Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:162

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-01-2021
Datum publicatie
18-01-2021
Zaaknummer
349324
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderzoek A en B naar asbesttoepassingen in verband met renovatie dan wel sloop van een gebouw. Vraag of het onderzoek en de rapportages van gedaagde deugdelijk zijn. Toepasselijkheid algemene voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/349324 / HA ZA 19-523

Vonnis van 13 januari 2021

in de zaak van

[eiseres]

,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaten: mr. P.V. Kleijn en mr. J.M. Luijkx te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SGS SEARCH INGENIEURSBUREAU B.V.,

gevestigd te Heeswijk-Dinther,

gedaagde,

advocaten: mr. A.J.F. de Jager en mr. S.A. Adriaanse te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en SGS genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 13 november 2019 waarbij een zitting ("comparitie van partijen") is bepaald om de zaak met partijen te bespreken;

  • -

    de namens SGS bij akte, binnengekomen op 2 juni 2020, ingebrachte producties 6 en 7;

  • -

    de namens [eiseres] bij akte, binnengekomen op 4 juni 2020, ingebrachte producties 36 tot en met 39;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 11 juni 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is een woningcorporatie die met name studentenwoonruimte bouwt, verhuurt en exploiteert.

2.2.

SGS is een asbestinventarisatiebureau.

2.3.

[eiseres] is bezig met project ‘ [naam 1] ’. Dit houdt in de (ver)bouw van een nieuwe woontoren aan de [adres] in [plaats] (hierna: het gebouw).

2.4.

[naam 2] (hierna: [naam 2] ) heeft namens [eiseres] een openbare aanbestedingsprocedure uitgevoerd voor de selectie van een adviesbureau om de asbestinventarisatie (type B) ten behoeve van het gebouw uit te voeren.

2.5.

In de offerteaanvraag van [naam 2] van 15 februari 2016 (productie 1 dagvaarding) staat bij de ‘aard van de werkzaamheden’, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Aard van de werkzaamheden: Het opstellen en leveren van een volledig asbestinventarisatierapport type B, conform de SC-540, en de in bijlage opgenomen aanvullende eisen.”

(..)

Voorts is, voor zover van belang, in de offerteaanvraag opgenomen:

“Op de uiteindelijke opdracht zijn de Standaard Administratieve Bepalingen van [eiseres] van toepassing. Uw algemene voorwaarden of andere voorwaarden waarnaar in uw offerte wordt verwezen, zijn uitdrukkelijk van toepassing uitgesloten.

Wij verzoeken u in uw offerte expliciet te vermelden dat u kennis heeft genomen van de Standaard Administratieve Bepalingen en akkoord gaat met de in deze brief en in daarbij behorende bijlagen gestelde voorwaarden.”

In de bijlage is, voor zover van belang, opgenomen:

“1. Inventarisatie

- Een gedetailleerd onderzoek naar aanwezigheid van asbest of asbesthoudende materialen. Hierbij is inbegrepen de inventarisatie van de aanwezigheid van asbest in luchtbehandelingssystemen en overige installaties, transportmiddelen, riolering en inventaris;

- De gedetailleerde asbestinventarisatie betreft alle ruimten (inclusief technische ruimten, kruipruimten, schachten, daken, etc.)(..).

2. Rapportage

Een volledige rapportage van het totale onderzoek en de resultaten. Deze omvat onder meer:

- Voldoet aan de eisen voor een type B rapportage ten behoeve van sloop zoals bepaald in SC 540/2008 met informatie voor de niet sloopsituatie; (..).”

2.6.

In reactie op de offerteaanvraag heeft SGS, voor zover van belang, de volgende vraag gesteld (productie 2 dagvaarding):

“Zijn de “standaard administratieve bepalingen [eiseres] ” niet meer bedoeld voor een aannemer en dus niet van toepassing/ geschikt voor het uitvoeren van een asbestinventarisatie?”

Hierop heeft [eiseres] middels de notitie van 25 februari 2016 geantwoord:

“Klopt”.

2.7.

SGS heeft op 3 maart 2016 een offerte (productie 3 dagvaarding) uitgebracht. In de offerte is, voor zover van belang, opgenomen:

“In uw aanvraag wordt SGS Search Ingenieursbureau gevraagd om een prijsaanbieding te doen voor onderstaande onderdelen:

1. Een volledig type A+B asbestinventarisatie conform SC-540 incl. de in de bijlage genoemde aanvullende eisen;

2. Een kostenraming gespecificeerd per asbestbron.

(..)

Ons aanbod

Met een asbestinventarisatie type A+B onderzoeken we of er direct of indirect waarneembaar asbest in uw gebouwen aanwezig is.

(..)

3. Monsternemening: Alle benodigde materiaalmonsters zijn bij ons inbegrepen in de prijsaanbieding. In onderstaande verrekentarieven hebben wij tevens de tarieven voor de lucht en kleefmonsters vermeld. Uiteraard wordt in de rapportage de locaties vermeld.

Laboratorium: Het onafhankelijke SGS Search RvA geaccrediteerd Laboratorium zal de analyse uitvoeren van de genomen materiaalmonsters en eventuele lucht- en kleefmonsters.

(..)

Deze prijs is inclusief:

(..)

Alle benodigde materiaalmonsters en analyses van asbestverdacht materiaal

(..)

Algemene voorwaarden

De Standaard Administratieve Bepalingen van [eiseres] , zoals ontvangen in de offerte aanvraag d.d. 15 februari 2016 zijn van toepassing en SGS Search Ingenieursbureau gaat akkoord met de gestelde voorwaarden en bijlagen wanneer deze overeenkomen met de artikelen zoals genoemd in de algemene voorwaarden van de DNR2011.”

(..)

Bijlage Asbestinventarisaties: de feiten op een rij

Alle voor u belangrijke informatie over dit aanbod staat in deze offerte. Bent u op zoek naar meer achtergrondinformatie over asbestinventarisaties en onze werkwijze? Dit vindt u in de bijlage Asbestinventarisaties: de feiten op een rij.”

2.8.

De bijlage ‘Asbestinventarisaties: de feiten op een rij’, is bij voornoemde offerte gevoegd. Hierin is, voor zover van belang, opgenomen:

Wat is een asbestinventarisatie type A?

Tijdens een inventarisatie type A wordt een gebouw of object onderzocht op de aanwezigheid van waarneembaar asbest: asbesthoudende producten, asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van licht destructief onderzoek; dit tast de bouwkundige integriteit van het gebouw niet aan. (..).

Het rapport

Het asbestinventarisatierapport type A is een volledige inventarisatie van alle ruimten van een bouwwerk, of het gedeelte van het bouwwerk dat bestemd is voor sloop. (..). Een asbestinventarisatierapport type A dat niet volledig is, is niet geschikt voor een sloopmelding. (..)

Wanneer is het rapport onvolledig

In de praktijk kan het voorkomen dat sommige ruimtes niet worden onderzocht, omdat ze niet toegankelijk zijn. In deze gevallen is er sprake van een onvolledig type A onderzoek. In het rapport wordt dan aangegeven dat het een ‘onvolledig’ rapport betreft. (..)

Het type B onderzoek

Soms ontstaat tijdens de asbestinventarisatie het vermoeden dat in het gebouw of het object verborgen asbestbronnen aanwezig zijn, die alleen met behulp van destructief onderzoek kunnen worden gelokaliseerd. In dat geval wordt een overzicht van deze vermoedens opgesteld, dat wordt opgenomen in de rapportage van het type A onderzoek. Dit overzicht is de basis voor de opvolgende inventarisatie type B. Voor aanvang van (sloop)werkzaamheden moeten alle betreffende ruimten volgens de SC-540 type B onderzocht worden.

(..).

Wat doen we precies?

(..)

1. Deskresearch

Hiervoor bundelen wij de gegevens in het archief van de gemeente. We bestuderen de oorspronkelijke bouwtekeningen en het bestek. Waar nodig interviewen we opzichters en gebouwbeheerders. De ingewonnen informatie verwerken we in het inventarisatieplan en in het rapport.

2. Asbestinventarisatie op locatie

(..)

