Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1464

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-03-2021
Datum publicatie
31-03-2021
Zaaknummer
01/865001-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de moord op een 48-jarige vrouw door haar te wurgen. Het verweer dat er sprake van zelfdoding zou zijn verwerpt de rechtbank. Verdachte worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 jaren.

De vorderingen die de moeder, de zoon en dochter van het slachtoffer als benadeelde partij hebben ingediend ter vergoeding van door hen geleden affectieschade, worden voor elk van hen toegewezen tot een bedrag van € 17.500,--. De vordering van de broer van het slachtoffer als benadeelde partij wordt afgewezen omdat hij niet tot de kring van gerechtigden behoren die wettelijk gezien aanspraak op vergoeding van affectieschade hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0289
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865001-20

Datum uitspraak: 31 maart 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

ingeschreven te [adres 1] ,

en thans gedetineerd te: P.I. Grave.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting 19 mei 2020, 4 juni 2020, 28 juli 2020, 20 oktober 2020, 12 januari 2021, 9 maart 2021 en 17 maart 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 april 2020.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 9 maart 2021 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 13 februari 2020 tot en met 14 februari

2020, te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo,

[slachtoffer]

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade

van het leven heeft beroofd,

door (met kracht) de keel van die [slachtoffer] dicht te drukken en/of door die

[slachtoffer] een sjaaltje, althans een stoffen voorwerp, om de hals te binden

en/of een vuilniszak over haar hoofd te doen en/of dat sjaaltje, althans dat

stoffen voorwerp, strak aan te trekken en/of vast te knopen;

2.

hij op of omstreeks 14 februari 2020, althans in of omstreeks de periode van

11 februari 2020 tot en met 14 februari 2020,

te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo, althans in Nederland,

een telefoon en/of drie pinpassen, in elk geval enig goed,

dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n),

te weten aan [slachtoffer] en/of haar erfgena(a)m(en),

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De waardering van het bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft op gronden zoals vervat in het schriftelijke requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 impliciet primair ten laste gelegde moord. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht.

Ook de onder feit 2 ten laste gelegde diefstal van de telefoon en drie pinpassen van [slachtoffer] acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen, nu verdachte heeft verklaard deze goederen uit de stacaravan te hebben meegenomen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte stelt op gronden zoals vervat in haar op schrift gestelde pleidooi dat er geen overtuigend bewijs is op basis waarvan kan worden aangenomen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht. Niet kan worden uitgesloten dat er sprake is van zelfdoding, zodat verdachte van het onder feit 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de onder feit 2 ten laste gelegde diefstal van de telefoon en de pinpassen, heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank. 1

De rechtbank zal voor de vraag of het als feit 1 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard eerst stilstaan bij het aantreffen van het lichaam van [slachtoffer] (de technische bevindingen daaromtrent), de doodsoorzaak en het tijdstip van overlijden. Daarna zal de rechtbank bespreken welke omstandigheden voorafgaand, tijdens en na het sterven van het slachtoffer zijn vast te stellen, om vervolgens het door verdachte geschetste scenario te bespreken. Daarbij worden de technische bevindingen aangaande het DNA-onderzoek besproken. Tot slot zal de vraag worden beantwoord of verdachte, zoals hem wordt verweten, degene is die het slachtoffer om het leven heeft gebracht.

Voor de duidelijkheid merkt de rechtbank nog op dat in dit vonnis zowel de term ‘chalet’ als ‘stacaravan’ voorkomen als aanduiding van het verblijf waar het slachtoffer is aangetroffen.

Aantreffen lichaam en doodsoorzaak.

In de ochtend van vrijdag 14 februari 2020 werd op vakantiepark “ [naam park] ” te Mierlo in chalet [nummer chalet] het levenloze lichaam van [slachtoffer] aangetroffen. Het slachtoffer lag in het woongedeelte van het chalet met haar rug op een matras die op de grond lag. Bovenop haar lagen dekbedden, een opgevouwen bril en op haar gezicht twee hoofdkussens.2 Op het (onder-)lichaam lagen twee met vloeistof doordrenkte handdoeken en op haar bovenlichaam werden een aantal pasfoto’s, deels in een hoesje, aangetroffen. Op deze pasfoto’s staan de kinderen van het slachtoffer en twee nichtjes afgebeeld3. Het slachtoffer droeg enkel een slip. Het grijze T-shirt dat gedeeltelijk onder haar lag en deels om haar pols zat, had aan de voorzijde een beschadiging die past bij het beeld alsof er in het T-shirt geknipt of gesneden is. Onder de rug van het slachtoffer en deels onder het T-shirt, lag een intacte condoomverpakking. Om de hals van het slachtoffer was een sjaal gebonden. In de sjaal zat een dubbele knoop welke zich aan de achterzijde, in de nek van het slachtoffer, bevond. De uiteinden van de sjaal lagen in de lengterichting onder haar lichaam. De sjaal was met twee omwentelingen om de hals van het slachtoffer gebonden en tussen de omwentelingen zat een beschadigde vuilniszak geklemd. De manier waarop de vuilniszak tussen de sjaal geklemd zat, past in het beeld dat na één omwenteling van de sjaal om de hals, de vuilniszak geheel of gedeeltelijk over het hoofd van het slachtoffer is gedaan alvorens de sjaal voor de tweede maal om de hals te wentelen. Rechts van de schouder van het slachtoffer lag een afgescheurd deel van een condoomverpakking, het andere deel van de verpakking werd onder de salontafel aangetroffen.4 Onder het tweepersoonsbed op slaapkamer 1, waarvan het matras in de woonkamer lag, werd een afgerold condoom aangetroffen.5

Het stoffelijk overschot werd onderworpen aan een pathologisch onderzoek. Als uitwendig letsel werd een circulair om de hals/nek, vrijwel in één vlak verlopend, snoerspoor waargenomen. Het inwendig letsel betrof bij leven ontstane breuken van het tongbeen en het strottenhoofd. De forensisch patholoog concludeert dat het intreden van de dood van het slachtoffer wordt verklaard door de gevolgen van uitwendig mechanisch samendrukkend toesnoerend geweld op de hals/nek (verwurging: ligatuurstrangulatie). Verstikking kan daarbij een rol hebben gespeeld indien er sprake is geweest van een bij leven doorgemaakte adempassagebelemmering.6

Tijdstip overlijden.

Op basis van de bevindingen van onder meer de lijkschouwer7, uitgaande van het tijdstip waarop de lijkschouw heeft plaatsgevonden, namelijk op 14 februari 2020 om 18.02 uur8, wordt geschat dat het slachtoffer tussen 13 februari 2020 22.00 uur en 14 februari 2020 11.00 uur is overleden.9

Aanwezigheid verdachte rond tijdstip overlijden.

