Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1569

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
13-04-2021
Zaaknummer
20/1455
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gegrond beroep voorziening schoolvervoer. POTS/CVS. De rechtbank vindt dat het UWV onvoldoende heeft gekeken naar de combinatie van het reizen met het OV en het volgen van onderwijs. Bij gebrek aan een voldoende gemotiveerde keuze voor ofwel de visie van de revalidatie-arts ofwel die van de verzekeringsarts, voorziet de rechtbank zelf in de zaak door het bezwaar gegrond te verklaren en aan eiseres de gevraagde voorziening toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/1455

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.J.M. Smelt),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: mr. I.P.H.M. van Lieshout).

Het verloop van de procedure

Met het besluit van 1 november 2019 heeft het UWV aan eiseres laten weten dat zij niet in aanmerking komt voor de voorziening schoolvervoer.

Eiseres is het met dit besluit niet eens. Daarom heeft zij hiertegen bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 17 april 2020 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres is het ook met dit besluit niet eens. Daarom heeft zij beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft via een Skype-beeldverbinding plaatsgevonden op 8 januari 2021. Eiseres en haar gemachtigde hebben aan de zitting deelgenomen. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij brief van 11 januari 2021 heeft de rechtbank aan partijen laten weten dat het onderzoek wordt heropend, om het UWV in de gelegenheid te stellen zich (medisch) gemotiveerd uit te laten over de vraag of eiseres in staat moet worden geacht om – veilig en met behoud van een minimale restenergie – naar haar opleidingsinstituut te reizen met het OV, onderwijs te volgen en weer naar huis te reizen met datzelfde OV.

Op 4 februari 2021 heeft de rechtbank een reactie van het UWV ontvangen. Eiseres heeft hierop gereageerd. Het UWV heeft op 12 maart 2021 nog (kort) schriftelijk gereageerd.

Geen van partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht nader op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Eiseres is geboren op 11 november 1999. Ze is bekend met het Posturaal Orthostatisch Tachycardie Syndroom (POTS) en het Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS). In verband hiermee heeft zij op 10 september 2019 bij het UWV een voorziening schoolvervoer aangevraagd. Deze aanvraag heeft geleid tot de besluitvorming zoals vermeld onder het kopje ‘Het verloop van de procedure’.

Standpunten van partijen

2. Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor de voorziening schoolvervoer, omdat zij niet aan de voorwaarden voldoet. Volgens het UWV voldoet eiseres niet aan de voorwaarden, omdat zij geen duurzame belemmeringen heeft.

3. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij brengt in beroep – kort samengevat – naar voren dat zij vanwege POTS en CVS op een aantal punten is beperkt in haar functioneren. Het is voor haar erg lastig om onderwijs te volgen en om naar de onderwijsinstelling toe te gaan. Met het openbaar vervoer (OV) naar school gaan is volgens haar een te grote opgave. Het kost te veel energie, waardoor zij geen dan wel onvoldoende energie overhoudt om onderwijs te volgen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres medische informatie van haar internist en revalidatiearts overgelegd.

Het wettelijk kader

4. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Beoordeling beroep

5. De rechtbank heeft gezien dat er naar aanleiding van de aanvraag van eiseres een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidsdeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden.

6. De rechtbank stelt voorop dat het UWV zijn besluiten mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Die rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moeten de rapporten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, mogen deze geen tegenstrijdigheden bevatten en moeten de rapporten conclusies bevatten die logisch voortvloeien uit de (onderzoeks)bevindingen. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen.

7. Het UWV is ermee bekend dat eiseres vanwege POTS en CVS op een aantal punten is beperkt in haar functioneren. In geschil is of deze beperkingen zo ernstig zijn dat eiseres niet in staat is om zelfstandig de afstand wonen-opleidingslocatie (en vice versa) af te leggen door gebruik te maken van het OV.

8. De (primaire) verzekeringsarts overweegt in zijn rapportage dat niet kan worden gesteld dat eiseres vanwege haar structurele functionele beperkingen niet in staat is om zelfstandig de afstand wonen-opleidingslocatie af te leggen. Het is volgens hem aannemelijk dat eiseres bij haar problematiek vermoeidheidsklachten ervaart, maar het is niet plausibel dat eiseres hierdoor niet met het OV kan reizen. Het toekennen van een kilometervergoeding kan daarnaast volgens de verzekeringsarts een anti-revaliderend effect hebben vanwege de grotere fysieke inactiviteit (als eiseres gebruik maakt van het OV is eiseres meer in beweging dan wanneer zij met de auto reist en dat is juist goed in het kader van opbouwen en behoud van de algehele conditie).

