Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1785

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
21-04-2021
Zaaknummer
01/222615-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor doodslag en poging tot doodslag. Betreft een schietpartij in Boxmeer in september 2020.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest. Hierbij heeft de rechtbank onder meer rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en de kwalijke rol van de slachtoffers die verdachte wilden beroven.

De rechtbank gebruikt het rapport van de door de verdediging ingeschakelde psycholoog ook al is hij niet meer ingeschreven in het NRGD doch enkel als informatiebron over de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank legt geen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel conform artikel 38z Wetboek van Strafrecht op.

Er was sprake van een noodweersituatie, maar niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zodat het beroep op noodweer niet kan slagen. Ook het beroep op noodweerexces wordt verworpen evenals het verweer van putatief noodweer.

Aan drie benadeelde partijen dient schadevergoeding te worden betaald. Hiertoe legt de rechtbank ook de schadevergoedingsmaatregel met daarbij behorende dagen gijzeling op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0359
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.222615.20

Datum uitspraak: 21 april 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,

wonende te [adres 1] ,

thans gedetineerd te: P.I. Arnhem.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 december 2020, 24 februari 2021 en 7 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 november 2020.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 7 april 2021 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 2 september 2020 te Boxmeer, althans in Nederland,

[slachtoffer 1]

opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen (meermalen) in en/of door en/of op het lichaam van die [slachtoffer 1] te schieten;

2.

hij op of omstreeks 2 september 2020 te Boxmeer, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2]

opzettelijk van het leven te beroven,

met een vuurwapen (meermalen) op en/of in de richting van die [slachtoffer 2] heeft

geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Aan deze voorwaarden is voldaan. De rechtbank kan de zaak tegen de verdachte daarom inhoudelijk beoordelen.

De rechtbank zal eerst bespreken of bewezen is dat de tenlastegelegde feiten door de verdachte zijn begaan en, zo ja, welk strafbaar feit de bewezenverklaarde feiten volgens de wet opleveren. Indien wordt beslist dat de feiten bewezen en strafbaar zijn, dan zal de rechtbank oordelen over de strafbaarheid van de verdachte en over de eventuele oplegging van een straf en/of maatregel.

Het bewijs en de bewezenverklaring.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht – samengevat weergegeven – het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Door drie keer op zeer korte afstand in de rug van [slachtoffer 1] te schieten kan worden afgeleid dat verdachte het opzet had om die [slachtoffer 1] te doden. Vervolgens heeft verdachte in een nauwe steeg zijn magazijn leeggeschoten in de richting van [slachtoffer 2] . Door dat te doen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij die [slachtoffer 2] dodelijk had kunnen treffen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft in zijn pleidooi aangegeven dat verdachte op een bepaald moment zijn wapen trok en driemaal op [slachtoffer 1] heeft geschoten en vermoedelijk vijf maal in de richting van [slachtoffer 2] .

De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van de ten laste gelegde feiten.

Het oordeel van de rechtbank. 1

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft de rechtbank het volgende vastgesteld.

De melding.

Op 2 september 2020 kwam omstreeks 20.15 uur bij de meldkamer het verzoek binnen om naar [adres 2] te Boxmeer te gaan, ter hoogte van huisnummer [huisnummer] .2 De melder gaf op genaamd te zijn: [slachtoffer 2] .3 Toen de politie ter plaatse kwam trof zij ambulancepersoneel aan dat probeerde een man te reanimeren.4 Om 20.40 uur diezelfde dag werd de dood van die man vastgesteld door dokter G.J. van Geffen, arts bij het Mobiel Medisch Team.5 De overleden man bleek te zijn [slachtoffer 1] .6

Oorzaak overlijden [slachtoffer 1] .

Uit het pathologisch onderzoek is gebleken dat [slachtoffer 1] als gevolg van letsel veroorzaakt door één of meer schoten om het leven is gekomen. Bij hem zijn in totaal drie inschoten geconstateerd. Eén schotwond bevond zich halverwege de rug rechts op ca. 142 cm van de voetzoolrand en ca. 2 cm van het midden (schotwond aangeduid met C). Vanuit C was er een hoofd- en buikwaarts verlopend wondkanaal.

