Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1491

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-03-2021
Datum publicatie
01-04-2021
Zaaknummer
8840374_E29032021
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2022:872
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werknemersverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een aantal vergoedingen.

In deze zaak moet worden onderzocht of van werknemer gelet op de handelingen van werkgever in reactie op de door werknemer gemelde incidenten, niet gevraagd kan worden nog langer in dienst te blijven. De gestelde incidenten hebben betrekking op voorvallen tussen werknemer (anesthesiemedewerker) en een anesthesioloog, beide werkzaam in het Jeroen Bosch Ziekenhuis. Concreet betekent het of werkgever (het ziekenhuis) zodanig heeft gefaald in het bieden van een veilige werkomgeving dat werkgever een ernstig verwijt kan worden gemaakt, zoals werknemer stelt.

De kantonrechter is van oordeel dat werkgever diverse verwijten zijn te maken, maar dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Afwijzing van het verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0404
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel recht

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Zaak- en rekestnummer: 8840374 EJ VERZ 20-471

Beschikking van 29 maart 2021

[verzoekster] ,

wonende te [plaats] ,

verzoekster,

verder te noemen: [verzoekster] ,

gemachtigde: mr. I.B.W.C. van den Heuvel,

t e g e n

Stichting Jeroen Bosch Ziekenhuis,

gevestigd te ’s-Hertogenbosch,

verder te noemen: JBZ,

verweerder,

gemachtigde: mr. W.D. Kootstra.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

[verzoekster] heeft een verzoek gedaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met JBZ op de kortst mogelijke termijn, tot betaling van een transitievergoeding, een billijke vergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en tot betaling van de proceskosten waaronder het daadwerkelijke salaris van de gemachtigde.

JBZ heeft verweer gevoerd.

1.2.

Op 14 december 2020 heeft een mondelinge behandeling (hierna: zitting) plaatsgevonden. In verband met de coronamaatregelen zijn partijen in de gelegenheid gesteld een beperkt aantal personen mee te nemen naar de zitting. Anderen hebben via skype de gelegenheid gehad de behandeling ter zitting te volgen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht, waarbij de gemachtigden gebruik hebben gemaakt van pleitaantekeningen. Voorafgaand aan de zitting heeft [verzoekster] de aanvullende producties 53 tot en met 63 ingestuurd, en een faxbericht met aanvullende informatie (aangifte), en vanuit de zijde van JBZ is een faxbericht ontvangen over het middel Sugamedex (Bridion).

Na afloop van de behandeling ter zitting heeft de kantonrechter op verzoek van [verzoekster] en met instemming van JBZ besloten partijen nog de gelegenheid te geven de resultaten van een onderzoek door een commissie voor 1 februari 2021 aan de kantonrechter voor te leggen. Afgesproken is dat beide partijen dit onderzoek van hun eigen commentaar mogen voorzien. Het onderzoeksrapport is uiteindelijk op 1 maart 2021 vastgesteld. De kantonrechter heeft het op 15 maart 2021 ontvangen, evenals op 12 maart het commentaar van JBZ en op 15 maart van [verzoekster] .

2 De feiten

Om een duidelijk beeld te krijgen van het geschil tussen partijen, zijn in ieder geval de volgende feiten van belang.

2.1.

[verzoekster] (geboren op [datum] ) is op 13 juli 1981 in dienst getreden bij JBZ. De laatste functie die zij vervult, is die van anesthesiemedewerker en sedatiepraktijkspecialist voor 24 uur per week tegen een salaris van € 3,333,02 bruto per maand, exclusief een bijdrage voor het pensioen van een bedrag van € 306,09 bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Ziekenhuizen van toepassing. Op grond van artikel 7.1.11 van deze cao heeft zij op 13 juli 2021 recht op een eenmalige gratificatie van een bruto basisloon, een bedrag van € 2.863,05 netto.

2.2.

[verzoekster] heeft altijd goede beoordelingen gehad.

Op 6 april 2018 hebben zich aan het einde van een operatie en tijdens een daarop volgend gesprek, en later nog een keer op 18 juni 2020, incidenten voorgedaan waarbij [verzoekster] zich door anesthesioloog de heer [A] (hierna: [A] ) onheus bejegend heeft gevoeld. Zij voelde zich verbaal en non-verbaal geïntimideerd en met fysiek geweld bedreigd. [A] werkt via de Bossche Specialisten Coöperatie (hierna BSC) bij het JBZ. De BSC is het samenwerkingsverband van alle medisch specialisten van het JBZ.

2.3.

[verzoekster] is van september 2019 tot mei 2020 volledig arbeidsongeschikt geweest. Deze periode is voorafgegaan door een periode van wisselende en gedeeltelijke perioden van uitval vanwege ziekte. Zij is sinds 25 augustus 2020 weer volledig arbeidsongeschikt. Dit is ten tijde van de zitting op 14 december 2020 nog steeds het geval.

2.4.

