Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1771

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
20/783
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om smartengeld vanwege beroepsziekte afgewezen wegens verjaring. Eiser kon in 2009 al weten dat sprake was van blijvende schade, in welke omvang en vorm dan ook. Dat de klachten in 2009 minder zijn geworden en in 2016 weer zijn toegenomen, maakt dit oordeel niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/783

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. V.R. Dekker),

en

de korpschef van politie, de korpschef

(gemachtigde: mr. R.D. Lubach).

Procesverloop

Met het besluit van 18 juni 2019 heeft de korpschef vastgesteld dat eiser geen recht heeft op smartengeld in verband met de bij hem vastgestelde beroepsziekte, omdat sprake is van verjaring.

Eiser is het niet eens met dit besluit en heeft daarom op 26 juli 2019 bezwaar gemaakt.

Op 13 maart 2020 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen de weigering van de korpschef om een besluit te nemen op zijn bezwaarschrift.

Met het besluit van 22 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Met een separaat besluit van 2 maart 2020 (op 6 maart 2020 verzonden) heeft de korpschef de wettelijk verschuldigde dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaar vastgesteld.

De rechtbank heeft het beroep van eiser op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van de korpschef van 22 oktober 2020.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 16 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Eiser is sinds 1978 werkzaam bij de politie. In 2009 is hij door zijn huisarts gezien in verband met been- en bilklachten aan de linkerzijde. De klachten werden veroorzaakt door de koppel en de daaraan vastgemaakt onderdelen van de dienstuitrusting. De huisarts heeft toen de voorlopige diagnose piriformissyndroom gesteld en eiser doorverwezen naar de fysiotherapeut. Eisers klachten zijn hierdoor afgenomen. In 2016 en 2017 is eiser opnieuw naar zijn huisarts gegaan wegens klachten van dezelfde aard. In 2017 is eiser door zijn huisarts doorverwezen naar de neurochirurg en is na onderzoek de diagnose piriformissyndroom bevestigd. Hierop heeft eiser op 6 november 2017 een verzoek bij de korpschef ingediend om de door hem ervaren klachten te laten erkennen als beroepsziekte.

2. Met het besluit van 23 april 2019 heeft de korpschef de klachten erkend als beroepsziekte in de zin van artikel 1, eerste lid, sub y, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Dit besluit staat in rechte vast.

3. Het verzoek om erkenning als beroepsziekte is, gelet op de daarvoor geldende regelingen, ook opgevat als een verzoek om smartengeld. Dat heeft geleid tot de besluitvorming als vermeld onder het kopje ‘procesverloop’.

De standpunten

4. Eiser is het er niet mee eens dat zijn verzoek om smartengeld is afgewezen vanwege verjaring en voert – kort gezegd – het volgende aan. Eiser is in 2009 bij zijn huisarts en fysiotherapeut geweest voor zijn klachten. De huisarts heeft toen de voorlopige diagnose piriformissyndroom gesteld. De behandeling bij de fysiotherapeut en ook het advies om zijn koppel anders in te richten en te gebruiken, hebben ervoor gezorgd dat eisers klachten in grote mate zijn afgenomen, waardoor hij zijn werkzaamheden heeft kunnen voortzetten. Van 2009 tot 2015 heeft eiser normaal kunnen functioneren zonder uitval of verzuim. Op dat moment stond voor eiser vast dat er geen sprake was van noemenswaardige blijvende gevolgen, zodat er ook geen gerechtvaardigde aanleiding was om in actie te komen richting zijn werkgever.

Eiser heeft daarover nog toegelicht dat voor zover hij in zijn aanvraag van 6 november 2017 heeft opgeschreven dat de klachten ‘de afgelopen jaren zijn blijven bestaan’ hij daarmee doelde op de gebruikelijke ongemakken die (bijna) elke collega ervaart bij het langdurig dragen van de koppel.

Pas nadat eisers koppel in de jaren daarna zwaarder werd beladen, kwamen de klachten terug, en zijn zij toegenomen ten opzichte van de situatie in 2009. De neurochirurg heeft in januari 2017 het pirifomissyndroom vastgesteld, alsmede zenuwschade. Inmiddels is eiser voor zijn klachten ziekgemeld. De ernst van deze gezondheidsklachten kon hij in 2009 nog niet overzien. Voor de onderbouwing van zijn standpunt wijst eiser op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 29 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY4614).