Een ander schotwond bevond zich halverwege de rug links op ca. 141 cm van de voetzoolrand en ca. 13,5 cm van het midden (schotwond aangeduid met D). Vanuit D was er een naar rechts, hoofd- en buikwaarts verlopend wondkanaal met onder andere beschadiging van de 8e rib links en perforatie van onder andere de onder- en bovenkwab van de linkerlong, het hartzakje, de linkerhartboezem, de lichaamsslagader (2x), de bovenkwab van de rechterlong en het borstbeen ter hoogte van de 1e en 2e rib rechts. Het wondkanaal eindigde in de weke delen hoog rechts aan de borst. Ook is er nog halverwege de rug links op ca. 136 cm van de voetzoolrand en ca. 0,7 cm van het midden een inschotwond aangetroffen (schotwond aangeduid met E).

Het overlijden van [slachtoffer 1] wordt verklaard door één schotletsel (D) aan de rug. Schotletsel C heeft mogelijk een bijdrage geleverd aan het overlijden.7

Het onderzoek.

Op 2 september 2020 heeft [slachtoffer 2] een verklaring afgelegd bij de politie en daarbij [verdachte] als dader genoemd.8 De politie heeft camerabeelden bekeken en beschreven van de situatie ter plaatste op die avond. Daarop is te zien dat op 2 september 2020 omstreeks 20.01.05 uur twee mannen op een bankje zitten in de speeltuin bij [naam 1] te Boxmeer en dat om 20.08.26 uur een groene Toyota Starlet met kenteken [kenteken] de parkeerplaats bij [naam 1] oprijdt. De Toyota wordt geparkeerd en een man stapt uit. Hij heeft een spijkerjas in zijn linkerhand. De man loopt naar de twee mannen op het bankje en om 20.10.42 uur lopen ze met zijn drieën weg in de richting van de Hoogeweg / Leeuwerik.

Omstreeks 20.12.11 uur komt de bestuurder van de Toyota Starlet in beeld bij de camera welke hangt aan de achterzijde van [adres 2] met nog steeds in zijn linkerhand een op een spijkerjas gelijkend voorwerp. Om 20.14.12 uur is te zien dat hij in de eerder door hem geparkeerde Toyota Starlet stapt en wegrijdt.9

De te naam gestelde van de groene Toyota Starlet is [verdachte] en de politie constateert gelijkenissen tussen de foto van [verdachte] en de persoon die op de beelden is gezien.10

De toedracht.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 2 september 2020 met [slachtoffer 2] had afgesproken voor het verkopen van 100 gram wiet. Daar aangekomen zag hij dat [slachtoffer 2] samen was met [slachtoffer 1] . Hij beschouwde hen als vrienden.11

Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 2] verklaard dat [slachtoffer 1] en hij het plan hadden om de wiet van verdachte af te pakken zonder te betalen.12

Verdachte is met [slachtoffer 1] voor zich en [slachtoffer 2] achter zich het steegje ingelopen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hadden allebei een fiets in hun handen. In het steegje werd verdachte gevraagd de wiet te tonen. In het steegje is door [slachtoffer 1] de wiet uit verdachtes handen getrokken.13

Verdachte heeft zijn geladen vuurwapen uit zijn broeksband getrokken en driemaal van dichtbij op [slachtoffer 1] gevuurd. Daarna heeft hij zich omgedraaid en heeft hij zijn magazijn leeggeschoten in de richting van [slachtoffer 2] .14

Verdachte heeft verklaard dat hij het semiautomatisch wapen al voor de uitbraak van de pandemie voor € 850,- had gekocht. Hij had op 2 september 2020, voorafgaand aan de drugsdeal, het wapen doorgeladen zodat er een kogel in de kamer zat. Ook was het magazijn volledig geladen. Het wapen was altijd geladen. Verdachte kon het wapen pakken en direct schieten; hij hoefde geen veiligheidspal om te zetten.15

Conclusie ten aanzien van feit 1.

Verdachte is voorzien van een volledig met scherpe patronen geladen semiautomatisch vuurwapen naar een drugsdeal gegaan. Op enig moment nadat [slachtoffer 1] de zak wiet van verdachte had afgepakt, heeft verdachte dat vuurwapen ter hand genomen en daarmee gericht en op zeer korte afstand driemaal geschoten in de rug van [slachtoffer 1] , die daardoor dodelijk werd getroffen. De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde feiten en omstandigheden volgt dat verdachte [slachtoffer 1] opzettelijk heeft gedood.

Het onder feit 1 ten laste gelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Conclusie ten aanzien van feit 2.