Op 23 juni 2020 heeft tussen [verzoekster] , [A] en de heer [B] , de leidinggevende van [verzoekster] (hierna: [B] ) en de heer [C] , de betrokken medisch manager (hierna: [C] ) een gesprek plaatsgevonden. Na dit gesprek heeft [verzoekster] een melding incident medewerker (hierna: MIM) gedaan. Hierop heeft JBZ besloten dat [A] en [verzoekster] (voorlopig) niet samen hoefden te werken en zijn er verschillende gesprekken gevoerd. De gesprekken hebben niet tot een oplossing geleid. [verzoekster] heeft daarop op 9 juli 2020 op grond van de Klachtenregeling Ongewenste Omgangsvormen (hierna: klachtenregeling) een klacht ingediend. Op 14 augustus 2020 liet de klachtcommissie weten, dat zij niet bevoegd was de klacht af te handelen. De klachtenregeling was onjuist geïmplementeerd omdat de ondernemingsraad niet had ingestemd met de klachtenregeling en [A] wilde niet vrijwillig meewerken.

[verzoekster] heeft daarop op 20 augustus 2020 juridische hulp ingeschakeld en wilde vanaf dat moment alleen nog via en samen met haar advocaat met JBZ communiceren. Op 26 augustus 2020 heeft nog een gesprek plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren [verzoekster] en haar gemachtigde, de heer [D] , de bedrijfskundig manager (hierna [D] ) en mevrouw [E] , medewerker personeel en organisatie JBZ.

Een volgende poging het conflict via mediation op te lossen, is niet gelukt.

2.5.

JBZ wil alvorens tot maatregelen te komen eerst een onderzoek laten doen naar de feiten en omstandigheden en er alleen voorlopig voor zorgen dat [A] en [verzoekster] niet samen hoeven te werken.

2.6.

[verzoekster] wil dan niet meer in het JBZ werken en vraagt om een beëindigingsvoorstel. Na weigering door het JBZ, dient zij het onderhavige verzoek in.

3 Het verzoek van [verzoekster]

3.1.

verzoekt:

  1. De arbeidsovereenkomst met JBZ op een zo kort mogelijke tijd te ontbinden;

  2. JBZ te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een transitievergoeding van €43.849,85 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag binnen vijf dagen na de te dezen te wijzen beschikking;

  3. JBZ te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een billijke vergoeding van € 500.000,00 bruto, althans een bedrag de hoogte daarvan te bepalen in goede justitie binnen vijf dagen na de datum van het te dezen te wijzen beschikking;

  4. JBZ te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke rente over het onder 2 en 3 gevorderde vanaf vijf dagen na de datum van de te dezen te wijzen beschikking tot aan de dag der algehele voldoening;

  5. JBZ te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van de kosten van onderhavige procedure, het daadwerkelijke salaris van de gemachtigde daaronder begrepen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, onder de bepaling dat JBZ de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd is wanneer zij deze kosten niet binnen veertien dagen na deze beschikking heeft voldaan.

3.2.1.

Aan het verzoek legt [verzoekster] ten grondslag dat JBZ ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij aan [verzoekster] geen veilige werkomgeving heeft geboden en nog steeds niet wil bieden. Zij is in het geheel niet opgetreden tegen het onaanvaardbare gedrag van de anesthesioloog, [A] , die [verzoekster] heeft bedreigd. JBZ wil niet de garantie geven dat [verzoekster] niet meer met [A] hoeft samen te werken. Van [verzoekster] kan, na alles wat er is gebeurd, ook niet worden verwacht dat nog te doen. De redenen voor het verzoek zijn niet de incidenten zelf, maar de wijze waarop JBZ met [verzoekster] is omgegaan na de melding van de incidenten. Gelet op dit alles kan van [verzoekster] niet worden gevraagd om de arbeidsovereenkomst voort te zetten (artikel 7:671c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW).

3.2.2.

[verzoekster] maakt aanspraak op de transitievergoeding (artikel 7:673 lid 1 sub b onder 2 BW) en een billijke vergoeding (artikel 7:671c lid 2 onder b BW), omdat JBZ ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

3.2.2.1. Voorafgaand aan het eerste incident (6 april 2018) met [A] , heeft [verzoekster] aan een patiënt aan het einde van de operatie een middel toegediend zonder toestemming van [A] , de verantwoordelijke anesthesioloog. [verzoekster] deed dat omdat noch [A] noch een andere anesthesioloog beschikbaar was en het betreffende middel altijd wordt toegediend bij de uitleiding bij een operatie. [A] heeft vervolgens toen hij de operatiekamer binnenkwam schreeuwend en [verzoekster] uitscheldend, en dreigend met fysiek geweld, duidelijk gemaakt dat [verzoekster] het middel niet zonder zijn toestemming had mogen toedienen.

3.2.2.2. [verzoekster] is dezelfde dag (6 april 2018) het gesprek met [A] aangegaan om de lucht tussen hen te klaren. Tijdens dat gesprek heeft [A] [verzoekster] opnieuw verbaal en non-verbaal geïntimideerd en bedreigd met fysiek geweld. Dit is het tweede incident wat tussen hen is voorgevallen.

