Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1802

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-02-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
7863175
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeval - werkend vanaf een reachtruck is werknemer met zijn hoofd bekneld geraakt - werkgever wordt aansprakelijk geacht - verwijzing naar schadestaatprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0483
JA 2021/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer : 7863175

Rolnummer : 19-6024

Uitspraak : 11 februari 2021

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. drs. C.M. Visser,

t e g e n

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DHL Supply Chain (Netherlands) B.V.,

gevestigd te Utrecht en kantoorhoudende te Eindhoven,

gedaagde partij sub 1,

2. de vennootschap naar buitenlands recht AIG Europe S.A.,

gevestigd te Luxemburg en kantoorhoudende te Capelle aan den IJssel,

gedaagde partij sub 2,

gemachtigde gedaagde sub 1 en 2: mr. R.H.J. Wildenburg.

Partijen worden hierna ‘ [eiser] ’, ‘DHL’ en ‘AIG’ genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Dit blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    het tussenvonnis van 19 september 2019, waarbij een mondelinge behandeling is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (hierna ook: de zitting) gehouden op 11 december 2019.

1.2.

Op verzoek van partijen is de beslissing op het geschil meerdere malen aangehouden.

In een faxbericht van 12 oktober 2020 heeft de gemachtigde van [eiser] , mede namens de gemachtigde van DHL en AIG, verzocht bij vonnis uitspraak te doen.

1.3.

Tot slot is opnieuw een datum voor vonnis bepaald.

2 Inleiding en feiten

2.1.

In deze zaak moet worden beoordeeld of DHL, als werkgever van [eiser] , aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden en nog steeds lijdt als gevolg van een ongeval dat hem op 4 december 2007 bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden is overkomen. Ook wil [eiser] van DHL en AIG een voorschot op de door hem geleden schade. Als gevolg van het ongeval is sprake van blijvende invaliditeit en een volledige uitval voor de eigen werkzaam-heden. De ongevallenverzekering van DHL heeft daarom op 20 september 2018 een uitkering aan [eiser] gedaan. Volgens [eiser] heeft hij door de late datum van uitkering schade geleden. Hij wil die schade vergoed zien.

2.2.

Bij de beoordeling van dit geschil wordt van de volgende, tussen partijen vaststaande, feiten uitgegaan.

2.3.

[eiser] , geboren op [geboortedatum] , werkte vanaf 1 mei 2002 als uitzendkracht bij de vestiging van DHL in [woonplaats] in de functie van magazijnmedewerker. Per 1 mei 2003 kwam hij in vaste dienst als Warehouse operator. Hij werkte 40 uur per week en verrichtte onder meer de volgende werkzaamheden: het verplaatsen van goederen met een TSP truck, heftruck of reachtruck, het verzamelen van orders en het sorteren van goederen. Onderdeel van zijn werk was het ophalen van de te verzamelen orders. Die orders werden vanuit een ander deel van het bedrijf in kokers per buizenpost verzonden.

2.4.

Op 4 december 2007, omstreeks 15.00 uur, is [eiser] tijdens zijn werk een ongeval overkomen. Hij raakte met zijn hoofd bekneld tussen de kast van de buizenpost en de door hem bestuurde reachtruck. [eiser] is met ernstig hoofdletsel afgevoerd naar het ziekenhuis.

2.5.

Het ongeval is gemeld bij de Arbeidsinspectie. Na onderzoek ter plaatse op 5 december 2007 en een gesprek met [eiser] op 11 december 2007 in het ziekenhuis, schrijft de arbeidsinspecteur in zijn ongevalsrapport van 11 januari 2008 dat hem – onder meer – het volgende is gebleken:

‘(…) Op dinsdag 4 december 2007, omstreeks 15.00 uur, was het slachtoffer, [eiser] , met de reach-truck aan het werk in hal 7. Wanneer er nieuwe orders zijn krijgt hij een telefoontje dat de order in het mandje van de buizenpost ligt (…). Er zijn geen getuigen van het ongeval […] en het slachtoffer [kan] zich van de gehele dag niets herinneren, maar spreekt slechts vermoedens uit omtrent [d]e toedracht. Het slachtoffer heeft waarschijnlijk een telefoontje gekregen dat er een nieuwe order onderweg was. Hij is met zijn reachtruck naar de buizenpost gereden om deze orderkoker op te halen. Kennelijk wilde hij de koker uit de buizenpost opvangen waardoor hij met zijn hoofd naar voren uit de reach-truck hing. Waarschijnlijk heeft hij toen per ongeluk het gaspedaal ingedrukt waardoor de reachtruck in beweging kwam en hij met zijn hoofd bekneld kwam te zitten tussen de buizenpost en de reachtruck. Kennelijk is dat nogal hard gegaan gezien de schade aan de buizenpost en het feit dat de gehele stuurkolom is afgebroken. De theorie dat het waarschijnlijk zo heeft plaatsgevonden is gebaseerd op de plek waar hij met zijn hoofd bekneld is aangetroffen (…). Gezien de schade en het feit dat enkele collega’s een harde klap hebben gehoord doet vermoeden dat bij vol gas heeft gegeven. (…)’

De arbeidsinspecteur heeft geen verband kunnen vaststellen tussen een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en de oorzaak van het arbeidsongeval.

2.6.

[eiser] is uiteindelijk in 2011 uitgevallen voor zijn werkzaamheden.

2.7.

In een brief van 19 oktober 2012 heeft de toenmalige gemachtigde van [eiser] DHL aansprakelijk gesteld voor de door [eiser] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade. DHL heeft de aansprakelijkstelling doorgestuurd naar AIG, haar aansprakelijkheids-verzekeraar.

2.8.

Door het ongeval heeft [eiser] blijvend hersenletsel opgelopen. Hij heeft klachten ontwikkeld die passen bij niet aangeboren hersenletsel en posttraumatische epilepsie. [eiser] is met ingang van maart 2013 voor 59,39% arbeidsongeschikt beoordeeld in de zin van de WIA.

2.9.

Het ongeval is op 3 december 2012 door DHL gemeld bij Hienfeld B.V. (hierna: Hienfeld), haar ongevallenverzekeraar. Na neurologische expertise in juli 2017 en een arbeidsdeskundig onderzoek in november 2017, is vastgesteld dat als gevolg van het ongeval sprake is van een mate van blijvende invaliditeit van 15% en een volledige uitval (100%) voor de eigen beroepswerkzaamheden van [eiser] . Aan [eiser] is het maximaal verzekerde bedrag van € 47.898,00 bruto uitgekeerd, vermeerderd met de contractuele rente hierover van 6 december 2008 tot en met 5 december 2009.

2.10.

DHL heeft steeds, bij monde van AIG, de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval van de hand gewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat DHL haar verplichtingen op grond van primair artikel 7:658 BW en subsidiair artikel 6:162 BW tegenover hem niet is nagekomen. Verder vordert [eiser] – kort weergegeven – om DHL en AIG, ieder afzonderlijk, hoofdelijk te veroordelen:

  • -

    om aan hem een voorschot op de schade te betalen van € 100.000,00, inclusief een voorschot op het smartengeld, en te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 december 2007;

  • -

    om aan hem de schade te vergoeden die hij heeft geleden en nog zal lijden, als gevolg van het niet eerder dan op 20 september 2018 kunnen beschikken over de uitkering uit de sommenverzekering (ongevallenverzekering) van € 50.763,45 (€ 47.898,00 bruto + wettelijke rente van 1 jaar), althans hen te veroordelen tot de wettelijke rente over dit schadebedrag vanaf 4 december 2008 tot 20 september 2018, althans vanaf 4 december 2007 (+ 1 jaar) tot 20 september 2018;

  • -

    om aan hem de schade te voldoen die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het arbeidsongeval op te maken bij staat en te vergoeden volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 december 2007,

met veroordeling van DHL en AIG in de proces- en nakosten.

3.2.

[eiser] heeft aan zijn vordering, in het licht van de hiervoor weergegeven feiten, het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1.