De rechtbank stelt – gelet op het hiervoor overwogene – vast dat verdachte door zijn magazijn met vijf kogels in de richting van [slachtoffer 2] af te vuren de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat hij [slachtoffer 2] dodelijk zou verwonden.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte, te weten in een nauwe steeg met een met scherpe patronen geladen semiautomatisch vuurwapen in de richting van [slachtoffer 2] te schieten, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van [slachtoffer 2] gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de genoemde aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Het onder feit 2 tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 2 september 2020 te Boxmeer [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen (meermalen) op het lichaam van die [slachtoffer 1] te schieten;

2.

op 2 september 2020 te Boxmeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen meermalen in de richting van die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de strafbaarheid van de verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte handelde uit noodweer. De verdachte verdedigde zich tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] van verdachtes goed, toen die in een nauwe steeg de zak wiet uit zijn handen pakte. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat tijdens deze ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 2] een beweging werd gemaakt in de richting van zijn broeksband. Daarmee was er, volgens de verdediging, ook een onmiddellijk dreigend gevaar voor het lijf van verdachte. De positie van verdachte en de ruimte waarin hij zich bevond boden redelijkerwijs geen mogelijkheid tot onttrekking aan de aanranding. De situatie was dermate dreigend dat het onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief was. Kortom, het handelen van verdachte voldeed aan de zogenaamde subsidiairiteitseis. Ook aan de proportionaliteitseis wordt voldaan. Verdachte verkeerde in paniek, was klem gezet door twee mannen die vuurwapengevaarlijk zijn en waarbij de dreiging ernstig en reëel was. Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2013:18257) stelt de verdediging dat schieten vanwege een kort tijdsbestek en in een onverwachte en dreigende situatie voldoet aan de proportionaliteitseis. De verdediging heeft gesteld dat het verdedigingsmiddel in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding.

De verdediging heeft de rechtbank daarom verzocht om verdachte wegens een geslaagd beroep op noodweer te ontslaan van alle rechtsvervolging voor beide feiten.

Voor het geval de rechtbank van oordeel mocht zijn dat verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, verzoekt de raadsman om verdachte op grond van een geslaagd beroep op noodweerexces te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Daartoe is aangevoerd dat verdachte klem stond tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en zijn wapen trok toen [slachtoffer 2] in de beleving van verdachte eerst een wapen trok. Deze omstandigheden maken dat sprake was van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte en dat hij de situatie wilde ontvluchten. In die gemoedbeweging heeft hij geschoten en is hij door die gemoedsbeweging verder gegaan dan geboden was. Dat hij koel overkwam doet aan het bestaan van een hevige gemoedsbeweging niet af.

Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van diens lijf, althans dat niet is gebleken dat [slachtoffer 2] naar zijn broeksband reikte om een wapen te pakken, dan heeft verdachte (volgens de verdediging) verontschuldigbaar gedwaald omdat verdachte in de veronderstelling was dat [slachtoffer 2] naar een wapen greep. De situatie van putatief noodweer doet zich dan voor, reden waarom verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de verdediging.

Het standpunt van de officier van justitie.

Volgens de officier van justitie was verdachte bevreesd, maar er was geen onmiddellijk dreigend gevaar voor zijn eigen lijf. Het enkel bevreesd zijn voor een aanranding, rechtvaardigt nog geen verdedigingsactie. Er was wel sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het goed van verdachte, te weten de zak met 100 gram wiet. Verdachte had zich kunnen onttrekken aan die aanranding en hij had ook alternatieven. Hij had een vuurwapen en had daarmee bijvoorbeeld kunnen dreigen of in de lucht kunnen schieten. De door verdachte gekozen verdediging was daarom niet noodzakelijk, aldus de officier van justitie. Die verdediging was daarnaast ook niet proportioneel. Door met het vuurwapen drie keer gericht in de rug van [slachtoffer 1] te schieten met dodelijk gevolg, is verdachte ver buiten de noodzakelijke grenzen van verdediging gegaan. De officier van justitie verzoekt de rechtbank het beroep op noodweer te verwerpen.

Verder stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat als gevolg van de aanranding bij verdachte een gemoedsbeweging van beperkte intensiteit teweeggebracht is en dat sprake is van een verregaande mate van overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging. Daarom dient ook het beroep op noodweerexces te worden verworpen.

Er is verder geen omstandigheid aannemelijk geworden die verdachte redelijkerwijs aanleiding kon geven te veronderstellen dat [slachtoffer 2] een wapen bij zich of in zijn hand had. Ook het beroep op putatief noodweer dient daarom volgens de officier van justitie te worden verworpen.

Het oordeel van de rechtbank.