Tot slot voert eiser aan dat de korpschef in het geval van een beroepsziekte niet toetst aan de verjaringstermijnen. Eiser is van mening dat dit in zijn geval ertoe zou moeten leiden dat hem de verjaringstermijn niet kan worden tegengeworpen.

5. De korpschef is van mening dat eiser geen recht heeft op smartengeld, omdat eisers aanvraag verjaard is. Op verzoek van de korpschef zijn adviezen uitgebracht door verzekeringsarts drs. E.H. Groenewegen op 24 maart 2019, 28 april 2020 en 23 juli 2020. Uit deze adviezen en de overige informatie blijkt dat sprake is van een sinds 2009 bij eiser bestaand piriformissyndroom met een chronisch karakter, zonder dat van duurzaam herstel kan worden gesproken. Uit het huisartsenjournaal dat door de medisch deskundige is geraadpleegd blijkt dat eiser op 12 juli 2016 is gezien door de huisarts die daarbij heeft geconstateerd dat eiser al jarenlang last heeft van pijn in de lage rug en de linkerbil en dat het klachtenbeeld in het verleden al is benoemd als een piriformissyndroom. Volgens de korpschef was eiser dus in 2009 daadwerkelijk bekend met de schade. Hij had ook voldoende mate van zekerheid over de schadeoorzaak, zodat eiser in 2009 in staat was in actie te komen en de korpschef aansprakelijk te stellen. De korpschef is van mening dat de verjaringstermijn van vijf jaar in 2009 een aanvang heeft genomen, zodat het verzoek uit 2017 na het voltooien van de verjaringstermijn is gedaan.

Dat de klachten in 2016 zijn toegenomen, maakt dit volgens de korpschef niet anders. De neurochirurg heeft namelijk de diagnose uit 2009 bevestigd. Daarnaast is eisers verklaring dat de klachten sinds 2009 in grote mate zouden zijn afgenomen niet te rijmen met zijn verklaring op het meldingsformulier beroepsziekte, waarin is aangegeven dat de behandelingen bij de fysiotherapeut in 2009 niet hebben geleid tot het gewenste effect en dat de klachten de jaren daarna zijn blijven bestaan. Ook het feit dat pas in 2017 zenuwschade is vastgesteld door de neurochirurg is volgens de korpschef niet van belang, omdat voor het gaan lopen van de relatieve verjaringstermijn niet is vereist dat de benadeelde bekend is met alle componenten of de gehele omvang van zijn schade.

De door eiser aangehaalde uitspraak ziet op een andere situatie dan eisers situatie, zodat ook deze informatie hem niet kan baten, aldus de korpschef.

Tot slot is de korpschef van mening dat de verwijzing van eiser naar het niet toetsen aan de verjaringstermijn bij het vaststellen van een beroepsziekte, niet juist is. Bij rechtspositionele aanspraken is volgens de korpschef wel degelijk sprake van relatieve verjaring. Dat de korpschef beleid hanteert waarin dat niet gebeurt, heeft eiser niet nader onderbouwd.

Wettelijk kader

6. In artikel 54a van het Barp is geregeld dat in het geval sprake is van invaliditeit die voortkomt uit een dienstongeval of een beroepsziekte aan de betreffende ambtenaar smartengeld wordt vergoed.

7. Volgens vaste rechtspraak van de Raad zijn financiële aanspraken tegenover de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar. De aanvang van deze verjaringstermijn ligt bij het moment waarop degene die meent schade te lijden met betrekking tot deze schade in actie had kunnen komen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2675).

Beoordeling

8. Partijen zijn het erover eens dat bij eiser sprake is van een beroepsziekte. Partijen zijn het er niet over eens of eiser in verband met mogelijke verjaring nog recht heeft op smartengeld.

9. De rechtbank vindt dat eisers aanspraak op smartengeld is verjaard. Eiser krijgt daarom geen gelijk in deze procedure. Hierna zal de rechtbank toelichten waarom zij dat vindt.