3.2.2.3. Op 18 juni 2020 heeft [verzoekster] haar collega, de heer [F] , tijdens een gesprek in de koffiekamer geadviseerd een Veilig Incidenten Melden (een zogenaamde VIM) te doen over een situatie waarin [F] met [A] had samengewerkt. [A] was hier boos over “zodanig boos dat hij volledig buiten zinnen de operatiekamer waar onder andere [verzoekster] aan het werk was kwam binnenstormen en vervolgens wederom tegen [verzoekster] heeft staan schreeuwen” (punt 45 verzoekschrift). Buiten op de gang heeft [A] zijn tirade voortgezet “waarbij hij tegen een prullenbak schopte en door de gangen schreeuwde dat hij een klacht wilde indienen” (punt 48 verzoekschrift). Dit moet worden aangemerkt als het derde incident.

3.2.3.

Ten gevolge van de incidenten is [verzoekster] ziek en arbeidsongeschikt geraakt. De eerste twee incidenten zijn de trigger geweest om een complexe PTSS te doen uitlokken. Na een intensieve behandeling was [verzoekster] volledig hersteld. Het derde incident heeft bij haar zodanige onveiligheidsgevoelens opgeroepen dat zij wederom is uitgevallen.

[verzoekster] verwijt JBZ concreet dat haar na de eerste incidenten in 2018 een foutieve voorstelling van zaken is gegeven. De heer [G] , toenmalig rve-manager van het bestuur operatiecentrum1 en de heer [H] , toenmalig voorzitter van de vakgroep anesthesiologie, hebben haar in een gesprek op de gang gevraagd geen MIM in te dienen, omdat er aandacht was voor het gedrag van [A] en met hem een verbetertraject was afgesproken. [verzoekster] zou op de hoogte worden gehouden van het verbetertraject. Dat verbetertraject blijkt er achteraf niet te zijn geweest en daar is [verzoekster] pas in september 2020 toevallig achter gekomen.

Na het incident op 18 juni 2020 hebben [D] , [B] , en [C] in het gezamenlijke gesprek met [verzoekster] en [A] geen enkele aandacht geschonken aan het feit dat [A] haar heeft geïntimideerd en bedreigd. Zij hebben uitsluitend gezegd dat [A] de operatiekamer niet had mogen binnenlopen en had moet wachten met het aanspreken van [verzoekster] na werktijd. [verzoekster] had haar collega niet mogen adviseren een VIM te doen. [D] wilde dat beide partijen weer vooruit zouden gaan kijken en in de toekomst weer zouden gaan samenwerken. [verzoekster] voelde zich door deze houding van het JBZ niet serieus genomen en heeft het gesprek beëindigd.

JBZ bleek vervolgens de procedure Klachtenregeling Ongewenste Omgangsvormen van de externe klachtencommissie niet op orde te hebben, waardoor deze commissie de klacht van [verzoekster] niet heeft kunnen behandelen (mededeling daarvan op 14 augustus 2020).

In het gesprek van 26 augustus 2020 heeft [verzoekster] gevraagd welke concrete maatregelen JBZ zou gaan nemen om de veiligheid van [verzoekster] te waarborgen. Het doel van JBZ in dit gesprek was het tot stand brengen van een veilige en werkbare relatie tussen [A] en [verzoekster] . [verzoekster] verwijt JBZ dat zij weigerde tegen het gedrag van [A] op te treden en dat zij weigerde de ernst van wat [verzoekster] is overkomen te erkennen en de rol van JBZ daarin. JBZ moet erkennen dat een veilige werkomgeving voor [verzoekster] een omgeving is waarin ze niet meer met [A] hoeft samen te werken of überhaupt op het zelfde moment aanwezig te zijn. Tussen de anesthesioloog en [verzoekster] is voor een goede samenwerking vertrouwen van groot belang, waarin stress niet past.

[verzoekster] verwijt JBZ dat zij weigert volledige notulen te maken van het gesprek op 26 augustus 2020, dat JBZ de door [verzoekster] gestelde feiten weigert te erkennen en het door [verzoekster] aangeboden bewijs (getuigenverklaringen) weigert in te zien en dat zij stelt niet verantwoordelijk te zijn voor het gedrag van [A] , omdat hij valt onder de verantwoordelijkheid van de coöperatie medische staf (BSC).

JBZ heeft nadat bleek dat er geen mediation traject kon worden opgestart, ten onrechte aan [verzoekster] de vraag voorgelegd of zij nog wel voor het JBZ wilde werken gelet op de ernstige beschuldigingen van [verzoekster] aan JBZ. [verzoekster] voelt zich door deze vraag tekort gedaan en miskend. Zij stelt alles in het werk om te zorgen dat binnen het JBZ een veilige werkomgeving tot stand wordt gebracht uit hart voor het JBZ.

JBZ wil dan alsnog de klachten gaan behandelen, en wil daarvoor een zorgvuldig onderzoek instellen. JBZ erkent daardoor niet dat de door [verzoekster] gemelde incidenten hebben plaatsgevonden. JBZ weigert maatregelen te nemen zodat [verzoekster] gedurende het onderzoek kan trachten haar werkzaamheden te hervatten. Voor het nemen van maatregelen voor een veilige werkomgeving is het volgens [verzoekster] niet nodig een onderzoek te doen. Uit de rapportages van de bedrijfsarts volgt dat samenwerking tussen [A] en [verzoekster] niet meer mogelijk is. En JBZ weigert om blijvend de samenwerking uit te sluiten.