3. Het analyseren van asbestverdachte materialen

Van iedere asbestverdachte locatie worden één of meerdere materiaalmonsters genomen en geanalyseerd.(..).

4. Schrijven van de rapportage

U ontvangt een samenvattend rapport van het onderzoek. Dit rapport bevat alle gegevens uit het vooronderzoek, de visuele inspectie, het fotografisch onderzoek en de analyseresultaten. De gegevens uit het rapport bieden u inzicht in de aanwezige hoeveelheid asbest. (..).”

2.9.

Naar aanleiding van de door SGS uitgebrachte offerte heeft [eiseres] per e-mail van 3 maart 2016 aanvullende vragen gesteld. Deze vragen zijn opgenomen en door SGS beantwoord in de e‑mail van 4 maart 2016 (productie 4 dagvaarding) aan [eiseres] . In deze e-mail is, voor zover van belang, opgenomen:

“Aanvullende vragen/opmerkingen op de offerte

1. Wij hebben een asbestinventarisatie gevraagd type A + aanvullend type B. Met deze vraag willen wij bereiken een volledig beeld te verkrijgen van de risico’s. Kunt u aangeven in welke mate het risico voldoende is afgedekt met deze offerte of moet uw offerte gewijzigd worden? Met dit rapport moet een sluitend saneringsplan kunnen worden opgesteld.”

“Na onze asbestinventarisatie type A+B heeft u een zo volledig mogelijk beeld van de risico’s. In onze werkzaamheden en rapportage is hier rekening mee gehouden.”

“2. Aan de ter beschikking gestelde documenten kunnen geen rechten ontleend worden indien er wijzigingen hebben plaatsgevonden aan het gebouw en/of documentatie afwijkt van de werkelijkheid.”

“Akkoord.”

2.10.

Vervolgens heeft [eiseres] op 16 maart 2016, via [naam 2] , aan SGS (productie 5 dagvaarding) te kennen gegeven dat de opdracht voor de asbestinventarisatie van het gebouw aan haar is gegund.

2.11.

Op 17 maart 2016 is SGS gestart met het deskresearch en van 21 maart 2016 tot en met 1 april 2016 heeft SGS de asbestinventarisatie ter plaatse uitgevoerd.

2.12.

Op 18 april 2016 en 6 mei 2016 (productie 6 dagvaarding) is de door SGS uitgebrachte offerte aangepast, waarna de offerte op 11 mei 2016 door [eiseres] is ondertekend (hierna: de overeenkomst (van opdracht)). Voor zover van belang zijn er ten aanzien van de inhoud van de overeenkomst geen afwijkingen ten opzichte van de offerte (inclusief bijlage) van 3 maart 2016, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 2.7 en 2.8.

2.13.

SGS heeft de bevindingen van de asbestinventarisatie vastgelegd in het rapport van 18 april 2016, RFR-16-00003337-SI (productie 9 dagvaarding, hierna: Rapportage I).

2.14.

[eiseres] heeft via [naam 3] een aanbesteding uitgeschreven (productie 10 dagvaarding) voor het slopen (inclusief asbestsanering) van het gebouw. Rapportage I en de risicobeoordeling maakten deel uit van het aanbestedingsdossier. De opdracht voor het slopen van het gebouw is gegund aan [naam 4] (hierna: [naam 4] ). [naam 4] heeft de sanering van de asbest begroot op € 170.019,40. Op 19 april 2017 is tussen [eiseres] en [naam 4] een overeenkomst gesloten over de sloop en de sanering van het gebouw door [naam 4] (productie 12 dagvaarding).

2.15.

Op 9 juni 2017 gunt [eiseres] de opdracht voor de nieuwbouw van een studententoren aan [naam 5] (productie 14 dagvaarding). Zij komen overeen dat de nieuwbouw start op 1 september 2017.

2.16.

In mei 2017 constateert [naam 4] dat er meer asbest in het gebouw aanwezig was dan is vermeld in rapportage I.

2.17.

SGS heeft aanvullende asbestinventarisaties uitgevoerd, waaruit aanvullende rapportages, ten opzichte van rapportage I, zijn opgemaakt:

- 3 juli 2017: Rapportage RFI-16-00003337-SI, versie 3;

- 4 juli 2017, Rapportage RFI-16-00003337-SI, versie 4;

- 27 juli 2017, Rapportage RFI-16-00003337-SI, versie 5;

- 27 juli 2017, Rapportage RFI-16-00006070-SI, versie 1;

- 31 augustus 2017, Rapportage RFI-16-00003337-SI, versie 6;

In Rapportage 16‑00003337-SI, versie 6 en rapportage RFI-00006070-SI (hierna tezamen: Rapportage II) zijn asbestverdachte bronnen vermeld welke niet zijn gerapporteerd in Rapportage I. Daarnaast zijn in Rapportage II een aantal asbestverdachte bronnen opnieuw geïnspecteerd en beoordeeld.

2.18.

[naam 4] is in mei 2017 gestart met de saneringswerkzaamheden. Hierbij constateerde zij dat er asbest in het gebouw aanwezig was welke niet is opgenomen in Rapportage II.

2.19.

Hierop zijn aanvullende asbestonderzoeken uitgevoerd door [naam 6] ( [naam 6] ). In de rapportages van [naam 6] zijn in het gebouw aanwezige asbesthoudende toepassingen vermeld die niet zijn opgenomen in Rapportage I en/of II.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat:

1. te verklaren voor recht dat SGS toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen [eiseres] en SGS gesloten overeenkomst van opdracht;

2. veroordeling van SGS tot betaling van € 1.692.996,- (inclusief btw), vermeerderd met de wettelijke rente per 18 maart 2019;

3. veroordeling van SGS in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis tot de dag van de algehele voldoening.

3.2.

[eiseres] heeft aan vordering sub 1 en sub 2 ten grondslag gelegd dat zij met SGS een overeenkomst van opdracht heeft gesloten en dat SGS tekort is geschoten in de nakoming van deze overeenkomst van opdracht omdat in Rapportage I niet alle asbest in kaart is gebracht en SGS onvolledig en onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan. In dat verband stelt [eiseres] zich primair op het standpunt dat op SGS een resultaatverplichting rust en SGS deze resultaatverplichting heeft geschonden. Subsidiair stelt [eiseres] zich op het standpunt dat op SGS een inspanningsverplichting rust en SGS deze inspanningsverplichting heeft geschonden. Als gevolg van het schenden van de resultaatverplichting, dan wel de inspanningsverplichting, heeft [eiseres] schade geleden ter hoogte van € 1.692.996,-.

3.3.

SGS betwist dat op haar een resultaatverplichting rust. Voorts betwist SGS dat zij de op haar rustende inspanningsverplichting heeft geschonden. SGS voert het verweer dat haar algemene voorwaarden van toepassing zijn op de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht en dat zij op grond daarvan hooguit aansprakelijk is tot een bedrag van € 21.995,-.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Uit de overeenkomst van opdracht blijkt dat partijen een overeenkomst van opdracht hebben gesloten, op grond waarvan SGS een asbestinventarisatie type A+B zou uitvoeren in het gebouw. Partijen verschillen echter van mening over de verplichtingen van SGS op grond van de overeenkomst van opdracht en over de vraag of de overeengekomen verplichtingen door SGS op de juiste wijze zijn uitgevoerd. Daarnaast verschillen partijen van mening over de vraag welke algemene voorwaarden zijn overeengekomen. De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag welke verplichting(en) voor SGS de overeenkomst van opdracht met zich brengt en of SGS aan deze verplichting(en) heeft voldaan. Tot slot zal de rechtbank ingaan op de vraag wat partijen zijn overeengekomen ten aanzien van de algemene voorwaarden.

Welke verplichting(en) voor SGS brengt de overeenkomst met zich?

4.2.