Was sprake van noodweer?

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht aannemelijk moet zijn geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank moet onderzoeken of aan de voorwaarden voor honorering van het verweer is voldaan. Daarbij kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen.

De rechtbank heeft in deze zaak moeite met een nauwkeurige en consistente feitelijke vaststelling van de exacte toedracht, omdat het onderzoek op de plaatst delict bemoeilijkt is doordat het slachtoffer [slachtoffer 1] eerst door getuigen en ambulancepersoneel is versleept, omdat er veel personen op de plaats delict aanwezig zijn geweest voordat de politie het als een plaats delict kon aanmerken – men ging door de eerste melding van [slachtoffer 2] immers uit van een onwelwording – en omdat het onderzoek nadien niet uitputtend is geweest. Zo zijn de schotresten op de kleding van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet onderzocht om daaruit de afstand van de schutter tot hen te bepalen, is niet onderzocht hoe de schotbaan is geweest in relatie tot de positie van de personen die in de steeg aanwezig waren en is niet tot op de bodem uitgezocht wat de exacte eindpositie was van [slachtoffer 1] na de schoten. Bovendien geldt voor de enige getuige van het schieten, getuige [slachtoffer 2] , dat hij in het begin leugenachtig en daarna op punten wisselend heeft verklaard. Ook verdachte heeft op enkele essentiële punten wisselende verklaringen over de exacte toedracht afgelegd.

De rechtbank ziet echter wel dat de kern van het verhaal van verdachte vanaf zijn eerste verklaringen onveranderd is. Die kern houdt in dat hij, toen hij in een nauwe steeg was ingesloten door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met hun fietsen, van zijn wiet werd beroofd en dat hij [slachtoffer 2] een beweging naar zijn broeksband zag maken, waaruit hij de conclusie trok dat [slachtoffer 2] een wapen wilde pakken. Daarop heeft verdachte zijn wapen getrokken en gericht geschoten op [slachtoffer 1] , omdat die het dichtst bij stond en de – in de ogen van verdachte – beste vluchtweg belemmerde. Daarna heeft hij geschoten op [slachtoffer 2] .

Deze lezing van verdachte valt niet uit te sluiten op basis van de, deels gemankeerde, onderzoeksbevindingen. Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat, nu de lezing van verdachte niet onaannemelijk kan worden geacht, bij de beoordeling van het verweer van die lezing moet worden uitgegaan. Dat verdachte ook daadwerkelijk een wapen bij [slachtoffer 2] heeft gezien, zoals hij ter zitting voor het eerst verklaarde, acht de rechtbank evenwel niet aannemelijk geworden. Eerder verklaarde verdachte telkens dat hij vreesde dat [slachtoffer 2] een wapen had, dan wel dat hij daarvan uitging. Bovendien is er bij [slachtoffer 2] noch op de plaats delict of in de buurt daarvan een wapen aangetroffen.

Naar het oordeel van de rechtbank doet het wel of niet daadwerkelijk aanwezig zijn van een wapen bij [slachtoffer 2] evenwel niet ter zake. Verdachte werd door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , een forse man van 1.93 meter, in een nauwe steeg ingesloten. Hij werd toen bestolen van zijn wiet en meende te zien dat [slachtoffer 2] een gebaar maakte richting diens broeksband om iets te pakken. Verdachte had [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] eerder met wapens gezien; uit onderzoek van de politie is ook gebleken dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] antecedenten hebben op het gebied van wapens. Naar het oordeel van de rechtbank was in die gegeven omstandigheden sprake van een situatie van een onmiddellijk dreigend gevaar van aanranding van zijn goed én zijn lijf, waartegen verdachte zich mocht verdedigen.

Verdachte schoot meteen – zonder eerst te waarschuwen – drie keer gericht in de rug van [slachtoffer 1] en schoot vervolgens het hele magazijn van zijn semiautomatisch vuurwapen leeg in de richting van [slachtoffer 2] .