De in de BSC verenigde anesthesiologen hebben zich achter de aanpak door het BSC en JBZ geschaard. Mede daardoor kan van [verzoekster] niet worden verwacht dat zij nog langer voor het JBZ werkzaam is. Ten onrechte heeft JBZ haar geen beëindigingsvoorstel willen doen.

De stellingen van JBZ in haar verweerschrift getuigen ook van ernstig verwijtbaar handelen. JBZ beschuldigt [verzoekster] van fouten te hebben gemaakt waardoor een patiënt dreigde te overlijden.

In haar reactie op het onderzoeksrapport wijst [verzoekster] vooral op het volgende:

“Hieronder worden de conclusies van de onderzoekscommissie weergegeven.

Incident 1- [verzoekster] heeft gelijk

3. Uit de Onderzoeksrapportage volgt dat het volgende wat mevrouw [verzoekster] heeft gesteld over incident 1 aannemelijk is. Ook JBZ heeft dit in haar brief aan (…) uw rechtbank van 12 maart 2021 aangegeven.

a. Hetgeen mevrouw [verzoekster] heeft gesteld over de aanleiding voor incident 1.

b. Hetgeen mevrouw [verzoekster] heeft gesteld over tot de inhoud van incident 1.

De onderzoekscommissie komt letterlijk tot de volgende eindconclusie:

"Waar het de door [mevrouw [verzoekster] ] genoemde [incident 1 en incident 3] betreft, is het voor de commissie voldoende aannemelijk geworden dat deze hebben plaatsgevonden als door [mevrouw [verzoekster] ] omschreven. (..) Het gedrag van [de heer [A] ] bij [incident 1 en incident 3 is te kwalificeren als een disproportioneel reageren op een gebeurtenis op een wijze die op [mevrouw [verzoekster] ] int intimiderend moet zijn overgekomen, voor [mevrouw [verzoekster] ] niet zonder impact is gebleven (..). Het gedrag is te omschrijven als een zeer emotioneel gedreven en buitenzinnige uitbarsting van boosheid waarbij verweerder zichzelf niet meer in de hand heeft gehad(..)".

Incident 2 - [verzoekster] heeft gelijk

4. Over hetgeen door mevrouw [verzoekster] is gesteld met betrekking tot incident 2 heeft de onderzoekscommissie niet inhoudelijk kunnen oordelen. Wel is vast komen te staan dat mevrouw [verzoekster] de heer [A] een gesprek hebben gevoerd.

5. Dat mevrouw [verzoekster] over de inhoud van de gesprekken met de heer [A] de waarheid heeft verklaard is echter wel erg aannemelijk aangezien de onderzoekscommissie het ook aannemelijk is bevonden dat mevrouw [verzoekster] over incident 1 en 3 de waarheid heeft verklaard en uit de Onderzoeksrapportage in het geheel is gebleken dat de heer [A] daadwerkelijk een grote leugenaar is, zoals door de advocaat van mevrouw [verzoekster] in de pleitaantekeningen ook al uitgebreid is toegelicht.

Incident 3 - [verzoekster] heeft gelijk

6. Uit de Onderzoeksrapportage volgt dat het volgende wat mevrouw [verzoekster] heeft gesteld over incident 3 aannemelijk is. Ook JBZ heeft dit in haar in haar brief aan (…) uw rechtbank van 12 maart 2021 aangegeven.”

[verzoekster] deelt niet de conclusie in het onderzoeksrapport over het handelen van JBZ naar aanleiding van de incidenten. Wat dat onderdeel betreft zijn de onderzoekers buiten hun opdracht getreden.

4 Het verweer van JBZ

4.1.

JBZ verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzoeken van [verzoekster] moeten worden afgewezen. Er zijn geen omstandigheden zodanig dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Van ernstig verwijtbaar gedrag van JBZ is ook geen sprake. JBZ betwist niet dat er incidenten hebben plaatsgevonden, maar wel dat zij in de wijze waarop zij gereageerd heeft op de klachten, ernstige steken heeft laten vallen.

JBZ wijst erop dat [verzoekster] in april 2018 een zogenaamde (aan artsen) voorbehouden handeling heeft verricht, waarop [A] erg boos is geworden. [A] heeft gesteld dat de patiënt door de handeling van [verzoekster] dreigde te overlijden. JBZ betwist dat is toegezegd dat met [A] een verbetertraject is afgesproken. Wel is erkend dat [A] een “kort lontje” had en mogelijk te heftig tegen [verzoekster] was uitgevallen. JBZ is ervan uitgegaan dat de kwestie na gesprekken die zijn gevoerd, was afgedaan. Tot 18 juni 2020 heeft JBZ niet vernomen dat er voor [verzoekster] nog problemen waren in de samenwerking met [A] . Zij betwist dat er enig causaal verband is tussen het incident in april 2018 en de ziekmelding van [verzoekster] 17 maanden later.

Na het incident van 18 juni 2020 heeft JBZ alles gedaan van wat van haar verwacht kon worden. Eerst gesprekken voeren, dan de behandeling door de externe klachtcommissie afwachten, mediation aanbieden, gesprekken voeren en een onderzoek instellen. [verzoekster] stelt zich echter onwrikbaar op. Zij ziet maar één oplossing en dat is dat ze niet structureel niet meer met [A] wordt ingeroosterd, maar dat kan volgens JBZ geen structurele oplossing zijn. Er zijn niet meerdere operatiecentra en betrokkenen kunnen elkaar dus zeker wanneer er zich spoedingrepen voordoen, niet blijvend ontlopen.