[eiseres] stelt dat op grond van de overeenkomst van opdracht SGS een resultaatverplichting heeft inhoudende dat SGS alle in het gebouw aanwezige asbest diende te inventariseren en te vermelden in haar eerste rapportage. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat doordat SGS bij haar eerste inventarisatie, waarvan haar bevindingen zijn neergelegd in rapportage I, niet alle asbest in kaart heeft gebracht tekort is geschoten in de nakoming van haar resultaatverplichting. SGS betwist dat op grond van de overeenkomst van opdracht een dergelijke resultaatverplichting op haar rust.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Voorts volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO1427) dat bij de uitleg van een dergelijk geschrift telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, alsmede dat in praktisch opzicht vaak van groot belang is de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben.

4.4.

De rechtbank stelt vast dat het in onderhavig geval gaat om professionele partijen die een commerciële overeenkomst hebben gesloten waarbij, zo blijkt onder andere uit de overgelegde (e-mail)correspondentie (rechtsoverweging 2.5 tot en met 2.9), over de inhoud is overlegd en onderhandeld, terwijl de overeenkomst ertoe strekt de wederzijdse rechten en plichten nauwkeurig vast te leggen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (onder meer ECLI:NL:HR:2013:BY8101) komt onder deze omstandigheden aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen grote betekenis toe. Echter, ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, zoals in onderhavig geval, kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.5.

Ten aanzien van de taalkundige uitleg van de overeenkomst overweegt de rechtbank als volgt. In de overeenkomst is niet expliciet een resultaatverplichting opgenomen voor SGS om alle in het gebouw aanwezige asbest te inventariseren en te rapporteren. Juist blijkt, onder andere uit de bijlage ‘Asbestinventarisaties: de feiten op een rij’, waarvan niet in geschil is dat deze onderdeel uitmaakt van de overeenkomst, dat het onderzoek mede wordt uitgevoerd op basis van vermoedens. In voornoemde bijlage is namelijk onder andere met zoveel woorden opgenomen, onder het kopje ‘Het type B onderzoek’, dat de vermoedens van aanwezigheid van verborgen asbestbronnen de basis zijn voor het type B onderzoek.

4.6.

Uit de overgelegde (e-mail)correspondentie van 3 en 4 maart 2016 blijkt niet dat [eiseres] mocht verwachten dat er op grond van de overeenkomst een resultaatverplichting op SGS rustte. In de e-mails wordt desgevraagd door SGS toegezegd dat met de asbestinventarisatie type A+B een zo volledig mogelijk beeld wordt verkregen van de risico’s. Uit de woorden ‘een zo volledig mogelijk beeld van de risico’s’ volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat onvoorwaardelijk wordt toegezegd dat een volledig beeld wordt verkregen van alle aanwezige asbest in het gebouw en daarmee alle aanwezige asbest in het gebouw zal worden gerapporteerd. Het gaat er om dat SGS, wederom als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot, een zo volledig mogelijk beeld schetst.

4.7.

[eiseres] wijst er op dat zij aan SGS heeft medegedeeld dat op basis van het rapport (Rapportage I) een sluitend saneringsplan moet kunnen worden opgesteld (zie hiervoor onder 2.9). SGS had dan ook moeten begrijpen dat [eiseres] verwachtte dat SGS alle aanwezige asbest in het gebouw zou rapporteren, aldus [eiseres] .

SGS stelt in dat verband dat een sluitend saneringsplan betekent dat het saneringsplan moet aansluiten op de inventarisaties en dat het saneringsplan geen statisch document is omdat dit moet worden aangepast na het aantreffen van asbesttoepassingen in het werk.

De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat vermeld wordt dat een sluitend saneringsplan moet kunnen worden opgesteld aan de hand van het inventarisatierapport, tegen de achtergrond van het uitgangspunt dat “een zo volledig mogelijk beeld” moet worden verkregen, niet inhoudt dat van SGS wordt verwacht dat zij een geheel volledig beeld moet geven.

4.8.

Vast staat dat tussen partijen is overeengekomen dat een volledige type A+B asbestinventarisatie conform SC-540 (Bijlage XIIIa, behorend bij Artikel 4.27 van de Arbeidsomstandighedenregeling) uitgevoerd zou worden door SGS. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat uit de wettelijke eisen volgt dat SGS alle asbest die direct visueel zichtbaar is (of waar te nemen is met licht destructief onderzoek) opspoort en asbest die niet-direct visueel waarneembaar is met zwaar destructief (type B) onderzoek opspoort. Ter onderbouwing verwijst [eiseres] onder andere naar bepaling 3.4.2. en 3.4.1. van de SC-540.

4.9.

In bepaling 3.4.2. van de SC-540 is, voor zover van belang, opgenomen:

Indien tijdens de asbestinventarisatie het redelijke vermoeden ontstaat, of niet kan worden uitgesloten, dat in de bouwconstructie of het object asbestbronnen aanwezig kunnen zijn die alleen met behulp van destructief onderzoek kunnen worden gedetecteerd, dient er een overzicht opgesteld te worden van deze asbestbronnen. Dit overzicht van redelijke vermoedelijk aanwezige asbestbronnen is de basis voor het opvolgende inventarisatieonderzoek Type-B. (..).

Het asbestinventarisatierapport Type-A dient een volledige inventarisatie te zijn van alle ruimten van een bouwwerk, of het gedeelte van dit bouwwerk dat bestemd is voor sloop, zoals: vloeren, wanden, plafonds, leidingen, technische installaties, gevels (binnen en buiten), kruipruimte(n), kelders en daken.

Een volledig asbestinventarisatierapport Type-A dient als basis voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van een bouwwerk. Een asbestinventarisatierapport Type-A dat niet volledig is, is niet geschikt voor een aanvraag omgevingsvergunning.

Uitwerking:

In de praktijk is het denkbaar, dat in de rapportage van een Type-A onderzoek uitsluitingen zijn opgenomen omdat bijvoorbeeld sommige ruimten niet konden worden onderzocht, of dat het bouwwerk nog in gebruik was ten tijde van de asbestinventarisatie (het gebouw was niet onbelemmerd en passend toegankelijk).

In al deze gevallen is er sprake van een onvolledig Type-A onderzoek. Deze uitsluitingen kunnen alleen door middel van een aanvullend Type-A onderzoek worden opgeheven. In het rapport dient duidelijk en onmiskenbaar te worden aangegeven, of het om een ‘volledig’ Type-A onderzoek gaat, of om een ‘onvolledig’ Type-A onderzoek (vermelden in titelblad en samenvatting). Een onvolledig Type-A onderzoek is niet geschikt ter indiening van een aanvraag van een omgevingsvergunning.

4.10.

De rechtbank overweegt dat de bepaling in artikel 3.4.2. van de SC-540 is opgenomen in hoofdstuk 3.4. van de SC-540, getiteld ‘Typering asbestinventarisering’. Daarom moet volgens de rechtbank bepaling 3.4.2. van de SC-540 gelezen worden in samenhang met paragraaf 3.4.1. van de SC-540, getiteld ‘Alle asbesttoepassingen onderscheiden’. In paragraaf 3.4.1. van de SC-540 is, voor zover van belang, opgenomen:

Door het Centraal College van Deskundigen is de volgende keuze gemaakt voor een duiding van alle asbesttoepassingen in een bouwwerk, constructie of object:

a. a) Direct waarneembaar asbest; hieronder wordt verstaan alle asbesttoepassingen die direct visueel waarneembaar zijn of die m.b.v. licht destructief onderzoek waar te nemen zijn.

Onder licht destructief onderzoek wordt verstaan onderzoek naar alle asbesttoepassingen, waarvan de inventariseerder gezien zijn deskundigheid een vermoeden dient te hebben, dat waargenomen kan worden met (waar nodig) gebruikmaking van de gereedschapset als vermeld in SC-540 par. 7.14.4. Bij licht destructief onderzoek wordt de bouwkundige integriteit niet aangetast.(..)

b) Niet-direct waarneembaar asbest; hieronder wordt verstaan alle asbesttoepassingen die niet direct visueel waarneembaar zijn of die m.b.v. licht destructief onderzoek niet waar te nemen zijn en alleen door destructief onderzoek met aantasting van de bouwkundige integriteit kan worden opgespoord.