Van verdachte mocht echter worden geëist dat hij voor veel minder vergaande alternatieven had gekozen, zoals bijvoorbeeld het enkele tonen van zijn wapen, het dreigend voorhouden van zijn wapen of het in de lucht schieten met zijn wapen. Dit alles om voor hem de onttrekking uit de noodweersituatie mogelijk te maken. Daarnaast is het driemaal schieten in de rug van [slachtoffer 1] en het leegschieten van het magazijn op [slachtoffer 2] op geen enkele manier in een redelijke verhouding met de aanranding. Daarbij is van belang dat verdachte wel werd ingesloten, van zijn wiet beroofd en doordat hij een beweging naar de broeksband bij [slachtoffer 2] zag zich geconfronteerd zag met een reële dreiging, maar dat hij zelf nog niet fysiek was aangevallen. Door onder die omstandigheden en aldus te schieten heeft verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging in zeer vergaande mate overschreden. En als het al zo zou zijn dat [slachtoffer 2] daadwerkelijk over een wapen beschikte, dan was deze handelwijze van verdachte ook niet als proportioneel te beschouwen.

De verdediging heeft in dit verband gewezen op een vonnis van de rechtbank Den Haag, in een zaak waarbij een politieagent een 17-jarige jongen neerschoot. Anders dan de verdediging beweert, is de verdachte politieagent in die zaak niet vanwege noodweer ontslagen van alle rechtsvervolging, maar omdat hij zijn bevoegdheid om geweld te gebruiken niet heeft overschreden. Hij handelde aldus ter uitvoering van een wettelijk voorschrift. Daarmee is de vraag die voorligt in deze zaak niet te vergelijken. Bovendien heeft de verdachte politieagent één schot (ter aanhouding) gelost, en heeft verdachte een compleet magazijn leeggeschoten.

Nu de rechtbank vaststelt dat niet voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit kan het beroep op noodweer niet slagen.

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer.

Was sprake van noodweerexces?

De overschrijding van de geboden verdediging kan verontschuldigbaar zijn indien de gedraging het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

In de bij de politie door verdachte afgelegde verklaringen is de rechtbank opgevallen dat hij heel gedetailleerd en op een zakelijke wijze beschrijft wat er is voorgevallen. Daaruit blijkt nergens van paniek, laat staan een andere hevige gemoedsbeweging.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij verbaasd was toen [slachtoffer 1] de zak wiet uit zijn handen griste. Vervolgens pakte verdachte, bij het zien van een beweging van [slachtoffer 2] in de richting van diens broekband, in een reflex zijn vuurwapen en schoot hij. Verdachte koos er bewust voor om eerst naar [slachtoffer 1] te schieten, omdat hij in die richting wilde vluchten. Verdachte had gezien dat in de steeg achter [slachtoffer 2] paaltjes stonden die naar zijn inzicht zijn vluchtweg blokkeerden. Verdachte was niet boos dat zijn wiet werd afgepakt; hij schoot op [slachtoffer 1] om in de richting van [slachtoffer 1] te kunnen vluchten. Nadat verdachte het wapen had afgevuurd, klopte zijn hart snel en ging er adrenaline door zijn lijf. Hij pakte de zak wiet en liep / rende weg. Verdachte kalmeerde pas toen hij bij [naam 2] was.

[naam 2] heeft verklaard dat hij verdachte kort na het incident verbaasd en zweterig overkwam alsof hij een geest had gezien. Verdachte kwam geschrokken en bang over; hij was boos en verdrietig, heel emotioneel.

De rechtbank wil wel aannemen dat verdachte in het nauw gedreven was en daarbij angstig was, echter onvoldoende gesteld en aannemelijk is geworden dat zijn handelen voortkwam uit een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Niet is komen vast te staan dat er sprake was van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en niet is komen vast te staan dat het handelen met een dergelijke gemoedsbeweging in verband stond.

Daarbij betrekt de rechtbank dat verdachte gericht drie kogels heeft afgevuurd op [slachtoffer 1] , die allen doel troffen. Ook blijkt dat verdachte de situatie waarin hij zich bevond, heeft geanalyseerd (door na te gaan wat de beste vluchtroute zou zijn en wat naar zijn inzicht nodig was om via die weg te vluchten) en op basis van die analyse heeft gehandeld. Verdachte heeft eerst bewust op [slachtoffer 1] geschoten, omdat [slachtoffer 1] op de door verdachte gekozen vluchtroute stond. Nadat hij [slachtoffer 2] had beschoten, is verdachte ook die kant op gevlucht en heeft hij bij het weggaan de zak wiet meegenomen. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij de wiet wilde teruggeven aan zijn leverancier.

Gelet hierop kan het schieten door verdachte niet worden aangemerkt als een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging.

Het beroep op noodweerexces wordt verworpen.

Was sprake van putatief noodweer?

Door de raadsman is meer subsidiair een beroep gedaan putatief noodweer. Van een putatieve noodweersituatie is sprake wanneer iemand verschoonbaar dwaalt over het bestaan van een noodweersituatie. Dat wil zeggen dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor maar dat er wel omstandigheden waren die verdachte redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen.