Verdachte heeft verklaard dat alleen hij samen met het slachtoffer in het chalet aanwezig was op de dag en avond voorafgaand aan haar dood. Ook na haar dood is er, totdat verdachte definitief uit het chalet vertrok, niemand anders in het chalet aanwezig geweest, zo volgt uit zijn verklaring.10 Uit de opsporingsbevindingen van de politie blijkt ook niet anders. Voorts volgt uit de verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer dood heeft zien liggen en dat toen hij uit het chalet vertrok hij haar heeft achtergelaten zoals zij op 14 februari 2020 door medewerkers van het vakantiepark is aangetroffen.11 Dit past ook bij bevindingen van de politie met betrekking tot het gebruik van de keycard om het chalet te openen. De deur is totdat de medewerkers van het vakantiepark arriveerden, met een keycard niet meer van de buitenzijde geopend nadat verdachte dat voor het laatst deed om 01.02 uur (waarover hierna meer).12

Nu uit het voorgaande is gebleken dat het slachtoffer geen natuurlijke dood is gestorven, maar door verwurging, en vaststaat dat gedurende de avond en nacht waarin zij is overleden alleen verdachte en het slachtoffer zelf aanwezig waren, kan de rechtbank uitsluiten dat de verwurging door een ander dan het slachtoffer zelf of door verdachte is toegepast. Dat betekent dat er twee mogelijkheden zijn: het slachtoffer heeft zichzelf gewurgd of verdachte heeft dat gedaan.

Zelfdoding? Bespreking van het door verdachte gegeven alternatief scenario.

Voor de vraag of op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onderscheid gemaakt kan worden tussen het scenario dat verdachte het slachtoffer verwurgd heeft of dat er sprake was van zelfdoding, acht de rechtbank het volgende van belang.

Aan de forensisch patholoog zijn door de officier van justitie aanvullende vragen gesteld. De patholoog is specifiek bevraagd of een persoon zelf door strangulatie de breuken van het tongbeen en het strottenhoofd kan bewerkstelligen en of een persoon zelf na het leggen van de eerste knoop, nog voldoende tijd heeft voor het leggen van een tweede knoop. De patholoog heeft hierop geantwoord dat bewusteloosheid, zeker bij het afsnoeren van de halsslagaders door strangulatie, zeer snel optreedt. In de regel binnen zeven seconden. Deze tijd is beperkt, maar geeft wel enige tijd om een tweede knoop te leggen. Ook wordt benoemd dat de breuken door een persoon zelf kunnen worden veroorzaakt.13

De patholoog kan op grond van haar bevindingen aan het lichaam van het slachtoffer zelfdoding niet uitsluiten.

Dit betekent dat er voor de beantwoording van de vraag of al dan niet sprake was van zelfdoding moet worden gekeken naar de overige feiten en omstandigheden die blijken uit het dossier en het verhandelde ter zitting.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij omstreeks 01.00 uur nog een keer cocaïne ging halen en daartoe met zijn dealer bij de ingang van het vakantiepark had afgesproken. Om weer toegang te krijgen tot het chalet, gebruikte hij die avond voor het eerst sinds zijn verblijf op het vakantiepark de keycard. Eerder, ook die avond rond 20.00 uur nog, deed [slachtoffer] altijd de deur voor hem open. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] op het moment van zijn vertrek leefde en gekleed was in een broek en een T-shirt. Toen hij rond 01.00 uur terugkwam had zij alleen nog een slip aan en lag zij met een sjaal om haar nek en een vuilniszak over haar hoofd levenloos op het matras in de woonkamer. Verdachte heeft verklaard nog te hebben geprobeerd de knoop in de sjaal los te maken, maar dat dit hem niet lukte. Toen hij de vuilniszak van haar hoofd trok, zag hij dat ze al was overleden.

Op de camerabeelden van de toegangsweg tot het vakantiepark is te zien dat op 14 februari 2020 omstreeks 00.58 uur14 een persoon in beeld komt wandelen die overeenkomt met de wijze van kleden, lopen en bewegen van verdachte.15 Uit de Google Takeout van verdachte blijkt dat de locatiegegevens zijn aanwezigheid in/bij chalet [nummer chalet] tonen tot 00:57:33 uur. Om 00:59:43 uur wijzigen deze gegevens naar de parkeerplaats receptie [naam park] .16 Omstreeks 01.02 uur wordt vervolgens de toegangsdeur van chalet [nummer chalet] voor de laatste keer vanaf de buitenzijde geopend met de bijbehorende keycard.17 Verdachte heeft verklaard dat hij rond 01.00 uur buiten het chalet een ontmoeting had met een cocaïnedealer en dat hij daarna met de keycard de deur van het chalet heeft geopend.18

De rechtbank stelt op grond van de uit het voorgaande gebleken tijdsspanne, in combinatie met de verklaring van verdachte, vast dat in de lezing van verdachte het slachtoffer in maximaal vijf minuten een sjaal, een vuilniszak en een condoom moet hebben gepakt, zichzelf moet hebben ontkleed, haar T-shirt moet hebben vernield, op het matras moet zijn gaan liggen, de sjaal om haar hals heeft moeten binden, tussen de eerste en tweede omwenteling de vuilniszak over haar hoofd heeft moeten doen, een tweede knoop heeft moeten aanleggen en tevens in deze tijdspanne is komen te overlijden.

De rechtbank acht dit scenario, allereerst al op grond van deze zeer korte tijdspanne, hoogst onwaarschijnlijk. Bij het afsnoeren van de halsslagaders (door het aantrekken van de sjaal), treedt volgens de conclusie van de patholoog binnen zeven seconden bewusteloosheid op. Na ongeveer drie tot vijf minuten is men gewoonlijk dan ook overleden door onomkeerbare hersenschade maar soms blijft het hart nog geruime tijd (soms tot 20 minuten lang) kloppen en treden er met tussenpozen spierschokken op.19 Dat betekent dat het sterven zelf al de nodige tijd in beslag heeft genomen. Verder roept de wijze van het aantreffen van het slachtoffer vragen op: zo goed als naakt, met een intacte condoomverpakking, deels verwikkeld in het opengescheurde of opengesneden T-shirt, onder haar onderrug, met een sjaal om haar nek waarvan de dubbele knoop zich aan de achterzijde in de nek en de uiteinden van de sjaal zich in de lengterichting onder haar lichaam bevonden, met daartussen een vuilniszak geklemd. De verklaring van verdachte strookt niet met deze omstandigheden. Er is geen enkele reden uit het dossier aannemelijk geworden, waarom het slachtoffer in geval van zelfdoding dat op deze wijze en onder deze omstandigheden zou doen.

Voorts speelt voor de onaannemelijkheid van dat scenario een rol dat verdachte naar eigen verklaring in de late avond van 13 februari 2020 en nacht van 14 februari 2020 voor het eerst de keycard van het chalet heeft gebruikt en ook dat roept vragen op. Gelet op de tijdspanne waarin het slachtoffer is overleden, is het zeer wel mogelijk dat het slachtoffer op het moment dat verdachte rond 01.00 uur cocaïne ging halen niet meer in leven was en dat verdachte om die reden gebruik heeft moeten maken van de keycard om toegang te krijgen tot het chalet. Immers, de dagen voordien en ook nog eerder die avond (na het doen van de boodschappen, rond 20.00 uur) maakte het slachtoffer volgens verdachte altijd de deur voor hem open.

