Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1272

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-03-2021
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
01/216559-20; 01/146982-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad ter voorbereiding van de moord op een of meer personen.

Vrijwillige terugtred niet aannemelijk geworden.

Encrochat data toegelaten tot het bewijs.

De rechtbank legt een aanzienlijk lagere straf op dan geëist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummers: 01/216559-20 en 01/146982-20 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 25 maart 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum] [jaartal]

wonende te [adres 1] ,

thans gedetineerd te: P.I. Sittard.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 2 december 2020, 10 februari 2021, 3 maart 2021 en 11 maart 2021.

Op de zitting van 2 december 2020 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 26 oktober 2020.

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01/216559-20 ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 31 mei 2020 tot en met 3 juni 2020 te Eindhoven

ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving

een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord (als bedoeld in artikel 289 van het wetboek van strafrecht)(op [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of een of meer andere personen),

opzettelijk

een vuurwapen (pistool) en bijbehorende munitie en/of een (of meer) encrypted telefoon(s),

bestemd tot het begaan van dat misdrijf,

heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad.

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01/146982-20 tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 3 juni 2020 te Eindhoven

een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te

weten een pistool, merk Manurhin, model PP, kaliber 7,65mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, en/of munitie van categorie III, te weten negen, in elk geval een aantal, kogelpatronen kaliber .32 auto,

voorhanden heeft gehad

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs.

Inleiding

Uit het proces-verbaal van bevindingen van de politieambtenaren [naam 4] en [naam 5] met nummer [nummer 1] blijkt dat op zondag 31 mei 2020 een gewelddadig incident plaatsvond op camping [naam 6] in [plaatsnaam 2] . Naar aanleiding daarvan heeft verdachte aangifte gedaan.

Verdachte heeft verklaard dat hij de avond ervoor een conflict had met [naam 7] en dat dit ging over het gedrag van [naam 7] als hij gedronken had. Die zondagmiddag kwamen er opeens 4 voertuigen hard de camping op rijden. Uit deze voertuigen stapten meerdere personen waarvan er twee een bivakmuts op hadden en een vuurwapen droegen. Met dit vuurwapen is gedreigd om verdachte kapot te maken. Verdachte heeft verklaard dat hij vreesde voor zijn leven en dat hij naar de caravan van zijn nicht rende om daar een kogelvrij vest te pakken. Verdachte heeft in zijn aangifte verklaard dat onder andere [naam 8] , [naam 9] en ‘ [naam 10] ’ bij het incident betrokken waren. Laatstgenoemde is aan de hand van zijn telefoonnummer geïdentificeerd als [naam 11] .

Op 2 juni 2020 heeft het onderzoeksteam van de Dienst Regionale Recherche van de politie Oost-Brabant twee processen-verbaal van het Team Criminele Inlichtingen ontvangen. De verkregen inlichtingen hielden kort gezegd in:

- dat [verdachte] represailles aan het voorbereiden was naar aanleiding van een geweldsincident op 31 mei 2020;

- dat [verdachte] in zijn verblijfplaats zou beschikken over een of twee automatische vuurwapens.

Uit de politiesystemen volgde dat [verdachte] , verdachte, vermoedelijk verbleef bij zijn vriendin aan het [adres 2] in Eindhoven. Een uit de politiesystemen bekend telefoonnummer van verdachte is getapt waarbij verdachte als gebruiker van dat nummer is geïdentificeerd. Daarbij maakte verdachte gebruik van de zendmast die dekking bood aan de locatie [adres 2] te Eindhoven.

Op 3 juni 2020, kort na middernacht, is de politie in die woning binnengetreden op basis van verdenking van overtreding van de Wet Wapens en Munitie (WWM).

Tijdens de doorzoeking zijn een geladen pistool en nog een patroonhouder met drie patronen gevonden en in beslag genomen. Tevens zijn drie GSM-telefoons en een geldbedrag van € 21.710,-- in beslag genomen. Verdachte is aangehouden.

Een van de in beslag genomen telefoons bleek een zogenaamd PGP-toestel te zijn waarmee versleutelde ofwel encrypted berichten kunnen worden verstuurd. Het betreft een toestel van het merk V-Smart. Die telefoon is onderzocht op aanwezigheid van chatberichten, opgeslagen in het geheugen van dat toestel. Daaruit volgde dat er chatberichten op het geheugen van deze telefoon stonden die wezen op een plan om iemand van het leven te beroven.

