Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1703

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
368175 / KG ZA 21-113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/368175 / KG ZA 21-113

Vonnis in kort geding van 12 april 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FOREST GROUP (NEDERLAND) B.V.,

gevestigd te Deventer,

eiseres,

advocaten mr. L.E. Fresco en mr. R.J.F. Grijpink te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAKO B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaten mr. M.R. Rijks en mr. L.T. de Groot te Eindhoven.

Partijen zullen hierna Forest en Vako genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 maart 2021 met 16 producties

  • -

    de conclusie van antwoord van Vako met 30 producties

  • -

    de akte overlegging producties van Forest met producties 17 tot en met 23

  • -

    de akte overlegging aanvullende producties van Vako met producties 31 tot en met 34

  • -

    de brief van mr Fresco van 19 maart 2021 met producties 24 en 25

  • -

    de mondelinge behandeling via Skype op 22 maart 2021

  • -

    de pleitnota van mr. Fresco en mr. Grijpink

  • -

    de pleitnota van mr. Rijks en mr. De Groot.

1.2.

Forest heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen toelating van de producties 31 tot en met 34 van Vako omdat deze niet tijdig zouden zijn ingediend. De voorzieningenrechter heeft beslist dat de producties wel worden toegelaten met daarbij de mogelijkheid voor Forest om daarop schriftelijk te reageren. Forest heeft aangegeven van die mogelijkheid geen gebruik te willen maken.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Forest is een in Nederland gevestigde producent en leverancier van gordijnrailsystemen. Forest is wereldwijd actief.

2.2.

Eén van de railsystemen die Forest op de markt brengt is het zogenaamde Design System (hierna: DS-rail). Het gaat om een rechthoekige gordijnrail met aan de voorzijde een golvende “vleugel” over de gehele lengte.

De DS-rail

2.3.

Forest heeft de DS-rail op 2 maart 2000 gedeponeerd als internationaal model met gelding in de Benelux, Italië, Griekenland. Duitsland, Zwitserland, Roemenië, Hongarije, Servië en Montenegro, Frankrijk en Slovenië. In augustus en september 2000 heeft Forest het model ook nog afzonderlijk gedeponeerd in verschillende landen, waaronder Spanje, Portugal, Polen en Engeland.

2.4.

Vako is actief in dezelfde branche als Forest en produceert en levert ook onder meer gordijnrailsystemen op de internationale markt. Vako richt zich met name op professionele afnemers.

2.5.

Vako brengt onder de naam 10/19 Design Track sinds 2015 een gordijnrail op de markt die net als de DS-rail van Forest bestaat uit een rechthoekige gordijnrail met aan de voorzijde een golvende vleugel over de gehele lengte.

De Vako-rail

2.6.

Forest heeft Vako op 23 december 2020 aangeschreven en er melding van gemaakt dat Vako met de Vako-rail inbreuk maakt op het modelrecht van Forest op de DS-rail. Forest heeft Vako in de brief gesommeerd om de inbreuk te staken.

2.7.

Bij brief van haar advocaat van 11 januari 2021 heeft Vako betwist dat zij inbreuk maakt op het door Forest gestelde modelrecht. Vako betwist in dat kader dat sprake is van een geldig model. Vako stelt zich daarbij op het standpunt dat het model van de DS-rail uitsluitend technisch is bepaald, dat geen bescherming toekomt aan onderdelen die bij normaal gebruik niet zichtbaar zijn en dat het model van de DS-rail geen nieuw en eigen karakter heeft.

2.8.

Forest heeft bij brief van haar advocaat op 20 januari 2021 gemotiveerd betoogd waarom zij van mening is dat de DS-rail wel modelrechtelijke bescherming geniet.

2.9.

Bij brief van 28 januari 2021 heeft Vako haar eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.

2.10.

Partijen hebben vervolgens nog overleg gevoerd, maar dat heeft niet tot een oplossing van het geschil geleid.

2.11.

Forest heeft vervolgens dit kort geding aanhangig gemaakt.

3 Het geschil

3.1.