Bij al het voorgaande speelt in niet geringe mate mee het feit dat verdachte zeer wisselend geweest is in zijn verklaringen over wat er gebeurd is in de nacht van 13 op 14 februari 2020 en regelmatig gezwegen heeft. Nog afgezien van het feit dat verdachte door vele getuigen wordt getypeerd als een leugenaar (“van de drie woorden die hij spreekt, zijn er vier gelogen”), komt uit de (wisselende) verklaringen zelf, het beeld van een leugenachtig verklarende verdachte naar voren.

Zo verklaart hij in zijn eerste verhoor (toen hij nog slechts verdacht werd van heling van de telefoon van het slachtoffer) dat hij in de nacht van 13 op 14 februari 2020 in de kasteeltuin te Helmond heeft geslapen. In het tweede, derde en vierde verhoor en bij de rechter-commissaris (toen verdachte inmiddels ook verdacht werd van doodslag) beroept hij zich grotendeels op zijn zwijgrecht. In zijn vijfde verhoor, ruim twee weken na de fatale nacht en intussen geconfronteerd met onderzoeksbevindingen waaruit blijkt dat de deur van het chalet voor het laatst met de keycard geopend werd om 01.02 uur en dat een getuige omstreeks 06.30 uur een man heeft zien lopen die past in het beeld van verdachte, verklaart verdachte dat hij net na enen is vertrokken, omdat hij er niet bij wilde zijn als [slachtoffer] zelfdoding zou plegen. Hij heeft daarna uren in het bos gezeten omdat hij nachtblind is. Bij zijn vertrek zou [slachtoffer] hem haar telefoon en bankpas hebben gegeven, omdat ze die toch niet meer nodig had. Verdachte houdt deze versie vol tijdens het zesde verhoor, bij de raadkamer gevangenhouding en tijdens het zevende en achtste verhoor, intussen anderhalve maand na de dood van het slachtoffer. Tijdens deze verhoren verklaart verdachte niet geïnteresseerd te zijn geweest in seks (“dat interesseerde mij niet”) en zegt herhaaldelijk dat hij het (hem op een foto getoonde) sjaaltje nooit heeft gezien. Als hij geconfronteerd wordt met het feit dat zijn DNA op de sjaal is aangetroffen zegt hij daarvan te schrikken, dit niet te hebben verwacht en niet te weten hoe het slachtoffer is aangetroffen.

Ook bij de verlenging van de gevangenhouding in raadkamer komt verdachte niet met een andere versie van de gebeurtenissen. Tijdens zijn negende verhoor en de eerste

pro forma-zitting voor de rechtbank, ruim drie maanden na het overlijden van het slachtoffer, komt verdachte niet met een andere lezing.

Dat is wel het geval bij zijn tiende verhoor op 9 juli 2020, bijna vijf maanden na de bewuste nacht. Dan vertelt verdachte dat hij, nadat hij rond enen naar de dealer was gelopen, bij terugkomst in het chalet [slachtoffer] op het matras zag liggen met een zak over haar hoofd en een sjaal om haar nek. Nadat hij tevergeefs geprobeerd heeft het sjaaltje los te maken en hij constateerde dat ze dood was, heeft hij haar toegedekt met een kussen, het dekbed en daarbovenop haar bril, waarna hij de telefoon en bankpassen van [slachtoffer] heeft meegenomen en omstreeks 01:15 het chalet heeft verlaten. Van natte handdoeken op het slachtoffer weet hij niets.

Tijdens de opname bij het Pieter Baan Centrum wil verdachte niet meewerken en wil hij dus aan de onderzoekers niets vertellen over wat er die avond en nacht er in dat chalet heeft plaatsgevonden. Dat is ook het geval tijdens zijn elfde verhoor bij de politie, op 8 oktober 2020. Verdachte doet afstand van het recht te verschijnen ter terechtzitting van 20 oktober 2020 en 12 januari 2021.

Tijdens de inhoudelijke behandeling op 9 maart 2021 heeft verdachte verklaard dat hij niet nachtblind is, dat hij wel degelijk met seks bezig was, dat hij op de telefoon van het slachtoffer porno heeft bekeken, dat hij al vijftien jaar een fascinatie heeft voor necrofilie, met name na drugsgebruik, dat hij de handdoeken op het slachtoffer heeft gelegd en dat hij gedurende de gehele nacht nog in het chalet is geweest.

De rechtbank stelt vast dat verdachte door zijn op vele punten leugenachtige verklaringen, zijn deels zwijgende houding en door pas met verklaringen te komen als hij geconfronteerd wordt met bewijs dat niet past bij zijn eerdere verklaring, er niet in is geslaagd met een geloofwaardige en eensluidende lezing te komen van wat er is gebeurd in de nacht van 13 op 14 februari 2020.

Hiervoor is reeds overwogen dat de zeer korte tijdsspanne en de omstandigheden waaronder het slachtoffer is aangetroffen, al zeer ernstige twijfels oproepen over de geloofwaardigheid van verdachtes scenario, maar daarbij komt nog dat ook de resultaten van de DNA-onderzoeken naar het oordeel van de rechtbank niet te verenigen zijn met dat scenario. De rechtbank zal deze hierna bespreken.

Resultaten DNA-onderzoek.

De vraag die beantwoord moet worden, is of op grond van het voorgaande buiten gerede twijfel vastgesteld kan worden dat [slachtoffer] door een misdrijf om het leven is gekomen en of verdachte hiervoor verantwoordelijk is. Daartoe zal de rechtbank de technische onderzoeksbevindingen bespreken en daar conclusies aan verbinden.

Onder meer de volgende voorwerpen zijn forensisch bemonsterd en onderzocht20: de sjaal om de hals met de daarin aanwezige knoop, een (beschadigde) vuilniszak onder haar hoofd, een grijs T-shirt om de pols en deels onder de rug, een intacte condoomverpakking onder de rug en deels onder het grijze T-shirt, diverse pasfoto’s en een gescheurd pasfotohoesje op en in de nabijheid van het bovenlichaam, bij het matras en onder de salontafel afgescheurde delen van een condoomverpakking21+22, een reeds aangebroken rol vuilniszakken uit het keukenblok23+24 en een afgerold condoom onder het tweepersoonsbed in een slaapkamer25+26.

In de vele bemonsteringen zijn DNA-(meng)profielen aangetroffen waarin het DNA-profiel van verdachte op zichzelf genomen past, maar waarvan niet steeds de bewijskracht is berekend van de overeenkomst van het DNA-profiel van verdachte en het DNA-(meng)profiel. Bij de bemonsteringen waar dat wel heeft plaatsgevonden is men tot de conclusie gekomen dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurige onbekende man overeenkomt met het

DNA-profiel van de bemonstering, kleiner is dan één op één miljard. Dit betreft de matchkans. Het DNA-profiel van verdachte komt overeen met het aangetroffen DNA-profiel. Daarnaast zijn er bemonsteringen waarvan een bewijskracht is berekend, luidend: de kans van de bevindingen wanneer het aangetroffen (meng)profiel wel DNA van verdachte bevat is meer dan één miljard waarschijnlijker is dan wanneer dit geen DNA van verdachte bevat. Op basis van deze door de deskundigen getrokken conclusies kan naar het oordeel van de rechtbank gevoeglijk geconcludeerd worden dat het DNA van verdachte aldaar ‘is’ aangetroffen.

sjaal 27+28

Grofweg gezegd is het DNA van verdachte in de volgende bemonsteringen aangetroffen: op een plek in de lus van de sjaal, in de binnenzijde van de knoop van de sjaal, in het bloedspoor op één uiteinde van de sjaal en op twee plekken van de uiteinden van de sjaal.

