Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1705

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
01/180369-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen gedurende een periode van ruim twee maanden schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op de productie van synthetische drugs, aan het bereiden van amfetamineolie. aan het voorhanden hebben van cocaïne, amfetamine, een vuurwapen en munitie in de vorm van 234 scherpe patronen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.180369.20

Datum uitspraak: 15 april 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1966,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 oktober 2020, 15 januari 2021 en 1 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 september 2020.

Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ter zitting van 15 januari 2021 ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 juli 2020 te Vleuten, gemeente Utrecht (locatie [adres 2] ), tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, amfetamineolie en/of amfetaminepasta, in elk geval een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, danwel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 10 juli 2020, te Vleuten, gemeente Utrecht (in een woning aldaar gelegen aan de [adres 2] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, cocaïne (ongeveer 3,5 gram) en/of MDMA (ongeveer 26 gram in de vorm van pillen en/of kristallen) en/of amfetamine (ongeveer 1,9 gram), in elk geval een materiaal bevattende cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine, zijnde cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 10 juli 2020 te Vleuten, gemeente Utrecht (in een woning aldaar gelegen aan de [adres 2] ) een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver (merk Taurus, kaliber .44 Magnum. modelaanduiding en wapennummer zijn verwijderd) en/of munitie in de zin van art. 1 onder 4° van de Wet wapens munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten

6 scherpe patronen kaliber .44 magnum en/of

50 scherpe patronen kaliber 9mm Luger en/of

25 scherpe hagelpatronen kaliber 12 en/of

15 scherpe patronen kaliber .25 auto en/of

26 scherpe hagelpatronen kaliber .410 magnum en/of

49 scherpe patronen kaliber .38 special en/of

53 scherpe patronen, kaliber .22Ir en/of

10 scherpe hagelpatronen kaliber .38SPL.

(totaal 234 scherpe patronen)

voorhanden heeft gehad;

4.

hij in of omstreeks de periode 1 mei 2020 tot en met 10 juli 2020 te Vleuten, gemeente Utrecht (locatie [adres 2] ), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen één of meer voorwerpen en/of één of meer stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig reden hadden te vermoeden dat deze bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en), te weten een laboratoriumopstelling bestaande onder meer uit destillatieketels (2 stuks á 200 liter) en/of destillatiebakken (2 stuks) en/of reactieketels (2 stuks) en/of gemodificeerde bierfusten (4 stuks á 50 liter) en/of gasflessen (29 stuks) en/of gasbranders (7 stuks) en/of een gaswasser en/of dompelpompen (5 stuks) en/of scheitrechters (2 stuks á 20 liter) en/of maatbekers en/of een weegschaal en/of vaten/jerrycans (ongeveer 65 stuks, al dan niet gevuld met vloeistof en met inhoudsmaten van 5/20/25/30/120/160/200 liter) en/of 4 IBC’s (á 1000 liter) en/of stoffen, te weten fosforzuur (ongeveer 1000 liter) en/of mierenzuur (ongeveer 380 liter) en/of zwavelzuur en/of caustic soda (ongeveer 700 kilogram) en/of formamide (60 liter) en/of methanol (23 liter) en/of N-formylamfetamine en/of MAPA (6 dozen) en/of BMK.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Bronnen.

  1. Een dossier van de Nationale Politie, eenheid Oost-Brabant, met dossiernummer [dossiernummer] , onderzoek [naam onderzoek] , afgesloten d.d. 8 november 2020, aantal doorgenummerde bladzijden: 514. Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden. De hieruit afkomstige bewijsmiddelen zijn telkens verkort en zakelijk weergegeven;

  2. een verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 1 april 2021, verkort en zakelijk weergegeven.

Inleiding.

In februari 2020 is door het Team Criminele Inlichtingen (TCI) een proces-verbaal verstrekt met daarin de volgende informatie (dossierpagina 259):

‘ [medeverdachte 1] wordt door zijn broer [naam 1] en [naam 2] naar verschillende organisaties gestuurd om synthetische drugs te maken. Deze organisaties krijgen de precursoren van [naam 1] en [naam 2] . [medeverdachte 1] is heel goed en voornamelijk in het produceren van crystal meth.

Met [medeverdachte 1] wordt [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag 2] , bedoeld.’