Forest vordert samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Vako te bevelen om onmiddellijk na betekening van dit vonnis primair iedere inbreuk op het internationale, Engelse, Poolse, Spaanse en Portugese model van de DS-rail te staken en gestaakt te houden in de betrokken landen, subsidiair ieder onrechtmatig handelen zoals omschreven in de dagvaarding te staken en gestaakt te houden in Nederland, in het bijzonder het vervaardigen, aanbieden, in de handel brengen, invoeren, uitvoeren, tentoonstellen of gebruiken of het voor deze doeleinden in voorraad hebben van de Vako-rail of een andere gordijnrail die geen andere totaalindruk wekt dan de DS-rail dan wel daarmee verwarring wekkend overeenstemt;

  2. Vako te bevelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan hun professionele afnemers in (primair) de betrokken landen of (subsidiair) Nederland in de landstaal van de betreffende afnemer een aangetekende brief te zenden met uitsluitend de navolgende inhoud en zonder bijschrift:

"De Rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van [invullen datum] beslist dat Vako B.V. door het op de markt brengen van de gordijnrail van het type 10.19 Design Track (product codes 508-0024-000, 508-0024-002 en 508-0024-004) inbreuk maakt op de rechten van Forest Group op haar Design Series gordijnrail.

Deze gordijnrail mag derhalve niet langer worden aangeboden, verkocht of geleverd, dan wel gebruikt of in voorraad gehouden. Wij verzoeken u hierbij deze producten niet langer aan te bieden (in winkels, op websites, in online marketing en brochures e.d.) en alle exemplaren van dit product en de promotiematerialen daarvoor die zich onder u bevinden aan ons te retourneren. Wij zullen de aankoopprijs en alle kosten in verband met de retournering van de producten aan u vergoeden."

dan wel een brief met zodanige inhoud of vorm als de voorzieningenrechter in goede justitie zal bepalen, een en ander onder de verplichting om gelijktijdig kopieën van alle verzonden brieven te verschaffen aan de advocaat van Forest;

Vako te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 10.000,-- voor iedere dag dat zij in strijd handelt met het onder A. gevorderde bevel, dan wel, ter keuze van Forest, een dwangsom van € 500,-- voor elke inbreukmakende rail die in strijd met dat bevel wordt verkocht en een dwangsom van € 5.000,-- per dag voor iedere overtreding van het onder B. gevorderde bevel, althans zodanige dwangsommen als de voorzieningenrechter in goede justitie al gelasten;

De termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv te bepalen op zes maanden na betekening van dit vonnis;

Vako te veroordelen de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv en subsidiair, voor het geval de vorderingen (alleen) zouden worden toegewezen op basis van onrechtmatige daad, conform het liquidatietarief, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.

3.2.

Forest legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

Forest is houder van het modelrecht van de DS-rail. Vako maakt inbreuk op dat recht door het verhandelen van de Vako-rail. Dat is een nagenoeg exacte kopie van de DS-rail die dezelfde algemene indruk wekt als de DS-rail.

Subsidiair stelt Forest zich op het standpunt dat Vako zich met de Vako-rail schuldig maakt aan slaafse nabootsing hetgeen een onrechtmatige daad oplevert in de zin van artikel 6:162 BW. De totaalindruk van de DS-rail en de Vako-rail stemmen zodanig overeen dat verwarringsgevaar bij het publiek dreigt. Vako had zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid van de Vako-rail meer afstand kunnen en dus moeten nemen van het ontwerp van de DS-rail. Het verwarringsgevaar wordt versterkt omdat Vako al vaker gordijnrailsystemen of onderdelen daarvan van Forest heeft nagemaakt.

Forest heeft een spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen. Zij lijdt schade, althans er bestaat een concrete dreiging dat zij schade zal lijden door het inbreukmakend c.q. onrechtmatig handelen van Vako.

3.3.

Vako voert daartegen, zakelijk weergegeven, het volgende verweer.

Vako betwist dat zij met de Vako rail inbreuk maakt op een modelrecht van Forest. Forest betwist in dat kader de geldigheid van het model waar Forest zich op beroept:

- het model van de DS-rail is volgens Vako niet nieuw, althans heeft onvoldoende eigen karakter. Daarbij geldt dat de DS-rail kwalificeert als een samengesteld voortbrengsel in de zin van artikel 3.4 BVIE. Dat betekent dat alleen de onderdelen die zichtbaar zijn na montage relevant zijn bij de beoordeling.

- daarnaast geldt dat de uiterlijke kenmerken van de DS-rail volledig technisch bepaald zijn en dus niet voor bescherming in aanmerking komen.

Voor zover het model van de DS-rail toch geldig zou zijn, dan geldt dat het ontwerp van de Vako-Rail daar op een aantal punten duidelijk van afwijkt waardoor sprake is van een andere totaalindruk.