Het aantreffen van DNA van verdachte op de uiteinden van de sjaal29 wijst naar het oordeel van de rechtbank sterk in de richting van het leggen en aantrekken van een knoop in de sjaal.

Bovendien lagen de uiteinden van de sjaal in de lengterichting onder de rug van het slachtoffer30. Verdachte kan in het door hem geschetste scenario, namelijk dat hij het slachtoffer niet gedraaid kreeg omdat zij te zwaar voor hem was, de uiteinden van de sjaal niet hebben aangeraakt. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte de donor van het aangetroffen DNA-materiaal is en dat dit materiaal is overgedragen voordat het slachtoffer op haar rug op het matras is komen te liggen.

vuilniszak 31 + 32

Ook is er DNA van verdachte aangetroffen op de beschadigde vuilniszak die onder het hoofd van het slachtoffer werd aangetroffen: op de scheurrand aan de buitenkant, aan de opening van de binnenkant en aan de binnen- en buitenkant van het beschadigde deel van die vuilniszak.

De bemonsteringen van de beschadigingen aan de binnenkant van de vuilniszak33 en de opening aan de binnenkant van de vuilniszak34 zijn naar het oordeel van de rechtbank van bijzonder belang omdat de persoon die de vuilniszak alleen heeft afgescheurd van de rol, in de regel geen DNA zal achterlaten aan de binnenkant van de vuilniszak. Verdachte kan geen verklaring geven voor de aanwezigheid van zijn DNA op deze locaties, anders dan dat hij de zak van haar hoofd heeft gehaald. Het DNA van verdachte bevindt zich eveneens op de scheurrand aan de buitenkant van de vuilniszak35, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een zeer sterke aanwijzing vormt dat verdachte de vuilniszak van de rol heeft gescheurd. Ook daarvoor heeft verdachte geen verklaring gegeven.

condoom & verpakking van een condoom 36+37

Verder is verdachtes DNA aangetroffen op beide delen van de opengescheurde condoomverpakking en de buiten- en binnenzijde van het afgerolde condoom.

Ter zitting heeft verdachte voor het eerst een verklaring gegeven voor het aantreffen van zijn DNA op zowel de condoom als de aangetroffen verpakking (waarover hierna meer).

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de resultaten van de onderzochte voorwerpen op diverse onderdelen in het geheel niet passend zijn voor het scenario van zelfdoding, maar wel passen in en verklarend zijn voor het beeld van verdachte als dader.

Alles overwegende en in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank het scenario van zelfdoding volstrekt onaannemelijk en concludeert zij dat de technische bevindingen wijzen in de richting van verdachte als dader.

Motief.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat er van zelfdoding geen sprake was (en dat daarmee het door verdachte opgeworpen alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden) en dat de technische bevindingen wijzen in de richting van verdachte als dader, bespreekt de rechtbank de vraag of dit ook past bij andere bevindingen over verdachte. Hoewel de wet niet vereist dat er ook bewijs is dat de verdachte een motief had voor het plegen van een levensdelict, kan die vaststelling voor de overtuiging van de rechtbank wel een belangrijke rol spelen. Daarom zal de rechtbank nu stilstaan bij de vraag of de technische bevindingen dat verdachte de dader is ook passen bij wat er verder over verdachte is gebleken.

De digitale activiteiten op het Google account van het slachtoffer zijn onderzocht en relevant omdat ook verdachte [verdachte] gebruik maakte van haar telefoon.38 Verdachte erkent al vijftien jaar rond te lopen met de interesse in necrofilie en heeft ter terechtzitting toegegeven dat hij filmpjes waarbij iemand wordt gewurgd of waarbij de nek wordt gebroken om vervolgens seks met deze persoon te hebben heeft opgezocht en heeft bekeken in de middag of avond van 13 februari 2020. Ook de zoekslag “neck snap toepassen bij iemand snuff” is die dag door verdachte ingevoerd.39 Net na 21.00 uur die avond is gezocht naar informatie die te maken heeft met moord, namelijk: “hoe kan je iemand met 1 greep doden”, “hoe maak je iemand dood” en “wegkomen met moord”.40 Dit is opvallend omdat in de periode voordat verdachte [verdachte] bij het slachtoffer verbleef, enkel werd gezocht op termen gerelateerd aan suïcide.41

Het slachtoffer is door verwurging/verstikking om het leven gekomen. De situatie waarin zij is aangetroffen geeft een beeld van de seksuele omstandigheden rondom haar overlijden. Het slachtoffer lag op een matras, droeg enkel een slip, haar T-shirt was opengeknipt of

-gescheurd en in haar nabijheid lagen (opengescheurde) condoomverpakkingen. Deze situatie komt qua uiterlijke kenmerken op specifieke bijzonderheden overeen met de (seksuele) interesse van verdachte [verdachte] én door hem bekeken filmpjes voorafgaand aan het doden van het slachtoffer, zoals blijkt uit zijn zoekgeschiedenis42, zijn SD-kaart43 (waarop een film (creation/modified date 12-02-2020) staat waarin een vrouw door een man in een woning op een matras wordt gelegd, de man de knopen van het shirt/blouse van de vrouw lost maakt, de man - kort gezegd - seksuele handelingen bij de vrouw verricht, het hoofd van de vrouw vastpakt en een draad om haar hoofd doet en om haar hals samentrekt, de man - kort gezegd - seks met de vrouw heeft en daarna de vrouw in beeld wordt gebracht waarbij de suggestie wordt gewekt dat zij dood is)44 en zijn eigen verklaring. Enkele maanden eerder is de computer van verdachte in een ander strafrechtelijk onderzoek in beslag genomen.45 Op deze computer stond een afbeelding van een beeld uit de hierboven beschreven video.46 Op die computer werd een groot aantal pornografische afbeeldingen aangetroffen. Tussen deze afbeeldingen stonden diverse foto’s van naakte/schaars geklede vrouwen die gewurgd werden.47

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 14 februari 2020 rond 06.00 uur is weggegaan uit het chalet.48 Ook uit de gegevens van Google Takeout die zijn uitgelezen aan de hand van het account van verdachte, blijkt dat verdachte in ieder geval tot 05.38 uur in of in de directe nabijheid van het huisje heeft verbleven.49 Hoewel verdachte ter zitting schoorvoetend heeft verklaard dat hij een condoom heeft omgedaan en zo bij het inmiddels overleden slachtoffer heeft gestaan en er aanwijzingen voor spermavloeistof in een door verdachte gebruikt condoom zijn aangetroffen, is het uit de technische bevindingen niet duidelijk geworden of verdachte zijn fantasie ook daadwerkelijk heeft uitgevoerd. Wat er in de uren voor en na het overlijden precies gebeurd is, is daarmee onbekend gebleven. Verdachte heeft daar geen duidelijkheid over willen of kunnen geven.