Onder destructief onderzoek wordt verstaan onderzoek naar de asbesttoepassingen, vermeld op een overzicht van redelijke vermoedelijk aanwezige asbestbronnen, opgesteld door de inventariseerder. Bij het onderzoek wordt gebruik gemaakt van zwaar materieel (gebruik makend van elektrisch of pneumatisch aangedreven gereedschap), waarbij de bouwkundige integriteit van het bouwwerk kan worden aangetast.

4.11.

Voorts verwijst [eiseres] ook naar diverse bepalingen van paragraaf 7.14. van de SC‑540, getiteld ‘Eisen aan de te stellen asbestinventarisatie. Hierin is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“7.14.5. Inventarisatie van asbest, asbesthoudende producten etc.

7.14.5.1. Inleiding

Asbestinventarisatie geschiedt veelal in fasen, omdat vanwege gebruik of andere oorzaken, niet in één gang een allesomvattend onderzoek in het bouwwerk of object kan plaats vinden. Uiteindelijk dient alle aanwezige asbest, asbesthoudende producten, asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen in een bouwwerk of object volledig in kaart te zijn gebracht, geïdentificeerd en gekwantificeerd.

Opmerking:

Een onderzoeker heeft een inspanningsverplichting, afhankelijk van de mate waarin een pand in gebruik is, en de vrijheid die een opdrachtgever bij een inventarisatie Type-A kan bieden. Verlaagde plafonds, lambrisering, spouwmuren, koven etc. kunnen in veel gevallen zonder problemen met opdrachtgevers of risico op emissie worden open gemaakt, dit geldt ook voor vaste vloerbedekkingen. In overeenstemming met de typering in SC-540 par. 3.4. is het volgende onderscheid aangebracht.

Als deze inventarisatie leidt tot ‘een redelijk vermoeden’ op niet-direct waarneembare aanwezigheid van asbest, asbesthoudende producten, asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen in een bouwwerk of object, dan dient er een aanvullende inventarisatie (Type-B) te worden uitgevoerd.

Toelichting:

De inventariseerder komt op basis van zijn deskundigheid in het herkennen en benoemen van asbesttoepassingen tot de veronderstelling dat er asbesthoudende materialen aanwezig zouden kunnen zijn, die slechts met destructief onderzoek bereikbaar zijn. Deze bevinding wordt aangeduid met ‘een redelijk vermoeden’. De bevinding van ‘een redelijk vermoeden’ dient in de samenvatting van het rapport te worden aangegeven (zie ook par. 7.17.2.2). In de samenvatting van het rapport dient in dat geval over de werkwijze van de vergunningverlener bovendien en aansluitend de volgende zin te worden opgenomen:

7.14.7.

Type B: Niet-direct waarneembare asbest, asbesthoudende producten etc.

Het redelijke vermoeden van niet-direct waarneembare aanwezigheid van asbest, asbesthoudende producten etc in een bouwwerk of object, vermeld in asbestinventarisatierapport Type-A, leidt tot een aanvullende inventarisatie.

Niet-direct waarneembare asbest, asbesthoudende producten etc. worden in dat geval voorafgaand aan de bouwkundige sloop, wel of niet in samenwerking met het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf (conform SC-530), met destructief onderzoek opgespoord (zie 3.4.3), waarbij de bouwkundige integriteit van een gebouw of constructie wordt aangetast (voorbeeld: in de fundering gegoten asbestcement leidingwerk). Het destructief onderzoek daarbij dient te geschieden onder het regime van SC-530. Het resultaat leidt tot een asbestinventarisatierapport Type-B als aanvulling op het asbestinventarisatierapport Type-A. Dit wordt door het asbestinventarisatiebedrijf ter beschikking gesteld via de opdrachtgever c.q. de houder van de omgevingsvergunning aan de vergunningverlener (gemeente).”

4.12.

Op grond van hetgeen onder rechtsoverweging 4.9 tot en met 4.11 is weergegeven overweegt de rechtbank als volgt. In de opmerking bij artikel 7.14.5.1 van de SC-540 is expliciet opgenomen dat op een onderzoeker een inspanningsverplichting rust bij een type A onderzoek. Uit de opmerking volgt dat de inspanningsverplichting bij een type A onderzoek afhankelijk is van de mate waarin het pand in gebruik is en de vrijheid die een opdrachtgever bij het type A onderzoek kan bieden. Voorts blijkt ook uit paragraaf 3.4.1. onder a van de SC-540 dat het licht destructief onderzoek dient plaats te vinden ‘naar alle asbesttoepassingen, waarvan de inventariseerder gezien zijn deskundigheid een vermoeden dient te hebben’. Ook uit deze passage volgt dat er een inspanningsverplichting rust op de inventariseerder bij een type A onderzoek. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat er ten aanzien van het type A onderzoek op grond van de SC-540 geen resultaatverplichting, maar een inspanningsverplichting rust op de inventariseerder. Ten aanzien van het type B onderzoek overweegt de rechtbank dat zowel uit artikel 3.4.1. onder b als uit artikel 7.14.7 van de SC-540 volgt dat het type B onderzoek plaatsvindt naar aanleiding van een redelijk vermoeden van de aanwezigheid van niet-direct waarneembare asbest. Uit de toelichting bij artikel 7.14.6. van de SC-540 blijkt dat het redelijk vermoeden van niet-direct waarneembare asbest tot stand komt op basis van de van de deskundigheid van de inventariseerder in het herkennen en benoemen van asbesttoepassingen die slechts met destructief onderzoek bereikbaar zijn. Daarnaast blijkt uit artikel 7.14.5.1. van de SC‑540 dat ook de SC‑540 er niet van uitgaat dat, in alle gevallen, alle asbesttoepassingen in één keer worden geïnventariseerd. Ook ten aanzien van het type B onderzoek komt de rechtbank tot de conclusie uit op grond van de SC-540 geen resultaatverplichting, maar van een inspanningsverplichting rust op de inventariseerder.

4.13.

Voor zover [eiseres] betoogd dat is afgesproken dat door [eiseres] een ‘volledige inventarisatie’ zou worden uitgevoerd, dan wel dat een ‘volledige rapportage’ zou worden opgemaakt met zich brengt dat alle aanwezige asbest in het gebouw zou worden geïnventariseerd en gerapporteerd, faalt dit betoog. In de bijlage ‘Asbestinventarisaties: de feiten op een rij’ is expliciet opgenomen dat een rapport ‘onvolledig’ is wanneer sommige ruimtes niet worden onderzocht. In dat geval wordt in het rapport aangegeven dat het een ‘onvolledig’ rapport betreft. Dit blijkt tevens met zoveel woorden uit paragraaf 3.4.2. van de SC-540, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 4.9. De rechtbank concludeert hieruit dat een ‘volledig’ rapport inhoudt dat alle ruimtes in het gebouw worden onderzocht en dit derhalve niet inhoudt dat alle asbest in het gebouw wordt geïnventariseerd.

4.14.

De rechtbank concludeert dat uit de (e-mail)correspondentie, de overeenkomst en de SC-540 niet volgt dat er op SGS een resultaatverplichting rust, inhoudende dat zij bij de eerste rapportage alle in het gebouw aanwezige asbest zou inventariseren en rapporteren. Het enkele feit dat meer asbest in het gebouw is aangetroffen dan is gerapporteerd in Rapportage I betekent niet dat reeds daarom sprake is van een tekortkoming in de nakoming aan de zijde van SGS.

Nakoming inspanningsverplichting

4.15.

Op SGS rustte, zoals hiervoor vastgesteld, een inspanningsverplichting. De vraag of SGS tekort is geschoten in de nakoming zal dan ook moeten worden beantwoord aan de hand van de vraag of SGS heeft gehandeld zoals een goed en zorgvuldig handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in de gegeven omstandigheden had moeten doen. Dit houdt in dit geval beoordeeld moet worden of een gecertificeerd asbestinventariseerder op basis van deskresearch en visuele inspectie de asbesttoepassingen die na het opmaken van Rapportage I zijn ontdekt, reeds voor/bij de eerste rapportage had dienen te ontdekken en dienen te rapporteren in Rapportage I.

4.16.