In reactie op het onderzoeksrapport stelt het JBZ dat zij de aanbevelingen van dit rapport overnemen. Zij formuleert dit als volgt:

“Aanbevolen wordt passende maatregelen te nemen — op straffe van een sanctie — die

ertoe strekken “dat verweerder zijn gedrag en communicatie zodanig aanpast dat er sprake

is van [een] professionele beroepshouding in de samenwerking binnen 0K complex’ (pag

42, Aanbevelingen, tweede bullitpoint)

2. JBZ had zich (vide ook haar verweerschrift; o.m. sub 46) uitdrukkelijk bereid verklaard

tot het nemen van maatregelen wanneer uit het onderzoek zou volgen dat daar

aanleiding toe was. Zij heeft daadwerkelijk besloten de aanbevelingen van [I]

over te nemen en is inmiddels in overleg met de BSC over de ten aanzien van de

anesthesioloog te nemen maatregelen. Haar is bekend dat BSC, dat eveneens te kennen

heeft gegeven de ook aan deze coöperatie gerichte aanbevelingen in de rapportage op te

zullen volgen, de anesthesioloog inmiddels heeft opgeroepen voor een bespreking

hierover, zij zal van het verloop van eea op de hoogte gehouden worden.

3. Zij is ter uitvoering daarvan reeds nagegaan of, en vastgesteld dat, [verzoekster] en de

anesthesioloog die zich jegens haar heeft misdragen roostertechnisch gescheiden

gehouden kunnen worden voor de duur van het traject waartoe ten aanzien van de

anesthesioloog zal worden besloten. Weliswaar met de beperkingen aan die oplossing die

in het verweerschrift al zijn geschetst, waarvan [verzoekster] echter al heeft aangegeven

die aanvaardbaar te vinden. Indien en voorzover dit voor [verzoekster] toch onvoldoende

zou zijn heeft JBZ (uiteraard discreet) bij vijf ziekenhuizen in haar directe omgeving waar,

net als in haar eigen organisatie, vacatures zijn voor anesthesiemedewerkers en/of

sedatiespecialisten geïnformeerd of daar mogelijkheden zouden zijn voor het tijdelijk

detacheren van een medewerker die “buiten zijn/haar schuld een

samenwerkingsprobleem met een medisch specialist heeft”. Daar werd overwegend

positief op gereageerd. JBZ stelt zich dan ook op het standpunt dat zij aan de

aanbevelingen van de onderzoekers zal kunnen voldoen, zodanig dat de arbeidsrelatie

met [verzoekster] in stand zou moeten kunnen blijven.”

5 Hoe oordeelt de kantonrechter?

5.1.

De kantonrechter dient bij een verzoek van een werknemer tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te beoordelen of er omstandigheden zijn, van dien aard dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of op korte termijn behoort te eindigen (artikel 7:671c lid 1 BW). Is dit het geval, dan komt de vraag naar de verschuldigdheid van vergoedingen aan de orde.

5.2.

Vertaling van de rechtsvraag naar deze zaak betekent dat onderzocht moet worden of van [verzoekster] gelet op de handelingen van het JBZ in reactie op de door haar gemelde incidenten, niet gevraagd kan worden nog langer bij JBZ in dienst te blijven. Concreet betekent het of JBZ zodanig heeft gefaald in het bieden van een veilige werkomgeving voor [verzoekster] dat haar een ernstig verwijt kan worden gemaakt, zoals [verzoekster] stelt. In dit kader wordt nog opgemerkt dat voor ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever een hoge drempel geldt. Daarvoor is alleen aanleiding in uitzonderlijke situaties waarin evident is dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten.

5.3.

De kantonrechter overweegt daarover als volgt.

5.3.1.

In de eerste plaats is de kantonrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [A] zich ten opzichte van [verzoekster] heeft gedragen op een wijze die [verzoekster] niet hoeft te accepteren. In het onderzoeksrapport wordt die conclusie ook getrokken. Er was sprake is van onbetamelijk gedrag. De conclusies over het incident in de operatiezaal in april 2018 luiden als volgt ( [verzoekster] wordt aangeduid als meldster en [A] als verweerder):

  1. Verweerder heeft met zijn gedrag de grenzen van betamelijkheid overschreden. Het heeft er alles van weg dat verweerder niet in staat is geweest zich te beheersen waar van verweerder een professionele houding verwacht had mogen worden in plaats van tekeer te gaan tegen meldster en haar 'en plein public' af te snauwen. De commissie kan niet anders dan oordelen dat verweerder zich ongefilterd heeft laten leiden door zijn emoties. Verweerder is daarbij ook voorbij gegaan aan de positie die hij als anesthesioloog heeft ten opzichte van een anesthesiemedewerker wat een extra intimiderend effect moet hebben gehad op meldster.

  2. Bij de beoordeling weegt voor de commissie zwaar dat verweerder als een gewaarschuwd man had te gelden waar hij door zijn management reeds gewezen was op zijn onhandige wijze van communiceren en het ook duidelijk was dat verwacht werd dat verweerder zich een andere houding zou eigen maken.