Op 4 december 2007 is hem bij de uitoefening van zijn werkzaamheden een ongeval overkomen, waarbij hij met zijn hoofd bekneld is geraakt. Als gevolg daarvan heeft hij schade geleden en lijdt hij nog steeds schade. Het gaat onder meer om verlies aan verdienvermogen en andere materiële schade. Het verschil tussen de hoogte van zijn WIA-uitkering en het laatst verdiende salaris bedraagt ongeveer € 1.029,56 netto per maand. Ook is er sprake van immateriële schade, zodat hij recht heeft op smartengeld. Verder is er schade geleden vanwege het te laat melden van het ongeval bij de ongevallenverzekeraar en zijn er kosten voor buitengerechtelijke rechtsbijstand gemaakt. DHL heeft als werkgever (primair) de op haar rustende zorgplicht van artikel 7:658 BW geschonden en is daarom voor al die schade aansprakelijk. Over de achterliggende periode van ruim 10 jaar wordt aanspraak gemaakt op een voorschot van € 100.000,00. De omvang van de exacte schade moet in een schadestaatprocedure worden begroot.

3.2.2.

Hem is pas achteraf gebleken dat DHL een collectieve ongevallenverzekering voor al haar werknemers had afgesloten. DHL heeft het ongeval niet, conform de polisvoorwaarden, direct bij haar ongevallenverzekeraar gemeld. Dit is pas op 3 december 2012 gebeurd. De verzekeraar heeft coulancehalve nog wel de volledige, maximale, sommenuitkering aan hem gedaan, maar was niet bereid om hierover de volledige wettelijke rente van de datum van het ongeval tot de dag van uitkering te betalen. Wanneer het ongeval wel op tijd was gemeld, had hij waarschijnlijk al vanaf 4 december 2008 de beschikking kunnen hebben over het verzekerde bedrag. Daarmee had hij opkomende kosten en overige schade kunnen dekken. Door de late melding is dus extra schade geleden. Die schade moet door DHL en AIG worden vergoed.

3.3.

DHL en AIG concluderen bij antwoord tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .

3.3.1.

DHL stelt de zorgplicht van artikel 7:658 lid 1 BW te zijn nagekomen, zodat zij niet aansprakelijk is voor de gevolgen van het arbeidsongeval. Voor zover wel wordt geoordeeld dat zij hiervoor aansprakelijk is, bestaat geen aanleiding voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. Het ongeval heeft meer dan 11 jaar geleden plaatsgevonden, zodat de schade in deze procedure moet kunnen worden begroot. Het gevraagde voorschot van

€ 100.000,00 moet bij gebrek aan onderbouwing worden afgewezen.

3.3.2.

Het ongeval is op 3 december 2012, binnen de vervaldatum, bij de ongevallen-verzekeraar van DHL gemeld. Betwist wordt dat hierdoor een verplichting tot vergoeding van schade is ontstaan. [eiser] heeft niet onderbouwd op basis van welke grondslag hij meent dat DHL en AIG gehouden zijn de wettelijke rente over het uitgekeerde bedrag te vergoeden. Niet aannemelijk is dat [eiser] al op 4 december 2008 had kunnen beschikken over het dekkingsbedrag van de ongevallenverzekering. Bovendien had [eiser] het ongeval ook zelf bij de verzekeraar kunnen melden. Dat hij niet eerder uitbetaald heeft gekregen, heeft hij in zoverre aan zichzelf te wijten.

3.4.

Op de overige stellingen van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna ingegaan.

4 De beoordeling

Aansprakelijkheid DHL voor de gevolgen van het arbeidsongeval

4.1.

Op grond van artikel 7:658 BW is de werkgever tegenover de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Die aansprakelijkheid vervalt wanneer de werkgever aantoont dat hij aan zijn zorgplicht als bedoeld in het eerste lid van artikel 7:658 BW heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

4.2.

Vast staat dat [eiser] tijdens zijn werkzaamheden een ongeval is overkomen en dat hij als gevolg daarvan schade heeft geleden en nog steeds lijdt.

4.3.

Hierna zal allereerst beoordeeld worden of DHL heeft aangetoond aan haar zorgplicht te hebben voldaan.

4.4.

De zorgplicht verplicht de werkgever om de maatregelen te nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt (artikel 7:658 lid 1 BW).

4.5.