Vako betwist eveneens dat de Vako-rail een slaafse nabootsing is van de DS-rail. De DS-rail heeft geen eigen plaats op de markt. Forest voldoet in dat kader ook niet aan haar stelplicht. Voor zover de DS-rail al een eigen gezicht in de markt had, dan is dat verwaterd.

Vako betwist ook dat sprake is van verwarringsgevaar. Forest heeft dat niet aannemelijk gemaakt. Als al sprake zou zijn van verwarringsgevaar dan is dat niet nodeloos. Het model van de DS-rail is namelijk volledig technisch bepaald zodat overeenstemmingen nodig zijn voor de deugdelijkheid en bruikbaarheid van de Vako-rail.

Als aan Vako al een verbod wordt opgelegd dan dient haar een termijn te worden 30 gegund om de producten van haar website en uit haar winkels te halen.

De gevorderde verboden hebben ook geen betrekking op een specifiek product en zijn daarmee te ruim geformuleerd. Het zal leiden tot executiegeschillen.

De door Forest gevorderde dwangsommen zijn onredelijk hoog.

Een verbod kan ook hooguit worden uitgesproken voor de Benelux. Voor een verbod in de andere landen dient Forest zich te wenden tot de gerechten van die landen.

Voor zover toch een verbod zou kunnen worden gegeven voor die landen dan geldt dat daarvoor geen aanleiding bestaat omdat Forest niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een dreigende inbreuk buiten de Benelux ook niet op basis van de nationale wetgeving van die landen.

De door Forest gevorderde termijn voor het versturen van een bericht aan haar afnemers is te kort. Vako verzoekt die termijn te bepalen op 14 dagen. Het is ook niet nodig om dat per aangetekende brief te doen, een e-mail volstaat daarvoor. De inhoud van het bericht is ook onredelijk en dient op een aantal punten te worden aangepast.

De vordering tot veroordeling in de volledige proceskosten dient te worden afgewezen, althans te worden gemaximeerd op € 15.000,-- conform de Indicatietarieven voor een normale IE-zaak. Als de vorderingen van Forest enkel worden toegewezen op de grondslag van slaafse nabootsing en de vorderingen worden afgewezen voor zover zij zijn gegrond op het modelrecht, dan kan Forest alleen aanspraak maken op het liquidatietarief. Forest dient dan de door Vako gemaakte proceskosten voor het modelrechtelijke deel op grond van artikel 1019h Rv te vergoeden.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in dit kort geding om gordijnrails. De vraag die voorligt is of Vako met de rail die zij onder de naam “10/19 Design Track” (de Vako-rail) op de markt brengt inbreuk maakt op een modelrecht dat Forest claimt te hebben op haar Design Serie rail (de DS-rail), dan wel of Vako daarmee een onrechtmatige daad pleegt jegens Forest omdat de Vako-rail een slaafse nabootsing is van de DS-rail.

4.2.

De vorderingen van Forest strekken ertoe dat de beweerdelijke inbreuk c.q. het onrechtmatig handelen wordt beëindigd door het opleggen van een verbod aan Vako om de Vako-rail nog langer op de markt te brengen. Forest heeft daarbij een voldoende spoedeisend belang. Vast staat dat Vako de gewraakte rail nog altijd op markt brengt zodat de beweerdelijke inbreuk c.q. het beweerdelijk onrechtmatig handelen voortduurt.

4.3.

Vako betwist dat zij inbreuk maakt op het door Forest geclaimde modelrecht. Vako betwist in dat kader primair de geldigheid van het model. Vast staat dat Forest het model van de DS-rail heeft gedeponeerd als Internationaal model voor de Benelux en een aantal andere Europese landen waarvoor zij in dit kort geding een verbod vordert. Gesteld noch gebleken is dat het model nietig is verklaard. Vast staat dat Vako (nog) geen nietigheidsprocedure tegen het model heeft ingesteld. Uitgangspunt in dit kort geding dient dan te zijn dat sprake is van een geldig model. Het feit dat Forest nog geen nietigheidsprocedure heeft ingesteld betekent echter niet dat hetgeen Vako in het kader van dit kort geding ter onderbouwing van haar beroep op nietigheid naar voren heeft gebracht, buiten beschouwing dient te worden gelaten, zoals Forest stelt. De voorzieningenrechter geeft in kort geding slechts een voorlopig oordeel over de geldigheid van het model. In dat kader zal hij, vooruitlopend op een eventuele nietigheidsprocedure, moeten beoordelen in hoeverre een beroep op nietigheid kans van slagen heeft.

