Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1647

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
13-04-2021
Zaaknummer
WR 21/004
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking in civiele zaak. Spreektijd op de zitting. Regiefunctie rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer

zaaknummer: WR 21/004

Beslissing van 1 april 2021

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

de heer [naam]

wonende in [woonplaats]

hierna te noemen: verzoeker

strekkende tot de wraking van

de heer mr. L.J. Geerits

(kinder)rechter in deze rechtbank

hierna te noemen: de rechter

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van 28 januari 2021 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechter van 29 januari 2021;

  • -

    het e-mailbericht (met bijlage) van de advocaat van verzoeker van 8 februari 2021, strekkende tot aanhouding van de geplande mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek, mede met het oog op het horen van getuigen;

  • -

    de e-mailberichten van de secretaresse van de wrakingskamer aan de advocaat van verzoeker van 12 februari 2021 en 5 maart 2021;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 18 maart 2021.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

  • -

    verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat de heer mr. J. el Hannouche, advocaat in Utrecht;

  • -

    de rechter.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer
C/01/365912 / FA RK 20-6328. Deze zaak betreft het verzoek van de echtgenote van verzoeker (hierna: de vrouw) tot het treffen van voorlopige voorzieningen voor de duur van de tussen hen aanhangige echtscheidingsprocedure als bedoeld in artikel 822 Rv. De vrouw heeft gevraagd hun twee kinderen voor de duur van de echtscheidingsprocedure aan haar toe te vertrouwen en te bepalen dat verzoeker kinder- en partneralimentatie aan haar moet betalen. Op 27 januari 2021 is namens verzoeker een verweerschrift (met 25 producties) ingediend, tevens houdende een zelfstandig verzoek tot vaststelling van een zorg- en contactregeling tussen hem en de kinderen en vaststelling van een informatieregeling over de kinderen. De rechter heeft deze verzoeken Behandeld op de zitting van 28 januari 2021 (hierna: de zitting). Verzoeker en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten, zijn bij deze behandeling aanwezig geweest, evenals een medewerkster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en een piketmediator. Op de zitting heeft verzoeker een mondeling verzoek gedaan tot wraking van de rechter.

2.2.

Blijkens het proces-verbaal van de zitting, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, heeft verzoeker aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de rechter hem te weinig spreektijd heeft gegeven en hem niet in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op de verklaring van de vrouw, waardoor het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Verzoeker stelt dat de rechter zijn advocaat weliswaar in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op de uitgebreide verklaring van de vrouw, maar hij is van mening dat de rechter hem - zoals gevraagd door zijn advocaat - op dat moment ook zelf de gelegenheid had moeten bieden om op de verklaring van de vrouw te reageren, omdat zijn advocaat niet alle (nieuwe) feiten kende. Nu hij niet heeft kunnen reageren op de mededelingen van de vrouw over de situatie van de kinderen, heeft de Raad bij het uitbrengen van zijn advies onvoldoende rekening kunnen houden met zijn standpunt, aldus verzoeker. Hij heeft bovendien gesteld dat de rechter hem in de tweede termijn enkel het laatste woord heeft gegeven, waardoor hij niet meer het vertrouwen heeft dat de rechter onpartijdig over de zaak kan oordelen.

2.3.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en hij heeft inhoudelijk op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

2.4.

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek is namens verzoeker gesteld dat hij getuigen wilde laten horen over het verloop van de zitting. De wrakingskamer constateert dat dit verzoek niet is gehandhaafd en dat evenmin gebruik is gemaakt van de aan verzoeker geboden mogelijkheid om informanten mee te nemen naar de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

3 De beoordeling

3.1.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter ten opzichte van een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.

3.2.

De vrees voor partijdigheid is bij verzoeker ontstaan door het verloop van de zitting. Bij de beoordeling van dit wrakingsverzoek stelt de wrakingskamer voorop dat het tot de taak van de rechter behoort om op de zitting de procesorde te bewaken en de regie te voeren en in dat kader te bepalen wie wanneer aan het woord komt en welke vragen aan partijen worden gesteld om zo alle informatie te verkrijgen die naar het oordeel van de rechter van belang is voor de beoordeling van het geschil. De rechter heeft daarbij een grote vrijheid, zodat slechts in zeer bijzondere omstandigheden de wijze waarop de rechter die taak heeft ingevuld een zwaarwegende aanwijzing kan opleveren voor het oordeel dat de rechter ten opzichte van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De wrakingsgronden die verzoeker naar voren heeft gebracht, zien op de wijze waarop de rechter de regie heeft gevoerd.