  3. Ook in het privéleven van meldster is dit niet zonder gevolgen gebleven. Haar vroegere levenservaringen, die uiteraard niet aan verweerder zijn toe te rekenen, waarvan zij dacht deze verwerkt te hebben, bleken door het incident met verweerder op een dusdanig wijze emoties bij haar los te maken dat zij heftige herbelevingen kreeg van wat haar in haar verleden was overkomen. Hierdoor zag zij zich gedwongen zich ziek te melden.

Ten aanzien daarvan overweegt de commissie dat, in tegenstelling tot het gevoel dat meldster daarbij heeft, een direct causaal verband tussen het gedrag van verweerder op 8 april 2018 en de herbeleving van - in een eerdere levensfase - door meldster ondervonden huiselijk (verbaal) geweld alleen al door het tijdsverloop moeilijk is vast te stellen. Zo zit er al een periode van ongeveer een jaar en vier maanden tussen het incident en de ziekmelding van meldster. Multicausaliteit kan niet worden uitgesloten.

Het is voor de commissie wel aannemelijk dat het voor meldster het nodige heeft losgemaakt en een trigger tot herbeleving moet zijn geweest.

Ten aanzien van het door verweerder gevoerde en in zijn zienswijze op de bevindingen gehandhaafde verweer dat de - ook door verweerder zelf als zodanig aangeduide - felle reactie daarin gelegen was dat de patiënt aan het doodgaan was en hij het leven van de patiënt moest redden, overweegt de commissie dat dit niet door tegenover de commissie afgelegde verklaringen wordt ondersteund. Zo verklaart meldster dat er geen sprake was van een patiënt met wie het slecht ging, die aan het stikken was of iets van die orde. Waar een getuige aangeeft zich niet te kunnen herinneren of verweerder nog aandacht aan de patiënt heeft besteed, moet de commissie hieruit opmaken dat deze getuige in ieder geval geen crisissituatie heeft waargenomen. Ook een andere getuige geeft aan het onwaarschijnlijk te achten dat zich een crisissituatie heeft voorgedaan, daar de betreffende getuige daar dan van op de hoogte zou zijn gebracht, hetgeen niet is gebeurd. Meldster voegt hier nog aan toe dat een (levensbedreigende) situatie met een patiënt, zoals geschetst door verweerder, absoluut gemeld wordt en dat er tijdens zo'n situatie gebruik gemaakt wordt van een alarmbel. De commissie heeft navraag gedaan en er blijkt niets van een crisissituatie of van een melding geregistreerd te staan.

De commissie overweegt dat het verweer dan ook terzijde kan worden gelegd waar verweerder zaken noemt die niet bevestigd zijn geworden en waar verweerder suggereert dat het meldster verwijtbaar was het leven van de patiënt in gevaar te hebben gebracht hetgeen uit tegenover de commissie afgelegde verklaringen niet als zodanig is gebleken.

Waar anderzijds uit de tegenover de commissie afgelegde verklaringen kan worden opgemaakt dat het strikte regel is dat een uitleiding van een patiënt alleen mag plaatsvinden na voorafgaand overleg met of in de aanwezigheid van de anesthesioloog en aldus meldster had moeten doen wat verweerder had aangegeven (i.c. de patiënt dieper in slaap brengen) en dat meldster (door haar als gerechtvaardigde) handelingen heeft verricht die zij niet had mogen verrichten, heeft verweerder het gelijk aan zijn zijde, maar dit rechtvaardigt nog niet het door verweerder naar meldster vertoonde gedrag.

Het gedrag van verweerder in deze is te kwalificeren als buitenproportioneel. Door verweerder hadden ook andere wegen bewandeld kunnen worden door bijvoorbeeld een VIM (Veilig Incident Melding) te doen of door een melding bij de leidinggevende van meldster te doen met het uitdrukkelijke verzoek meldster daarop aan te spreken/te sanctioneren. Verweerder heeft ook erkend dat hij het achteraf beter anders aan had kunnen pakken. Waar verweerder in zijn zienswijze stelt dat hij het incident heeft gemeld bij de floormanager, is dit gedaan zonder een verzoek tot ingrijpen, zo moet de commissie hieruit afleiden;

Het verweer dat verweerder een calamiteitenmelding niet opportuun vond omdat de patiënt er achteraf geen schade van had ondervonden, blijkt bij navraag een juiste handeling te zijn geweest. Doch dat neemt niet weg dat de commissie het merkwaardig vindt dat hier - ook intern - geen melding van een dergelijke door verweerder geschetste kritieke situatie is gemaakt. Ook niet vanuit een lerend effect.”

[verzoekster] heeft een voorbehouden handeling verricht, maar dit rechtvaardigt niet de reactie van [A] .

5.3.2.

De kantonrechter acht het in dit verband nog van belang dat niet is komen vast te staan dat en dat het ook onwaarschijnlijk is dat de patiënt in gevaar is geweest. Iets wat JBZ in haar verweerschrift wel suggereert, terwijl er van enige melding van een dergelijk incident bij de calamiteitencommissie van het JBZ niets bekend is. [J] , anesthesioloog en lid van deze commissie, heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard niets van dit incident te weten. Normaliter zou hij hiervan wel op de hoogte zijn geweest.