Deze zorgplicht heeft een ruime strekking en vereist een hoog veiligheidsniveau voor de werkruimte, werktuigen en gereedschappen en de organisatie van de werkzaamheden. Hoewel niet is beoogd een absolute waarborg tegen gevaar te scheppen kan, gelet op de ruimte strekking van de zorgplicht, niet snel worden aangenomen dat de werkgever aan de zorgplicht heeft voldaan. De werkgever is verplicht om dat te doen waarmee, in de gegeven omstandigheden en volgens de op dat moment geldende normen, redelijkerwijs wordt voorkomen dat de gevaren die met het werk verband houden zich realiseren. Dit kan door veiligheidsmaatregelen te treffen of, als dat niet goed mogelijk is, door de werknemer te instrueren en te waarschuwen. Welke veiligheidsmaatregelen mogen worden verlangd en hoe de werknemer moet worden geïnstrueerd is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de werkzaamheden, de kans dat zich een ongeval zal voordoen, de ernst die de gevolgen van een ongeval kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. Ook moet de werkgever er zoveel mogelijk voor zorgen dat de gegeven instructies daadwerkelijk worden nageleefd.

4.6.

Om haar stelling dat zij aan de zorgplicht heeft voldaan te onderbouwen heeft DHL het volgende aangevoerd:

  • -

    de Arbeidsinspectie heeft geen verband kunnen vaststellen tussen een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en de oorzaak van het ongeval;

  • -

    [eiser] heeft in 2004 certificaten behaald voor het besturen van een reachtruck en heeft op 23 maart 2005 met succes een opleiding ‘ITM Reachtruck’ afgerond (productie 6 en 7 bij conclusie van antwoord);

  • -

    [eiser] heeft specifieke instructies gekregen voor het veilig werken met een reachtruck:

  • -

    in de Interne Transport Training uit 2011 zijn verschillende interne transportmiddelen besproken, waaronder de reachtruck. In die training is ook de ‘Top 10 letselschade’ – waaronder beknelling – besproken en zijn de veiligheidsregels die door DHL worden gehanteerd aan bod geweest. Als ‘veiligheidsregel 7’ geldt bijvoorbeeld dat alle lichaamsdelen binnen het interne transportmiddel moeten worden gehouden (productie 2 bij conclusie van antwoord);

  • -

    in april 2007 zijn ‘Instructies voor veilig werken met Intern Transport Materiaal’ gegeven. De update daarvan per 1 februari 2011 is door [eiser] overgelegd als productie 14 bij dagvaarding. In artikel 6 zijn instructies verstrekt voor het veilig werken met een truck en op pagina 3 is aanvullende informatie gegeven voor bestuurders van reachtrucks. Daarbij is gewezen op het gevaar van bekneld raken en is een instructie voor een juiste houding gegeven om dit te voorkomen. Ook onder het kopje ‘Rijgedrag’ op pagina 4 is vermeld dat handen en voeten binnenboord gehouden moeten worden;

  • -

    in artikel 12.3 van het Bedrijfsreglement van mei 2002 is niet alleen benadrukt dat intern transportmateriaal gereedschap en geen speelgoed is, maar is ook ingegaan op het veilig werken met een reachtruck (productie 3 bij conclusie van antwoord);

  • -

    voor het gebruik van Intern Transport Materiaal hanteert DHL verkeersregels met instructies aan de bestuurders van deze middelen om ongelukken te voorkomen (productie 4 bij conclusie van antwoord).

4.7.

[eiser] betwist een specifieke opleiding te hebben gehad voor het besturen van een reachtruck en ontkent voor het besturen daarvan gecertificeerd te zijn. Volgens hem is de Interne Transport Training niet meer dan een theoretische opfriscursus waarbij in klassikaal verband slechts algemene veiligheidsinstructies werden verstrekt. Hoewel hij op zitting heeft erkend dat werd gewaarschuwd voor het gevaar van beknelling van armen en benen, gold dit volgens hem niet voor het hoofd. Ook ontbraken instructies hoe om te gaan met het ophalen van de orders die via de buizenpost binnenkwamen. Het ongeval had voorkomen kunnen worden wanneer de buizen op zo’n niveau waren aangebracht dat daar niet vanuit de truck naar kon worden gereikt. Daarbij komt dat hij vaak alleen werkte, zonder enig toezicht.