4.4.

Of sprake is van een geldig model dient te worden beoordeeld aan de hand van de Richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 inzake de rechtsbescherming van modellen (de Modellenrichtlijn, hierna: Mrl) zoals die is geïmplementeerd in het nationale recht van de landen waarvoor het verbod wordt gevorderd. Voor de Benelux is dat het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) (hierna: BVIE). De voorzieningenrechter zal eerst de geldigheid en de inbreuk van het model beoordelen aan de hand van het BVIE.

4.5.

Uitgangspunt voor de vraag of sprake is van een beschermd model in de Benelux, is artikel 3.1 BVIE. Daarin is bepaald dat een model beschermd wordt voor zover het nieuw is en een eigen karakter heeft. Vako stelt zich op het standpunt dat de DS-rail samen met onder meer de gliders en de haakjes, onderdeel is van een samengesteld voortbrengsel in de zin van artikel 3.4 BVIE en dat daarom in dit geval de strengere toets van dat artikel geldt voor de vraag of het model nieuw is en een eigen karakter heeft. In geval van een samengesteld voortbrengsel kan daarvan pas sprake zijn voor zover het betreffende onderdeel bij normaal gebruik van het voortbrengsel zichtbaar is en het zichtbare onderdeel nieuw is en een eigen karakter heeft.

4.6.

Forest stelt terecht dat Vako in dit geval geen beroep kan doen op artikel 3.4 BVIE omdat dat in strijd zou zijn met de rechtszekerheid. Vast staat dat Forest het model van de DS-rail al in 2000 heeft gedeponeerd. Op dat moment bestond de bijzondere regeling voor samengestelde voortbrengselen nog niet. Artikel 3.4 BVIE is pas in 2006 ingevoerd. In de voorganger van het BVIE, de Benelux Tekeningen en Modellenwet (BTMW) was ook geen bepaling opgenomen over samengestelde voortbrengselen. Dat betekent dat Vako met betrekking tot de DS-rail niet met terugwerkende kracht een beroep kan doen op de bijzondere bepaling voor samengestelde voortbrengselen. Of de DS-rail onderdeel is van een samengesteld voortbrengsel is in het kader van de beoordeling in dit kort geding daarom niet relevant.

4.7.

De vraag is dis of het model van de DS-rail een nieuw is en eigen karakter heeft in de zin van artikel 3.1 BVIE. Die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van het criterium zoals dat volgt uit artikel 6 van de Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen (hierna: GModVo) en nader is ingevuld in de jurisprudentie van het HvJEU. Daaruit volgt dat een model geacht wordt een eigen karakter te hebben, indien de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld vóór de datum waarop het te beschermen model voor het eerst voor het publiek beschikbaar wordt gesteld. Niet in geschil is dat als peildatum in dat kader het moment van deponering moet worden aangemerkt. Dat was voor de Benelux maart 2000.

4.8.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk geworden dat de algemene indruk van de DS-rail voor de geïnformeerde gebruiker verschilt van de gordijnrails die daarvoor al op de markt waren. Daarbij dient voorop te worden gesteld dat het ontwerp van een gordijnrail in belangrijke mate wordt bepaald door de technische en functionele eisen die daaraan worden gesteld. Het is immers bedoeld om een gordijn in te hangen dat vervolgens open en dicht kan worden geschoven. De ontwerpmogelijkheden voor de vormgeving zijn in zoverre dus beperkt. De algemene indruk van de DS-rail wordt met name bepaald door de gebogen “vleugel” aan de voorzijde. Uit het door Vako aangehaalde vormgevingserfgoed (het Umfeld) blijkt dat een gebogen voorzijde aan een gordijnrail in maart 2000 op zichzelf niet nieuw was. Vako verwijst in dat kader naar twee modellen van het de onderneming [A] (de 1060 en 6010) die in vergelijkbare vorm ook door de onderneming [B] op de markt zijn gebracht (de 2500 en 2600), naar een gordijnrail van de onderneming [C] (de Wepo Curva 3111), een gordijnrail van de Japanse onderneming [D] en naar een Spaanse modelregistratie uit 1979. De voorzieningenrechter zal die modellen hieronder afzonderlijk bespreken.