Wel staat voor de rechtbank vast dat verdachte zijn aanwezigheid in een chalet met het suïcidale slachtoffer heeft benut om zijn necrofiele fantasie daadwerkelijk te verwezenlijken. Bovendien, bijkomend, stelde het hem in staat haar telefoon en bankpasjes te pakken. Aldus had hij een motief om haar van het leven te beroven.

Conclusie ten aanzien van het daderschap.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen sprake was van zelfdoding, dat de technische en tactische bevindingen wijzen op verdachte als dader en dat verdachte ook een motief had.

De rechtbank is op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, van oordeel dat buiten gerede twijfel vaststaat dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door verwurging/verstikking met een sjaal en een vuilniszak over haar hoofd, waarbij hij door adempassagebelemmering het intreden van de dood heeft veroorzaakt

Voorbedachte raad.

De rechtbank moet nog beoordelen of er sprake was van moord. De rechtbank beantwoordt ook deze vraag bevestigend.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Uit de zoekslagen, digitale activiteiten en seksuele voorkeuren van verdachte blijkt dat hij interesse had in wurgseks en necrofilie. Verdachte zag naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de omstandigheden die zich voordeden, zijn kans schoon zijn fantasie werkelijkheid te laten worden. Verdachte heeft in ieder geval de intentie gehad seksuele handelingen te verrichten met het lichaam van het slachtoffer nadat zij door verwurging om het leven is gekomen. Op het account van het slachtoffer worden op 13 februari 2020 omstreeks 16.30 uur verschillende zoektermen ingevoerd die niet wijzen op suïcidale gedachtes, maar op hoe iemand anders om het leven brengen, namelijk: “necksnap toepassen bij iemand hoe”, “how to snap someone’s neck”, “how to strangle someone”, “neck snap toepassen bij iemand snuff”. Vervolgens wordt er doorgelinkt naar een filmpje waarop is de zien hoe een man een vrouw (ogenschijnlijk) om het leven brengt door haar nek te breken waarna de man diverse seksuele handelingen uitvoert met de vrouw.50 Verdachte heeft verklaard dit filmpje te hebben opgezocht en te hebben bekeken.51 Rond 21.00 worden er vervolgens weer zoektermen ingevoerd die niet eerder zijn gebruikt en die ook niet passen bij suïcide, namelijk: “dodelijke grepen”, “hoe kan je iemand met 1 greep doden”, “hoe maak je iemand dood”, “wegkomen met moord”, “hoe steek je iemand neer”.52

Op grond van de eerdere, langdurige interesse van verdachte in wurgseks en necrofilie, tezamen met de ingegeven zoektermen die duiden op moord en de wijze waarop het slachtoffer daadwerkelijk om het leven is gekomen en de omstandigheden waaronder zij is aangetroffen, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat verdachte al uren, zo niet dagen, voor het begaan van het delict het plan had opgevat zijn fantasieën ten uitvoer te brengen, waarbij hoorde het om het leven brengen van het slachtoffer. Ook de uitvoering van het om het leven brengen zelf, te weten het verwurgen met een sjaal waarin een tweetal knopen zijn gelegd, met daartussen een vuilniszak, vragen voorbereiding en bieden, anders dan bijvoorbeeld bij het afvuren van een kogel, tijdens de handeling de mogelijkheid om op het voorgenomen besluit terug te keren.

Verdachte heeft zich dus enige tijd kunnen beraden op zijn besluit en heeft niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Verdachte heeft de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad.

Van contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte rade in de weg zouden staan, is niet gebleken.

De rechtbank acht de onder feit 1 impliciet primair ten laste gelegde moord dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2 - diefstal

Ten aanzien van feit 2 heeft verdachte bekend de telefoon en de bankpassen van [slachtoffer] na haar dood uit het chalet te hebben weggenomen.53 De rechtbank stelt vast dat verdachte op 14 februari 2020 om 01.46 uur (UTC +1)54 de telefoon van het slachtoffer in gebruik heeft genomen.55 Vervolgens heeft verdachte op 14 februari 2020 tussen 08.11 uur en 08.13 uur geprobeerd te pinnen met drie op naam van [slachtoffer] staande bankpasjes bij het [naam tankstation] tankstation te Mierlo.56 De rechtbank acht de onder feit 2 ten laste gelegde diefstal dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden, vervat in de bewijsmiddelen en hetgeen daarover is overwogen, verklaart de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 13 februari 2020 tot en met 14 februari 2020 te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo,

[slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] een sjaaltje om de hals te binden en een vuilniszak over haar hoofd te doen en dat sjaaltje strak aan te trekken en vast te knopen;

2.

op 14 februari 2020 te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo,

een telefoon en drie pinpassen, toebehorende aan [slachtoffer] en/of haar erfgenamen, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft, in verband met de bepleite vrijspraak, geen strafmaatverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het ombrengen van [slachtoffer] , een 48-jarige vrouw met een doodswens. Verdachte heeft van de gelegenheid dat hij met deze vrouw alleen in een chalet verbleef gebruik gemaakt om zijn interesse in wurgseks/necrofilie in praktijk te brengen. Verdachte heeft het slachtoffer op weerzinwekkende wijze het leven ontnomen en haar zo goed als naakt, met een opengescheurd T-shirt, een vuilniszak over haar hoofd en een sjaal om haar nek, achtergelaten. Verdachte heeft het willen doen voorkomen alsof het slachtoffer zichzelf van het leven heeft beroofd door op haar lichaam foto’s van haar familieleden neer te leggen.

Verdachte heeft de keuze gemaakt niet naar buiten te brengen hoe het er in de laatste momenten van het leven van het slachtoffer aan toe is gegaan. Verdachte neemt hiermee geen verantwoordelijkheid voor zijn daden en laat de nabestaanden met veel vragen achter. Voor de nabestaanden betekent de dood van het slachtoffer een pijnlijk en onomkeerbaar verlies van hun moeder, dochter en zus. Zij kunnen de band met haar nooit meer herstellen. Het gebeuren heeft diep ingegrepen in hun leven, zoals erg duidelijk blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring die door [dochter slachtoffer] , de dochter van het slachtoffer, ter terechtzitting is voorgelezen. Dat verdachte geen enkele duidelijkheid heeft verschaft over zijn handelen en zijn beweegredenen daartoe, maakt het onbegrip over de moord en daarmee het verdriet voor de nabestaanden des te groter.

Verder blijkt uit de diefstal van enkele eigendommen van zijn slachtoffer een ongekend opportunisme.

Verdachte is blijkens een op zijn naam staand uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 februari 2021 vele malen veroordeeld voor vermogensdelicten. Verdachte is jarenlang verslaafd (geweest) aan harddrugs en was dak- en thuisloos ten tijde van het delict.

Hoewel ook met betrekking tot zijn verleden geenszins valt vast te stellen of verdachte hierover de waarheid spreekt, kan uit de getuigenverklaringen van zijn familieleden worden afgeleid dat hij geen makkelijke jeugd heeft gehad. Ook staat vast dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten al geruime tijd niets anders te verliezen had dan zijn vrijheid.