3.3.

Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de rechter bij de inleiding van de behandeling zowel de vrouw als verzoeker heeft gevraagd hoe het voor hen was om daar te zitten. Vervolgens heeft de rechter, mede in verband met de inhoud van de stukken die de dag daarvoor namens verzoeker waren ingediend, diverse vragen gesteld aan de vrouw en haar advocaat, waarna de rechter de advocaat van verzoeker de gelegenheid heeft gegeven om in eerste termijn te reageren. Naar aanleiding van de mededeling van de advocaat van verzoeker dat verzoeker het gevoel kreeg dat hij niet mocht reageren, heeft de rechter kenbaar gemaakt dat hij naar aanleiding van het verweerschrift wat vragen had over de feitelijke situatie van de vrouw en dat hij op voorhand nog geen vragen had aan de man.

De advocaat van verzoeker heeft vervolgens in eerste termijn gereageerd, waarna de rechter de vertegenwoordiger van de Raad heeft gevraagd of zij in eerste termijn iets over de zaak wilde zeggen. De Raad, en aansluitend de piketmediator, hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt, waarna de rechter de advocaat van de vrouw in de gelegenheid heeft gesteld om in tweede termijn te reageren. Toen de rechter de advocaat van verzoeker vervolgens in de gelegenheid stelde om in tweede termijn te reageren, heeft de advocaat eerst opgemerkt dat hij constateerde dat verzoeker veel minder spreektijd had gehad dan de vrouw, waarna de rechter nogmaals heeft uitgelegd dat hij in het begin vragen had aan de vrouw en niet aan de man. In reactie daarop heeft de advocaat van verzoeker verklaard dat hij van mening was dat de man nu alleen nog de mogelijkheid krijgt om zijn laatste woord te doen en alleen mag zeggen wat nog niet naar voren is gebracht, waardoor de rechter en de Raad een eenzijdig verhaal te horen hebben gekregen. Daarna heeft de rechter de behandeling geschorst om verzoeker en zijn advocaat in de gelegenheid te stellen om zich te beraden over de gang van zaken. Na hervatting van de behandeling heeft verzoeker onder meer verklaard dat hij het heel vervelend vond dat hij best wel lang heel wat onwaarheden had moeten aanhoren zonder daarop te kunnen reageren. Zijn advocaat heeft daaraan toegevoegd dat verzoeker er niet op vertrouwde dat het tot een eerlijke beslissing zou komen, waarna hij heeft gesuggereerd dat de rechter zich kan verschonen. De rechter heeft daarna herhaalde malen meegedeeld dat hij verzoeker in de gelegenheid wilde stellen om alles naar voren te brengen over deze zaak wat hij wilde en te reageren op alles wat de vrouw had gezegd. Daarna is het wrakingsverzoek gedaan.

3.4.

Dat de rechter meer vragen heeft gesteld aan de vrouw dan aan verzoeker

- waardoor zij meer spreektijd heeft gekregen - en dat de rechter verzoeker bij aanvang van de eerste termijn niet eerst zelf in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren, behoort naar het oordeel van de wrakingskamer tot de grote vrijheid die de rechter heeft bij de invulling van zijn regiefunctie. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt niet dat de advocaat van verzoeker aan het einde van de eerste termijn nog heeft gevraagd of verzoeker iets wilde toevoegen aan hetgeen de advocaat naar voren had gebracht. De grote vrijheid met betrekking tot de invulling van de regiefunctie geldt ook voor het moment waarop de rechter de Raad vraagt om advies uit te brengen en voor het moment waarop de rechter een partij in de gelegenheid stelt om te reageren. Hierbij is van belang dat de rechter, indien het verloop van de zitting en wat partijen aanvoeren hier aanleiding toe geven, de Raad op een later moment kan vragen of er redenen zijn het advies bij te stellen. Gelet op de hiervoor omschreven gang van zaken op de zitting is de wrakingskamer van oordeel dat de wijze waarop de rechter in deze zaak de regie heeft gevoerd, niet in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor. en geen zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter ten opzichte van verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De uitspraken van andere wrakingskamers, waarop de advocaat van verzoeker zich bij de mondelinge behandeling heeft beroepen, leiden niet tot een ander oordeel omdat de daarin omschreven feiten en omstandigheden naar het oordeel van de wrakingskamer onvoldoende raakvlakken vertonen met deze zaak. Daarom wordt het wrakingsverzoek afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. Mandemakers, voorzitter, mr. E. Boersma en
mr. J.J. Janssen, leden, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.