4.9.

De [A] / [B] rails.

De rails van [A] en [B] hebben weliswaar net als de DS-rail een gebogen golvende vorm aan de voorzijde, maar hebben in tegenstelling tot de DS-rail geen rechte achterzijde. Bij de rails van [A] en [B] is ook de achterzijde een golvende vorm, waardoor de rails symmetrisch gevormd zijn. Omdat Vako zoals gezegd geen beroep kan doen op de bijzondere bepaling met betrekking tot samengestelde voortbrengselen, is ook de achterzijde en het zijaanzicht van de gordijnrails relevant voor de beoordeling van het eigen karakter. Ook als deze na bevestiging normaal gesproken niet of nauwelijks zichtbaar zijn. Het zijaanzicht is duidelijk verschillend. Van belang is ook dat de golvende voor- en achterkant bij de [A] en [B] gordijnrails onderdeel zijn van het bevestigingsmechanisme, terwijl dat bij de DS-rail niet het geval heeft. Al met al leidt dat tot een andere algemene indruk.

4.10.

De [C] -rail

De rail van [C] , waar Vako naar verwijst, heeft een golvende voorkant waarvan de bolling duidelijk veel verder doorloopt dan die van de DS-rail. Het zijaanzicht is wezenlijk anders mede omdat de golvende voorkant bij het [C] -model net als bij de modellen van [A] en [B] onderdeel uitmaken van het bevestigingsmechanisme. Vako heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat Forest de [C] -rail heeft gebruikt als uitgangspunt voor haar DS-rail en simpelweg het bovenste gedeelte van de golvende voorzijde van het [C] -model heeft verwijderd om de vormgeving van de DS-rail te creëren. De door Vako overgelegde brief waarin [C] aan Bosgoed Groothandel sommeert om inbreuk op haar model te staken heeft, naar Forest onweersproken heeft gesteld, geen betrekking op de DS-rail maar op een ander rail, de Deco Line.

4.11.

De [D] -rail

Forest betwist dat rail van het Japanse [D] waar Vako naar verwijst al openbaar is gemaakt voor maart 2000. Wat daar ook van zij, naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de algemene indruk van de [D] -rail duidelijk anders dan die van de DS-rail. De ronde voorkant van de [D] -rail loopt net als bij de [C] -rail veel verder door naar boven dan bij de DS-rail met een veel grotere bolling. Het zijaanzicht is ook volstrekt anders.

4.12.

De Spaanse rail

De enige overeenkomst met het door Vako genoemde Spaanse model is dat de voorzijde gebogen is. De totaalindruk is echter evident verschillend. De verhoudingen zijn volstrekt anders en ook het zijaanzicht vertoont geen gelijkenissen.

4.13.

Het vorenstaande leidt tot het voorlopig oordeel dat de algemene indruk die de DS-rail bij de geïnformeerde gebruiker wekt, voldoende verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die al op de markt waren (geweest) in maart 2000. Dat betekent dat voldoende aannemelijk is dat de vormgeving van de DS-rail nieuw is en een eigen karakter heeft.

4.14.

Vako doet een beroep op artikel 3.2 lid 1 BVIE. De uiterlijke kenmerken van de DS-rail zouden van bescherming zijn uitgesloten omdat deze volledig technisch bepaald zijn. Ook dat verweer treft geen doel. Uit het bovenstaande volgt dat het kenmerkende element in de vormgeving van de DS-rail de gebogen rail aan de voorzijde is. Vako stelt dat de vleugel is bedoeld om de achterliggende montagesteunen aan het zicht te onttrekken. Forest betwist dat de gebogen voorzijde om die reden is ontworpen. Dat zou zijn gedaan om puur esthetische redenen, waarbij het verbergen van de montagesteunen slechts een bijkomend voordeel was dat de esthetische decoratieve waarde van de DS-rail benadrukt. De voorzieningenrechter acht het betoog van Vako niet erg overtuigend. Er zijn onmiskenbaar esthetische elementen in de uiterlijke kenmerken van de DS-rail. Ook met een andere vormgeving van de vleugel is het mogelijk om de montagesteunen aan het zicht te onttrekken, voor zover dat al het doel zou zijn van de vleugel. Vako heeft ook niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat daarvoor uitsluitend de gebogen vorm van de DS-rail geschikt is. Van kenmerken die uitsluitend technisch zijn bepaald in de zin van artikel 3.2 BVIE is dan geen sprake. Uitgangspunt in dit kort geding dient dan te zijn dat het door Forest gedeponeerde model geldig is.