Verdachte is geobserveerd in het Pieter Baan Centrum waar hij zijn medewerking aan psychologisch en psychiatrisch onderzoek heeft geweigerd. Uit het rapport van psychiater M. Fluit en psycholoog M. Hulshof van 29 oktober 2020 blijkt dat door de beperkingen van het onderzoek niet valt te bepalen of betrokkene lijdende is aan psychische stoornis of een verstandelijke handicap. Er wordt enkel geconcludeerd dat er sprake is van een stoornis in cocaïnegebruik. Er is niet gebleken van opvallende persoonlijkheidsproblematiek en er zijn geen duidelijke aanwijzingen voor problemen in de impuls- en agressieregulatie, seksuele stoornissen, antisociale cognities of beïnvloedbaarheid. Er kunnen geen uitspraken worden gedaan over eventuele doorwerking van eventuele psychopathologie of de mate van toerekenbaarheid. In het verlengde daarvan kan er ook geen advies worden gegeven over een geïndiceerd behandelkader.

Doordat verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek naar zijn persoon, is er geen inzicht verkregen in hoe recidive kan worden voorkomen. Ook ter terechtzitting zijn geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd of aannemelijk geworden die van invloed kunnen zijn op de op te leggen straf. Verdacht zelf is kennelijk blij dat er geen (tbs-)behandeling wordt geadviseerd en ‘hij een einddatum heeft’.

De rechtbank maakt zich echter ernstige zorgen over de persoon van verdachte. Hij is er niet voor teruggeschrokken een van de ernstigste strafbare feiten te plegen die het Wetboek van Strafrecht kent, kennelijk enkel en alleen voor zijn eigen behoeftebevrediging. Nu hij ook niet heeft willen meewerken aan onderzoek naar zijn persoon, is er maar één manier waarop de samenleving tegen verdachte kan worden beschermd, namelijk door oplegging van een langdurige gevangenisstraf.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat gekeken naar straffen die gemiddeld genomen voor moord worden opgelegd. Daarbij verdient aantekening dat verschillende moorden niet licht te vergelijken zijn. In deze zaak is sprake van een verdachte die uit was op zijn eigen behoeftebevrediging en daarin zover is gegaan dat hij daarvoor een ander het leven heeft ontnomen. Dat het slachtoffer kampte met psychische problemen en nadacht over manieren om uit het leven te stappen, maakt niet dat verdachte over haar leven mocht beschikken. Verdachte heeft grof misbruik gemaakt van de zwakte en kwetsbaarheid van het slachtoffer. De omstandigheden waaronder hij dat heeft gedaan zijn mensonterend.

In zaken waarbij seksuele lust een rol speelt komt het vaker voor dat het slachtoffer om het leven wordt gebracht. In die zaken lijkt het echter meestal zo te zijn dat de reden hiervoor angst voor ontdekking van het seksuele misbruik is. Wat deze zaak anders maakt dan dergelijke zaken is dat hier de dood een doel op zich was ten behoeve van die seksuele lust. Qua strafmaat zoekt de rechtbank wel aansluiting bij dergelijke zaken.

De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren, met aftrek van voorarrest, zoals gevorderd door de officier van justitie.

De vordering van de benadeelde partij [broer slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van affectieschade van de broer van het slachtoffer dient te worden afgewezen omdat de benadeelde partij naar Nederlands recht niet tot de kring van gerechtigden behoort.

Het standpunt van de verdediging.

Gelet op de bepleite vrijspraak, heeft de raadsvrouw van verdachte verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. De nauwe persoonlijke relatie van de benadeelde partij met zijn zus is onvoldoende onderbouwd zodat de vordering tot vergoeding van affectieschade niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Beoordeling.

De Hoge Raad heeft in 2019 overwogen dat affectieschade kan worden gevorderd door personen zoals genoemd in artikel 6:108, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Uit dit artikel blijkt dat hiervoor in aanmerking komen: partners, ouders, kinderen en de personen die in een nauwe persoonlijke relatie (sub g) tot het slachtoffer staan. Bij die laatste categorie gaat het om uitzonderlijke omstandigheden die maken dat een recht op vergoeding van affectieschade kan worden toegekend aan een persoon die niet tot de ‘vaste kring’ van gerechtigden, die in dat artikel zijn genoemd, behoort. Een broer of zus hoort niet tot die ‘vaste kring’. Factoren van belang om te beoordelen of dan sprake is van uitzonderlijke omstandigheden zoals hiervoor bedoeld, zijn onder meer de intensiteit, de aard, de duur en de (te verwachten) bestendigheid van de relatie in de toekomst en de invloed die de gebeurtenis, in dit geval de moord op benadeeldes zus, op die relatie heeft. In de wetgevingsgeschiedenis wordt hierbij als voorbeeld genoemd een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen.

Van een situatie zoals in het gegeven voorbeeld was geen sprake. Gesteld noch gebleken is dat de relatie tussen benadeelde en zijn zus qua intensiteit, aard of duur die van een normale broer-zus relatie te boven ging. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte, als broer van het slachtoffer, naar eisen van redelijkheid en billijkheid niet kan worden aangemerkt als ‘naaste’ zoals bedoeld in artikel 6:108, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering van de moeder van het slachtoffer tot vergoeding van de kosten van lijkbezorging en affectieschade in haar geheel toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2020 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

Gelet op de bepleite vrijspraak, heeft de raadsvrouw van verdachte verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Daarnaast wordt de hoogte van de gevorderde affectieschade niet redelijk geacht, gelet op de bijzondere relatie die het slachtoffer onderhield met haar familie.

Beoordeling.

Ter terechtzitting is nader onderbouwd dat de factuur ten aanzien van de kosten van lijkbezorging, gericht aan [broer slachtoffer] , is voldaan door de benadeelde partij. Door de verdediging is hier ook geen verweer op gevoerd. De kosten van lijkbezorging komen dan ook voor vergoeding in aanmerking (artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek).

Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van affectieschade, heeft de Hoge Raad in 2019 overwogen dat affectieschade kan worden gevorderd door personen zoals genoemd in artikel 6:108, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Uit dit artikel blijkt dat hiervoor in aanmerking komen: partners, ouders, kinderen en de personen die in een nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staan. In het Besluit vergoeding affectieschade zijn bedragen opgenomen die, afhankelijk van de gevolgen van het feit en de aard van de relatie tot het slachtoffer, een standaardisering van de hoogte van de affectieschadevergoeding bewerkstelligen. Dit is gedaan, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, omdat het niet wenselijk is dat er moet worden getwist over de staat van een relatie. Er hoeft in beginsel niet in de waardering van individuele relaties te worden getreden. Hier kan, indien een vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is van worden afgeweken. De rechtbank ziet in deze zaak geen reden om op basis van de redelijkheid en billijkheid van een lagere vergoeding uit te gaan. De benadeelde is haar dochter, door toedoen van verdachte, verloren. Zij had nog contact met haar dochter en zal nu met de wetenschap moeten leven, dat de mogelijkheid tot verder contact door verdachte voorgoed is beëindigd.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2020 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2020 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [zoon slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering van de zoon van het slachtoffer tot vergoeding van affectieschade in haar geheel toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2020 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

Gelet op de bepleite vrijspraak, heeft de raadsvrouw van verdachte verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. Daarnaast wordt de hoogte van de gevorderde affectieschade niet redelijk geacht gelet op de bijzondere relatie die het slachtoffer onderhield met haar familie.

