Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1501

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-03-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
368519 / KG ZA 21-149
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Ontruiming woning. Vordering executeur tegen mede-erfgenaam. Gebruiksrecht woning opgezegd met inachtneming redelijke opzegtermijn. Art. 3:169 BW: gebruik woning niet te verenigen met recht overige erfgenamen. Woning moet worden verkocht. Gebruik door gedaagde belemmert verkoop. Belangenafweging in het voordeel executeur. Onvoldoende aannemelijk dat gedaagde geen andere woonruimte kan vinden. Vordering wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/368519 / KG ZA 21-149

Vonnis in kort geding van 31 maart 2021

in de zaak van

[eiseres] in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [A],

wonende te [plaats] ,

eiseres,

advocaat mr. A.B. Noordhof te Eindhoven,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. C.C.C.A.M. Kuijken te Valkenswaard.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 maart 2021 met 12 producties

  • -

    de brief van mr. Noordhof van 15 maart 2021 met producties 13 tot en met 15

  • -

    de brief van mr. Kuijken van 16 maart 2021 met 7 producties

  • -

    de mondelinge behandeling via Skype op 16 maart 2021

  • -

    de pleitnota van mr. Kuijken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] zijn broer en zus van elkaar. Zij zijn samen met nog twee andere broers en nog een zus erfgenamen in de nalatenschap van hun moeder, [A] (hierna te noemen: moeder).

2.2.

Moeder is op 23 december 2019 overleden.

2.3.

[eiseres] is bij testament benoemd tot executeur in de nalatenschap van moeder. [eiseres] heeft de benoeming aanvaard.

2.4.

Tot de nalatenschap van moeder behoort de woning gelegen aan [het adres] te [plaats] (hierna te noemen: de woning).

2.5.

Eind februari 2020 heeft [eiseres] geconstateerd dat [gedaagde] in de woning is gaan wonen.

2.6.

[eiseres] heeft [gedaagde] vervolgens gesommeerd om de woning te verlaten.

2.7.

[gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan de sommaties.

2.8.

De woning is in opdracht van [eiseres] in juli 2020 gewaardeerd door de heer [B] van [naam 1] te [plaats] (hierna te noemen: de makelaar). Daarbij is de marktwaarde van de woning bepaald op € 805.000,--.

2.9.

Aan de erfgenamen is gevraagd of zij vóór 1 augustus 2020 wilden laten weten of zij de woning willen overnamen tegen de getaxeerde marktwaarde. Geen van de erfgenamen heeft aangegeven de woning te willen overnemen.

2.10.

De makelaar is vervolgens gestart met de verkoop van de woning.

2.11.

[eiseres] heeft [gedaagde] op 7 oktober 2020 in kort geding gedagvaard en kort gezegd ontruiming van de woning door [gedaagde] gevorderd. [gedaagde] heeft daartegen verweer gevoerd. Hij heeft in dat kader gesteld dat hij met toestemming van moeder bij haar was ingetrokken en dat moeder het voor de gemeente benodigde formulier had ondertekend. [gedaagde] had een kopie van het formulier overgelegd.

2.12.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 10 november 2020 de vorderingen van [eiseres] afgewezen omdat hij voldoende aannemelijk achtte dat moeder aan [gedaagde] een gebruiksrecht voor de woning had verstrekt en dat hij op dat moment rechtmatig in de woning verbleef.

2.13.

Partijen zijn er vervolgens niet in geslaagd om afspraken te maken over het gebruik van de woning.

2.14.

Op 11 december 2020 heeft de makelaar de woning bezocht met geïnteresseerden voor twee bezichtigingen. De bezichtigen waren vooraf aangekondigd aan [gedaagde] . Er is op 11 december 2020 tussen [gedaagde] en de makelaar ter plaatse een discussie ontstaan.

2.15.

Bij brief van 15 december 2020 heeft [eiseres] de gebruiksovereenkomst met [gedaagde] opgezegd tegen 1 februari 2021.

2.16.

Op 18 december 2020 zijn in het kader van de verkoopopdracht video-opnames gemaakt van de woning. Daarbij is het tot een handgemeen gekomen tussen [eiseres] en [gedaagde] . [eiseres] heeft naar aanleiding daarvan aangifte gedaan tegen [gedaagde] van diefstal met geweld.

2.17.