SGS stelt in zijn algemeenheid ten aanzien van de werkwijze van de inspectie van het gebouw het volgende. Zij heeft het gebouw systematisch doorlopen. Er heeft een inspectie plaatsgevonden aan de hand van een checklist, zodat alle ruimtes zijn gezien. SGS stelt dat een asbestinventarisatie altijd een subjectieve component heeft. Het gaat om de vraag of een bepaalde locatie ‘asbestverdacht’ is. Daarbij wordt er in de praktijk gewerkt met vermoedens. Hieruit volgt dat steekproefsgewijs onderzoek is toegestaan en ook noodzakelijk is. Het is niet zo dat steekproefsgewijs locaties zijn bekeken, daarbij geen asbesthoudenede materialen zijn aangetroffen, buiten asbest in een deur, en daarmee het vermoeden dat er asbest is toegepast is komen te vervallen. Vermoedens kunnen ontstaan naar aanleiding van deskresearch en visuele inspectie. Er wordt ook onderzoek gedaan aan de hand van repeterende onderdelen. Bij repeterende onderdelen wordt getoetst of ze identiek zijn. Is dat het geval dan worden een paar onderdelen uit elkaar gehaald. Wordt er geen asbest aangetroffen dan wordt ervan uitgegaan dat de overige identieke onderdelen ook geen asbest bevatten.

4.17.

De verschillende verwijten die [eiseres] aan SGS maakt, zullen hierna achtereenvolgens besproken worden.

Het deskresearch

4.18.

[eiseres] verwijt SGS dat zij het deskresearch niet goed heeft uitgevoerd, omdat SGS de bouwtekening van het gebouw uit 1966 (hierna: de bouwtekening) niet bij de gemeente heeft opgevraagd, SGS is uitgegaan van een onjuist bouwjaar en SGS geen deugdelijke checklist had van de in het gebouw te verwachten asbestrisico’s. [eiseres] stelt dat in Rapportage I vermeld staat dat door de gemeente geen stukken beschikbaar zijn gesteld, waarbij [eiseres] zich afvraagt of SGS het gemeentearchief wel heeft geraadpleegd. Het gemeentearchief bevat immers wel stukken, namelijk de bouwtekening uit 1966, die geraadpleegd had kunnen en moeten worden en waaruit een causaal verband blijkt met de asbesttoepassingen die nadien door [naam 6] in het gebouw zijn aangetroffen en door SGS zijn gemist.

4.19.

SGS stelt dat er ten aanzien van het deskresearch een verplichting is om alle stukken bij de opdrachtgever op te vragen. Er is geen verplichting om het gemeentearchief te raadplegen. De inspecteur bepaalt of de overgelegde informatie voldoende is. In dit geval waren er twee rapportages van gerenommeerde bedrijven die in het verleden asbest hadden verwijderd/geïnventariseerd en de inspecteur heeft geoordeeld dat dit voldoende was. Er was geen aanleiding om onderzoek te doen naar het bestaan van aanvullende stukken. Daarnaast was het gebouw al sterk veranderd in vergelijking met de tekeningen uit 1966.

4.20.

Beoordeeld dient te worden of SGS in dit geval het deskresearch niet goed heeft uitgevoerd doordat zij het gemeentearchief niet heeft geraadpleegd. De rechtbank acht het gewenst hierover een deskundigenbericht in te winnen, een en ander zoals hierna aan te geven.

Brandschotten in kelder

4.21.

[eiseres] verwijt SGS dat zij de brandschotten in de kelder van het gebouw onterecht niet als asbestverdacht heeft aangemerkt. [eiseres] stelt dat op de bouwtekening is te zien dat in de kelder verschillende brandscheidingen zichtbaar zijn. Het is algemeen bekend dat bij (voormalige) posities van brandscheidingen sprake kan zijn van asbest of asbestresten. Bij een tweetal brandscheidingen zijn door [naam 6] asbesthoudende brandschotten aangetroffen. [eiseres] stelt dat SGS gehouden was om de bouwtekening op te vragen en als zij dit had gedaan dan had zij op basis van het deskresearch de posities van de brandscheidingen als verdachte locatie moeten aanmerken. Vervolgens had zij deze bij de uitvoering van de inventarisatie moeten controleren. In dat geval zou het asbesthoudende materiaal zijn opgemerkt.

4.22.

SGS stelt dat het in geval van de brandscheidingen gaat het om specifieke asbesttoepassingen. Op de overige locaties zijn deze asbesttoepassingen niet toegepast en betreft het uitsluitend niet verdacht materiaal. Tijdens de inspectie zijn de locaties van de brandschotten wel bekeken en is er, buiten asbest in een deur, geen asbestverdacht materiaal aangetroffen bij de brandschotten. Daarmee is het vermoeden dat er asbest in de brandschotten zou zijn toegepast komen te vervallen.

4.23.

Beoordeeld dient te worden of SGS in dit geval op basis van het deskresearch en de visuele inspectie aanleiding had moeten zien om de brandschotten in de kelder van het gebouw als asbestverdachte locatie aan te merken en die vervolgens bij de uitvoering van de inventarisatie had dienen te controleren. De rechtbank acht het gewenst hierover een deskundigenbericht in te winnen, een en ander zoals hierna aan te geven.

Asbesthoudende beplating, verdieping 9

4.24.

In Rapportage I, Bijlage III Deskresearch (pagina 45) is, voor zover van belang, hierover het volgende opgenomen:

“ In 1995 zijn tweezijdig aangebrachte asbestcement beplating boven wanden gesaneerd op stramien J van stramien 8 tot 12 en stramien E van 8 tot 10. Tijdens de recente inspectie zijn geen tekeningen beschikbaar met stramien nummers. Er zijn beplating aangetroffen ten tijde van de recente inspectie.”

4.25.

Allereerst verwijt [eiseres] SGS dat zij de 9e verdieping niet grondig heeft onderzocht. Uit rapportage I, Bijlage III Deskresearch, pagina 45, blijkt dat SGS op basis van oude asbestinventarisatierapporten heeft bepaald op welke locaties in 1995 is gesaneerd. [eiseres] stelt dat zeker bij de saneringen in de beginjaren na de inwerkingtreding van het asbestverbod vaak asbestrestanten achterbleven. Omdat SGS niet beschikte over tekeningen met stramiennummers wist zij niet op welke locaties op de 9e verdieping de sanering in 1995 had plaatsgevonden. Als gevolg daarvan heeft SGS de 9e verdieping niet gericht kunnen onderzoeken. Omdat SGS wel wist dat er in het verleden op de 9e verdieping was gesaneerd, waarbij vermoedelijk nog resten zijn achtergebleven, had zij deze verdieping zeer grondig moeten onderzoeken. Daarnaast verwijt [eiseres] in dit verband dat SGS de bouwtekening niet heeft opgevraagd. Indien SGS dit wel had gedaan dan had zij de 9e verdieping gericht kunnen controleren op de aanwezigheid van restanten asbest na de sanering in 1995.

4.26.

Beoordeeld dient eerst te worden of SGS in dit geval, als deze verplichting al niet bestond op grond van de vraag inzake het deskresearch, de bouwtekening, met stramiennummers, had moeten opvragen. Indien dit het geval is, dan dient beoordeeld te worden of SGS de asbesttoepassingen had dienen te ontdekken, omdat zij dan de 9e verdieping gericht had kunnen onderzoeken. Indien SGS de bouwtekening, met stramiennummers, niet had hoeven opvragen dient beoordeeld te worden of SGS de asbesttoepassingen had dienen te ontdekken door zeer grondig onderzoek te verrichten. De rechtbank acht het gewenst hierover een deskundigenbericht in te winnen, een en ander zoals hierna aan te geven.

Brandschotten, verdieping 1 tot en met 8

4.27.

In rapportage I, Bijlage III Deskresearch (pagina 46) is, voor zover van belang hierover het volgende opgenomen:

“In 1995 is volgens het asbestdeelbestek beplating boven plafonds en wanden gesaneerd (1‑5% chrysotiel en 20-30% amosiet) op de 1e t/m 8e etage. Er wordt geen aanduiding gegeven m.b.t. de exacte locaties van de brandschotten. Ten tijde van de recente inspectie zijn geen brandschotten boven plafond en wanden aangetroffen (gipsplaten en glaswolisolatie aanwezig).”