4.15.

Vervolgens rijst de vraag of Vako met de Vako-rail inbreuk maakt op het model. Daarvan is sprake als de Vako rail dezelfde algemene indruk maakt bij de geïnformeerde gebruiker als de DS-rail. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarvan sprake. De Vako-rail is in bijna alle opzichten een exacte kopie van de DS-rail. Zelfs de afmetingen zijn nagenoeg identiek. Er zijn wel wat verschillen, maar die zijn uiterst gering. Vako wijst in dat kader op het iets hoekigere binnenwerk van de DS-rail, de twee uitstekende puntjes in het binnenwerk van de DS-rail, en de twee in bolletjes uitgevoerde uiteindes van het binnenwerk die onderaan de opening van de rail vormen. De Vako rail heeft die kenmerken niet. Daarnaast is volgens Vako de aanhechting van de vleugel bij de Vako-rail anders, namelijk dikker, vormgegeven waardoor de bocht van de vleugel iets anders zou zijn. Die verschillen zijn nauwelijks waarneembaar en dermate marginaal in het licht van de totale vormgeving, dat dit niet leidt tot een andere algemene indruk. Zeker ook niet gelet op het door Vako zelf in het kader van haar geldigheidsverweer aangehaalde Umfeld. De uiterlijke verschillen tussen de door Vako aangehaalde gordijnrails en die van de DS-rail zijn duidelijk veel groter dan de verschillen tussen de DS-rail en de Vako-rail. Die zijn, zoals gezegd nauwelijks waarneembaar.

De DS-rail De Vako-rail

4.16.

Slotsom is dat voldoende aannemelijk is geworden dat Vako met de Vako-rail inbreuk maakt op het modelrecht van Forest op de DS-rail in de Benelux. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Forest voldoende aannemelijk gemaakt dat die inbreuk ook geldt naar het recht van de andere landen waarin artikel 12 Mrl in de nationale wetgeving is geïmplementeerd. Voor de twee resterende landen, Engeland en Zwitserland, heeft Forest verwezen naar de toepasselijke bepalingen van het recht van die landen, respectievelijk artikel 7 en 7A van de Engelse Regitered Designs Act en artikel 8 en 9 van het Zwitserse Bundesgesetz über den Schutz von Design, welke bepalingen als productie 14 zijn overgelegd. Zoals Forest terecht stelt is de strekking van die bepalingen hetzelfde als artikel 12 Mrl. Forest stelt ook terecht dat de Nederlandse voorzieningenrechter bevoegd is om in geval als dit een grensoverschrijdend verbod aan Vako op te leggen, ook voor de landen buiten de Benelux. Daar bestaat ook voldoende aanleiding toe. Vako heeft geen gehoor gegeven aan sommaties van Forest om de Vako-rail van de markt te halen. Er bestaat ook voldoende concrete dreiging dat Vako, die meerdere vestigingen heeft in het buitenland, de Vako-rail ook buiten de Benelux op de markt zal brengen, voor zover zij dat nog niet heeft gedaan. Vako stelt in dat kader slechts dat Forest die dreiging niet heeft aangetoond, maar betwist op zichzelf niet dat die dreiging bestaat. De primaire vordering van Forest onder A. zal daarom worden toegewezen als na te melden. De voorzieningenrechter acht een verbod met onmiddellijke ingang in dit geval disproportioneel. Aan Vako zal daarom een termijn worden gegund van veertien dagen. De door Vako verzochte termijn van 30 dagen acht de voorzieningenrechter te lang.

4.17.

Nu voldoende aannemelijk is dat Vako inbreuk maakt op het modelrecht van Forest, heeft Forest voldoende belang bij verzending van de onder B. gevorderde rectificatie aan de afnemers van Vako. Vako heeft daar ook geen verweer tegen gevoerd. Wel heeft zij een aantal aanpassingen voorgesteld, welke door Forest (al dan niet onder een aantal nadere voorwaarden) akkoord zijn bevonden. De voorzieningenrechter zal Vako daarom veroordelen tot verzending van de rectificatie met inachtneming van de door haar voorgestelde aanpassingen voor zover die door Forest zijn aanvaard. Ook hiervoor zal aan Vako een termijn van veertien dagen worden gegund.

