Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1621

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
20/792
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob. Eiseres heeft procesbelang. De gronden dat het onjuiste bestuursorgaan op het informatieverzoek heeft beslist en dat de bezwaarschriftencommissie geen advies had mogen uitbrengen worden niet gevolgd. Het verzoek om de burgemeester als getuige te horen wordt afgewezen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/792

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , in [woonplaats] , eiseres

en

de raad van de Gemeente Bergeijk, de gemeenteraad

(gemachtigde: mr. Y.Y.E. van Bakel).

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2019 (het primaire besluit) heeft de gemeenteraad het verzoek van eiseres op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.

Bij besluit van 4 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft de gemeenteraad het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college van burgemeester en wethouders (het college) heeft namens de gemeenteraad een verweerschrift ingediend en de zitting bijgewoond.

De zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2021. Eiseres is naar de zitting gekomen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De feiten

1. Eiseres heeft de gemeenteraad bij brief van 2 september 2019 op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van het koopcontract tussen de oorspronkelijke eigenaar en de nieuwe eigenaar van Vakantiecentrum [naam] .

2. De gemeenteraad heeft het Wob-verzoek van eiseres ook opgevat als een verzoek tot opheffing van de geheimhouding, omdat de informatie waarop het Wob-verzoek ziet, onder de geheimhouding valt op grond van artikel 25, tweede lid, van de Gemeentewet. Bij het primaire besluit heeft de gemeenteraad het verzoek om opheffing van de geheimhouding afgewezen. Volgens de gemeenteraad bevat de koopovereenkomst vertrouwelijke, aan de gemeente verstrekte (financiële) bedrijfsgegevens die de concurrentiepositie dan wel de economische positie van de betrokken (rechts-)personen zouden kunnen schaden. Vervolgens heeft de gemeenteraad in dit besluit ook het Wob-verzoek afgewezen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar ingediend.

3. In het bestreden besluit heeft de gemeenteraad zich met verwijzing naar het advies van de Commissie bewaarschriften van de gemeente Bergeijk (de commissie) op het standpunt gesteld dat het primaire besluit door het juiste bestuursorgaan is genomen, namelijk door de gemeenteraad. Het besluit is conform artikel 32a van de Gemeentewet ondertekend door de burgemeester en medeondertekend door de griffier. De ‘Mandaatregeling Wob gemeenteraad Bergeijk 2019 versie 12-09-2019’ (het raadsvoorstel) is dus niet aan de orde.

4. Eiseres heeft, kort gezegd, aangevoerd dat het onjuiste bestuursorgaan heeft beslist op haar Wob-verzoek en dat de commissie niet gerechtigd was om een advies uit te brengen.

Procesbelang

5. De rechtbank gaat eerst in op het standpunt in het verweerschrift dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat eiseres geen procesbelang bij deze procedure heeft. Eiseres voert enkel procedurele beroepsgronden aan. Het gaat helemaal niet over de inhoud. Eiseres wil dat de gemeenteraad een besluit neemt op haar Wob-verzoek, maar de gemeenteraad heeft daar al op besloten.

6. De rechtbank ziet geen aanleiding om eiseres niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het ontbreken van een procesbelang. Ongeacht de vraag of eiseres alleen procedurele beroepsgronden heeft aangevoerd, gaat het erom of eiseres met deze procedure in een gunstigere situatie zou kunnen komen. Volgens de rechtbank is dat het geval. Als de beroepsgronden van eiseres slagen, kan dat leiden tot het oordeel dat de besluiten onbevoegd zijn genomen of dat de gevolgde procedure een zorgvuldigheidsgebrek bevat. In dat geval zou het beroep gegrond zijn.

Beoordeling van de beroepsgronden

Onjuiste bestuursorgaan heeft beslist op het Wob-verzoek

7. Eiseres heeft aangevoerd dat het primaire besluit en het bestreden besluit niet door het juiste bestuursorgaan – de gemeenteraad – zijn genomen, maar door Van Dongen (griffier) en Callewaert-De Groot (de burgemeester). Dit terwijl het raadsvoorstel dat besluitbevoegdheden mandateert aan de (plaatsvervangend) griffer en de (plaatsvervangend) voorzitter van de gemeenteraad niet is vastgesteld. De gemeenteraad heeft geen mandaat verleend aan de griffier en de burgemeester om een besluit te nemen op het Wob-verzoek van eiseres. Ook de brief van 19 september 2019 (bevestiging ontvangst Wob-verzoek en opschorten beslistermijn) is onbevoegd ondertekend door de burgemeester en de griffier en de brief van 9 januari 2020 (verdaging beslissing op bezwaar) is onbevoegd ondertekend door de plaatsvervangend griffier.