[verzoekster] neemt het het JBZ terecht kwalijk dat zij deze suggestie in haar verweerschrift uit, zonder dat zij daarnaar onderzoek heeft gedaan. JBZ heeft hier naar het oordeel van de kantonrechter verwijtbaar gehandeld.

5.3.3.

Over het door [verzoekster] als tweede genoemde incident, het gesprek tussen [A] en [verzoekster] op de dag van het eerste incident, wordt door de commissie geen ander oordeel uitgesproken anders dan dat het gesprek niet tot een betere verstandhouding heeft geleid. De commissie kan zich verder niet uitlaten over het verloop van het gesprek, omdat daar alleen [A] en [verzoekster] bij waren en het wat dat betreft het woord van de een tegenover de ander is.

De kantonrechter acht het, gelet op wat over het gedrag van [A] bekend is geworden aannemelijk dat [A] zich ook in dit gesprek onbetamelijk heeft opgesteld.

5.3.4.

Dan is aan de orde de vraag of JBZ als werkgever na deze incidenten adequaat is opgetreden.

Dit optreden is feitelijk beperkt gebleven tot een aantal gesprekken met [verzoekster] . Wat en of [A] is aangesproken, is niet bekend. [verzoekster] verkeerde in de veronderstelling dat [A] is een verbetertraject zat en zij zegt om die reden van een formele procedure te hebben afgezien. De verantwoordelijke functionarissen met wie [verzoekster] heeft gesproken en van wie zij had begrepen dat [A] “in een verbetertraject zat”, kunnen zich niet herinneren dat zij dit hebben gezegd en dat zij [verzoekster] op de hoogte zouden houden van het verloop van dit traject. Ter zitting verklaarde de gemachtigde van JBZ dat er geen verbetertraject was geweest, maar wel een soort coaching traject. JBZ heeft het daarbij gelaten en ook [verzoekster] is er niet meer op teruggekomen. Blijkbaar hebben zich ook geen incidenten meer voorgedaan.

De kantonrechter is van oordeel dat JBZ door te handelen als zij heeft gedaan in reactie op de incidenten van april 2018, niet verwijtbaar heeft gehandeld. Er is niet gebleken van aanwijzingen dat er nader optreden en ingrijpen nodig was. Die aanwijzingen hoefde zij ook niet te vinden in de ziekmelding van [verzoekster] .

5.3.5.

Over het incident in juni 2020 oordeelt de commissie als volgt:

“Ten aanzien van het incident van 18 juni 2020 acht de commissie het aannemelijk dat een en ander heeft plaatsgevonden als door meldster beschreven evenals dat meldster het incident heeft ervaren als intimiderend en beangstigend. Dit het verweer ten spijt waar verweerder stelt beslist niet met veel kabaal de OK te zijn opgestormd, niet dreigend dan wel met luide en agressieve stem heeft geroepen en niet tierend is weggestoven, doch wel boos was en dat het mogelijk is dat meldster zijn irritatie heeft gevoeld.

Aan de aannemelijkheid liggen voor de commissie de volgende overwegingen ten grond.

a) Uit de verklaringen van getuigen uit eigen waarneming is gebleken dat verweerder heftig en boos gedrag liet zien naar meldster op de OK maar ook daarbuiten waar verweerder volgens een getuige briesend over de gang liep op zoek naar de leidinggevende van meldster om een klacht in te dienen. Ook wordt daaruit duidelijk dat de getuigen het gedrag als agressief, buiten zinnen en intimiderend hebben ervaren en dat het voor hen onbegrijpelijk is dat iemand, terwijl er een operatie gaande is, op deze manier onaangekondigd een operatiekamer binnen stormt.

b) Verweerder heeft de door zijn vriendin (tevens operatieassistente) aan hem vertelde versie van wat er gebeurd zou zijn in de koffiekamer als voor waar aangenomen en is daarop uit zijn dak gegaan.

c) Het had verweerder gesierd als hij eerst bij de medewerker (die aan meldster vragen stelde over de regels rond het onder sedatie respectievelijk onder narcose brengen van patiënten waar deze worden ingepland in de reguliere OK) navraag had gedaan wat deze aan meldster had gevraagd/voorgelegd en wat meldster hem had geadviseerd. Dan had verweerder kunnen achterhalen dat er geen sprake was van het advies om over te gaan tot het indienen van een klacht maar dat meldster de betreffende medewerker slechts in overweging had gegeven een VIM te doen. Een VIM strekt namelijk tot verbetering van procedures en richt zich niet tegen de persoon. Verweerder had dan ook van de betreffende medewerker kunnen vernemen dat hij besloten had dat niet te doen maar het te laten rusten. Een navraag/wederhoor bij meldster had een en ander ook meer inzichtelijk gemaakt. Verweerder geeft ook zelf aan achteraf in te zien dat het wellicht anders had gekund.

d) Ook bij dit incident is sprake van onprofessioneel gedrag van verweerder van een gelijke aard en karakter als bij het incident van 6 april 2018.”

5.3.6.

Ook voor dit incident geldt dat [verzoekster] behandeld is op een wijze die zij niet hoefde te accepteren. Opnieuw is zij slachtoffer van het gedrag van een collega, dezelfde collega die haar twee jaar daarvoor ook zeer onheus had bejegend. Met [verzoekster] is de kantonrechter van oordeel dat het JBZ als werkgever [verzoekster] tegen dit gedrag dient te beschermen.