10. Eiser stelt dat zijn klachten pas in 2017 zodanig waren dat hij ervan uit moest gaan blijvende schade te ondervinden. Het voorgaande ligt echter niet in lijn met de conclusies van de verzekeringsarts, die stelt dat sprake is van een sinds 2009 bij eiser bestaand piriformissyndroom met een chronisch karakter, zonder dat van duurzaam herstel kan worden gesproken. De arts heeft toegelicht dat het klachtenbeeld reeds in 2009 paste bij een piriformyssyndroom en kenmerk hiervan is dat door druk zenuwschade en bindweefselvorming optreedt. Dat maakt het waarschijnlijk dat, ondanks wisselende perioden van klachten, het sedert 2009 al aanwezig was en dit wordt bedoeld met chronisch, aldus de verzekeringsarts. Ook de door deze arts verkregen informatie van de huisarts onderstrepen die conclusie. De rechtbank vindt het onderzoek door de verzekeringsarts zorgvuldig en inzichtelijk. De arts heeft ook diverse medische informatie van de huisarts, radioloog, neurochirurg, bedrijfsarts en fysiotherapeut daarin betrokken. De conclusies vloeien ook logisch voort uit de rapporten. De rechtbank heeft daarom geen reden om te twijfelen aan de beoordeling door de verzekeringsarts dat de klachten sinds 2009 in meerdere of mindere mate hebben bestaan.

11. Daarnaast omschrijft eiser in zijn aanvraag van 6 november 2017 dat hij begin 2009 klachten kreeg, dat hij daardoor niet meer kon lopen, dat enige weken van therapie niet echt tot het gewenste resultaat hebben geleid en dat de klachten de afgelopen jaren zijn blijven bestaan. Weliswaar vermeldt eiser in de aanvraag ook dat de klachten de afgelopen twee jaar zijn toegenomen, maar dat zij ooit zijn weggeweest (en eiser tussentijds is hersteld) kan de rechtbank uit wat eiser beschrijft niet opmaken.

Ook de toelichting van eiser in beroep dat het bij de klachten ‘die zijn blijven bestaan’ gaat om klachten die elke politieambtenaar heeft bij het dragen van de koppel, leidt niet tot een andere conclusie. Het kon eiser namelijk in 2009 al duidelijk zijn dat hij niet (volledig) hersteld was en dat sprake was van blijvende schade, in welke vorm en omvang dan ook. Dat eiser niet hersteld was, maakt de rechtbank op uit zijn verklaring dat sprake was van klachten ‘die zijn blijven bestaan’.

12. De omstandigheid dat eiser tot zijn uitval zonder verzuim is blijven functioneren in zijn werk, leidt niet tot een andere conclusie om de hiervoor genoemde redenen. Dat geldt ook voor de stellingen dat pas in 2017 een definitieve diagnose is gesteld en dat eiser in 2009 nog geen volledig zicht op de omvang van zijn schade had. Voor een aansprakelijkheidstelling als hier aan de orde is immers niet vereist dat er eerst een medische eindsituatie moet zijn bereikt.

13. Het voorgaande maakt niet dat de rechtbank geen oog heeft voor eisers klachten. Het is de rechtbank duidelijk dat eiser deze al lange tijd ondervindt en dat zij hem inmiddels fors belemmeren. Het beginsel van de rechtszekerheid (dat ook geldt in het verkeer tussen de werknemer en de werkgever) maakt hier echter dat de korpschef heeft kunnen weigeren om de aanvraag smartengeld in te willigen, ook al zijn de gezondheidsklachten als beroepsziekte erkend.

14. Eiser heeft nog aangevoerd dat de korpschef in het geval van een beroepsziekte niet toetst aan de verjaringstermijnen. Zoals eisers gemachtigde op de zitting ook heeft erkend is deze stelling echter niet onderbouwd en de korpschef heeft ook betwist dat de stelling juist is. Wat aangevoerd is, slaagt daarom niet.

Conclusie

15. Uit het voorgaande volgt dat verweerder op juiste gronden het verzoek om smartengeld heeft afgewezen, omdat sprake is van verjaring. Het beroep is dus ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F.E. van Olden-Smit, voorzitter, en mr. A.F. Vink en mr. J.J.J. Sillen, leden, in aanwezigheid van mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 20 april 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Centrale Raad van Beroep.