Naar aanleiding van deze informatie is onderzoek [naam onderzoek] gestart. Er is onderzoek gedaan naar de contacten, vervoersmiddelen en communicatiemiddelen van medeverdachte [medeverdachte 1] . Door een observatieteam is op 9 juli 2020 onder meer waargenomen dat medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich naar de [adres 2] in Vleuten begaven. In de nacht van donderdag 9 juli 2020 op vrijdag 10 juli 2020 is er op deze locatie een draaiend drugslaboratorium van synthetische drugs aangetroffen. Verder zijn er een groot aantal voorwerpen en stoffen op het perceel aangetroffen die mogelijk verband houden met de productie van synthetische drugs. Die nacht zijn in de directe nabijheid van het draaiende laboratorium medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden. Ook verdachte [verdachte] , de eigenaar van het perceel aan de [adres 2] in Vleuten, is diezelfde nacht aangehouden. Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte [verdachte] is een hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen, alsmede een vuurwapen en een grote hoeveelheid munitie.

Op verdachte [verdachte] rust onder feit 1 de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het bereiden, bewerken en vervaardigen, dan wel het opzettelijk aanwezig hebben, van amfetamineolie en/of amfetaminepasta. Onder feit 2 wordt verdachte verweten 3,5 gram cocaïne, 26 gram MDMA en 1,9 gram amfetamine opzettelijk aanwezig te hebben gehad. Onder feit 3 is aan verdachte [verdachte] ten laste gelegd dat hij een revolver en een grote hoeveelheid munitie voorhanden heeft gehad. Onder feit 4 wordt verdachte verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan voorbereidingshandelingen, zoals strafbaar gesteld in artikel 10a van de Opiumwet.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van feit 1 en feit 4 bepleit dat niet kan worden bewezen dat verdachte betrokken is geweest in de rol van medepleger, waardoor verdachte van deze feiten moet worden vrijgesproken. Er was geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, verdachte had niets te zeggen over de aangetroffen goederen. Ten aanzien van de bewezenverklaring van hetgeen aan verdachte onder feit 2 en 3 ten laste is gelegd heeft de raadsman zich, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Redengevende bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen voor feit 1 en 4 verwezen naar de gehele uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bijlage bij dit vonnis.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de aan verdachte onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

t.a.v. feit 2:

 een verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 april 2021, voor zover inhoudende: ‘de aangetroffen verdovende middelen zijn van mij’ (bron 2);

 een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het testen van verdovende middelen aangetroffen op de [adres 2] in Vleuten, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 1] d.d. 21 juli 2020, dossierpagina’s 192-194 (bron 1);

 een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 2] d.d. 27 augustus 2020, dossierpagina’s 195-197 (bron 1);

 een schriftelijk bescheid, te weten een rapport NFiDent, opgemaakt en ondertekend door [medewerker NFI] , werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut d.d. [geboortedag 1] 2020, dossierpagina 200 (bron 1).

Partiële vrijspraak feit 2.
De rechtbank overweegt dat het dossier geen NFI-rapport bevat waaruit de samenstelling van de aangetroffen pillen en kristallen blijkt, zodat niet is komen vast te staan dat het hier de ten laste gelegde MDMA betreft. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het aanwezig hebben van MDMA.

t.a.v. feit 3:

 een verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 april 2021, voor zover inhoudende: ‘het aangetroffen wapen en de munitie is van mij’ (bron 2);

 een proces-verbaal van forensisch onderzoek in een woning aan de [adres 2] in Vleuten, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] d.d. 24 juli 2020, dossierpagina’s 338, 341, 346-348 (bron 1);

 een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 5] d.d. 9 oktober 2020, dossierpagina’s 503-505 (bron 1).

Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2 en 3 niet uitgewerkt.

De beoordeling ten aanzien van feit 1 en 4.

