Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1574

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
20/525
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leges omgevingsvergunning. Vertrouwen gewekt door college werkt door in de legesaanslag van de heffingsambtenaar. Rechtbank voorziet zelf en vernietigt de aanslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 4-6-2021
FutD 2021-1780 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2021/1356
NLF 2021/1175 met annotatie van
V-N 2021/27.25.9
Belastingblad 2021/287 met annotatie van R.T. Wiegerink
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/525

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] ), eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Meijerijstad, verweerder

(gemachtigde: mr. J.F. van Dongen).

Procesverloop

Bij aanslag van 15 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder leges opgelegd ten bedrage van € 820 voor het in behandeling nemen van de door eiser aangevraagde omgevingsvergunning voor het plaatsen van een tijdelijk woonunit op de locatie [adres 1] .

Bij uitspraak op bezwaar van 15 januari 2020 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2021. Eiser is naar de zitting gekomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Op 15 oktober 2018 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een halfvrijstaande woning en het aanleggen van een inrit op het perceel aan de [adres 1] in [woonplaats] , gemeente Meijerijstad. Verweerder heeft met het besluit van
14 november 2018 positief op deze aanvraag beslist.

2. Tijdens de bouw van de woning is op 27 december 2018 op het perceel een tijdelijke woonunit geplaatst. Het is eiseres bedoeling dat hij (en zijn gezin) tijdens de duur van de bouwwerkzaamheden (tijdelijk) gaan wonen in deze unit. Verweerder zegt dat de plaatsing is vastgesteld nadat de tijdelijke woonunit is geplaatst. Volgens eiser is iemand van de gemeente Meijerijstad eind januari/begin februari komen kijken naar de vorderingen van de bouw.

3. Eiser heeft op 3 februari 2019 (op aandringen van de gemeente Meijerijstad) een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning ( [nummer] ) voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit op het perceel [adres 1] . Op 11 februari 2019 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend (voor de duur van een jaar tot uiterlijk 1 maart 2020) voor de tijdelijke activiteit planologische afwijking.

4. Voor het in behandeling nemen van de aanvraag heeft verweerder een bedrag van € 820 in rekening gebracht. Dat bedrag is opgenomen in titel 2, hoofdstuk 3, onderdeel 2.3.5.1.2 van bijlage 1, de Legestarieventabel per 1 januari 2019 van de Verordening op de heffing en invordering van leges Meijerijstad 2019.

5. De regels ten aanzien van tijdelijke woonunits zijn (naar aanleiding van de fusie van de gemeenten Veghel, Schijndel en Sint-Oedenrode op 1 januari 2017) door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meijerijstad op 20 november 2018 geharmoniseerd. Dit is gebeurd door het vaststellen van de ”Beleidsregel Kruimelgevallen gemeente Meijerijstad”. Deze beleidsregel is per 1 december 2018 in werking getreden.

6. Op grond van deze (beleids)regels is vanaf 1 december 2018 een omgevingsvergunning nodig voor de bouw/plaatsing van tijdelijke woonunits (voor de activiteit planologische afwijking). Voor die tijd – zo heeft verweerder op de zitting bevestigd – was er voor het plaatsen van woonunits niets geregeld. Er was een interne instructie die inhield dat dit soort gevallen gedoogd werd en dat er geen vergunning nodig was.

De standpunten van partijen

7. Eiser heeft aangevoerd dat hem in de zomer van 2018 op verzoek is meegedeeld dat het plaatsen van een tijdelijke woonunit kosteloos zou worden gedoogd. Wel werd eiser verteld dat hij de unit pas mocht plaatsen na verlenen van de bouwvergunning en op grond die bij hem in eigendom is. Verder moest eiser – in verband met de brandveiligheid - bij de gemeente aangeven waar de unit staat en hoeveel personen er verbleven. Verder heeft eiser een mail overgelegd van dhr. Van der Steeg (afdeling vergunningverlening Meijerijstad) aan [naam] , bewoonster van nog te bouwen woning [adres 2] . Hierin wordt voor dat adres eveneens toestemming verleend voor het plaatsen van een woonunit. Daarbij wordt ook gevraagd om nadere informatie over de indeling en plaatsing. Verder heeft eiser ontkend dat hem in november is meegedeeld dat er een wijziging van de regelgeving aan kwam.

8. Verweerder heeft op de zitting gezegd dat het goed voorstelbaar is dat eiser in augustus 2018 de informatie heeft gekregen zoals hij die schetst. Dat is geheel in lijn met de interne werklijn die werd gehanteerd. Het is ook in lijn met de mail aan de bewoners van [adres 2] . Tot 1 december 2018 was volgens verweerder niets geregeld qua beleid over vergunningplicht en leges. Verweerder heeft benadrukt dat eiser in aanloop naar de vergunningverlening is geïnformeerd over de aanstaande wijziging.

Omvang van het geding

9. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de beoordeling in beroep zich moet beperken tot het feit dat een aanvraag is gedaan, dat voor het in behandeling nemen leges verschuldigd zijn en dat er dus een legesaanslag is opgelegd. Verweerder heeft ter ondersteuning verwezen naar het arrest van het (toenmalig) Hof Leeuwarden van 21 februari 2012, te vinden onder ECLI:NL:GHLEE:2012:BV6719.