5.3.7.

[verzoekster] voelde zich aanvankelijk gesteund in gesprekken die zij met leidinggevenden heeft gevoerd. In het daarop volgend gesprek dat samen met [A] is gevoerd, voelde zij zich in de steek gelaten. Ook zij werd aangesproken op gedrag, terwijl zij zich geheel onschuldig voelde. Zij had en heeft het gevoel het juiste te hebben gedaan op het juiste moment in haar advies aan de collega. Er zijn ook geen aanwijzingen dat [verzoekster] anders had moeten handelen dan zij heeft gedaan. Dat zij het advies aan de collega heeft gegeven in de koffiekamer waar anderen konden meeluisteren, zoals JBZ in haar verweerschrift en ter zitting suggereerde is niet komen vast te staan. De kantonrechter kan zich voorstellen dat [verzoekster] zich ten onrechte aangesproken heeft gevoeld en zich daardoor in de steek gelaten. De onderzoekscommissie werpt op dat de leidinggevenden in het gesprek onvoldoende het gedrag van [A] hebben veroordeeld.

5.3.8.

Een gesprek en enige toenadering tussen [A] en [verzoekster] was toen niet meer mogelijk. De pogingen van JBZ om via gesprekken de problemen op te lossen, waren mislukt. [verzoekster] voelde zich zo onheus behandeld dat zij niet meer in gesprek wilde. Mediation bleek daarna ook een niet begaanbare weg. De mediator heeft na individuele gesprekken met [A] en [verzoekster] de opdracht teruggegeven.

De kantonrechter vindt het lastig hier het etiket “verwijtbaar” op het handelen van JBZ te plakken. JBZ heeft duidelijk de problematiek onderschat en te veel en onterecht gedacht, dat zij met een soort aanpak zoals de kantonrechter die ziet, van “waar twee vechten hebben twee schuld”, de problemen kon oplossen.

5.3.9.

Er valt JBZ wel zeker een verwijt te maken van het feit dat zij de klachtenprocedure formeel niet op orde had. Na juridisch bezwaar van [A] kon de externe klachtcommissie de zaak niet verder behandelen.

5.3.10.

Vervolgens eist [verzoekster] en zij ziet dat als enige mogelijke oplossing, ter zitting heeft zij dat bevestigd, dat zij de garantie krijgt dat zij nooit meer met [A] zou hoeven samenwerken. Zolang zij die garantie niet krijgt, kan zij naar haar overtuiging nooit meer veilig in het Jeroen Bosch Ziekenhuis werken. JBZ wil dat niet toezeggen, alleen al niet omdat er zich noodsituaties kunnen voordoen waarbij die garantie niet kan worden gegeven. JBZ wil voordat zij overgaat tot maatregelen die ook de positie van [A] zullen raken, een onafhankelijk onderzoek naar de incidenten. Zij wil pas op grond van het uit te brengen rapport beslissingen nemen. [verzoekster] wil daar dan niet meer op wachten. Ze is het vertrouwen in haar werkgever kwijt.

De kantonrechter begrijpt dat [verzoekster] teleurgesteld is in het JBZ. Het JBZ heeft een aantal steken laten vallen. De eis van [verzoekster] dat JBZ nu al een garantie diende te geven op het nooit meer hoeven samenwerken met [A] , heeft het JBZ echter naar het oordeel van de kantonrechter terecht kunnen afwijzen. JBZ heeft ook kunnen beslissen eerst via gesprekken tot een oplossing te komen en ook dat zij pas maatregelen heeft willen nemen na een onderzoek en dat zij slechts als tussenoplossing [A] en [verzoekster] niet gelijktijdig zou inroosteren. De slotconclusie van de kantonrechter is dan ook dat JBZ niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, hoewel haar op diverse momenten zeker wel verwijten waren te maken. De kantonrechter begrijpt dat mede gelet op haar goede staat van dienst, vooral de suggestie van JBZ in haar verweerschrift dat [verzoekster] in april 2018 een patiënt in levensgevaar zou hebben gebracht, haar gekwetst heeft.

5.3.11.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat van [verzoekster] gevraagd kan worden de dienstbetrekking met JBZ voort te zetten. Overigens heeft JBZ in reactie op het rapport maatregelen aangekondigd. De aanbevelingen die de onderzoekscommissie heeft gegeven, zal zij opvolgen.

5.4.

Nu de kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet zal ontbinden, komt zij niet toe aan de behandeling van de overige verzoeken van [verzoekster] .

5.5.

Gelet op de aard van de rechtsverhouding tussen partijen en de specifieke omstandigheden van dit geval, dienen beide partijen de eigen kosten te dragen.

5.6.

Wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen nadere bespreking meer, omdat dit in het licht van alles dat in deze beschikking is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

6 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de verzoeken van [verzoekster] af;

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

Deze beschikking is gewezen door mr. M.H. Kobussen, kantonrechter, en is op 29 maart 2021 in het openbaar uitgesproken.

1 Rve staat voor resultaat verantwoordelijke eenheid. Iedere rve heeft een medisch manager en een manager bedrijfsvoering.