Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1706

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
369459 / KG ZA 21-207
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil tav Haagse kinderontvoeringszaak: De voorzieningenrechter heeft getoetst aan de hand van het voor het executierecht maatgevende arrest van de Hoge Raad is het arrest van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (De Zeester) en ook het Verdrag van 25 oktober 1980, Trb 1987, 139 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen komt aan bod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/369459 / KG ZA 21-207

Vonnis in kort geding van 8 april 2021

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [plaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M.T. Wernsen te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. L. Stam te Vught.

Partijen zullen hierna de moeder en de vader genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 april 2021 met producties 1 tot en met 6;

  • -

    de eis in reconventie van 2 april 2021 met producties 1 tot en met 5;

  • -

    de conclusie van antwoord van 3 april 2021 met producties 6 tot en met 9 en de gewijzigde eis in reconventie;

  • -

    de brieven van 4 en 5 april 2021 van mr. Wernsen met producties 7 tot en met 21;

  • -

    de mondelinge behandeling van 6 april 2021 te 8.45 uur die via een Skypeverbinding heeft plaatsgevonden, waarbij naast partijen, hun advocaten en tolken [A] en [B 1] , ook [C] namens de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig was;

  • -

    de pleitnota van mr. Wernsen namens de moeder.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd op 29 november 2009. Zij wonen sinds 2014 feitelijk gescheiden van elkaar.

2.2.

Inmiddels is in Groot-Brittannië een echtscheidingsprocedure aanhangig.

2.3.

Partijen zijn de ouders van de thans nog minderjarige kinderen (hierna: de kinderen):

  • -

    [kind 1] , geboren op [datum] te [plaats] (hierna te noemen: [kind 1] ),

  • -

    [kind 2] , geboren op [datum] te [plaats] (hierna te noemen: [kind 2] ),

2.4.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.

2.5.

De vader heeft de Britse nationaliteit, de moeder en de kinderen hebben (ook) de Nederlandse nationaliteit.

2.6.

Medio augustus 2020 heeft de moeder met de kinderen Groot-Brittannië verlaten en is zij naar Nederland vertrokken. Zij verbleven sindsdien in Nederland.

2.7.

De vader heeft op 23 november 2020 een verzoek tot teruggeleiding ingediend bij de rechtbank Den Haag.

2.8.

In dat kader is bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 17 december 2020 mr. drs. A.M. Beijersbergen-van Bosveld Heinsius benoemd tot bijzondere curator over de kinderen.

2.9.

De bijzondere curator heeft gesproken met de kinderen en daarvan op 28 december 2020 aan de rechtbank Den Haag en op 22 februari 2021 aan het gerechtshof Den Haag verslagen uitgebracht.

2.10.

De rechtbank Den Haag heeft een beschikking gewezen op 25 januari 2021 (hierna: de beschikking van de rechtbank), waarin - voor zover thans van belang - het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de kinderen naar Groot-Brittannië is toegewezen en daarin is bepaald dat de teruggeleiding uiterlijk 5 april 2021 dient te hebben plaatsgevonden.

2.11.

Partijen hebben een zgn. “spiegelovereenkomst” gesloten. In deze overeenkomst is onder andere een zorg en contactregeling overeengekomen voor het geval dat de man in rechte gelijk zou krijgen en de kinderen terug naar Groot-Brittannië zouden keren.

2.12.

De moeder is van de beschikking op 8 februari 2021 in hoger beroep gegaan.

2.13.

Het gerechtshof Den Haag (hierna: de beschikking van het hof) heeft op 10 maart 2021 beschikking gewezen en daarin de bestreden beschikking bekrachtigd.

2.14.

In het weekend van 3 en 4 april 2021 is de moeder met de kinderen naar Engeland (Groot-Brittannië) teruggekeerd.

3 Het geschil in conventie

3.1.

De moeder vordert bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

3.1.1.

te bepalen dat de beschikking van het hof van 10 maart 2021 niet ten uitvoer zal worden gelegd totdat er in een bodemprocedure over hoofdverblijfplaats en (r)emigratie van de kinderen is beslist, dan wel een ander moment/datum dat uw rechtbank juist acht;

3.1.2.

te bepalen dat de kinderen bij de man zullen verblijven steeds de eerste 10 dagen van de maand, mits de man passende woonruimte heeft gevonden in [plaats] , althans een zorgregeling vast te stellen die uw rechtbank juist acht.