10. In het arrest is verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 22 juli 1982

(ECLI:NL:HR:1982:AW9097, BNB 1983/20). Hierin is onder meer het volgende overwogen:

“In het onderhavige geval dient een onderscheid te worden gemaakt tussen het handelen van het dagelijks bestuur, orgaan van het zuiveringschap, gegrond op en daarbij uitvoering gevend aan het bepaalde in de Verordening, ten aanzien van welk handelen blijkens het vorenoverwogene tussen partijen geen geschil bestaat, en het handelen van het dagelijks bestuur als vergunningverlenende instantie. De grieven welke belanghebbende aanvoert in verband met het optreden van het dagelijks bestuur in de laatstvermelde hoedanigheid doen aan de juistheid van de onderhavige aanslag niet af.”

11. Op zich kan verweerder gevolgd worden in zijn conclusie dat uit dit arrest volgt dat de beoordeling van de belastingplicht (vastgesteld door de heffingsambtenaar) los staat van vermeende strijd met algemene beginselen (door het college) in een omgevingsvergunningszaak. Eiser ziet zich – los van die formele scheiding - geconfronteerd met ambtenaren die hem informeren. Hij trekt vervolgens op basis van die informatie zijn plan. Of die informatie van het college of van de heffingsambtenaar afkomstig is, zal eiser onduidelijk zijn geweest en dat zal er voor hem ook niet toe doen. Materieel komt de gevraagde informatie van “de gemeente”. Strikt formele scheiding zoals bedoeld door verweerder doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de zaak en lost bovendien het geschil niet op. De rechtbank zal verweerder daarom niet volgen. De rechtbank ziet daarvoor ruimte in het feit dat de genoemde arrest van het hof sprake was van foutieve voorlichting door het college, terwijl in deze zaak ook door verweerder wordt erkend dat aan eiser de juiste informatie is verstrekt. Bovendien ziet de rechtbank steun in doorwerking van een door een ander bestuursorgaan gedane toezegging in de besluitvorming van de heffingsambtenaar in de uitspraak van deze rechtbank van 10 oktober 2019, te vinden onder ECLI:NL:RBOBR:2019:5813. Ook daarin speelde een toezegging door het college die voldeed aan alle voorwaarden voor een toezegging zoals geformuleerd in de jurisprudentie. De uitspraak van de rechtbank is bekrachtigd door het Hof Den Bosch op 31 december 2020 (te vinden onder ECLI: NL:GHSHE:2020:3755) De rechtbank zal daarom aan de strikt formele scheiding tussen college en heffingsambtenaar voorbijgaan en naar de inhoud van de zaak kijken.

Tarief

12. De rechtbank constateert dat partijen niet van mening verschillen over het gehanteerde tarief. Daar zal de rechtbank zich dan ook verder niet over uitlaten. De rechtbank leest in eisers beroepschrift een beroep op het gelijkheidsbeginsel en een beroep op het vertrouwensbeginsel.

Gelijkheidsbeginsel

13. Eiser beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De rechtbank overweegt daarover dat door verweerder niet ontkend wordt dat eiser dezelfde informatie heeft gekregen als de bewoners van [adres 2] . Niet is komen vast te staan dat deze bewoners anders zijn behandeld dan eiser. Weliswaar heeft eiser onweersproken gesteld dat de tijdelijke unit van zijn buren langer heeft gestaan dan die van hem, maar hij heeft niet kunnen aantonen dat zijn buren niet zijn geconfronteerd met een verzoek om vergunning aan te vragen (en betaling van de bijbehorende legesaanslag). Daarmee is onvoldoende gebleken van een verschillende behandeling van gelijke gevallen.

Vertrouwensbeginsel

14. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.

14. De rechtbank is van oordeel dat eiser is geslaagd in zijn bewijsopdracht. Zoals door verweerder wordt onderschreven, heeft eiser gericht geïnformeerd naar de regels over het plaatsen van een tijdelijke woonunit. Hij heeft daar een duidelijke, niet voor meerderlei uitleg vatbare reactie op ontvangen. Door verweerder wordt niet bestreden dat die uitlating bevoegdelijk is gedaan. Daarmee is op zijn minst aannemelijk dat eiser is meegedeeld dat er geen vergunningplicht bestond voor tijdelijke woonunits. Die mededeling is in augustus 2018 gedaan. Daarbij is aan eiser meegedeeld dat hij de unit pas mocht plaatsen na verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwen. De aanvraag voor die vergunning is gedaan op 15 oktober 2018. De vergunning is verleend op 14 november 2018. Eiser heeft ontkend dat hem in deze periode is gezegd dat er een beleidswijziging aan kwam. Op de zitting heeft verweerder zijn stelling daaromtrent in het verweerschrift afgezwakt met de mededeling dat die informatie van een niet nader benoemde collega kwam. Daarmee staat voor de rechtbank onvoldoende vast dat eiser geïnformeerd is over het komende beleid.

14. Gelet op deze gang van zaken en de communicatie tussen eiser en de gemeente Veghel/Meijerijstad mocht eiser er op vertrouwen dat de woonunit kosteloos gedoogd zou worden. Dit vertrouwen werkt ook door in de legesaanslag van de heffingsambtenaar. Daar doet de enkele (tussentijdse) komst van een beleid ten aanzien van de vergunningplicht (en legesplicht) onvoldoende aan af. Zeker niet nu de gemeente eiser daarover niet heeft geïnformeerd.
De beroepsgrond slaagt.
Hoe nu verder?

14. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en de bestreden uitspraak vernietigen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien, het bezwaar gegrond verklaren en de legesaanslag van 15 mei 2019 vernietigen.

14. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken. Wel zal verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht moeten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak;

- verklaar het bezwaar gegrond;

- vernietigt de aanslag van 15 mei 2019;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 48,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van

E.H.J.M.T. van der Steen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

7 april 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.