Vast is komen te staan dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het drugslaboratorium in zijn pand. Besproken moet worden wat zijn betrokkenheid bij dit drugslaboratorium was. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De intellectuele en/of materiële bijdrage van verdachte aan het delict moet van voldoende gewicht zijn. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de rol die verdachte bij het drugslaboratorium heeft gespeeld het niveau van – door de verdediging aldus gekwalificeerd – medeplichtige handelingen overstijgt en dat zijn rol, zowel intellectueel als materieel bezien, van voldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken. De rechtbank stelt vast dat verdachte heeft verklaard dat hij de technische ruimte onder het zwembad heeft verhuurd aan ene [naam 3] en [naam 4] . Verdachte heeft aangegeven dat er meerdere contactmomenten met deze personen zijn geweest, dat hij € 2.500,- per twee maanden aan huur zou ontvangen en dat het niet tot een schriftelijke huurovereenkomst is gekomen. Op enig moment heeft verdachte gezien dat er twee mannen roestvrijstalen spullen naar de technische ruimte brachten en dat deze spullen via de garage, grenzend aan de woonkamer van verdachte, naar binnen werden gebracht. Uit onderzoek van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) blijkt dat er op het gehele perceel van verdachte aan de [adres 2] in Vleuten voorwerpen en stoffen zijn aangetroffen die verband houden met het drugslaboratorium. Deze voorwerpen en stoffen stonden opgeslagen tussen allerlei andere gangbare goederen. Verder is gebleken dat verdachte, als eigenaar van de [adres 2] , vrij toegang had tot alle opstallen op zijn perceel en dat de deuren niet op slot zaten. Ook de bestelbus en personenauto van verdachte zijn gebruikt voor de productie van synthetische drugs. Zo zijn er in de bestelbus, die verdachte leeg van zijn schoonzoon heeft geleend, twee grote IBC-vaten met residu (meth)amfetamine aangetroffen en heeft verdachte [verdachte] op de avond van de inval zijn auto door de medeverdachten laten gebruiken zodat zij onopgemerkt naar zijn perceel konden komen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard de opsteller te zijn geweest van de berichten van het Encrochat-account ‘tastefulcalm’. De verklaring van verdachte, dat hij deze telefoon in handen gedrukt heeft gekregen door één van de personen betrokken bij de huur van die ruimte, past naar het oordeel van de rechtbank niet bij de rol die hij zichzelf toedicht. Algemeen bekend kan worden geacht dat dergelijke telefoons niet goedkoop zijn en dat zij enkel bestemd zijn voor het verzenden en ontvangen van versleutelde berichten. Niet valt in te zien dat een gewone verhuurder van een ruimte een dergelijke telefoon nodig zou hebben. Uit de berichten op het betreffende account komt bovendien naar voren dat verdachte met 11 andere Encrochat-accounts gesprekken heeft gevoerd. Een groot deel van de gesprekken van "tastefulcalm" lijken te gaan over de handel in goederen die verband houden met de productie van synthetische drugs. Die berichten gaan ook over busjes en IBC’s, juist de goederen die bij verdachte op zijn perceel zijn aangetroffen. Tot slot zijn er veel goederen in de ruimte aangetroffen die te groot zijn om via de buizen aan de achterzijde van het perceel binnen te komen, waaruit volgt dat er een aanzienlijke hoeveelheid goederen via de voorzijde en dus de inpandige garage van verdachte door moet zijn gekomen. Hierbij moet verdachte een coördinerende rol hebben gespeeld, nu de rechtbank niet is gebleken dat één van zijn huisgenoten dit gezien, laat staan gefaciliteerd heeft.

De verklaring van verdachte, dat hij de technische ruimte onder het zwembad heeft verhuurd en verder niets van doen had met het drugslaboratorium, acht de rechtbank niet geloofwaardig. De rechtbank gaat er op basis van het bovenstaande van uit dat verdachte een coördinerende rol heeft gespeeld bij het draaiende krijgen en houden van het aangetroffen drugslaboratorium. Verdachte heeft kennelijk afgestemd met een ieder die zich op zijn perceel begaf ten behoeve van het drugslaboratorium, zijn gezin hierbij uit de buurt gehouden en alle beschikbare buitenruimtes en vervoermiddelen laten gebruiken ten behoeve van het draaiende houden van het drugslaboratorium. Hierbij is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen en dat betekent dat de rechtbank de rol van medepleger wettig en overtuigend bewezen acht.

Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring zoals hierna is uitgeschreven.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

op 10 juli 2020 te Vleuten, gemeente Utrecht (locatie [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk amfetamineolie heeft bereid, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 10 juli 2020 te Vleuten, gemeente Utrecht (in een woning aldaar gelegen aan de [adres 2] ), opzettelijk aanwezig heeft gehad, cocaïne (ongeveer 3,5 gram) en amfetamine (ongeveer 1,9 gram), zijnde cocaïne en amfetamine middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

op 10 juli 2020 te Vleuten, gemeente Utrecht (in een woning aldaar gelegen aan de [adres 2] ), een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver (merk Taurus, kaliber .44 Magnum) en munitie in de zin van art. 1 onder 4° van de Wet wapens munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten

6 scherpe patronen kaliber .44 magnum en

50 scherpe patronen kaliber 9mm Luger en

25 scherpe hagelpatronen kaliber 12 en

15 scherpe patronen kaliber .25 auto en

26 scherpe hagelpatronen kaliber .410 magnum en

49 scherpe patronen kaliber .38 special en

53 scherpe patronen, kaliber .22Ir en

10 scherpe hagelpatronen kaliber .38SPL.

(totaal 234 scherpe patronen)

voorhanden heeft gehad;

4.

in de periode 1 mei 2020 tot en met 10 juli 2020 te Vleuten, gemeente Utrecht (locatie [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededaders wisten dat deze bestemd waren tot het plegen van die feiten, te weten een laboratoriumopstelling bestaande onder meer uit destillatieketels (2 stuks á 200 liter) en destillatiebakken (2 stuks) en reactieketels (2 stuks) en gemodificeerde bierfusten (4 stuks á 50 liter) en gasflessen (29 stuks) en gasbranders (7 stuks) en een gaswasser en dompelpompen (5 stuks) en scheitrechters (2 stuks á 20 liter) en maatbekers en een weegschaal en vaten/jerrycans (ongeveer 65 stuks, al dan niet gevuld met vloeistof en met inhoudsmaten van 5/20/25/30/120/160/200 liter) en 4 IBC’s (à 1000 liter) en stoffen, te weten fosforzuur (ongeveer 1000 liter) en mierenzuur (ongeveer 380 liter) en zwavelzuur en caustic soda (ongeveer 700 kilogram) en formamide (60 liter) en methanol (23 liter) en N-formylamfetamine en MAPA (6 dozen) en BMK.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 2,5 jaar op te leggen. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht dient hierop in mindering te worden gebracht. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat aan verdachte een straf gelijk aan de duur van het voorarrest dient te worden opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim twee maanden schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op de productie van synthetische drugs en heeft zich op 10 juli 2020 schuldig gemaakt aan het bereiden van amfetamineolie. Het is algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs kan leiden tot een geestelijke of lichamelijke verslaving en, bij overdosis, zelfs tot de dood van de gebruiker. Synthetische drugs vormen steeds meer een nationaal probleem. Het chemisch afval dat ontstaat bij de productie van die drugs wordt vrijwel altijd illegaal gedumpt, waardoor het milieu schade ondervindt en belast wordt en waarbij er in de regel veel geld, tijd en energie geïnvesteerd moet worden om de negatieve gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk ongedaan te maken. Bovendien legt het opsporen, ontmantelen en vervolgen van de producenten van synthetische drugs een fors beslag op het opsporingsapparaat, als gevolg waarvan de opsporing van andere misdrijven in het gedrang kan komen. Drugscriminaliteit wordt steeds meer het werkterrein van georganiseerde misdaad. Deze georganiseerde drugscriminaliteit leidt tot veel geweld met alle gevolgen van dien. Kortom, de productie en handel van harddrugs heeft op meerdere niveaus van de maatschappij een forse negatieve invloed. Aan al deze negatieve effecten heeft verdachte een bijdrage geleverd door grote hoeveelheden grondstoffen en voorwerpen voorhanden te hebben waarmee heel veel amfetamine kon worden gemaakt. Daarnaast heeft verdachte amfetamineolie bereid, wat nodig is voor het kristalliseren van amfetamine. Verdachte heeft zich van alle hiervoor genoemde negatieve gevolgen niets aangetrokken en kennelijk gehandeld uit puur financieel eigen belang.

Door de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen en het bereiden van synthetische drugs in de Opiumwet en het daarop gestelde wettelijke strafmaximum is tot uiting gebracht dat tegen drugscriminaliteit, ook wanneer deze zich nog in de voorbereidende fase bevindt, krachtig dient te worden opgetreden.

Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van cocaïne, amfetamine, een vuurwapen en munitie in de vorm van 234 scherpe patronen. Het voorhanden hebben van een wapen en een grote hoeveelheid munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en maakt ernstige inbreuk op de rechtsorde. Tevens veroorzaakt dergelijk handelen gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Voor de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen en het bereiden van amfetamineolie zijn binnen de rechtspraak thans geen oriëntatiepunten ontwikkeld. De rechtbank heeft daarom aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken door de rechtbanken en gerechtshoven in het land worden opgelegd. De rechtbank komt tot de conclusie dat de aard, ernst en de negatieve maatschappelijke gevolgen van de bewezenverklaarde feiten zonder meer een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank eveneens acht geslagen op het soort wapen, de hoeveelheid munitie en de verdovende middelen die bij verdachte zijn aangetroffen en is uitgegaan van de straffen die doorgaans voor het voorhanden en aanwezig hebben hiervan worden opgelegd.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank mede acht geslagen op het op naam van verdachte gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 november 2020, waaruit is gebleken dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Verder is er op 19 maart 2021 een reclasseringsrapportage over verdachte opgemaakt. De reclassering heeft geconcludeerd dat verdachte zich bevindt in een maatschappelijke

teloorgang waarvan het einde nog niet in zicht is. Daarnaast ervaart verdachte veel stress en een toename in depressieve klachten. Dit alles kan mogelijk ten nadele komen van toekomstig delinquent gedrag. Ondanks dat de reclassering heeft geadviseerd dat een reclasseringsinterventie geïndiceerd is, is de rechtbank van oordeel dat het, gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, niet passend is om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden opleggen. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht dient hierop in mindering te worden gebracht.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten onvoldoende tot uitdrukking brengt.

Voorlopige hechtenis.

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis door te laten lopen totdat de zaak onherroepelijk is en niet tot aan de dag van de einduitspraak zoals bepaald in de schorsingsbeschikking van 15 januari 2021. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de aan verdachte op te leggen straf zal de rechtbank dit verzoek van de raadsman afwijzen. De rechtbank bepaalt hierbij dat verdachte zich op de dag na de uitspraak in deze zaak, te weten op 16 april 2021, zal melden op het politiebureau.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslag genomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

  • -

    36b, 36d, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    2, 10 en 10a van de Opiumwet;

  • -

    26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1 en feit 4:

eendaadse samenloop van:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (feit 1)

en

medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit (feit 4);

t.a.v. feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

t.a.v. feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel:

t.a.v. feit 1, 2, 3 en 4:

Een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen goederen, te weten:

  • -

    9 halve briefjes van 5 euro met verschillende serienummers;

  • -

    2 briefjes van 5 euro, met hoekjes eraf;

  • -

    4 briefjes van 5 euro, die bij elkaar horen;

  • -

    5 hoekjes van een briefje van 5 euro;

  • -

    1 half briefje van 10 euro met serienummer;

  • -

    3 briefjes van 10 euro, die bij elkaar horen;

  • -

    2 briefjes van 10 euro, met hoekjes eraf;

  • -

    1 klein hoekje van een briefje van 10 euro;

  • -

    1 half briefje van 20 euro, met serienummer;

  • -

    2 briefjes van 20 euro, die bij elkaar horen;

  • -

    1 driekwart briefje van 20 euro;

  • -

    1 briefje van 20 euro, met hoekje eraf;

  • -

    4 hoekjes van een briefje van 20 euro;

  • -

    2 hoekjes van een briefje van 50 euro.

Teruggave in beslag genomen goederen, te weten:

  • -

    een geldbedrag van € 1.261,35;

  • -

    een geldbedrag van € 2.700,-;

  • -

    een heel briefje van 5 Nederlandsche guldens;

  • -

    een heel briefje van 100 Oostenrijkse schilling;

  • -

    een heel briefje van 500 Oostenrijkse schilling, ;

  • -

    een heel briefje van 10000 Italiaanse lire;

  • -

    een heel briefje van 50 Franse franken;

  • -

    een heel briefje van 100 Thaise bath,

aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon: [verdachte] .

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.J. Sangers-de Jong, voorzitter,

mr. E. Boersma en mr. G. de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.A.J. van der Heijden, griffier,

en is uitgesproken op 15 april 2021.