4.8.

De kantonrechter is van oordeel dat DHL tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht. Daarbij is het volgende in overweging genomen.

4.9.

[eiser] is met zijn hoofd bekneld geraakt tussen de buizenpost, waar hij een nieuwe order wilde ophalen, en de reachtruck waarop hij reed. Hoe het ongeval precies heeft kunnen gebeuren is niet duidelijk. [eiser] kan zich dit niet herinneren en er zijn geen getuigen van het ongeval. Hierna wordt uitgegaan van de in het ongevalsrapport van de arbeidsinspecteur beschreven toedracht (hiervoor weergegeven onder 2.5. van de feiten). Zowel [eiser] als DHL achten die toedracht het meest waarschijnlijk.

4.10.

Dat de Arbeidsinspectie geen verband heeft kunnen vaststellen tussen de overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en de oorzaak van het arbeidsongeval, betekent niet per definitie dat DHL aan haar zorgplicht heeft voldaan. De uit de Arbeidsomstandighedenwet volgende voorschriften moeten immers, gelet op de ruime strekking van de zorgplicht, worden beschouwd als minimumvereisten waaraan een werkgever in ieder geval moet voldoen.

4.11.

DHL heeft twee certificaten overgelegd waaruit blijkt dat [eiser] vanaf 30 augustus 2004 was gecertificeerd, in theorie en praktijk, voor onder andere een reachtruck (productie 6 bij conclusie van antwoord). [eiser] heeft niets aangevoerd wat aan de juistheid van deze certificaten doet twijfelen. Ook wanneer [eiser] wordt gevolgd in zijn betoog dat hij direct nadat hij in dienst was gekomen – omstreeks 2002/2003 – diverse interne transportmiddelen moest besturen zonder daarvoor een opleiding te hebben gehad, moet worden aangenomen dat aan die situatie in ieder geval vanaf 30 augustus 2004 een einde is gekomen. DHL heeft als productie 7 een overgelegd overzicht overgelegd met door [eiser] gevolgde opleidingen. Het gaat daarbij onder andere om opleidingen interne transportmiddelen (ITM), waaronder een reachtruck (code 006-E). Die opleiding zou volgens DHL op 23 maart 2005 zijn afgerond. In het overzicht staat ’32-3-2005’. Hoewel de inhoud van die opleidingen niet duidelijk is en DHL hierop desgevraagd ook geen toelichting heeft kunnen, staat wel vast dat jaarlijks opfriscursussen werden gegeven. Dat dit klassikaal gebeurde en betrekking had op meerdere interne transportmiddelen, en dus niet alleen op de reachtruck, doet er niet aan af dat voldoende is komen vast te staan dat [eiser] opgeleid en gecertificeerd was voor de reachtruck. Aangenomen mag dus worden dat [eiser] over voldoende vaardigheden beschikte om een reachtruck, waarvan tussen partijen vaststaat dat het gebruik daarvan relatief gevaarlijk is, op een voor hem en zijn omgeving veilige wijze te besturen.

4.12.

[eiser] is met zijn hoofd bekneld geraakt tussen de reachtruck en de buizenpost. Gelet op de instructies waarnaar DHL verwijst kan worden aangenomen dat zij zich ten tijde van het ongeval bewust was van het risico om bekneld te raken en daarvoor heeft gewaarschuwd. DHL heeft onweersproken gesteld dat de ‘Instructies voor veilig werken met Intern Transport Materiaal’ uit 2011 een update zijn van al in 2007 gegeven instructies. In deze instructies is het gevaar van bekneld raken als volgt benoemd: ‘Bij het gebruik in een magazijn kunnen de bestuurder, of ook anderen, bekneld raken tussen de truck of pallet en de muur, of bijvoorbeeld een stelling.’ Als maatregel staat vermeld: ‘Een juiste houding op de truck innemen, tussen de beugels blijven staan en voeten op de treeplank houden.’ In dit document wordt er ook op gewezen (zie ‘Rijgedrag’) dat handen en voeten binnenboord gehouden moeten worden. Uit wat op zitting is besproken volgt dat [eiser] met deze instructie bekend was, zodat er vanuit kan worden gegaan dat ook [eiser] zich van het gevaar van beknelling bewust is geweest. Dat niet expliciet is gewaarschuwd dat ook het hoofd binnenboord gehouden moet worden, doet er niet aan af dat voor [eiser] duidelijk had kunnen en moeten zijn dat het gevaar van beknelling voor ieder lichaamsdeel gold dat zich buiten de reachtruck bevond.