4.28.

[eiseres] verwijt SGS dat zij de (restanten van de) asbesttoepassing van de brandschotten op verdieping 1 tot en met 8 niet in eerste aanleg (de rechtbank begrijpt: het onderzoek dat ten grondslag ligt aan Rapportage I) heeft aangetroffen. [eiseres] stelt dat uit het deskresearch blijkt dat in 1995 op verdieping 1 tot en met 8 boven de plafonds en wanden asbesthoudende beplating is gesaneerd. Het is aannemelijk dat na de sanering op deze locaties asbestrestanten zijn achtergebleven. Bij de inspectie is de asbesttoepassing, dan wel zijn restanten van de asbesttoepassing, op verdieping 1 tot en met 8 niet aangetroffen. Omdat SGS geen tekeningen beschikbaar had van de oorspronkelijke brandscheidingen wist zij niet op welke locaties de sanering in 1995 had plaatsgevonden en heeft zij daarop geen gericht onderzoek kunnen doen. Omdat SGS niet gericht kon onderzoeken, maar wel wist dat in het verleden de brandschotten op de etages waren gesaneerd, waar vermoedelijk nog resten waren achtergebleven, had zij de verdieping grondig moeten onderzoeken. In dat geval had SGS de later door haar aangetroffen restanten van deze asbesttoepassing aangetroffen. Daarnaast heeft SGS in eerste aanleg op de luchtkanalen van verdieping 10 asbestrestanten aangetroffen. De positie en het type van de asbestrestanten zijn identiek aan de restanten die [naam 6] op verdieping 1 tot en met 7 heeft aangetroffen. SGS had door de vondst van de asbestrestanten op de luchtkanalen op verdieping 10 een verband moeten opmerken met de uitkomsten van het deskresearch gezien het repeterende karakter van de verdiepingen.

4.29.

SGS stelt dat de bereikbaarheid ten tijde van het onderzoek zeer beperkt was. Er waren slechts twee plafondopeningen aanwezig waardoor een beperkte inspectie van het houten plafond en de kabelgoot mogelijk was. In de rapportage is daarom opgenomen dat in de kabelgoot mogelijk plaatmateriaal aanwezig is. Daarnaast stelt SGS dat de 10e verdieping afwijkt van de overige verdiepingen en dat er daarom geen vermoeden was dat de asbesttoepassing elders aanwezig was. In het rapport is daaromtrent een aanbeveling opgenomen.

4.30.

Beoordeeld dient eerst te worden of SGS in dit geval, als deze verplichting al niet bestond op grond van de vraag inzake het deskresearch, over de bouwtekening had behoren te beschikken door het gemeentearchief te raadplegen. Indien dit het geval is dan dient beoordeeld te worden of SGS de asbestrestanten had dienen te ontdekken, omdat zij dan gericht had kunnen onderzoeken of er asbestrestanten waren. Indien SGS niet over de bouwtekening behoorde te beschikken dient beoordeeld te worden of SGS desondanks de asbesttoepassingen had dienen te ontdekken. De rechtbank acht het gewenst hierover een deskundigenbericht in te winnen, een en ander zoals hierna aan te geven.

Plafondbeplating, 9e verdieping

4.31.

[eiseres] verwijt SGS dat zij de asbesttoepassingen bij de plafondbeplating/schachten (bron 9) op de 9e verdieping niet in eerste aanleg (de rechtbank begrijpt: het onderzoek dat ten grondslag ligt aan Rapportage I) heeft waargenomen. [eiseres] stelt dat de positie van bron 9 op de 9e verdieping niet anders is dan op de overige verdiepingen en uit Rapportage I blijkt dat SGS bron 9 op verdieping 5, 6, 7, en 8 heeft aangetroffen. Bovendien had SGS op grond van paragraaf 7.16.2. (de rechtbank begrijpt: van de SC-540) alle ruimten en constructieonderdelen moeten onderzoeken en dat heeft zij niet gedaan. Indien SGS dit wel had gedaan dan had zij in eerste aanleg bron 9 ook op de 9e verdieping waargenomen.

4.32.

SGS stelt dat de situatie op de 9e verdieping anders is dan op de overige verdiepingen. Ondanks het creëren van een gat in de muur in een muurconstructie is de asbesttoepassing niet waargenomen. Pas bij aanvullend onderzoek, na het openbreken van een muurconstructie aan de andere zijde van de schacht, was de asbesttoepassing ook op de 9e verdieping waarneembaar. Daarom kan SGS geen verwijt worden gemaakt.

4.33.

De rechtbank overweegt dat eerst beoordeeld dient te worden of SGS tot de conclusie had moeten komen dat de positie van bron 9 op de 9e verdieping gelijk is aan de positie van bron 9 op verdieping 5, 6, 7 en 8. Indien dit het geval is dient beoordeeld te worden of SGS op grond van het aantreffen van bron 9 op verdieping 5, 6, 7, en 8 ook bron 9 op de 9e verdieping had behoren te ontdekken. Tot slot dient op dit punt beoordeeld te worden of het onderzoek is uitgevoerd conform paragraaf 7.16.2. van de SC-540 en zo niet of SGS hierdoor bron 9 op de 9e verdieping heeft gemist. De rechtbank acht het gewenst hierover een deskundigenbericht in te winnen, een en ander zoals hierna aan te geven.

Kit achter niet asbesthoudende sandwichpanelen, 10e verdieping

4.34.

[eiseres] verwijt SGS dat zij de kit achter de niet-asbesthoudende platen op de 10e verdieping in eerste aanleg (de rechtbank begrijpt het onderzoek dat ten grondslag ligt aan Rapportage I) niet als asbesthoudend heeft aangemerkt. [eiseres] stelt dat alleen op de 10e verdieping niet asbesthoudende panelen aanwezig zijn. Vanwege de vervanging van de oorspronkelijke asbesthoudende panelen door niet asbesthoudende panelen op deze verdieping is achter de convectoren asbesthoudende kit achtergebleven. Vanwege de afwijkende gevelopbouw op verdieping 10 was alertheid geboden. [eiseres] stelt dat SGS niet heeft voldaan aan paragraaf 7.16.2 (de rechtbank begrijpt: van de SC-540). Als SGS dit wel had gedaan dan had zij in eerste aanleg ook de kit achter de niet asbesthoudende platen waargenomen.

4.35.

SGS stelt dat het gaat om kit achter niet asbesthoudende sandwichpanelen die enkel aanwezig waren op de 10e verdieping. Het betreft kit van de panelen onder het raam achter de convectoren. Op alle overige verdiepingen zit het kit in het kozijn zelf op de locaties waar in het verleden de panelen zijn vervangen, daarmee wijkt de 10e verdieping af van de andere verdiepingen. Op de 10e verdieping betrof het een nieuw paneel. Er was daarom geen vermoeden dat er kit achter het paneel zou zitten.

4.36.

Op dit punt dient beoordeeld te worden of het onderzoek is uitgevoerd conform paragraaf 7.16.2. van de SC-540 en zo niet of SGS hierdoor de kit achter de niet asbesthoudende platen (bron 18) niet heeft waargenomen, waardoor deze niet als asbesthoudend zijn aangemerkt. De rechtbank acht het gewenst hierover een deskundigenbericht in te winnen, een en ander zoals hierna aan te geven.

Kitresten achter omkasting convectoren

4.37.

[eiseres] verwijt SGS dat zij de restanten kit op de vloer achter de radiatoromkastingen (convectoren) en op de metalen richels achter radiator 91 en 92 niet in eerste aanleg (de rechtbank begrijpt: het onderzoek dat ten grondslag ligt aan Rapportage I) heeft waargenomen. [eiseres] stelt dat SGS op grond van paragraaf 7.16.2. (de rechtbank begrijpt: van de SC-540) niet kon volstaan met het steekproefsgewijs inspecteren van de convectoren. In dit geval had ook achter de omkastingen geïnspecteerd moeten worden. Als SGS dat had gedaan dan waren deze restanten in eerste aanleg waargenomen op de verdiepingen 1 tot en met 10.

4.38.