Het IMEI-nummer van de V-Smart telefoon is [nummer 2] . Dat IMEI-nummer is gecontroleerd op aanwezigheid in het databestand van de door de Franse autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten in het kader van het onderzoek 26Lemont ter beschikking gestelde EncroChat-gegevens. Daaruit volgde dat het IMEI-nummer van de V-Smart telefoon van verdachte voorkwam in het EncroChat-bestand uit het onderzoek 26Lemont en dat iemand die zich [naam 13] noemt de gebruiker is van dat IMEI-nummer. Daaruit is de conclusie getrokken dat [naam 13] gelijk te stellen is aan verdachte.

De zaaksofficier van justitie in het onderhavige onderzoek Ellemeet heeft aan haar Rotterdamse collega officier van justitie in het onderzoek 26Lemont toestemming gevraagd om de EncroChat-berichten betreffende genoemd IMEI-nummer voor het onderzoek Ellemeet te mogen gebruiken.

Op 7 augustus 2020 heeft de officier van justitie in Rotterdam toestemming gegeven aan de zaaksofficier in het onderzoek Ellemeet , mr. [naam 15] .

De in dit onderzoek Ellemeet overgelegde EncroChat-berichten die met het IMEI-nummer [nummer 2] zijn uitgewisseld, zijn in het eindproces-verbaal opgenomen op de pagina’s 112 tot en met 122.

Naar aanleiding van het onderzoek naar de versleutelde berichten is verdachte in augustus 2020 in verzekering gesteld op verdenking van het plegen van voorbereidingshandelingen voor de moord op één of meer personen. Dit heeft geresulteerd in de tenlastelegging met parketnummer 01/216559-20.

Voorts is aan verdachte onder parketnummer 01/146982-20 ten laste gelegd dat hij een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder parketnummer 01/216659-20 ten laste gelegde feit (de strafbare voorbereidingshandelingen). De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat het gebruik van de EncroChatdata onrechtmatig is, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim oplevert in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Dit moet leiden tot bewijsuitsluiting en dit resulteert erin dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Met betrekking tot het bewijs van het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 01/146982-20 (voorhanden hebben vuurwapen en munitie) heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank. 1

Ten aanzien van parketnummer 01/216559-20.

Het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting.

Dit verweer is kort en zakelijk gezegd, gebaseerd op twee gronden:

1. De rechter-commissaris van de rechtbank Rotterdam in het onderzoek 26Lemont heeft in het proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2020 voor het gebruik van de EncroChats in toekomstige, andere onderzoeken voorwaarden gesteld en criteria gegeven.

Een van die voorwaarden is dat het gebruik van die chats slechts mogelijk is na een schriftelijk verzoek daartoe en na verkregen schriftelijke toestemming van een rechter-commissaris. De toestemming wordt alleen verleend als sprake is van “ernstige, het maatschappelijk verkeer ontwrichtende strafbare feiten, gepleegd in georganiseerd verband”. In een enkel geval is op het vereiste van een voorafgaande schriftelijke toestemming een uitzondering toegelaten. In die gevallen was sprake van zeer spoedeisende situaties en/of “threat to life”-zaken waarin acuut ingrijpen noodzakelijk was. In die gevallen is telefonisch toestemming gevraagd en verkregen van de rechter-commissaris, waarna schriftelijke bevestiging dan wel toevoeging aan de lijst van bekende onderzoeken volgde.

De raadsman stelt dat de EncroChat-data in het onderzoek Ellemeet onrechtmatig zijn verkregen, omdat aan de rechter-commissaris geen toestemming is gevraagd om in dit onderzoek de EncroChats te mogen gebruiken. Zou die toestemming wel gevraagd zijn, dan is met het oog op de hiervoor genoemde criteria niet voorstelbaar dat die toestemming zou zijn verleend.

De verdediging voert aan dat het ontbreken van toestemming met zich meebrengt dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Hieraan dient de consequentie van bewijsuitsluiting te worden verbonden, omdat zowel artikel 6 EVRM als artikel 8 EVRM is geschonden. Immers, er is sprake van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers van Encrochat zonder rechterlijke toestemming en het openbaar ministerie heeft een voorwaarde die de rechter-commissaris van de rechtbank Rotterdam aan het gebruik van EncroChat-gegevens heeft gesteld, niet nageleefd.

Ook indien moet worden aangenomen dat artikel 6 EVRM niet is geschonden, is sprake van een dermate ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dat bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om de met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van een vergelijkbaar vormverzuim in de toekomst, aldus de verdediging.