Op 3 februari 2021 heeft [eiseres] [gedaagde] verzocht om de sleutels van de woning in te leveren. [gedaagde] heeft aan dat verzoek geen gehoor gegeven.

2.18.

Bij e-mail van 17 februari 2021 heeft de makelaar aan [eiseres] bericht dat hij de verkoopinspanningen voor de woning wil intensiveren, maar dat de incidenten op 11 en 18 december 2020 het verkoopproces belemmeren.

2.19.

[eiseres] is vervolgens onderhavig kort geding gestart.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat – om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

  1. [gedaagde] te veroordelen om de woning binnen 24 uur na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiseres] te stellen;

  2. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de ontruiming indien hij daar niet vrijwillig aan voldoet, te voldoen op vertoning en conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van de ontruiming;

  3. [eiseres] te machtigen om persoonlijke eigendommen van [gedaagde] die hij achterlaat in de woning nadat hij deze heeft verlaten af te voeren en de sloten van de woning te vervangen;

  4. [gedaagde] te veroordelen om binnen twee dagen na dit vonnis alle sleutels van de woning te overhandigen, waaronder de sleutel van de kunstzaal, de postbus en de poort en om alle medewerking te verlenen aan het (laten) verrichten van werkzaamheden in en rondom de woning door [eiseres] of degenen die zij daarvoor inschakelt;

  5. dit alles op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag voor iedere dag dat [gedaagde] zich niet aan het vonnis houdt met een maximum van € 15.000,--.

Subsidiair:

6. [gedaagde] te veroordelen om de woning binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, maar uiterlijk op de datum waarop de woning is verkocht aan een derde, te ontruimen, niet meet te betrekken en te verlaten, en onder afgifte van alle sleutels ter vrij en algehele beschikking van [eiseres] te stellen;

7. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de ontruiming indien hij daar niet vrijwillig aan voldoet, te voldoen op vertoning en conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van de ontruiming;

8. [eiseres] te machtigen om persoonlijke eigendommen van [gedaagde] die hij achterlaat nadat hij de woning voor de verkoopdatum heeft verlaten, af te voeren;

9. dit alles op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag voor iedere dag dat [gedaagde] zich niet aan het vonnis houdt,

Zowel primair als subsidiair:

[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

[eiseres] legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

De gebruiksovereenkomst met [gedaagde] is per 1 februari 2021 rechtsgeldig opgezegd. [gedaagde] verblijft sindsdien zonder recht of titel in de woning.

Het gebruik van de woning door [gedaagde] is ook niet te verenigen met het recht van de overige erfgenamen in de zin van artikel 3:169 BW. Zij geven geen toestemming voor de bewoning en [gedaagde] belemmert door zijn handelwijze het verkoopproces. [gedaagde] heeft in een eerder stadium toegezegd om mee te werken aan verkoop van de woning, maar hij komt die toezegging niet na. Het is in het belang van de erfgenamen dat de woning zo spoedig mogelijk en tegen een zo hoog mogelijke prijs wordt verkocht.

[gedaagde] weet inmiddels ook al geruime tijd dat hij de woning moet verlaten. Dat hij nog geen actie heeft ondernomen om andere woonruimte te vinden is aan [gedaagde] zelf te wijten.

De ontruiming is ook nodig omdat de hypotheeklasten doorlopen.

3.3.

[gedaagde] voert daartegen, zakelijk weergegeven, het volgende verweer.

Het belang van [gedaagde] om in de woning te kunnen blijven wonen weegt zwaarder dan het belang van [eiseres] bij ontruiming. [eiseres] heeft geen belang bij ontruiming van de woning door [gedaagde] voodat deze is verkocht. Het is juist gunstig voor de verkoop als de woning bewoond wordt. [gedaagde] betwist dat hij niet meewerkt aan de verkoop van de woning of dat hij de woning niet goed zou onderhouden.

[gedaagde] heeft een zwaarwegend belang om in de woning te kunnen blijven wonen. Hij beschikt namelijk niet over vervangende woonruimte.

[gedaagde] doet een beroep op artikel 3:169 BW. Inien de andere erfgenamen ook gebruik willen maken van de wining dan is dat mogelijk.

Om redenen van veiligheid en privacy is [gedaagde] niet bereid om de sleutels van de woning aan [eiseres] af te geven. Zij heeft daar ook geen belang bij.