4.18.

De door Forest gevorderde dwangsommen zullen worden beperkt zoals vermeld in de beslissing, waarbij de voorzieningenrechter een maximum zal vaststellen mede gelet ook op het relatief geringe financiële belang van de zaak. Vako heeft onweersproken gesteld dat de omzet die zij heeft behaald met de verkoop van de Vako-rail voor haar relatief zeer gering is.

4.19.

Nu de vorderingen van Forest zullen worden toegewezen op de primaire grondslag van modelinbreuk, behoeft de subsidiaire grondslag van slaafse nabootsing (artikel 6:162 BW) geen nadere bespreking meer.

4.20.

Vako zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat vorderingen worden toegewezen op de grondslag van modelinbreuk, zal de voorzieningenrechter toepassing geven aan artikel 1019h RV. Dat betekent dat Vako zal worden veroordeeld om de redelijke en evenredige proceskosten. Daarbij neemt de voorzieningenrechter als uitgangspunt dat het grootste deel van de door Forest gemaakte kosten voor dit kort geding betrekking heeft op de modelinbreuk en een kleiner deel op de slaafse nabootsing. Forest begroot de kosten op modelrechtelijke grondslag op ruim € 25.000,--. De voorzieningenrechter zal die kosten toewijzen voor een bedrag van € 15.000,-- aan de hand van de Indicatietarieven in IE-zaken. Zoals Vako terecht stelt kwalificeert deze zaak als een “normaal” kort geding waarvoor een maximumindicatietarief van € 15.000,-- geldt. De voorzieningenrechter ziet geen grond daar in dit geval van af te wijken. De kosten aan de zijde van Forest zullen daarom worden begroot op:

- dagvaarding € 85,81

- griffierecht 667,00

- salaris advocaat 15.000,00

Totaal € 15.752,81

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Vako om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis iedere inbreuk op het internationale model DM/051 403 zoals gedeponeerd door Forest voor haar DS-rail op 2 maart 2000 in de Benelux, Italië, Griekenland, Duitsland, Zwitserland, Roemenië, Hongarije, Servië en Montenegro, Frankrijk en Slovenië en op hetzelfde model zoals dat afzonderlijk is gedeponeerd door Forest in Spanje, Portugal, Polen en Engeland, te staken en gestaakt te houden in genoemde landen,

5.2.

veroordeelt Vako om aan Forest een dwangsom te betalen van € 5.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet dan wel, ter keuze van Forest, van € 500,-- voor iedere in strijd met de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling verkochte inbreukmakende gordijnrail, tot een maximum is bereikt van € 100.000,--,

5.3.

veroordeelt Vako om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan haar professionele afnemers in de in 5.1. genoemde landen in de landstaal van de betreffende afnemer een aangetekende brief dan wel een e-mail – uitsluitend voor zover dat laatste de gebruikelijke wijze van communicatie met de betreffende afnemer is - te sturen met uitsluitend de navolgende inhoud en zonder bijschrift en om de advocaat van Forest gelijktijdig kopieën van de brieven respectievelijk verzend/ontvangstbewijzen van de e-mails te verschaffen:

"De voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Brabant heeft bij voorlopig oordeel van 12 april 2021 beslist dat Vako B.V. door het op de markt brengen van de gordijnrail van het type 10.19 Design Track (product codes 508-0024-000, 508-0024-002 en 508-0024-004) inbreuk maakt op de rechten van Forest Group op haar Design Series gordijnrail.

Deze gordijnrail mag derhalve niet langer worden aangeboden, verkocht of geleverd, dan wel gebruikt of in voorraad gehouden. Wij verzoeken u hierbij deze producten niet langer aan te bieden (in winkels, op websites, in online marketing en brochures e.d.) en alle exemplaren van dit product en de promotiematerialen daarvoor die zich onder u bevinden aan ons te retourneren. Wij zullen de aankoopprijs en alle kosten in verband met de retournering van de producten aan u vergoeden."

5.4.

veroordeelt Vako om aan Forest een dwangsom te betalen van € 1.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.3. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet tot een maximum van € 50.000,-- is bereikt,

5.5.

bepaalt de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak zoals bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na betekening van dit vonnis,

5.6.

veroordeelt Vako met toepassing van artikel 1019h Rv in de proceskosten, aan de zijde van Forest tot op heden begroot op € 15.752,81 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.7.

veroordeelt Vako in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2021.