2. Voor het bewaren en gebruiken van de EncroChatdata bestaat geen wettelijke grondslag of wettelijke controle en dat bewaren en gebruiken is daarom onrechtmatig.

Voor zover het bewaren en gebruiken van de EncroChatdata wel een wettelijke grondslag heeft, dient deze richtlijnconform te worden geïnterpreteerd. Richtlijn 2002/58 is van toepassing op de handelingen en voor zover die richtlijn niet van toepassing is, is richtlijn 2016/680 dat wel.

Voorts dient artikel 359a Sv conform het EU-recht te worden geïnterpreteerd. Degene wiens privacy in het geding is – de gebruiker van de EncroChat-dienst – heeft recht op een effectief rechtsmiddel. In het onderzoek 26Lemont is die gebruiker geen verdachte en kan hij de onrechtmatigheid niet laten toetsen. Het onderscheid tussen het voorbereidend onderzoek in de zaak tegen de concrete verdachte en het onderzoek in 26Lemont kan daarom niet aan toetsing van de rechtmatigheid in de strafzaak tegen deze verdachte in de weg staan. Als artikel 359a Sv niet rechtstreeks kan worden toegepast, dan kan ook buiten het kader van artikel 359a Sv een rechtsgevolg aan de onrechtmatigheid worden verbonden. De raadsman heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie voor de bewijsconstructie in de zaak met parketnummer 01/216559-20 vrijwel uitsluitend gebruik heeft gemaakt van EncroChat-berichten die onrechtmatig verkregen zijn. Volgens de raadsman is er dan ook is sprake van een onherstelbaar vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen betekent dat de EncroChat-berichten dienen te worden uitgesloten voor het bewijs.

De beoordeling van dit verweer door de rechtbank.

 Ten aanzien van de eerste door de verdediging aangevoerde grond:

Uit het verhandelde ter zitting van 11 maart 2021 is gebleken dat de rechter-commissaris van de rechtbank Rotterdam, mr. [naam 16] , op 25 juli 2020 toestemming heeft gegeven tot het gebruik van de EncroChatberichten in het onderzoek Ellemeet . Daarmee is deze grondslag van het verweer komen te vervallen en behoeft dit punt geen nadere bespreking.

 Ten aanzien van de tweede door de verdediging aangevoerde grond:

Het bewaren en gebruiken van de EncroChat-gegevens door de Nederlandse autoriteiten heeft, is voorafgegaan door het verkrijgen ervan. De betreffende gegevensbestanden met informatie uit het (recente) verleden waren al vastgelegd op de servers van EncroChat. Zowel in Frankrijk als in Nederland is deze telecomaanbieder aangemerkt als verdachte. Om bestanden van dat bedrijf te verkrijgen heeft het Nederlandse Openbaar Ministerie aan de rechter-commissaris een vordering ex artikel 126uba lid 1 sub a, b, c en d Sv voorgelegd en machtiging daartoe verkregen. Daarmee heeft het verkrijgen van de gegevens een wettelijke grondslag. Na het ter beschikking komen van de gegevens vallen de gegevens onder de bewaar- en vernietigingsregimes van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, zodat ook voor het bewaren en verwerken van de gegevens een afdoende wettelijke grondslag bestaat.

De verdediging neemt als uitgangspunt dat het bewaren en gebruiken in Nederland door de Nederlandse autoriteiten van de datasets die de Nederlandse autoriteiten van de Franse autoriteiten hebben gekregen als verwerking van persoonsgegevens moet worden aangemerkt. Daarmee zouden de Nederlandse autoriteiten zich begeven op het terrein van de elektronische communicatiediensten. Dit zou dan weer met zich meebrengen dat richtlijn 2002/58 van toepassing is.

De rechtbank deelt die opvatting niet.

De verplichtingen die aan telecomaanbieders worden opgelegd en waarop de richtlijn 2002/58 in elk geval van toepassing is, zijn algemene verplichtingen tot het bewaren van telecomgegevens die vervolgens in een concreet geval, zoals een strafrechtelijk onderzoek, door de autoriteiten kunnen worden opgevraagd. Het optreden van de Franse autoriteiten tegen EncroChat als verdachte, waarbij databestanden in beslag zijn genomen, brengt niet met zich mee dat de Franse autoriteiten voor de toepassing van richtlijn 2002/58 gelijkgesteld kunnen worden met de telecomaanbieders. Voor zover de databestanden aan de Nederlandse autoriteiten ter beschikking zijn gesteld, kunnen zij voor de toepassing van richtlijn 2002/58 evenmin gelijkgesteld worden met de telecomaanbieders.