Voor zover de voorzieningenrechter van oordeel is dat het gebruik van de woning door [gedaagde] het verkoopproces hindert, dan is [gedaagde] bereid om aan [eiseres] alle sleutels af te geven en tijdens tijdvakken die 24 uur van tevoren zijn aangekondigd niet in de woning aanwezig te zijn. Ontruiming is in dat geval niet nodig en disproportioneel. [eiseres] heeft daar ook geen spoedeisend belang bij.

[gedaagde] heeft ook al eerder toegezegd aan [eiseres] om de woning te ontruimen enkele weken voordat deze zal worden geleverd aan een koper.

Indien de vordering tot ontruiming zou worden toegewezen, dan verzoekt [gedaagde] hem daarvoor een termijn van zes maanden te gunnen. Ook verzoekt [gedaagde] in dat geval het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren omdat bij niet over andere woonruimte beschikt.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] heeft voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming van de woning door [gedaagde] . Tussen partijen is niet in geschil dat de woning moet worden verkocht. [eiseres] stelt dat de aanwezigheid van [gedaagde] in de woning de verkoop belemmert. Van belang daarbij is dat [eiseres] in dit kort geding optreedt in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van moeder en dus ook de belangen van de andere erfgenamen in acht moet nemen. [eiseres] stelt dat de andere erfgenamen (met uitzondering van een broer van partijen) willen dat [gedaagde] de woning verlaat zodat deze kan worden verkocht. Zij hebben er recht op dat zij niet langer in onverdeeldheid blijven. Van [eiseres] kan dan niet worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

4.2.

Voldoende aannemelijk is dat het gebruiksrecht dat [gedaagde] van moeder had gekregen voor de woning door [gedaagde] rechtsgeldig is opgezegd tegen 1 februari 2021. [gedaagde] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door [eiseres] in dat kader gehanteerde opzegtermijn van zes weken onder de gegeven omstandigheden niet redelijk is. Daarbij is van belang dat [gedaagde] op het moment van opzegging al geruime tijd wist dat [eiseres] niet instemde met het gebruik van de woning. [gedaagde] heeft daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende tijd gehad om zich op een vertrek voor te bereiden en vervangende woonruimte te zoeken.

4.3.

Ook het beroep op artikel 3:169 BW kan [gedaagde] niet baten. Voldoende aannemelijk is dat het gebruik van de woning door [gedaagde] niet te verenigen is met het recht van de overige erfgenamen. Zij hebben er als deelgenoten in de nalatenschap recht op om niet in de onverdeeldheid te blijven. Dat betekent dat de woning zal moeten worden verkocht. Daar zijn alle erfgenamen, inclusief [gedaagde] zelf, het ook over eens. Voldoende aannemelijk is dat de verkoop wordt belemmerd door het feit dat [gedaagde] daar woont. [eiseres] heeft als productie 8 een e-mail van de makelaar overgelegd waarin deze aangeeft dat de incidenten met [gedaagde] die tijdens de bezoeken aan de woning op 11 en 18 december 2010 hebben plaatsgevonden, het verkoopproces belemmeren. Bezichtigingen zouden niet veilig hebben kunnen plaatsvinden en het terrein zou niet vrij toegankelijk zijn geweest. Als productie 9 heeft [eiseres] ook nog WhatsApp-correspondentie overgelegd van de makelaar waarin hij aangeeft hoe de bezichtigingen op 11 december 2020 zijn verlopen. [gedaagde] zou erg boos zijn geworden en zou in het bijzijn van de kijkers tegenover de makelaar zijn onvrede hebben geuit over de gang van zaken. Ook zou hij de poort op slot hebben gedaan waardoor de makelaar met de kijkers via een andere weg het perceel moest verlaten. [gedaagde] heeft de juistheid van de verklaringen van de makelaar onvoldoende (gemotiveerd) betwist. Dat de makelaar door de aanwezigheid van [gedaagde] in de woning wordt belemmerd in de uitvoering van zijn verkoopwerkzaamheden, is daarmee voldoende aannemelijk. Daarmee ligt de vordering tot ontruiming voor toewijzing gereed.

4.4.

Afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot een nader oordeel. [gedaagde] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet kan beschikken over vervangende woonruimte als hij de woning moet ontruimen. [gedaagde] stelt weliswaar dat hij pogingen heeft gedaan om een sociale huurwoning te krijgen, maar laat dat verder niet zien. Het enige wat [gedaagde] in dat kader heeft overgelegd is een brief van [naam 2] (prod. 4). Daaruit kan niet worden afgeleid welke concrete inspanningen [gedaagde] heeft geleverd om een woning te krijgen. Uit de brief blijkt ook niet dat [gedaagde] niet meer zelf zou hoeven te reageren op beschikbare woningen. Integendeel, in de brief, die dateert van 1 februari 2021, staat dat [gedaagde] kan reageren op alle woningen die op www.wooniezie.nl worden aangeboden. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] op woningen heeft gereageerd of dat hij anderszins actief heeft gezocht. Dat had van hem wel mogen worden verwacht. Ontruiming van de woning door [gedaagde] is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet disproportioneel. Van [eiseres] en de overige erfgenamen kan niet worden gevergd dat zij genoegen nemen met de enkele toezegging van [gedaagde] dat hij niet in de woning zal zijn op tijdvakken die 24 uur van tevoren door [eiseres] of de makelaar zijn aangekondigd en dat [gedaagde] de sleutels van de woning aan [eiseres] zal overhandigen. Er bestaat onder de gegeven omstandigheden voldoende aanleiding om er aan te twijfelen dat [gedaagde] zich aan de gemaakte afspraken zal houden. Dat geldt ook voor de toezegging van [gedaagde] dat hij de woning enkele weken voor de levering aan een koper zal ontruimen. [eiseres] heeft er belang bij dat zij een titel heeft om de woning te kunnen doen ontruimen als [gedaagde] dat niet vrijwillig doet. Dat belang weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] om voorlopig nog in de woning te kunnen blijven wonen.

4.5.

Slotsom is dat de primaire vordering tot ontruiming zal worden toegewezen. Wel zal aan [gedaagde] een ontruimingstermijn van vier weken worden gegund. De gevorderde termijn van 24 uur acht de voorzieningenrechter onredelijk kort. De door [gedaagde] verzochte termijn acht de voorzieningenrechter daarentegen onredelijk lang. [gedaagde] zal ook worden veroordeeld in de kosten van een eventuele gedwongen ontruiming zoals gevorderd. Ook de vordering om persoonlijke eigendommen die [gedaagde] eventueel zou achterlaten na de ontruiming af te voeren en de sloten te vervangen zal worden toegewezen. [gedaagde] heeft daar geen specifiek verweer tegen gevoerd. Nu [gedaagde] de woning zal moeten ontruimen dient hij de sleutels aan [eiseres] af te geven. Hij zal ook dienen mee te werken aan het (laten) verrichten van werkzaamheden in en rondom de woning door [eiseres] of door haar in te schakelen derden. Ook die vordering zal worden toegewezen. De dwangsom zal worden toegewezen als vermeld in de beslissing. De dwangsom zal worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op de gevorderde machtiging omdat daarin geen verplichting van [gedaagde] besloten ligt. De dwangsom zal ook worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op het betalen van de ontruimingskosten. Een dwangsom kan niet worden opgelegd bij een veroordeling tot betaling van een geldsom.

4.6.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis. [gedaagde] voert in dat kader aan dat hij niet beschikt over andere woonruimte en op straat zal belanden. Het verweer faalt. De genoemde omstandigheden zijn immers al meegenomen in de hierboven verrichte belangenafweging.

4.7.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 106,01

- griffierecht 309,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.431,01

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis de woning gelegen aan [het adres] te [plaats] te ontruimen met al de zijnen en al het zijne en ontruimd te houden, met afgifte van alle sleutels aan [eiseres] , waaronder de sleutels van de kunstzaal, de postbus en de poort,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om alle medewerking te verlenen aan het (laten) verrichten van werkzaamheden in en rondom de woning door [eiseres] of door haar in te schakelen derden,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot het betalen van een dwangsom van € 100,-- per dag dat hij in strijd handelt met het de in 5.1. of 5.2. genoemde veroordeling, tot een maximum van € 15.000,-- is bereikt,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de ontruiming indien hij de woning niet vrijwillig ontruimt, te voldoen op vertoning van en conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van de ontruiming opgemaakt door de gerechtsdeurwaarder,

5.5.

machtigt [eiseres] om eventuele persoonlijke eigendommen van [gedaagde] die door hem worden achtergelaten in of rondom de woning na een vrijwillige ontruiming af te voeren en om sloten van de woning te vervangen nadat de woning is ontruimd,

5.6.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.431,01, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2021.