9. De verzekeringsarts B&B onderschrijft de visie van de (primaire) verzekeringsarts. Zij komt in haar rapportage van 3 april 2020 tot de conclusie dat de verzekeringsarts een zorgvuldige en voldoende afweging heeft gemaakt. Zij vindt het tegenstrijdig dat eiseres wel een opleiding kan doen waarbij ze regelmatig moet staan (opleiding tot tandartsassistente), maar vervolgens niet in staat is om te reizen met het OV. Vanuit de in bezwaar ingebrachte informatie is bij de verzekeringsarts B&B geen nieuw inzicht ontstaan met betrekking tot de onderliggende problematiek. Deze sluit aan bij de reeds eerder ontvangen informatie. In de beoordeling van het bezwaar ziet de verzekeringsarts B&B dan ook geen aanleiding om de primaire beslissing inzake het ontbreken van de medische noodzaak te wijzigen.

10. Op de zitting heeft de rechtbank met partijen gesproken over de vraag of de artsen van het UWV een oordeel hebben gegeven over de belasting voor eiseres van een dag onderwijs inclusief heen- en terugreis met het OV. Eiseres heeft tijdens de zitting bevestigd dat haar stelling niet is dat zij niet met het OV kan reizen. Het gaat haar om de combinatie van het reizen met het OV en het volgen van onderwijs. Zij stelt onvoldoende energie over te houden voor het volgen van het onderwijs, wanneer zij (zelfstandig) met het OV naar de opleidingslocatie moet reizen. Dit blijkt volgens eiseres ook uit de brief van haar revalidatiearts van 25 mei 2020.

11. De gemachtigde van het UWV heeft tijdens de zitting gewezen op de volgende passage uit de rapportage van de verzekeringsarts B&B van 8 september 2020:
Dit alles bij elkaar maakt dat er in beroep geen nieuwe of andere medische informatie wordt aangeleverd dan reeds bekend was, waarbij de diagnose en de aard van de klachten onvoldoende aanleiding bieden om te stellen dat cliënt het vervoer middels openbaar vervoer naar haar opleiding onvoldoende zou kunnen uitvoeren.
Daarbij kan ook onvoldoende worden onderbouwd dat cliënt daarnaast te weinig energie over zou hebben voor het volgen van de opleiding. Dit is wat de revalidatiearts stelt, doch dit kan geenszins verder onderbouwd worden, aangezien de energetische belasting hiervan niet van dien aard is dat dit zwaarder is dan het kunnen reizen met het openbaar vervoer en vice versa.”

12. De rechtbank heeft kort na de zitting - bij brief van 11 januari 2021 – aan partijen laten weten dat aan de bovengenoemde passage niet de betekenis kan worden gehecht die het UWV daaraan hecht. De verzekeringsarts B&B leidt de mogelijkheid van het reizen af uit het feit dat eiseres in staat is een dag onderwijs te volgen. Ook wordt – anders dan het UWV op de zitting toelichtte – geen rekening gehouden met de heen- én terugreis. De term “vice versa” slaat op de vergelijking tussen het onderwijs en de reisbeweging en heeft geen betrekking op de heen- en terugreis.

13. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld om zich (medisch) gemotiveerd uit te laten over de vraag of eiseres in staat moet worden geacht om – veilig en met behoud van een minimale restenergie – naar haar opleidingsinstituut te reizen met het OV, onderwijs te volgen en weer naar huis te reizen met datzelfde OV.

14. Het UWV heeft op 2 februari 2021 gereageerd. Verwezen wordt naar de reactie van verzekeringsarts M. van Heugten, welke is neergelegd in de rapportage van 17 januari 2021. Van Heugten rapporteert dat eiseres strikt genomen kan reizen met het OV. Of dit reizen met OV van en naar school dermate veel vraagt van eiseres dat ze daardoor haar opleiding niet kan volgen, is volgens Van Heugten niet concreet meetbaar. Voor zowel de visie van de verzekeringsarts B&B als de primaire verzekeringsarts valt wat te zeggen, maar aan de andere kant begrijpt Van Heugten ook de visie van de revalidatiearts van eiseres dat er wel een noodzaak is voor vervangend vervoer in plaats van het OV. Afsluitend geeft Van Heugten aan dat het dilemma er is en dat er geen aanvullende argumenten te bedenken zijn dan die al eerder zijn beschreven door de verzekeringsartsen.

15. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat het UWV onvoldoende heeft gekeken naar de combinatie van het reizen met het OV en het volgen van onderwijs. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de in het dossier aanwezige medische gegevens (met name de brief van de revalidatiearts), op zijn minst aannemelijk dat wanneer eiseres met het OV naar school moet reizen, zij – gelet op haar beperkingen – onvoldoende (rest)energie overhoudt om goed onderwijs te volgen. Ook verzekeringsarts M. van Heugten kan het oordeel van de revalidatiearts immers niet voldoende onderbouwd weerleggen. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard.

Conclusie

16. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank ziet aanleiding het geschil finaal te beslechten. Passeren van het gebrek is niet aan de orde. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Instandlaten van de rechtsgevolgen is gelet op de aard van het geconstateerde gebrek ook niet aan de orde. Op zich zou via een tussenuitspraak een nader oordeel van het UWV gevraagd kunnen worden. De rechtbank heeft echter al via de informele weg om een oordeel van het UWV gevraagd en de arts van het UWV kan niet concludent richting kiezen voor toe- of afwijzen. Een nieuwe beslisronde zal daaraan niets veranderen. Dan blijft er voor de rechtbank niets anders over dan zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren en aan eiseres alsnog de gevraagde voorziening toe te kennen. De rechtbank beschikt echter niet over voldoende gegevens om de hoogte van de tegemoetkoming vast te stellen. Het UWV zal op dit punt nog wel een nieuw besluit moeten nemen.

17. Omdat eiseres gelijk krijgt moet het UWV de proceskosten die eiseres heeft gemaakt en het griffierecht dat zij heeft betaald aan haar vergoeden. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het bezwaar gegrond;

  • -

    kent aan eiseres een voorziening schoolvervoer toe;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

  • -

    draagt het UWV op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak eiseres te informeren over de hoogte van de toegekende voorziening;

  • -

    veroordeelt het UWV in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1068,-;

  • -

    bepaalt dat het UWV het door eiseres betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van
M.J.J.M.C. van Schaijk LLB, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op

7 april 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Centrale Raad van Beroep.

BIJLAGE

WETTELIJK KADER

Wet overige OCW-subsidies (WOOS)

Artikel 19a (lid 1, 2 en 7)

1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 1 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft tot taak te bevorderen dat belemmeringen worden weggenomen die de ingezetene, bedoeld in artikel 1:2 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, vanwege ziekte of gebrek ondervindt bij het volgen van onderwijs, indien het een persoon betreft die:

a. jonger is dan 17 jaar;

b. studerende is als bedoeld in artikel 1:4 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

c. jonger is dan 30 jaar en uitsluitend vanwege zijn ziekte of gebrek niet kan worden aangemerkt als studerende bedoeld in artikel 1:4 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op aanvraag van degene, bedoeld in het eerste lid, toekennen:

a. voorzieningen die hem in staat stellen onderwijs te volgen, en

b. vervoersvoorzieningen die de leefomstandigheden van hem verbeteren en die samenhangen met de voorzieningen, bedoeld in onderdeel a.

(…)
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld.”

Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap

Artikel 5 (lid 1 onder a)

1. Onder voorzieningen als bedoeld in artikel 19a, tweede lid, van de wet worden uitsluitend verstaan:

a. vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de persoon, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de wet, zijn opleidingslocatie kan bereiken.

Protocol Voorzieningen UWV 2019

Hoofdstuk 3. Vervoersvoorzieningen

Het UWV kent de volgende typen vervoersvoorzieningen:

– Een (rolstoel)taxikostenvergoeding;

– Een verstrekking van een (aangepast) vervoermiddel in bruikleen;

– Een aanpassing van een eigen vervoermiddel als een klant daarover beschikt;

– Een vergoeding voor het gebruik van een vervoermiddel (bijv. een kilometervergoeding).