SGS stelt dat de convectoren tijdens de asbestinventarisatie steekproefsgewijs zijn gecontroleerd. Omdat bij het eerste onderzoek geen kitresten bij de convectorkasten zijn aangetroffen, is de inventarisatie niet uitgebreid naar een 100%-inventarisatie. Ten aanzien van de kit op de metalen richels achter de radiotoren stelt SGS dat aan de buitenzijde asbesthoudende kit is aangetroffen. De kit loopt echter aan de binnenzijde door onder de metalen beplating, waardoor deze niet zichtbaar was. Er was geen redelijk vermoeden dat de kit onder de metalen beplating aan de binnenzijde door zou lopen.

4.39.

Beoordeeld dient te worden of het de asbestinventarisatie op dit punt voldoet aan paragraaf 7.16.2. van de SC-540. Indien dit niet het geval is dient beoordeeld te worden of SGS, indien zij asbestinventarisatie wel conform paragraaf 7.16.2. van de SC-540 had uitgevoerd, de kitrestanten had waargenomen. Daarnaast dient beoordeelde te worden of SGS de kitrestanten achter de radiotoren had moeten waarnemen. De rechtbank acht het gewenst hierover een deskundigenbericht in te winnen, een en ander zoals hierna aan te geven.

Stelplaatjes

4.40.

[eiseres] verwijt SGS dat zij de stelplaatjes niet in eerste aanleg (de rechtbank begrijpt: het onderzoek dat ten grondslag ligt aan Rapportage I) heeft waargenomen. [eiseres] stelt dat SGS op grond van paragraaf 7.16.2. (de rechtbank begrijpt: van de SC-540) niet kon volstaan met het steekproefsgewijs inspecteren van de convectoren. In dit geval had ook achter de omkastingen geïnspecteerd moeten worden. Als SGS dat had gedaan dan waren deze restanten in eerste aanleg waargenomen op de verdiepingen 1 tot en met 10 en had SGS de stelplaatjes in eerste aanleg waargenomen.

4.41.

SGS stelt dat de convectoren tijdens de asbestinventarisatie steekproefsgewijs zijn gecontroleerd. Aangezien er tijdens het eerste onderzoek geen stelplaatjes zijn aangetroffen was er geen vermoeden dat deze op andere locaties wel aanwezig zouden zijn.

4.42.

Beoordeeld dient te worden of de asbestinventarisatie op dit punt voldoet aan paragraaf 7.16.2. van de SC-540. Indien dit niet het geval is dient beoordeeld te worden of SGS, indien zij asbestinventarisatie wel conform paragraaf 7.16.2. van de SC-540 had uitgevoerd, de stelplaatjes had waargenomen. De rechtbank acht het gewenst hierover een deskundigenbericht in te winnen, een en ander zoals hierna aan te geven.

Bitumen

4.43.

Vast staat dat, voor zover hier van belang, SGS voorafgaand aan de destructieve werkzaamheden aan [eiseres] en [naam 2] een plan heeft toegestuurd van locaties waar destructief onderzoek uitgevoerd zou worden. In dit plan is, voor zover van belang, opgenomen:

“ Opmerking: de gevelconstructie bestaat uit prefabbeton elementen die aan de gevel zijn bevestigd. Het is ook mbv destructief onderzoek ten tijde van de inspectie niet mogelijk om geveldelen te verwijderen t.b.v. inspectie.(omvang van de geveldelen en mogelijk aanwezigheid asbestverdachte kit bij de aansluitende raamconstructie) Mogelijk kunnen tussen de betonnen geveldelen en het gebouw bijv. asbestverdachte stelplaatjes of bijv kitlagen aanwezig zijn. Indien de gevel aanwezig blijft is onderzoek niet noodzakelijk.”

4.44.

[eiseres] stelt dat SGS in eerste aanleg (de rechtbank begrijpt: het onderzoek dat ten grondslag ligt aan Rapportage I) geen destructief (type B) onderzoek heeft gedaan naar de opbouw van de gevelconstructie. [eiseres] stelt dat SGS op grond van voornoemde opmerking het redelijke vermoeden moest hebben dat in de opbouw van de gevelconstructie asbesttoepassingen zijn verwekt. Op grond van paragraaf 7.14.7. (de rechtbank begrijpt: van de SC-540) had SGS een aanvullende inventarisatie moeten uitvoeren. Daarnaast heeft SGS in Rapportage I geen beperkingen dan wel redelijke vermoedens over mogelijke asbesttoepassingen in en aan de gevel opgenomen. Nu SGS in eerste instantie wel een vermoeden had van asbest in c.q. aan de gevelconstructie, maar hier bij de inventarisatie geen dan wel onvoldoende onderzoek naar heeft gedaan en hier niets over heeft opgenomen in Rapportage I heeft SGS niet voldaan aan bijlage XIIIa (de SC‑540).

4.45.

SGS stelt dat er op meerdere locaties gevelconstructies opengehakt zijn ten behoeve van de inspectie naar de aanwezigheid van de bitumen laag. Niet op elke locatie is bitumen aangetroffen of de bitumen was zo summier aangebracht dat monstername niet mogelijk was. Omdat de functie van de toepassing niet duidelijk was, was er geen vermoeden dat er asbesthoudende bitumen aanwezig zou kunnen zijn op deze locatie. Er is in Rapportage I aangegeven dat er in de gevel nog asbest zou kunnen zitten, maar gezien het ging om een transformatie is er geen verder onderzoek naar uitgevoerd.

4.46.

Beoordeeld dient te worden of SGS het redelijke vermoeden moest hebben dat in de opbouw van de gevelconstructie asbesttoepassingen zijn verwerkt en om die reden (verdergaand) destructief onderzoek had moeten verrichten. Indien dit niet het geval is dient te worden beoordeeld of hetgeen hieromtrent is opgenomen in rapportage I conform de SC‑540 is. De rechtbank acht het gewenst hierover een deskundigenbericht in te winnen, een en ander zoals hierna aan te geven.

Analyse beglazingskit

4.47.

Tot slot stelt [eiseres] dat de werkwijze van SGS met betrekking tot de analyse van de beglazingskit onzorgvuldig en ondeugdelijk is. SGS heeft monsters genomen van de beglazingskit en die heeft SGS in Rapportage I als niet asbesthoudend aangemerkt. Na de derde analyse heeft SGS toegegeven dat in Rapportage I verkeerd is gerapporteerd. [eiseres] stelt dat de tot twee keer toe onjuiste uitkomst van de analyse een gevolg is van de werkwijze van SGS. SGS heeft te weinig monsters genomen of nagelaten de monsters te verassen. Dit is in strijd met de regelgeving.

4.48.

SGS stelt dat de laboratoriumanalyses niet zijn verricht door SGS, maar door het onafhankelijke SGS Search laboratorium B.V. (SGS laboratorium). SGS stelt zich op het standpunt dat zij daarom niet verantwoordelijk of aansprakelijk is voor de juistheid van de analyses. Daarnaast stelt SGS dat zij voldoende monsters heeft genomen, namelijk vier monsters op verschillende plekken, en dat dit representatief is. In de wet is niet bepaald hoeveel monsters er moeten worden genomen. Dat er een onjuiste analyse van de kit is gemaakt komt door een fractionele afwijking. Bij grensgevallen kan zo’n fractionele afwijking maken dat iets wel of niet als asbesthoudend wordt aangemerkt.

4.49.

De rechtbank gaat op dit punt allereerst in op het verweer van SGS dat zij niet aansprakelijk is voor de uitkomsten van de analyse, omdat deze zijn uitgevoerd door SGS laboratorium. De rechtbank stelt vast dat op grond van de offerte, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 2.6., het analyseren van de (kit)monsters onderdeel is van de overeenkomst tussen [eiseres] en SGS. SGS heeft daarbij aangegeven dat de analyse wordt uitgevoerd door een derde partij, namelijk SGS laboratorium. Op grond van artikel 6:76 BW is indien de schuldenaar bij de uitvoering van een verbintenis gebruik maakt van de hulp van andere personen, hij voor hun gedragingen op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk.