3.2.

De moeder legt daaraan ten grondslag dat de beschikking van 10 maart 2021 berust op een feitelijke en/of juridische misslag en tenuitvoerlegging daarvan leidt tot een noodtoestand aan de zijde van de kinderen.

3.3.

De vader voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

De vader vordert - na wijziging van eis - bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad: dat de moeder wordt veroordeeld in de reële proceskosten van de vader ad

€ 4.000,00 inclusief BTW.

4.2.

De vader legt daaraan ten grondslag dat de moeder misbruik van recht maakt door dit kort geding – zo laat – aanhangig te maken, terwijl zij wist en/of behoorde te weten dat de kinderen dienden te worden teruggeleid naar Groot-Brittannië en zij daarvoor inmiddels ook reeds heeft zorggedragen.

4.3.

De moeder voert verweer.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.

Omdat de moeder in Nederland en de vader in Groot-Brittannië woont, heeft deze zaak een internationaal karakter. Omdat de moeder de tenuitvoerlegging van de beschikking van het hof wenst te voorkomen heeft de voorzieningenrechter op grond van art. 16 lid 5 van het Verdrag van 27 september 1968, Trb. 1969, 101 rechtsmacht omdat de tenuitvoerlegging in Nederland had moeten plaatsvinden. Als gevolg van de Brexit is de EEX-Vo (herschikt) niet meer van toepassing.

5.2.

Met betrekking tot de vraag welk recht op het onderhavige geschil moet worden toegepast overweegt de voorzieningenrechter dat Nederlands recht als lex fori op het executiegeschil ten overstaan van de Nederlandse rechter van toepassing is.

5.3.

De moeder vraagt de schorsing van de executie van de beschikking van het hof. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. De beschikking van het hof is dan ook niet voor tenuitvoerlegging vatbaar. De voorzieningenrechter begrijpt de vorderingen van de moeder aldus dat zij wenst dat de executie van de beschikking van de rechtbank wordt geschorst. Door met de kinderen terug te keren naar Engeland, heeft de moeder aan de beschikking van de rechtbank voldaan en is strikt genomen tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank en de schorsing daarvan niet (meer) aan de orde. Omdat de moeder met de kinderen wenst terug te keren naar Nederland, zal de voorzieningenrechter nagaan of de ten uitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank moet worden geschorst.

5.4.

Het voor het executierecht maatgevende arrest van de Hoge Raad is het arrest van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (De Zeester). Omdat van de beschikking van het hof op grond van art. 13 lid 8 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de uitvoeringswet) geen cassatieberoep mogelijk is en de beschikking van de rechtbank inmiddels onherroepelijk is, geldt dat de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank slechts kan schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant (de vader) mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde (de moeder) die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien de te executeren beschikking klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

5.5.

De meest verstrekkende stellingen van de moeder zijn dat het Verdrag van 25 oktober 1980, Trb 1987, 139 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna: het verdrag) een te beperkt kader kent waarbinnen onvoldoende ruimte bestaat om de belangen van het kind te wegen en de kinderen erg geschrokken zijn van de beschikking van het hof. De voorzieningenrechter is het met deze stellingen van de moeder niet eens. Daarbij wijst hij erop dat het verdrag noemt dat het belang van het kind van fundamentele betekenis is, de door de rechtbank benoemde bijzonder curator voor de zitting van de rechtbank en voor de zitting van het hof met de kinderen heeft gesproken en vervolgens aan de rechtbank en het hof van die gesprekken verslag heeft gedaan, terwijl de kinderen zowel door de rechtbank als door het hof zijn gehoord. Dat de kinderen erg geschrokken zijn van de beschikking van het hof heeft de moeder niet gedocumenteerd.

5.6.

De feitelijke en/of juridische misslag in de beschikking van het hof is er volgens de moeder in de eerste plaats in gelegen dat haar voormalige advocaat geen beroep heeft willen doen op de aanwezigheid van verzet bij de kinderen (artikel 13 lid 2 van het verdrag). Eventuele fouten van de (toenmalige) advocaat van de moeder kunnen niet leiden tot een kennelijke misslag van het hof. Niet erg waarschijnlijk is dat de kinderen niet ervan op de hoogte waren wat het doel van de gesprekken met de bijzondere curator was. Uit de verslagen van de bijzondere curator blijkt onmiskenbaar dat de kinderen op de hoogte zijn gebracht van het feit wat de functie was van de bijzondere curator. Gesproken is over het verblijf in Nederland en in Engeland en indien er van verzet sprake zou zijn geweest die voor de rechtbank en het hof relevant zou zijn geweest, was dat ook gebleken in de gesprekken met de bijzondere curator.