4.13.

[eiser] was dus voldoende opgeleid en geïnstrueerd om een reachtruck zonder gevaar te kunnen besturen. Het punt waarop DHL is tekortgeschoten in haar zorgplicht is een combinatie van het ontbreken van een (werk)instructie voor het ophalen van orders uit de buizenpost en een gebrek aan toezicht op de naleving van de wel door haar gegeven instructies.

4.14.

Volgens [eiser] vond het ongeval plaats toen hij stil stond. Hij hield zijn hand onder de buizenpost om zo de koker met de order te kunnen opvangen. DHL verwijt [eiser] dat hij op dat moment met zijn hoofd uit de reachtruck hing en dat van een ervaren en gecertificeerd chauffeur anders had mogen worden verwacht. Niet toegelicht is wát [eiser] dan wel had moeten doen. Dat er werkinstructies waren voor het ophalen van orders uit de buizenpost is niet gesteld noch gebleken. Daarvoor was wel aanleiding nu het kennelijk mogelijk was om hangend uit de reachtruck de buizenpost op te vangen. Dat in zo’n situatie bijvoorbeeld per ongeluk het gaspedaal wordt geraakt is niet ondenkbeeldig. Hoewel niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat dit de oorzaak van het ongeval is geweest, is wel waarschijnlijk dat dit het geval is geweest. Vanwege de omstandigheid dat het kennelijk mogelijk was om vanuit de reachtruck de buizenpost op te vangen had DHL, temeer nu zij bekend was met het gevaar van bekneld raken en bij gebrek aan specifieke werkinstructies op dit punt, erop bedacht kunnen en moeten zijn dat op de werkvloer wordt gezocht naar de meest snelle, praktische mogelijkheid om de buizenpost op te vangen. Vooral wanneer een werknemer alleen werkt, en er geen toezicht is op de manier waarop hij zijn werkzaamheden uitvoert, ligt niet voor de hand dat een werknemer uit zichzelf de reachtruck eerst tot stilstand zal brengen, vervolgens het contact afsluit om daarna de reachtruck te verlaten om de buizenpost op te halen. Ook bij een ervaren werknemer als [eiser] moet er rekening mee worden gehouden dat de voorzichtigheid niet altijd optimaal in acht wordt genomen. Het had op de weg van DHL gelegen om op dit ervaringsfeit te anticiperen. Voor zover het al niet mogelijk was om de buizenpost buiten het bereik van de bestuurder van een reachtruck te plaatsen, had redelijkerwijze van DHL mogen worden verwacht dat bij de buizenpost was gewaarschuwd voor het risico om bij het hangen uit de truck het gaspedaal te beroeren en daarmee op het gevaar om bekneld te raken. Vast staat dat DHL niet voor dit gevaar heeft gewaarschuwd.

4.15.

Ook wanneer aangenomen wordt dat de instructie waarbij wordt gewezen op het gevaar van bekneld raken ook betrekking heeft op het opvangen van de buizenpost, blijft staan dat DHL niet heeft toegezien op de nakoming daarvan. Dat dit wel het geval is geweest is door DHL niet gesteld en is ook niet gebleken. Integendeel, [eiser] heeft onweersproken aangevoerd dat toezicht ontbrak. Volgens DHL werd toegezien op de veiligheid van de werknemers door middel van trainingen en herhaaldelijk gegeven veiligheidsinstructies, maar daaruit volgt niet dat door DHL ook concreet toezicht op de werkvloer werd gehouden. Dit nalaten wordt niet goedgemaakt met de volgens DHL geldende regel dat collega’s elkaar moeten wijzen op onveilige situaties. Daarbij komt dat DHL ook niet heeft toegelicht hoe en of die regel in de praktijk werd uitgevoerd.