Beoordeling.

De Hoge Raad heeft in 2019 overwogen dat affectieschade kan worden gevorderd door personen zoals genoemd in artikel 6:108, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Uit dit artikel blijkt dat hiervoor in aanmerking komen: partners, ouders, kinderen en de personen die in een nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staan. De rechtbank ziet, mede gelet op hetgeen hiervoor bij de bespreking van de vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] is overwogen geen enkele reden om op basis van de redelijkheid en billijkheid hiervan af te wijken. De benadeelde moet zijn moeder, met wie hij een regelmatig contact had, door toedoen van verdachte missen.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2020 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2020 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [dochter slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering van de dochter van het slachtoffer tot vergoeding van affectieschade in haar geheel toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2020 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

Gelet op de bepleite vrijspraak, heeft de raadsvrouw van verdachte verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Daarnaast wordt de hoogte van de gevorderde affectieschade niet redelijk geacht gelet op de bijzondere relatie die het slachtoffer onderhield met haar familie.

Beoordeling.

De Hoge Raad heeft in 2019 overwogen dat affectieschade kan worden gevorderd door personen zoals genoemd in artikel 6:108, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Uit dit artikel blijkt dat hiervoor in aanmerking komen: partners, ouders, kinderen en de personen die in een nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staan. De rechtbank ziet, mede gelet op hetgeen hiervoor bij de bespreking van de vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] is overwogen, ondanks het verwaterde contact en de (deels) verbroken banden, geen expliciete reden om op basis van de redelijkheid en billijkheid hiervan af te wijken. Daarbij overweegt de rechtbank dat de benadeelde heel indringend heeft verwoord dat haar door verdachte de mogelijkheid is ontnomen om ooit nog weer het contact met haar moeder te herstellen. Die wetenschap alleen al vormt een enorme psychische belasting voor de benadeelde.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2020 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2020 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De rechtbank zal het aantal dagen gijzeling indien verdachte niet aan de betaling voldoet, per vordering matigen tot 120, aangezien het totale aantal dagen gijzeling niet de 360 dagen te boven mag gaan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 289 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

moord

Ten aanzien van: feit 2:

diefstal

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen:

T.a.v. feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst af de vordering van de benadeelde partij [broer slachtoffer] .

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten

draagt.

T.a.v. feit 1:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 19.835,00 subsidiair 120 dagen gijzeling.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [moeder slachtoffer] van een bedrag van EUR 19.835,00

(zegge: negentienduizend achthonderdvijfendertig euro), bij gebreke van

betaling en verhaal te vervangen door 120 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat

uit een bedrag van EUR 17.500,00 immateriële schadevergoeding (post

affectieschade) en EUR 2.335,00 materiële schadevergoeding (post kosten

lijkbezorging).

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting

niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 februari

2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte

mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [moeder slachtoffer] , van een bedrag

van EUR 19.835,00 (zegge: negentienduizend achthonderdvijfendertig euro), te

weten EUR 17.500,00 immateriële schadevergoeding (post affectieschade) en EUR

2.335,00 materiële schadevergoeding (post kosten lijkbezorging).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14

februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot

betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling

aan de Staat te vervallen.

T.a.v. feit 1:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 17.500,00 subsidiair 120 dagen gijzeling.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [zoon slachtoffer] van een bedrag van EUR 17.500,00

(zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal

te vervangen door 120 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit immateriële

schadevergoeding (post affectieschade).

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting

niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 februari

2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte

mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [zoon slachtoffer] , van een bedrag van

EUR 17.500,00 (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), te weten EUR

17.500,00 immateriële schadevergoeding (post affectieschade).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14

februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot

betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling

aan de Staat te vervallen.

T.a.v. feit 1:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 17.500,00 subsidiair 120 dagen gijzeling.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [dochter slachtoffer] van een bedrag van EUR 17.500,00

(zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal

te vervangen door 120 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een bedrag van

EUR 17.500,00 immateriële schadevergoeding (post affectieschade).

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting

niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 februari

2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte

mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [dochter slachtoffer] , van een bedrag van

EUR 17.500,00 (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), te weten EUR

17.500,00 immateriële schadevergoeding (post affectieschade).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14

februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot

betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling

aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Boersma, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. C.A. Mandemakers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,

en is uitgesproken op 31 maart 2021.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het einddossier (procesdossier) van het onderzoek TGO Achilles van de politie Oost-Brabant, dossiernummer [dossiernummer] . Dit dossier bestaat uit vier basiselementen, te weten: - A. Algemeen Dossier (AD) - B. Persoonsdossier (PD) - C. Zaaksdossier (ZD) onnatuurlijke dood te Mierlo en heling - D. Forensisch Dossier (FD).

2 Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 14 februari 2020, p. 632-633 (ZD).

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [zoon slachtoffer] d.d. 1 april 2020, p. 1608-1641 (ZD).

4 Proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict [adres 2] Mierlo verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] d.d. 30 april 2020, p. 3096-3132 (A.01 FD).

5 Proces-verbaal forenisch onderzoek woning [adres 2] Mierlo verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 6] en [verbalisant 5] d.d. 30 april 2020, p. 3165-3193 (A.03 FD).

6 Pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood NFI, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe (arts en forensisch patholoog) d.d. 9 maart 2020, p. 841-854 (ZD) / p. 3380-3393 (B.03 FD).

7 Verslag lijkschouw forensisch arts E.C. Swaminathan d.d. 14 februari 2020, p. 828-830 (ZD).

8 Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] d.d. 14 februari 2020, p. 826-827 (ZD).

9 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 9] d.d. 20 februari 2020, p. 855-856 (ZD).

10 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 9 maart 2021.

11 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 9 maart 2021

12 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 10] d.d. 14 februari 2020, p. 643-644 (ZD).

13 NFI-rapport beantwoording aanvullende vragen OvJ mr. H. Storij, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe d.d. 14 mei 2020, p. 2981-2984 (ZD) / p. 3376-3379 (B.03 FD).

14 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 12] d.d. 14 juli 2020, p. 2812-2815 (ZD).

15 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 18] d.d. 18 februari 2020, p. 1503-1506 (ZD).

16 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 16] d.d. 22 augustus 2020, p. 2798 en 2800 (ZD).

17 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 10] d.d. 14 februari 2020, p. 643-644 (ZD).

18 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 9 maart 2021.

19 NFI-rapport beantwoording aanvullende vragen OvJ mr. H. Storij, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe d.d. 14 mei 2020, p. 2981-2984 (ZD) / p. 3376-3379 (B.03 FD).

20 De veiliggestelde sporen werden voor nader DNA-onderzoek verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en daar onderzocht op de aanwezigheid van humane biologische sporen en DNA.

