechtering van de luchtkwaliteit, hebben zij daarnaast wel gesteld dat de vrachtwagens voor hun huis zullen staan wachten, maar dit verder niet onderbouwd. Daar staat tegenover dat zij niet betwist hebben dat op de bouwplaats twee vrachtwagens tegelijk kunnen staan, waardoor deze juist niet op de weg hoeven staan wachten. Gelet hierop is niet aannemelijk dat door de locatie van de bouwplaats sprake zal zijn van negatieve effecten voor de luchtkwaliteit en dat deze daarom niet op de geplande locatie had mogen worden toegestaan. Tot slot zijn de effecten op de leefbaarheid als gevolg van het kappen van de bomen, gelet op artikel 8.1 van het Bouwbesluit, geen criterium bij het bepalen van een locatie van de bouwplaats. Het betoog faalt.

Exploitatieplan

8

8.1

Eiser 1 voert tot slot aan dat niet aan het ter plaatse geldende exploitatieplan “Centrum Sint-Michielsgestel 2010” (het exploitatieplan) wordt voldaan en dat de kosten in dit geval niet anderszins verzekerd zijn, omdat vergunninghoudster een te lage prijs voor de grond heeft betaald. Op grond van het exploitatieplan zou de grond € 1.850 per m2 moeten kosten. Vergunninghouder betaalt echter € 1.425.000,00 voor 1.788 m2. Dit betekent een prijs van € 797,00 per m2. Dat is geen marktconforme prijs. Bovendien heeft de gemeente in 2004 zelf € 2.000.000,00 voor 1.250 m2 van de grond betaald en wordt er nu meer grond verkocht, voor een lagere prijs. De gemeente legt dus toe op de verkoop. Dit kan leiden tot een tekort in de exploitatieopzet, wat voor andere grondeigenaren in het gebied, zoals eiser 1, een hogere exploitatiebijdrage kan betekenen. Het tekort zorgt er ook voor dat de voorgenomen bouw van een parkeergarage aan de Schijndelseweg financieel niet haalbaar is, terwijl er een tekort aan parkeerplaatsen bestaat.

8.2

Verweerder geeft aan dat het kostenverhaal, dat vorm kan krijgen door het verbinden van een financiële voorwaarde aan de omgevingsvergunning, geen grond is om de omgevingsvergunning te weigeren. Verweerder verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3060. Daarnaast stelt verweerder dat de gronden waarop het bouwplan wordt gerealiseerd na een prijsvraag aan vergunninghoudster zijn verkocht en dat dus sprake is van een marktconforme prijs. Dit betekent bovendien dat de kosten via de grondprijs op vergunninghoudster zijn verhaald, zodat het kostenverhaal anderszins is verzekerd.

8.3

De rechtbank oordeelt als volgt. Niet ter discussie staat dat het exploitatieplan van toepassing is voor de gronden waarop het project wordt gerealiseerd. Op grond van artikel 6.17 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) verhaalt verweerder in dat geval de exploitatiekosten door aan de omgevingsvergunning voor het bouwplan, met in achtneming van het exploitatieplan, een voorschrift te verbinden dat de vergunninghoudster een exploitatiebijdrage aan de gemeente verschuldigd is, tenzij de bijdrage anderszins verzekerd is. Vast staat dat verweerder dit voorschrift niet aan de omgevingsvergunning heeft verbonden. Verweerder geeft hiervoor als reden dat de kosten anderszins verzekerd zijn, doordat de kosten via de grondprijs op vergunninghoudster zijn verhaald. De op deze manier verhaalde kosten betreffen echter minder dan de helft van de kosten die verweerder op grond van het exploitatieplan op vergunninghoudster had moeten verhalen. De rechtbank is van oordeel dat in die situatie niet gezegd kan worden dat de exploitatiebijdrage anderszins is verzekerd. Artikel 6:24, tweede lid, van de Wro verplicht verweerder bovendien om het exploitatieplan in acht te nemen bij het aangaan van een overeenkomst over grondexploitatie na vaststelling van het exploitatieplan (zoals hier het geval is geweest). Door aanzienlijk minder kosten te verhalen, heeft verweerder ook dit niet gedaan. Hoewel artikel 6.17 van de Wro geen weigeringsgrond is, verplicht dit artikel wel om aan de omgevingsvergunning een voorschrift te verbinden om de exploitatiebijdrage te verhalen. Nu verweerder dit ten onrechte niet heeft gedaan, kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Het betoog van eiser 1 slaagt.

8.4

Verweerder heeft verschillende manieren om dit geconstateerde gebrek te herstellen. Hij kan bijvoorbeeld alsnog een voorschrift aan de omgevingsvergunning verbinden, maar er ook voor kiezen een nieuwe overeenkomst met vergunninghoudster te sluiten met inachtneming van het exploitatieplan. Gelet op deze verschillende opties en de vrijheid die verweerder daarin heeft, leent deze zaak zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor finale geschilbeslechting. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op het door eiser 1 gemaakte bezwaar te nemen.

Conclusie

9

9.1

Gelet op wat er hiervoor is overwogen, is het beroep van eiser 1 gegrond. Het bestreden wordt vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

9.2

Omdat de rechtbank het beroep van eiser 1 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser 1 het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9.3

Nu het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder ook tot betaling van de door eiser 1 gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskostenbestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,00 (1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,00 en een wegingsfactor 1).

9.4

Het beroep van eisers 2 is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling voor eisers 2 bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van eiser 1 gegrond en het beroep van eiseres 2 ongegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,00 aan eiser 1 te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser 1 tot een bedrag van € 534,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M. Blanken, rechter, in aanwezigheid van mr. A.G.M. Willems, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 21 januari 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Artikel 5.1 aanhef en onder a, b en c van de planregels.

2 Artikel 5.1 aanhef en onder d van de planregels.

3 Artikel 5.1 aanhef en onder i van de planregels.

4 Zie de door verweerder aangehaalde uitspraken van de Afdeling van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4524 en 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1828.

5 Zie de uitspraken van de Afdeling van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3287 en 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4197.