4.16.

De conclusie is dat DHL bij gebrek aan een concrete werkinstructie en toezicht op het opvangen van de buizenpost, gelet op het in zijn algemeenheid door DHL erkende gevaar van het bekneld raken bij het besturen van een reachtruck en het ervaringsfeit dat (ook ervaren) werknemers niet altijd de noodzakelijke voorzichtigheid bij de uitoefening van hun werkzaamheden in acht zullen nemen, de zorgplicht van artikel 7:658 lid 1 BW niet is nagekomen.

4.17.

Voor zover DHL met de stelling dat [eiser] veiligheidsregel 7 heeft geschonden door met zijn hoofd uit de reachtruck te gaan hangen op het moment dat die nog aanstond bedoelt te betogen dat sprake is van bewuste roekeloosheid van [eiser] , wordt dit verweer verworpen. DHL heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [eiser] zich er onmiddellijk voor het ongeval van bewust was dat hij roekeloos handelde door de buizenpost op te vangen op de manier waarop hij dit deed. Niet gesteld is dat aan de zijde van [eiser] sprake was van opzet.

4.18.

Uit wat hiervoor staat volgt dat DHL op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade van [eiser] . DHL heeft niet aangetoond dat zij haar zorgplicht tegenover [eiser] is nagekomen. De gevorderde verklaring voor recht wordt in zoverre toegewezen.

4.19.

Omdat is vastgesteld dat DHL op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is, hoeft de subsidiair gestelde aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad niet meer te worden besproken.

Hoofdelijke veroordeling van DHL en AIG tot het betalen van een voorschot

4.20.

[eiser] vordert DHL en AIG, hoofdelijk, te veroordelen tot het betalen van een voorschot van € 100.000,00 op zijn materiële en immateriële schade. DHL en AIG voeren hiertegen aan dat iedere onderbouwing van de schade ontbreekt. Onduidelijk is welke schadeposten [eiser] vordert en wat de schadeomvang is. Ook is niet duidelijk gemaakt hoe hoog het bedrag is dat [eiser] aan voorschot op smartengeld vordert.

4.21.

Het gevorderde voorschot wordt afgewezen. Daarbij is in overweging genomen dat het niet mogelijk is om in deze procedure, op basis van wat partijen hierover hebben gesteld, de omvang van de schade ook maar bij benadering vast te stellen. Het debat hierover is tussen partijen nog niet gevoerd. Met uitzondering van het gestelde verlies aan verdienvermogen van circa € 1.092,56 netto per maand en de als productie 7 overgelegde nota’s voor verleende rechtsbijstand, heeft [eiser] niet onderbouwd waaruit zijn materiële schade bestaat. Dat geldt ook voor de gestelde immateriële schade. In hoeverre het verlies aan verdienvermogen en de kosten van rechtsbijstand volledig aan DHL kunnen worden toegerekend, is nog niet vast te stellen. Het gevorderde voorschot wordt daarom, mede gelet op de betwisting van DHL en AIG, afgewezen.

Verwijzing naar de schadestaatprocedure

4.22.

Zoals hiervoor al overwogen moet tussen het partijen het debat over de schade nog worden gevoerd. Begroting van de schade in dit vonnis is niet mogelijk (artikel 612 Rv), zodat de door [eiser] gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure gerechtvaardigd is. Aan de daarvoor vereiste voorwaarden is voldaan. Het hiertegen opgeworpen bezwaar van proceseconomische redenen wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen.

4.23.

DHL heeft de aansprakelijkstelling gemeld bij AIG, haar aansprakelijkheids-verzekeraar. Omdat ook vaststaat dat [eiser] als gevolg van het ongeval schade door letsel heeft geleden, kan hij in zoverre op grond van artikel 7:954 BW verlangen dat een door AIG verschuldigde (verzekerings)uitkering aan hem wordt betaald. Voor die schade zijn DHL en AIG hoofdelijk met elkaar verbonden.

4.24.