21 Door de forensische opsporing zijn op 14 februari 2020 onder meer de sjaal om de hals met de daarin aanwezige knoop (AAKN5915NL), een (beschadigde) vuilniszak onder het hoofd (AAKN5904NL), een grijs T-shirt om de pols en deels onder de rug (AAKN5913NL), een intacte condoomverpakking onder de rug en deels onder het grijze T-shirt (AAKN5907NL), diverse pasfoto’s en een gescheurd pasfotohoesje op en in de nabijheid van het bovenlichaam (AAKN5927NL, AAKN5926NL, AAKN5925NL, AAKN5924NL, AAKN5921NL, AAKN5920NL, AAKN5916NL, AAKN5909NL) en de bij het matras en onder de salontafel afgescheurde delen van een condoomverpakking (AAKN5922NL en AAKN5923NL) veiliggesteld.

22 Proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict [adres 2] Mierlo verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] d.d. 30 april 2020, p. 3095-3132 (A.01 FD).

23 Op 15 februari 2020 werd uit de rechterlade van het keukenblok een reeds aangebroken rol vuilniszakken (AAMV5365NL) veiliggesteld.

24 Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict [adres 2] Mierlo verbalisanten [verbalisant 5] , [verbalisant 3] en [verbalisant 6] d.d. 5 april 2020 p 3134-3163 (A.02 FD).

25 Op de derde dag, 16 februari 2020, werd in slaapkamer 1 onder het tweepersoonsbed waarvan het matras ontbrak en in de woonkamer lag, een uitgepakt en afgerold condoom aangetroffen en veiliggesteld (AALX3760NL).

26 Proces-verbaal forenisch onderzoek woning [adres 2] Mierlo verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 6] en [verbalisant 5] d.d. 30 april 2020, p. 3165-3193 (A.03 FD).

27 De volgende bemonsteringen zijn genomen van de sjaal [AAKN5915NL]: bemonsteringen van respectievelijk buiten- en binnenzijde van de knoop in de sjaal [AAKN5915NL#01 en #10], bemonsteringen van de lus van de sjaal om de hals van het slachtoffer [AAKN5915NL#02 t/m #04], bemonsteringen van de beide uiteinden van de sjaal, ieder in twee delen bemonsterd [AAKN5915NL#05 tot en met #08] en een bemonstering van een bloedspoor op één uiteinde van de sjaal [AAKN5915NL#09]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurige onbekende man overeenkomt met de DNA-profielen van bemonsteringen [AAKN5915NL#02 (lus sjaal) en #09 (bloedspoor)] en de afgeleide DNA-hoofdprofielen van bemonsteringen [AAKN5915NL#05, #06 (uiteinde sjaal) en #10 (binnenzijde knoop)] is kleiner dan één op één miljard. Het DNA-profiel van verdachte [verdachte] komt overeen met de profielen uit deze bemonsteringen. De bewijskracht van de overeenkomsten van het DNA-profiel van verdachte [verdachte] en de DNA-mengprofielen van de overige vijf bemonsteringen (#01, #03, #04, #07 en #08) van de sjaal is om die reden niet berekend.

28 NFI-rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek, opgemaakt door dr. J. Warnaar d.d. 30 maart 2020, p. 2832-2838 (ZD) / p. 3443-3449 (B.07 FD).

29 [#05 t/m #08]

30 [#05 en #06].

31 De vuilniszak [AAKN5904NL] onder het hoofd van het slachtoffer, geklemd tussen de twee omwentelingen van de sjaal om de hals en nek van het slachtoffer is bemonsterd. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurige onbekende man overeenkomt met de DNA-profielen verkregen uit bemonsteringen [AAKN5904NL#05 (scheurrand buitenkant vuilniszak) en #13 (rond beschadiging binnenkant vuilniszak)] én de afgeleide DNA-hoofdprofielen van bemonsteringen [AAKN5904NL#06, #07, #08, #09 (rond beschadigingen buitenkant vuilniszak), #11, #12 (rond beschadigingen binnenkant vuilniszak) en #14 (opening binnenkant vuilniszak)] is kleiner dan één op één miljard. Het DNA-profiel van verdachte [verdachte] komt overeen met de verkregen DNA-profielen uit deze bemonsteringen. De bewijskracht van de overeenkomst van het DNA-profiel van verdachte [verdachte] en het DNA-mengprofiel van bemonstering [AAKN5904NL#04] van de opening aan de buitenkant van de vuilniszak is om die reden niet berekend.

32 NFI-rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek, opgemaakt door dr. J. Warnaar d.d. 7 april 2020, p. 2848-2856 (ZD) / p. 3480-3488 (B.08 FD).

33 [# 10 t/m #13]

34 [#14]

35 [#05]

36 Het uitgepakte en afgerolde condoom [AALX3760NL] en de opengescheurde condoomverpakking [AAKN5922NL en AAKN5923NL] zijn ook bemonsterd. In de bemonstering van de buitenzijde van het condoom [AALX3760NL#01] en de bemonstering van de binnenzijde van het condoom [AALX3760NL#02] is een DNA-profiel verkregen waarbij het meer dan één miljard keer waarschijnlijker is wanneer de bemonstering DNA bevat van verdachte [verdachte] dan wanneer de bemonstering DNA bevat van één willekeurige onbekende, niet aan verdachte verdachte verwante persoon. In de bemonstering van de buitenzijde van een mogelijk deel van een condoomverpakking [AAKN5922NL#01] is een DNA-profiel verkregen waarbij het meer dan één miljard keer waarschijnlijker is wanneer de bemonstering DNA bevat van verdachte [verdachte] dan wanneer de bemonstering DNA bevat van één willekeurige onbekende, niet aan verdachte verdachte verwante persoon. Van bemonstering [AAKN5923NL#03] (bemonstering van de buitenzijde van de scheurrand van een condoomverpakking) is een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen verkregen. DNA-mengprofiel [AAKN5923NL#03] is meer dan één miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van verdachte [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van twee willekeurige onbekende personen.

37 NFI-rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek, opgemaakt door P.W. Sjoukema MSc en P.A. Maaskant-van Wijk d.d. 1 oktober 2020, p. 2530-2540 (ZD) / p. 3620-3630 (B.15 FD).

38 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 9 maart 2021.

39 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 9 maart 2021.

40 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 16] d.d. 22 augustus 2020, p. 2795-2802 (ZD).

41 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 11] d.d. 22 juni 2020, p. 1305-1309 (ZD).

42 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 12] d.d. 7 juli 2020, p. 2721-2770 (ZD).

43 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 13] d.d. 18 mei 2020, p. 1404-1412 (ZD).

44 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 14] d.d. 22 juni 2020, p. 1413-1420 (ZD).

45 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 15] d.d. 14 oktober 2020, p. 3718 (Aanvulling).

46 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 15] d.d. 14 oktober 2020, p. 3727 (Aanvulling).

47 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 15] d.d. 14 oktober 2020, p. 3719 (Aanvulling).

48 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 9 maart 2021.

49 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 12] d.d. 29 juni 2020, p. 2675-2720 (ZD).

50 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 13] d.d. 26 februari 2020, p. 1186-1221 (ZD).

51 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 9 maart 2021.

52 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 13] d.d. 26 februari 2020, p. 1186-1221 (ZD).

53 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 9 maart 2021.

54 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 16] d.d. 22 augustus 2020, p. 2795-2802 (ZD).

55 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 12] d.d. 30 juni 2020, p. 2653-2668 (ZD).

56 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 17] d.d. 25 februari 2020, p. 2224-2236 (ZD).