Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1707

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
01/180391-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op de productie van synthetische drugs en heeft zich op 10 juli 2020 schuldig gemaakt aan het bereiden van amfetamineolie. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.180391.20

Datum uitspraak: 15 april 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 oktober 2020, 15 januari 2021 en 1 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 september 2020.

Aan verdachte is na wijziging ter zitting van 1 april 2021 ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 juli 2020 te Vleuten, gemeente Utrecht (locatie [adres 2] ) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, amfetamineolie en/of amfetaminepasta, in elk geval een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, danwel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode 1 mei 2020 tot en met 10 juli 2020 te Vleuten, gemeente Utrecht (locatie [adres 2] ), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen één of meer voorwerpen en/of één of meer stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig reden hadden te vermoeden dat deze bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en), te weten een laboratoriumopstelling bestaande onder meer uit destillatieketels (2 stuks á 200 liter) en/of destillatiebakken (2 stuks) en/of reactieketels (2 stuks) en/of gemodificeerde bierfusten (4 stuks á 50 liter) en/of gasflessen (29 stuks) en/of gasbranders (7 stuks) en/of een gaswasser en/of dompelpompen (5 stuks) en/of scheitrechters (2 stuks á 20 liter) en/of maatbekers en/of een weegschaal en/of vaten/jerrycans (ongeveer 65 stuks, al dan niet gevuld met vloeistof en met inhoudsmaten van 5/20/25/30/120/160/200 liter) en/of 4 IBC’s (á 1000 liter) en/of stoffen, te weten fosforzuur (ongeveer 1000 liter) en/of mierenzuur (ongeveer 380 liter) en/of zwavelzuur en/of caustic soda (ongeveer 700 kilogram) en/of formamide (60 liter) en/of methanol (23 liter) en/of N-formylamfetamine en/of MAPA (6 dozen) en/of BMK.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Bron.

Een dossier van de Nationale Politie, eenheid Oost-Brabant, met dossiernummer [dossiernummer] , onderzoek [naam onderzoek] , afgesloten d.d. 8 november 2020, aantal doorgenummerde bladzijden: 514. Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden. De hieruit afkomstige bewijsmiddelen zijn telkens verkort en zakelijk weergegeven.

Inleiding.

In februari 2020 is door het Team Criminele Inlichtingen (TCI) een proces-verbaal verstrekt met daarin de volgende informatie (dossierpagina 259):

‘ [verdachte] wordt door zijn broer [naam 1] en [naam 2] naar verschillende organisaties gestuurd om synthetische drugs te maken. Deze organisaties krijgen de precursoren van [naam 1] en [naam 2] . [verdachte] is heel goed en voornamelijk in het produceren van crystal meth.

Met [verdachte] wordt [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1980, bedoeld.’

Naar aanleiding van deze informatie is onderzoek [naam onderzoek] gestart. Er is onderzoek gedaan naar de contacten, vervoersmiddelen en communicatiemiddelen van verdachte [verdachte] . Door een observatieteam is op 9 juli 2020 onder meer waargenomen dat verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 1] zich naar de [adres 2] in Vleuten begaven. In de nacht van donderdag 9 juli 2020 op vrijdag 10 juli 2020 is er op deze locatie een draaiend drugslaboratorium van synthetische drugs aangetroffen. Verder zijn er een groot aantal voorwerpen en stoffen op het perceel aangetroffen die mogelijk verband houden met de productie van synthetische drugs. Die nacht zijn in de directe nabijheid van het draaiende laboratorium verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 1] aangehouden. Ook medeverdachte [medeverdachte 2] , de eigenaar van het perceel aan de [adres 2] in Vleuten, is diezelfde nacht aangehouden.

Op verdachte [verdachte] rust onder feit 1 de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het bereiden, bewerken en vervaardigen, dan wel het opzettelijk aanwezig hebben van amfetamineolie en/of amfetaminepasta. Onder feit 2 wordt verdachte verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan voorbereidingshandelingen, zoals strafbaar gesteld in artikel 10a van de Opiumwet.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman primair aangevoerd dat verdachte voor dit feit moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de periode moet worden beperkt tot één dag, te weten 9 juli 2020.

Het oordeel van de rechtbank.

Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de gehele uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bijlage bij dit vonnis.

De rechtbank is van oordeel dat niet de gehele onder feit 2 ten laste gelegde periode bewezen kan worden verklaard, omdat verdachte enkel in de nacht van 9 op 10 juli 2020 bij het drugslaboratorium is waargenomen. Niet is vast te stellen of verdachte, kennelijk een ervaren ‘kok’, eerder in ditzelfde laboratorium heeft gewerkt.