Dit brengt mee dat voor toewijzing gereed ligt de om DHL en AIG, ieder afzonderlijk, hoofdelijk, te veroordelen tot het vergoeden van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de hierover gevorderde wettelijke rente.

Schadevergoeding in verband met late uitkering ongevallenverzekering

4.25.

Op 20 september 2018 heeft [eiser] € 47.898,00 bruto ontvangen uit hoofde van de bij Hienfeld door DHL afgesloten ongevallenverzekering. Het ongeval is op 4 december 2012, één dag voor het bereiken van de in de polisvoorwaarden opgenomen vervaldatum, door DHL gemeld. Coulancehalve heeft Hienfield, vanwege het bepaalde in artikel 7:941 lid 4 BW, aanleiding gezien een extra uitkering aan [eiser] te doen van € 2.865,45, gelijk aan de contractuele rente over de periode van 6 december 2008 tot en met 5 december 2009 (productie 9 bij dagvaarding).

4.26.

Wanneer DHL het ongeval direct had gemeld, zo stelt [eiser] , is denkbaar dat hij al vanaf 4 december 2008 over het tot uitkering gekomen dekkingsbedrag van € 47.898,00 bruto had kunnen beschikken. [eiser] stelt primair dat DHL en AIG verplicht zijn de schade die hij door de late melding heeft geleden te vergoeden. Subsidiair vordert [eiser] vergoeding van de wettelijke rente over het uitgekeerde bedrag vanaf 4 december 2018 of 4 december 2017 tot 20 september 2018, althans een door de rechter te betalen bedrag. Volgens DHL en AIG had [eiser] het ongeval ook zelf kunnen melden, ontbreekt een wettelijke grondslag voor veroordeling en is het bovendien niet aannemelijk dat bij directe melding [eiser] al op

4 december 2018 had kunnen beschikken over het uitgekeerde dekkingsbedrag.

4.27.

Overwogen wordt als volgt.

4.28.

Bij gebrek aan een wettelijke grondslag – en nadere onderbouwing daarvan – moet de primair gevorderde vergoeding van schade worden afgewezen. Ook de subsidiair gevorderde wettelijke rente over het uitgekeerde bedrag wordt afgewezen. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de ongevallenverzekering bij directe melding al op 4 december 2008, dus één jaar na de datum van het ongeval, het dekkingsbedrag van € 47.898,00 zou hebben uitgekeerd. DHL en AIG hebben dit gemotiveerd betwist en er zijn bijvoorbeeld ook geen polisvoorwaarden overgelegd waarmee die stelling van [eiser] wordt ondersteund. Anders dan DHL aanvoert kan de omstandigheid dat zij het ongeval niet direct heeft gemeld grond zijn om haar te veroordelen tot vergoeding van vertragingsschade in de vorm van wettelijke rente. Het lag immers op de weg van DHL om het ongeval bij de door haar afgesloten collectieve ongevallenverzekering te melden, temeer omdat niet gesteld noch gebleken is dat [eiser] vóór 4 december 2012 al van het bestaan van die verzekering op de hoogte was. [eiser] heeft echter onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld om de subsidiair gevorderde veroordeling tot het betalen van de wettelijke rente te kunnen dragen. De vordering wordt afgewezen.

4.29.

Een grondslag om AIG te veroordelen tot het betalen van wettelijke rente over het uitgekeerde bedrag ontbreekt. Ook deze vordering wordt afgewezen.

Proceskosten

4.30.

DHL en AIG worden als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partijen veroordeeld in de kosten van de procedure. De nakosten zijn slechts toewijsbaar voor zover die kosten op dit moment kunnen worden begroot en worden daarom toegewezen op de hierna in de beslissing vermelde wijze.

5 De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat DHL haar verplichtingen ex artikel 7:658 BW jegens [eiser] niet is nagekomen;

veroordeelt DHL en AIG, ieder afzonderlijk, hoofdelijk, om aan [eiser] de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het bedrijfsongeval van 4 december 2007 te vergoeden nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van het optreden van de schade;

veroordeelt DHL en AIG in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 209,08 aan dagvaardingskosten, € 486,00 aan griffierecht en € 1.744,00 (2 punten) als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

veroordeelt DHL en AIG in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 120,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Godrie, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2021.