5.7.

Voorts heeft de moeder aangevoerd dat er sprake is van een feitelijke en/of juridische misslag, omdat de voormalige advocaat van de moeder niet namens haar een beroep heeft willen doen op de zgn. grave risk exception (art 13 lid 1 sub b van het verdrag). Zoals gezegd kunnen eventuele fouten van de (toenmalige) advocaat van de moeder niet leiden tot een kennelijke misslag van het hof. De moeder heeft dit standpunt toegelicht dat er geen aandacht besteed is aan het feit dat de moeder in Engeland geen woonruimte heeft, omdat de woning van de moeder door haar verhuurd is en de huurdersbescherming tijdens Covid is uitgebreid. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook dit standpunt de moeder niet kan baten, want het dient voor haar rekening en risico te komen om na de ongeoorloofde overbrenging van de kinderen naar Nederland weer in Engeland voor woonruimte te zorgen.

5.8.

In de derde plaats is er volgens de moeder sprake van een feitelijke misslag, vanwege Covid, omdat het voor de kinderen moeilijk zal zijn om heen en weer naar Nederland te reizen om hun moeder te kunnen zien, of hun vrienden of om aan een sportwedstrijd deel te kunnen nemen. Covid was ook ten tijde van het wijzen van de beschikkingen al aan de orde, waardoor ook dit niet kan leiden tot een noodtoestand.

5.9.

Ook hetgeen de moeder heeft aangevoerd over het vermeende door de vader gepleegde huiselijk geweld, de e-mail aan de vader drie dagen voordat zij met de kinderen op de ferry naar Nederland vertrok, de slaapapneu van de vader en de verklaring van de huurster “ [B 2] ”, kan de moeder niet baten. Deze stellingen heeft de vader gemotiveerd betwist, hadden eerder aangevoerd kunnen worden en bovendien zou om te kunnen beoordelen wie hierin het gelijk aan zijn/haar zijde heeft, nader feitenonderzoek nodig zijn, waarvoor een kort geding zich niet leent.

5.10.

Voorts acht de voorzieningenrechter het oordeel van de Raad voor de Kinderbescherming dat desgevraagd ter zitting is gegeven relevant. De Raad voor de Kinderbescherming heeft aangegeven dat het in het belang van de kinderen is om niet meer abrupt te wisselen van verblijfplaats en de kinderen dus nu in Engeland te laten verblijven totdat partijen in onderling overleg tot overeenstemming zijn gekomen of totdat in een eventueel door de moeder aanhangig te maken bodemprocedure door de rechter is bepaald dat zij met de kinderen naar Nederland zal mag verhuizen.

5.11.

Voor de voorzieningenrechter is tenslotte van belang dat de Haagse rechters, die op grond van artikel 11 lid 1 van de uitvoeringswet behorende bij het Verdrag, exclusief bevoegd zijn kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind en de teruggeleiding van een kind over de Nederlandse grens, beiden hebben geoordeeld dat de kinderen – uiterlijk 5 april 2021 – dienen te worden teruggeleid naar Groot-Brittannië. Hetgeen de moeder heeft aangevoerd in deze procedure leidt niet tot een ander oordeel en daarom zal de vordering van de moeder tot schorsing van de executie worden afgewezen. Omdat partijen in de spiegelovereenkomst afspraken hebben gemaakt over een zorg en contactregeling tussen de vader en de kinderen in het geval van terugkeer van de kinderen naar Groot-Brittannië, zal ook de vordering een zorg en contactregeling vast te stellen voor het geval de kinderen in Nederland zullen blijven, worden afgewezen.

5.12.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in conventie en in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om van deze regel af te wijken, waardoor aan de vordering in reconventie van de vader tot toewijzing van een reële proceskostenveroordeling niet wordt toegekomen.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

6.3.

wijst de vorderingen af,

6.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2021.