Zoals hierboven reeds overwogen was hier naar het oordeel van de rechtbank wel sprake van een noodweersituatie. Dat brengt met zich dat de rechtbank niet toekomt aan de vraag of er sprake was van putatief noodweer. Voor zover betoogd is dat verdachte verschoonbaar dwaalde over de aanwezigheid van een wapen bij [slachtoffer 2] , overweegt de rechtbank dat ook die dwaling niet tot een ontslag van alle rechtsvervolging kan leiden, omdat ook in die situatie het handelen van verdachte in strijd was met de in het kader van proportionaliteit en subsidiariteit daaraan te stellen eisen en dat van een hevige gemoedsbeweging geen sprake was, zoals hiervoor is overwogen.

Het beroep daarop wordt daarom verworpen.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat het bewezen verklaarde de in de uitspraak vermelde strafbare feiten oplevert. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Er zijn tevens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregelen.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ten aanzien van feit 1 en 2 wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Ook vordert zij de oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel conform artikel 38z Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman bepleit een fors lagere strafoplegging dan geëist en verzoekt de rechtbank rekening te houden met hierna te noemen feiten en omstandigheden. Verdachte was nog maar 19 jaar toen hij dit feit pleegde. Hij is niet eerder met justitie in aanraking geweest. Over zijn persoonlijkheid blijkt uit het rapport van Ameling dat hij een laag zelfbeeld heeft en leerproblemen heeft ervaren. Weliswaar heeft hij zich bezig gehouden met de verkoop van verdovende middelen, maar was daarmee sinds een jaar gestopt. De transactie van 100 gram wiet betrof een vriendendienst zonder winstoogmerk, waarbij verdachte in een door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] vooropgezette val is gelopen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de feiten door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op [slachtoffer 1] en poging tot doodslag op [slachtoffer 2] . Deze feiten zijn gepleegd nadat verdachte door de latere slachtoffers was ingesloten in een steegje en nadat een zak met wiet van hem afgepakt was. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hadden tevoren het plan opgevat om verdachte te beroven.

Als reactie op het handelen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft verdachte meermalen geschoten met zijn semiautomatisch vuurwapen. Daarbij is [slachtoffer 1] dodelijk getroffen.

Verdachte heeft door zijn gedragingen [slachtoffer 1] zijn kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. Met dit handelen heeft hij intens verdriet en onherstelbaar leed aan de nabestaanden van het slachtoffer toegebracht. Ter terechtzitting heeft de moeder van het slachtoffer gebruik gemaakt van haar spreekrecht. Zij heeft gesproken over het leed dat het door verdachte gepleegde misdrijf bij haar teweeg heeft gebracht, waaronder het gemis dat zij nu moet ervaren.

Dergelijke feiten zijn ook zeer schokkend voor de buurtbewoners en de maatschappij in het algemeen. Het brengt gevoelens van onrust, angst en onveiligheid teweeg. De feiten hebben bovendien opnieuw pijnlijk duidelijk gemaakt dat de drugshandel hand in hand gaat met geweld en dat niet wordt geschuwd geweld toe te passen in een woonwijk waarbij blijkbaar op de koop toe wordt genomen dat er onschuldige personen het slachtoffer zouden kunnen worden.

De ernst van de door verdachte gepleegde feiten kunnen niet anders bestraft worden dan met een langdurige gevangenisstraf. Vanuit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij is een langdurige vrijheidsbeneming ook op zijn plaats.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 14 jaar geëist. De rechtbank komt echter tot een lagere straf. Daarbij kent de rechtbank een andere waarde toe aan de omstandigheden waaronder de feiten plaatsvonden en de persoon van verdachte. Dat doet niet af aan het oordeel van de rechtbank dat de straf die zij oplegt de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Hierna zal de rechtbank nader ingaan op de strafmatigende omstandigheden.