De door de verdediging gevoerde verweren ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit merkt de rechtbank aan als bewijsverweren. Deze verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

op 10 juli 2020 te Vleuten, gemeente Utrecht (locatie [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk amfetamineolie heeft bereid, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

in de periode 9 juli 2020 tot en met 10 juli 2020 te Vleuten, gemeente Utrecht (locatie [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededaders wisten dat deze bestemd waren tot het plegen van die feiten, te weten een laboratoriumopstelling bestaande onder meer uit destillatieketels (2 stuks á 200 liter) en destillatiebakken (2 stuks) en reactieketels (2 stuks) en gemodificeerde bierfusten (4 stuks á 50 liter) en gasflessen (29 stuks) en gasbranders (7 stuks) en een gaswasser en dompelpompen (5 stuks) en scheitrechters (2 stuks á 20 liter) en maatbekers en een weegschaal en vaten/jerrycans (ongeveer 65 stuks, al dan niet gevuld met vloeistof en met inhoudsmaten van 5/20/25/30/120/160/200 liter) en 4 IBC’s (à 1000 liter) en stoffen, te weten fosforzuur (ongeveer 1000 liter) en mierenzuur (ongeveer 380 liter) en zwavelzuur en caustic soda (ongeveer 700 kilogram) en formamide (60 liter) en methanol (23 liter) en N-formylamfetamine en MAPA (6 dozen) en BMK.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren op te leggen. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht dient hierop in mindering te worden gebracht. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de eis van de officier van justitie niet in verhouding staat tot hetgeen er in soortgelijke zaken doorgaans wordt opgelegd. De raadsman heeft aangevoerd dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 tot 18 maanden passend is.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op de productie van synthetische drugs en heeft zich op 10 juli 2020 schuldig gemaakt aan het bereiden van amfetamineolie. Hij heeft dit gedaan terwijl in de aangrenzende woning een gezin woont en aanwezig was. De enorme gevaarzetting die een dergelijk laboratorium met zich mee brengt wordt bekend verondersteld. Verdachte heeft door te produceren in een woning bewust mensen in gevaar gebracht. Daarnaast is het algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs kan leiden tot een geestelijke of lichamelijke verslaving en, bij overdosis, zelfs tot de dood van de gebruiker. Synthetische drugs vormen steeds meer een nationaal probleem. Het chemisch afval dat ontstaat bij de productie van die drugs wordt vrijwel altijd illegaal gedumpt, waardoor het milieu schade ondervindt en belast wordt en waarbij er in de regel veel geld, tijd en energie geïnvesteerd moet worden om de negatieve gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk ongedaan te maken. Bovendien legt het opsporen, ontmantelen en vervolgen van de producenten van synthetische drugs een fors beslag op het opsporingsapparaat, als gevolg waarvan de opsporing van andere misdrijven in het gedrang kan komen. Drugscriminaliteit wordt steeds meer het werkterrein van georganiseerde misdaad. Deze georganiseerde drugscriminaliteit leidt tot veel geweld met alle gevolgen van dien. Kortom, de productie en handel van harddrugs heeft op meerdere niveaus van de maatschappij een forse negatieve invloed. Aan al deze negatieve effecten heeft verdachte een bijdrage geleverd door grote hoeveelheden grondstoffen en voorwerpen voorhanden te hebben waarmee heel veel amfetamine kon worden gemaakt. Daarnaast heeft verdachte amfetamineolie bereid, wat nodig is voor het kristalliseren van amfetamine. Verdachte heeft zich van alle hiervoor genoemde negatieve gevolgen niets aangetrokken en kennelijk gehandeld uit puur financieel eigen belang.

Door de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen en het bereiden van synthetische drugs in de Opiumwet en het daarop gestelde wettelijke strafmaximum is tot uiting gebracht dat tegen drugscriminaliteit, ook wanneer deze zich nog in de voorbereidende fase bevindt, krachtig dient te worden opgetreden.

Voor de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen en het bereiden van amfetamineolie zijn binnen de rechtspraak thans geen oriëntatiepunten ontwikkeld. De rechtbank heeft daarom aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken door de rechtbanken en gerechtshoven in het land worden opgelegd. De rechtbank heeft hierbij in het bijzonder aandacht gehad voor de rol van verdachte. Verdachte en zijn medeverdachte zijn uit een draaiend laboratorium komen rennen. Zij zijn degenen geweest die feitelijk produceerden. De rol van verdachte is daarmee een zeer essentiële rol en verdachte bezit een vaardigheid die niet zomaar iedereen heeft. Verdachte kiest er kennelijk voor om zijn vaardigheden in te zetten voor een uitermate schadelijk doel, alleen voor het geld. De rechtbank komt tot de conclusie dat de aard, ernst en de negatieve maatschappelijke gevolgen van de bewezenverklaarde feiten zonder meer een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank mede acht geslagen op het op naam van verdachte gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 november 2020, waaruit is gebleken dat verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit als onderhavige feiten en hiervoor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een forse geldboete van € 4.000,- heeft opgelegd gekregen. Dit heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden weer soortgelijke strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal deze eerdere veroordeling niet in strafverzwarende zin meewegen, nu deze veroordeling van meer dan vijf jaar geleden is.

Verder is er op 29 juli 2020 een reclasseringsrapportage over verdachte opgemaakt. De reclassering heeft aangegeven dat zij geen aanknopingspunten zien voor reclasseringsbegeleiding of andersoortige interventies.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden opleggen. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht dient hierop in mindering te worden gebracht.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1 en feit 2:

eendaadse samenloop van:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (feit 1)

en

medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit (feit 2).

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf:

t.a.v. feit 1 en feit 2:

Een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.J. Sangers-de Jong, voorzitter,

mr. E. Boersma en mr. G. de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.A.J. van der Heijden, griffier,

en is uitgesproken op 15 april 2021.