In de parlementaire geschiedenis (MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 269) is ten aanzien van het begrip hulppersoon, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Hulppersoon is ieder die bij de uitvoering van de verbintenis wordt ingeschakeld, dus niet alleen de ondergeschikten van de schuldenaar, maar ook zelfstandige hulppersonen zoals onderaannemers en de door hen ingeschakelde ondergeschikten of zelfstandige uitvoerders.”

De rechtbank is van oordeel dat SGS laboratorium in dit geval kan worden gezien als hulppersoon waarvan SGS gebruik maakt bij de uitvoerig van de verbintenis met [eiseres] . Daarom slaagt het verweer van SGS, dat zij niet aansprakelijk is voor de uitkomst van de analyse van de kitmonsters, omdat deze zijn uitgevoerd door SGS laboratorium, niet.

4.50.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de werkwijze van SGS met betrekking tot het nemen van de monsters voldoende zorgvuldig en deugdelijk is. Daarbij dient onder meer beoordeeld te worden of SGS voldoende monsters heeft genomen en of de monsters zijn verast. De rechtbank acht het gewenst hierover een deskundigenbericht in te winnen, een en ander zoals hierna aan te geven.

4.51.

Voordat overgegaan wordt tot het verstrekken van een deskundigenopdracht, zal de rechtbank partijen, die op de mondelinge behandeling al hebben laten weten in te kunnen stemmen met de benoeming van één of meer deskundige(n), in de gelegenheid stellen zich uit te laten over, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

4.52.

De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van asbestinventarisatie en dat de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd:

  1. Welke regels gelden er voor het raadplegen van stukken op basis waarvan het deskresearch moet worden uitgevoerd?

  2. Had een gecertificeerd asbestinventariseerder in dit geval het gemeentearchief moeten raadplegen? Zo ‘ja’ waarom, zo ‘nee’ waarom niet?

  3. Indien uw antwoord op vraag 2 ‘ja’ is, wilt u dan aangeven of een gecertificeerd asbestinventariseerder, indien het gemeentearchief was geraadpleegd, de asbesttoepassingen, zoals genoemd in rechtsoverweging 4.21 tot en met 4.30 bij het onderzoek dat ten grondslag ligt aan Rapportage I had dienen te ontdekken?

  4. Wilt u voor de locaties genoemd onder rechtsoverweging 4.28 tot en met 4.33 en 4.37 tot en met 4.39 aangeven of de asbestinventarisatie conform paragraaf 7.16.2 van de SC-540 is uitgevoerd? Zo ja waarom, zo nee waarom niet?

  5. Indien uw antwoord op de voorgaande vraag ‘nee’ is, wilt u dan aangeven of in het geval het onderzoek op de locaties wel conform paragraaf 7.16.2. van de SC-540 was uitgevoerd een gecertificeerd asbestinventariseerder de asbesttoepassingen bij het onderzoek dat ten grondslag ligt aan Rapportage I had dienen te ontdekken.

  6. Wilt voor de asbestlocatie, zoals genoemd in rechtsoverweging 4.28 tot en met 4.30, aangeven of een gecertificeerd asbestinventariseerder tot de conclusie had moeten komen dat de positie van bron 9 op de 9e verdieping gelijk is aan de positie van bron 9 op verdieping 5, 6, 7 en 8. Zo ‘ja’ waarom, zo ‘nee’ waarom niet?

  7. Indien het antwoord op vraag 6 ‘ja’ is, wilt u dan aangeven of een gecertificeerd asbestinventariseerder vanwege het aantreffen van bron 9 op verdieping 5, 6, 7, en 8, ook bron 9 op de 9e verdieping had behoren te ontdekken? Zo ‘ja’ waarom, zo ‘nee’ waarom niet?

  8. Wilt u per locatie, zoals genoemd in rechtsoverweging 4.21 tot en met 4.43, aangeven of een gecertificeerd asbestinventariseerder deze asbesttoepassingen bij het onderzoek dat ten grondslag ligt aan Rapportage I (om andere redenen dan reeds besproken bij vraag 1 tot en met 7) had dienen te ontdekken? Zo ja waarom, zo nee waarom niet?

  9. Welke normen en voorschriften gelden voor het nemen van monsters van een asbestverdachte kit, ten behoeve van een asbestinventarisatie conform SC-540?

  10. In welke mate voldoen de ten behoeve van de asbestinventarisatie van de rapportage van 18 april 2016 en 31 augustus 2017 door SEH genomen kitmonsters aan de onder vraag 9 bedoelde normen en voorschriften?

  11. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

4.53.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door [eiseres] moeten worden betaald.

Toepasselijkheid artikelen 14 en 15 NDR

4.54.

SGS heeft zich met betrekking tot de overeengekomen algemene voorwaarden op het standpunt gesteld dat zij hooguit aansprakelijk is tot een bedrag van € 21.995,-. SGS stelt in dat verband dat haar algemene voorwaarden, opgenomen in De Nieuwe Regeling 2011 (DNR), van toepassing zijn op de overeenkomst en dat op grond van de artikelen 14 en 15 van de DNR, voor zover van belang, haar aansprakelijkheid beperkt is tot het bedrag van de van de advieskosten, zijnde € 21.995,-.

4.55.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat de voorwaarden in de DNR niet van toepassing zijn op de overeenkomst, maar dat haar algemene voorwaarden, opgenomen in de Standaard Administratieve Bepalingen (SAB), met beperkingen, van toepassing zijn op de overeenkomst.

4.56.

Voor de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, moet worden uitgelegd, in dit geval met betrekking tot de algemene voorwaarden, verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.3.

Zoals de rechtbank in die rechtsoverweging heeft overwogen gaat het in dit geval om professionele partijen die een commerciële overeenkomst hebben gesloten. Uit de correspondentie die is weergegeven onder rechtsoverweging 2.5 tot en met 2.7 blijkt dat partijen expliciet hebben overlegd en onderhandeld over algemene voorwaarden. Dit heeft ertoe geleid dat de formulering van de overeengekomen algemene voorwaarden in de ondertekende overeenkomst van 11 mei 2016 afwijkt van de formulering over de toepasselijke algemene voorwaarden in de offerteaanvraag van 15 februari 2016.

Er mag dan ook van uit worden gegaan dat de overeenkomst ertoe strekt de wederzijdse rechten en plichten nauwkeurig vast te leggen. Daarom komt ook in het geval van de uitleg over de toepasselijke algemene voorwaarden groot gewicht toe aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen.

Met betrekking tot de toepasselijke algemene voorwaarden staat in de ondertekende overeenkomst van 11 mei 2016 het volgende:

“De Standaard Administratieve Bepalingen van [eiseres] , zoals ontvangen in de offerte aanvraag d.d. 15 februari 2016 zijn van toepassing en SGS Search Ingenieursbureau gaat akkoord met de gestelde voorwaarden en bijlagen wanneer deze overeenkomen met de artikelen zoals genoemd in de algemene voorwaarden van de DNR2011.”

In deze tekst staat enerzijds dat de Standaard Administratieve Bepalingen van [eiseres] van toepassing zijn en anderzijds dat SGS akkoord gaat met de gestelde voorwaarden en bijlagen wanneer deze overeenkomen met artikelen van de DNR 2011. Op geen enkele wijze is in deze formulering opgenomen dat de DNR van toepassing is op de tussen partijen gesloten overeenkomst, laat staan dat andere artikelen van DNR dan de artikelen die overeenkomen met de voorwaarden en bijlagen van de SAB van toepassing zijn. Partijen hebben zich derhalve met deze bepaling akkoord verklaard met de toepasselijkheid van (een gedeelte van) de SAB. SGS heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat partijen de – artikelen 14 en 15 van de – DNR van toepassing hebben verklaard dan wel hebben bedoeld deze van toepassing te verklaren. Op overeenstemming tussen die artikelen en bepalingen uit de SAB is geen beroep gedaan en van een dergelijke overeenstemming is ook niet gebleken. Het beroep van SGS op de artikel 14 en 15 DNR slaagt daarom niet.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 10 februari 2021 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang, mr. N.W.A. Stegeman-Kragting en mr. G.J.H. Boerhof en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2021.