De raadsman heeft ter zake verdachte een rapportage op laten maken door E.H. Ameling, psycholoog. De officier van justitie heeft aangevoerd dat deze psycholoog sinds 2017 niet meer is ingeschreven in het NRGD, waardoor hij in elk geval niet meer aangemerkt kan worden als deskundige in de zin van de wet. Onder deze omstandigheid kan niet zonder meer uitgegaan worden van up to date kennis op het gebied van de forensische psychologie, aldus de officier van justitie. De rechtbank heeft kennisgenomen van voornoemd rapport. Nu het rapport geen antwoord hoeft te geven op vragen over toerekenbaarheid van het feit en het eventueel opleggen van een maatregel (deze zaken staan niet ter discussie), is het ook niet nodig het rapport als een deskundigenrapport in de zin van de wet op te vatten en te beoordelen of het voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt. De rechtbank zal zich daarom niet uitlaten over de door de officier van justitie opgeworpen bezwaren tegen de deskundigheid van de psycholoog. De rechtbank zal het rapport gebruiken als informatiebron over de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het rapport volgt dat bij verdachte in het verleden een zeer ernstige dyslexie is vastgesteld. Doordat dit tot problemen in het reguliere basisonderwijs leidde, heeft verdachte speciaal onderwijs gevolgd. Dit heeft mede geleid tot een laag zelfbeeld. Het zoeken naar erkenning en waardering vanuit dat lage zelfbeeld leidde er op middelbare schoolleeftijd toe dat verdachte in een circuit terechtkwam van drugs kopen, weggeven en verkopen.

Ondanks deze bewegingen in het criminele circuit blijkt uit het uittreksel Justitiële Documentatieregister d.d. 17 december 2020 dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake strafbare feiten.

De rechtbank houdt rekening met de jonge leeftijd van verdachte. Hij was 19 jaar ten tijde van het plegen van de feiten. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door verdacht beschouwd werden als twee vrienden aan wie hij een vriendendienst wilde leveren. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zagen verdachte kennelijk als een makkelijk doelwit en hebben schaamteloos misbruik van verdachte gemaakt door hem een nauwe steeg in te lokken met de bedoeling om hem te beroven. In deze omstandigheden vindt de rechtbank reden om de op te leggen straf ten opzichte van de eis van de officier van justitie sterk te matigen.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel conform artikel 38z Wetboek van Strafrecht op te leggen. Een dergelijke maatregel is bedoeld ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat dit voor gevallen bedoeld is waar sprake is van een zeer hoog recidiverisico en gevreesd moet worden dat na ommekomst van de straf geen mogelijkheden voorhanden zijn dit risico verantwoord in te dammen. Nu verdachte nog jong is, verder geen strafrechtelijke veroordelingen heeft en de reclassering in het rapport van 1 april 2021 geen adequate inschatting heeft kunnen maken van het recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van artikel 38z Sr hier niet op zijn plaats is.

De vordering van de benadeelde partij [naam 3] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij van [naam 3] integraal kan worden toegewezen met toepassing van artikel 36f Wetboek van Strafrecht, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging.

Primair verzoekt de raadsman om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid aanhef onder a, Wetboek van Strafvordering. Subsidiair acht de raadsman de vordering van benadeelde partij [naam 3] redelijk en billijk en voor toewijzing vatbaar. De raadsman wijst de rechtbank wel op dubbeltelling van het bedrag dat ziet op de begrafeniskosten, nu is gebleken dat de benadeelde partij aan de vader van [slachtoffer 1] een deel van de begrafeniskosten heeft vergoed.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht naar maatstaven van billijkheid toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering, te weten: immateriële schadevergoeding (bestaande uit vergoeding van affectieschade) van

€ 17.500,-- en materiële schadevergoeding van in totaal € 605,75 (bestaande uit begrafeniskosten € 455,75, telefoon-/ portokosten € 50,-- en eten /drinken bezoek begrafenis € 100,--) een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal het volgende onderdeel van de vordering afwijzen, te weten de materiële schadevergoeding die ziet op de gevorderde reiskosten ad € 121,26, nu hiervoor geen rechtsgrond bestaat.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2020 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [naam 4] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van benadeelde partij [naam 4] tot een bedrag van € 19.425,75 kan worden toegewezen. Het bedrag van € 455,75 – de begrafeniskosten die [naam 3] aan hem heeft betaald – dienen in mindering te worden gebracht. Alles met toepassing van artikel 36f Wetboek van Strafrecht, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging.

