Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1668

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
20/1247 en 20/2192
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres ontvangt een bovenwettelijke uitkering op grond van de Regeling bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid Arbeidsvoorziening (Regeling). De Regeling berust naar het oordeel van de rechtbank op een privaatrechtelijke grondslag. Dit betekent dat de bestreden brieven geen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn. De rechtbank is onbevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 20/1247 en 20/2192


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Notermans).

Procesverloop

Bij brief van 20 november 2018 (brief 1) heeft verweerder aan eiseres een korting op haar bovenwettelijke werkloosheidsuitkering van 25% opgelegd voor de duur van vier maanden met ingang van 1 december 2018.

Bij brief van 20 december 2018 (brief 2) heeft verweerder aan eiseres een korting op haar bovenwettelijke werkloosheidsuitkering van 37,5% opgelegd voor de duur van vier maanden met ingang van 1 mei 2019.

Bij brief van 31 maart 2020 (bestreden besluit 1) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen brieven 1 en 2 ongegrond verklaard.

Bij brief van 23 augustus 2019 (brief 3) heeft verweerder de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering van eiseres herzien over de periode van 1 maart 2018 tot

1 juli 2019 en een bedrag van € 2.058,37 bruto van eiseres teruggevorderd.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het niet uitbetalen van bovenwettelijke werkloosheidsuitkering over de maanden oktober en november 2019.

Bij brief van 21 juli 2020 (bestreden besluit 2) heeft verweerder de bezwaren tegen brief 3 en het niet uitbetalen van bovenwettelijke werkloosheidsuitkering ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen bestreden besluiten 1 en 2 beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via een skype(-beeld)verbinding plaatsgevonden op

3 maart 2021. Eiseres en de gemachtigde van verweerder hebben aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

1. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of zij bevoegd is om van de beroepen kennis te nemen. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

2. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

3. Op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

4. Eiseres heeft eerst een dienstbetrekking gehad met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Daarna is zij in dienst geweest bij de rechtsopvolger van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI). Vervolgens heeft zij een dienstbetrekking gehad met de rechtsopvolger van de CWI, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). In 2011 is zij uit de dienstbetrekking met het Uwv werkloos geworden. Daarna heeft verweerder aan eiseres een bovenwettelijke uitkering op grond van de Regeling bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid Arbeidsvoorziening (Regeling) toegekend.

5. In artikel 2, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen was met ingang van 1 april 2002 bepaald dat het personeel van (onder andere) de CWI en het Uwv in dienst werd genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Volgens de Memorie van Toelichting op deze wet blijkt dat de wetgever hiervoor heeft gekozen vanwege de continuïteit1. Daarvoor was het personeel van (onder andere) de Arbeidsvoorzieningsorganisatie namelijk ook werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Verder blijkt uit artikel 25 van de Regeling dat deze met ingang van 1 januari 2001 in werking is getreden. Uit de gedingstukken blijkt dat de Regeling onderdeel van de CAO Arbeidsvoorzieningsorganisatie 2000 – 2001 was, daarna onderdeel van de CAO-CWI was en daarna onderdeel van de arbeidsvoorwaarden is gebleven totdat eiseres werkloos is geworden. Op grond van deze gegevens berust de Regeling naar het oordeel van de rechtbank op een privaatrechtelijke grondslag.

6. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft deze conclusie al enkele malen eerder getrokken2, ook in een vergelijkbare zaak over een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering voor personeel van de Sociale verzekeringsbank3.

7. Wat verweerder daartegen aanvoert brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Verweerder stelt weliswaar terecht dat verweerder een bestuursorgaan is, maar dat betekent nog niet dat al zijn rechtshandelingen publiekrechtelijk zijn en daarmee besluiten in de zin van de Awb zijn. Ook stelt verweerder op zich terecht dat werknemers van het Uwv met ingang van 1 januari 2020 ambtenaar zijn geworden, maar dit bevestigt juist dat die werknemers voorheen op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht voor het Uwv werkzaam waren4. Ten slotte heeft eiseres er op gewezen dat de rechtbank Limburg heeft geoordeeld dat de Regeling geen privaatrechtelijk karakter heeft5, maar in hoger beroep tegen die uitspraak heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch geoordeeld dat de burgerlijke rechter bevoegd is om te oordelen over vorderingen die hun grondslag vinden in de Regeling6.

8. Met de brieven 1, 2 en 3 en het niet uitbetalen van bovenwettelijke werkloosheidsuitkering over de maanden oktober en november 2019 heeft verweerder uitvoering gegeven aan de Regeling. Uit wat hiervoor is overwogen vloeit voort dat deze brieven en handelingen geen publiekrechtelijke rechtshandelingen inhouden en daarom geen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb zijn. Datzelfde geldt voor de bestreden besluiten. Met het oog op artikel 8:71 van de Awb stelt de rechtbank vast dat partijen over hun geschillen uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kunnen instellen.

9. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank onbevoegd is.

10. De rechtbank bepaalt dat verweerder aan eiseres de door haar betaalde griffierechten moet vergoeden. Door in de bestreden besluiten uit te gaan van de toepasselijkheid van de Awb en op te nemen dat eiseres tegen deze besluiten beroep kan instellen heeft verweerder eiseres namelijk op het verkeerde been gezet7.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart zich onbevoegd;

- draagt verweerder op de betaalde griffierechten van € 96,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Bijleveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27 588, nr. 3, pagina 74

2 Zie CRvB 12 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4708 in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 augustus 2009, ECLI:NL:RBMAA:2009:6093

3 Zie CRvB 2 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD7681

4 Zie ook Tweede Kamer, vergaderjaar 2018-2019, 35 073, nr. 3, p. 7

5 Zie Rb Limburg 29 oktober 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:9251

6 Zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 16 augustus 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3684

7 Zie CRvB 12 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4708