8. Op grond van artikel 32a, eerste lid en eerste volzin, van de Gemeentewet worden de stukken die van de raad uitgaan, door de burgemeester ondertekend en door de griffier medeondertekend.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeenteraad in het bestreden besluit terecht het standpunt ingenomen dat hij het bestuursorgaan is dat het primaire en het bestreden besluit heeft genomen. Vast staat dat de burgemeester en de griffier dit besluit hebben (mede)ondertekend. De beslissing op bezwaar van 4 februari 2020 (het bestreden besluit) is ook (mede)ondertekend door de burgemeester en de plaatsvervangend griffier. Gelet op het bepaalde in artikel 32a van de Gemeentewet heeft dan te gelden dat die besluiten uitgaan van de gemeenteraad. Hieraan doet niet af dat onderaan het primaire besluit, vóór de ondertekening, staat vermeld: ‘namens dezen’. Hieruit volgt niet de conclusie dat het besluit door de burgemeester en de griffier (ten onrechte) in mandaat namens de gemeenteraad zou zijn genomen. Over het betoog van eiseres dat de brieven van
19 september 2019 en 9 januari 2020 ondertekend zijn door de onjuiste personen en dus een onjuist bestuursorgaan, overweegt de rechtbank dat de gemeenteraad hierover heeft gezegd dat hier sprake is van een kennelijke verschrijving en dat die is gedekt door het nemen van het bestreden besluit, dat bevoegd is genomen. De rechtbank volgt dat standpunt. De rechtbank ziet – anders dan eiseres heeft gesteld – in de gevolgde procedure geen aanleiding voor de conclusie dat het onjuiste bestuursorgaan zich daadwerkelijk met de procedure heeft bemoeid en dat de besluitvorming onzorgvuldig of onbevoegd heeft plaatsgevonden.

De beroepsgrond faalt.

Commissie was niet gerechtigd om advies uit brengen

10. Volgens eiseres was de commissie niet gerechtigd om een advies uit te brengen, omdat de gemeenteraad daartoe geen schriftelijk verzoek heeft ingediend bij de commissie en omdat eiseres geen mededeling heeft ontvangen van de gemeenteraad dat een commissie over het bezwaar zal adviseren. Dat is in strijd met artikel 7:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en eiseres wordt hierdoor benadeeld.

11. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de ‘Verordening Commissie Bezwaarschriften gemeente Bergeijk’ (Verordening) is er een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester.

In het tweede lid van deze bepaling is vermeld dat de commissie niet bevoegd is ten aanzien van bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten op grond van een wettelijk voorschrift inzake: a. belastingen of de Wet waardering onroerende zaken; b. personele aangelegenheden; c. aangelegenheden op het gebied van werk, inkomen en zorg.

12. Naar het oordeel van de rechtbank was de commissie op grond van de Verordening bevoegd om een advies uit te brengen over het bezwaar van eiseres. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de gemeenteraad hiertoe eerst een expliciet verzoek om advies moest indienen bij de commissie. Ook is er geen grond voor het oordeel dat de commissie niet bevoegd was omdat niet de juiste brieven zouden zijn verstuurd dan wel dat eiseres niet – per afzonderlijke brief – op de hoogte is gesteld dat een commissie over het bezwaar zal adviseren. De rechtbank stelt vast dat de commissie eiseres bij brief van 28 oktober 2019 op de hoogte heeft gesteld van de ontvangst van het bezwaarschrift van eiseres, dat dit bezwaarschrift conform de Verordening in handen is gesteld van de commissie en dat de beslistermijn voor het nemen van een beslissing op het bezwaar daardoor 12 weken duurt. Niet in geschil is dat eiseres deze brief heeft ontvangen. De rechtbank betrekt hierbij ook dat de gemeenteraad tijdens de zitting heeft gezegd dat de hiervoor genoemde drie punten in één brief worden benoemd in plaats van in drie afzonderlijke brieven, om de administratieve last voor de burger zoveel mogelijk te verlichten. Niet valt in te zien dat eiseres hierdoor is benadeeld. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

Verweerschrift niet ingediend door de gemeenteraad

13. Eiseres heeft tijdens de zitting haar beroepsgrond dat het verweerschrift is ingediend door het college, terwijl de gemeenteraad het juiste bestuursorgaan is en dus het verweerschrift had moeten indienen, laten vallen. De rechtbank zal hierover dus geen oordeel geven.

Horen van getuige

14. Eiseres heeft verzocht om de burgemeester op te roepen als getuige in deze zaak. Tijdens de zitting heeft de rechtbank uitgelegd dat zij daar vooralsnog geen aanleiding voor ziet en dat het onderzoek eventueel wordt heropend als zij daar na de zitting alsnog reden voor ziet.

15. De rechtbank is gelet op alles wat hiervoor is overwogen van oordeel dat geen aanleiding bestaat om het onderzoek te heropenen om de burgemeester als getuige te (laten) horen, omdat dat redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van deze zaak. De standpunten van partijen zijn helder en er zijn geen onduidelijkheden die nog moeten worden opgehelderd.

Conclusie

16. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C.J. Kohl, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 9 april 2021.

De griffier is verhinderd de rechter

uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.