Primair verzoekt de raadsman om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid aanhef onder a, Wetboek van Strafvordering. Subsidiair acht de raadsman de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] redelijk en billijk en voor toewijzing vatbaar. De raadsman wijst de rechtbank wel op dubbeltelling van het bedrag dat ziet op de begrafeniskosten, nu is gebleken dat de [naam 3] aan de benadeelde partij een deel van de begrafeniskosten heeft vergoed.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht naar maatstaven van billijkheid toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten: immateriële schadevergoeding (bestaande uit vergoeding van affectieschade) van

€ 17.500,-- en materiële schadevergoeding van in totaal € 1.925,75 (bestaande uit begrafeniskosten € 455,75 en kosten voor het plaatsen van een urn € 1.470,--) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal het onderdeel van de vordering dat ziet op de begrafeniskosten deels afwijzen, te weten voor een bedrag van € 455,75, nu dat deel door [naam 3] aan [naam 4] is betaald. Ook vordering tot vergoeding van de gevorderde reiskosten ad € 25,23 zullen worden afgewezen, nu hiervoor geen rechtsgrond bestaat.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2020 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] kan worden toegewezen tot een bedragen van € 3.125,-- in totaal (bestaande uit € 3.000,-- immateriële schade – daarbij rekening gehouden dat de schade deels door eigen schuld is veroorzaakt – en € 125,-- materiële schade). Voor het overige dient de vordering volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard. Een en ander met toepassing van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en vermeerderd met de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte verzoekt de vordering benadeelde partij ingediend door [slachtoffer 2] integraal af te wijzen omdat hij samen met [slachtoffer 1] verdachte opzettelijk in de val heeft gelokt en klemgezet. Verder duiden de opmerkingen van [slachtoffer 2] – onder verwijzing naar de tapgesprekken tussen [slachtoffer 2] en [naam 5] – niet bepaald op een aantasting in de persoon, aldus de raadsman van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht naar maatstaven van billijkheid toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, het volgende onderdeel van de vordering, te weten: materiële schadevergoeding door de rechtbank geschat en begroot op € 100,-- (kleding) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal de rest van het vordering die ziet op vergoeding van (schade aan) kleding afwijzen.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ter zake de gevorderde immateriële schade, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van de vordering

een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Gelet op de betwisting van de vordering door de verdediging en het uitgebreide onderzoek dat daardoor nodig is naar de vraag of er sprake is van een aantasting van de persoon en de mate van eigen schuld komt de rechtbank tot de conclusie dat behandeling van deze vordering niet past binnen het strafproces, waarbij onder meer een tijdige afdoening van groot belang is.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2020 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

36f, 45, 57, 60a, 287.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van feit 1:

doodslag

ten aanzien van feit 2:

poging tot doodslag.

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 3] .

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 3] , van een bedrag van € 18.105,75, bestaande uit € 17.500,-- immateriële schade en € 605,75 materiële schade. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank wijst af het onderdeel van de vordering dat ziet op de reiskosten ad € 121,26.

De rechtbank legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 3] , van een bedrag van € 18.105,75 bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 125 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit € 175.00,-- immateriële schade en € 605,75 materiële schade. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 september 2020.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 4] .

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 4] , van een bedrag van

€ 19.425,75, bestaande uit € 17.500,-- immateriële schade en € 1.925,75 materiële schade (bestaande uit begrafeniskosten ad € 455,75 en plaatsen urn € 1.470,00). Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank wijst af het niet toegewezen onderdeel van de vordering dat ziet op de begrafeniskosten en de reiskosten.

De rechtbank legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 4] , van een bedrag van € 19.425,75 bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 132 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit

€ 17.500,-- immateriële schade en € 1.925,75 materiële schade. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 september 2020.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , van een bedrag van € 100,--, bestaande uit materiële schade (kleding). Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank wijst af het restant van de gevorderde materiële schade.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

De rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van € 100,00, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 2 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade. De materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. W.M.T. Keukens, leden,

in tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,

en is uitgesproken op 21 april 2021.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie districtsrecherche 's-Hertogenbosch onderzoek [onderzoeksnaam] onderzoeknummer [nummer] opgemaakt en ondertekend d.d. 12 november 2020, aantal doorgenummerde pagina’s: 319.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2020, p. 96, 97.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2020, p. 98.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2020, p. 96, 97.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2020, verklaring MMT-arts G.J. van Geffen, p. 95.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2020, p. 102.

7 Pathologieonderzoek door het NFI d.d. 25 september 2020.

8 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 2 september 2020, p. 215.

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2020, p. 141, 142.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2020, p. 144, 145.

11 Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting afgelegd d.d. 7 april 2021.

12 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris d.d. 6 april 2021.

13 Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting afgelegd d.d. 7 april 2021.

14 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris d.d. 6 april 2021 en verklaring verdachte [verdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 7 september 2020.

15 Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting afgelegd d.d. 7 april 2021.