Richtlijn 2002/58 beoogt langs de weg van nationale wetgeving de vertrouwelijkheid van elektronische communicatie te waarborgen. Met dat doel is een verbod tot het onderscheppen van communicatie opgenomen in artikel 5 van de richtlijn. Artikel 15 maakt een uitzondering en geeft ruimte om de wetshandhaving op strafrechtelijk gebied ongemoeid te laten. Deze richtlijn doet bovendien geen afbreuk aan de mogelijkheid van lidstaten om wettelijk toegestane interceptie van elektronische communicatie uit te voeren of andere maatregelen vast te stellen. In artikel 1 lid 3 van de richtlijn is bepaald dat deze richtlijn niet van toepassing is op activiteiten van een lidstaat op strafrechtelijk gebied.

De verdediging voert vervolgens aan dat richtlijn 2016/680 van toepassing is op het bewaren en gebruiken van EncroChatdata. Gelet op de in die richtlijn omschreven onderwerp, doelstelling en toepassingsgebied, deelt de rechtbank dat standpunt. Deze richtlijn beoogt te waarborgen dat gegevens die door rechtshandhavingsautoriteiten worden verzameld op een wettige en eerlijke wijze worden verwerkt, voor bepaalde legitieme doelen worden verzameld en verwerkt, en op passende wijze worden beschermd tegen ongeoorloofde en onrechtmatige verwerking. De richtlijn 2016/680 is door Nederland geïmplementeerd in de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Een rechtstreeks beroep op de richtlijn is daarmee niet meer mogelijk. Wel dient de betreffende wetgeving richtlijnconform te worden geïnterpreteerd. Niet gesteld noch gebleken is dat de Nederlandse wetgeving en haar toepassing op dit punt strijdig is met deze richtlijn of de wettelijke voorschriften in dit geval niet zijn gevolgd.

In dit verband betoogt de verdediging nog dat niet kan worden volgehouden dat bij het van toepassing zijn van deze richtlijn een minder vergaande rechtmatigheidstoets van toepassing is dan wanneer richtlijn 2002/58 van toepassing zou zijn. De rechtbank volgt dit betoog niet. De doelstellingen en het toepassingsgebied van beide richtlijnen lopen daarvoor te veel uiteen. Daarbij neemt de rechtbank eveneens in aanmerking dat in richtlijn 2002/58 uitdrukkelijk activiteiten van de lidstaat op strafrechtelijk gebied buiten het toepassingsbereik van deze richtlijn houdt.

Dat EncroChat in het Franse onderzoek en in het Nederlandse onderzoek 26Lemont verdachte is, is van belang voor de vraag naar het toepassingsbereik van artikel 359a Sv. In het overzichtsarrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:1889) is overwogen dat de toepassing van artikel 359a Sv is beperkt tot het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte in het kader van een aan hem ten laste gelegd feit. In de rechtspraak is verder aanvaard dat met betrekking tot onderzoek dat is verricht onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten van een andere tot het EVRM toegetreden staat, de Nederlandse strafrechter mag onderzoeken of het gebruik van de resultaten van dat onderzoek in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Ook onderzoek in het buitenland kan dus door de Nederlandse strafrechter worden getoetst, maar enkel wanneer met het gebruik van de resultaten daarvan het recht op een eerlijk proces in het geding komt.

Artikel 359a Sv is derhalve niet rechtstreeks van toepassing op het onderzoek inzake 26Lemont . Wel kan worden getoetst of het gebruik van gegevens uit het Franse onderzoek naar EncroChat als verdachte in strijd komt met het recht op een eerlijk proces van de verdachte in deze zaak. En ten slotte is artikel 359a Sv wel rechtstreeks van toepassing op het voorbereidend onderzoek in een concrete zaak waarin gegevens uit 26Lemont zijn verstrekt, zoals die tegen verdachte. Daarbij kan worden getoetst aan de kaders die de rechter-commissaris in Rotterdam heeft gesteld aan het ter beschikking stellen van gegevens uit 26Lemont en uit andere onderzoeken.

De onderzoeken waarin gegevens uit 26Lemont zijn verwerkt, zijn in twee categorieën op te delen. Kort gezegd komt het erop neer dat bij de eerste machtiging door de rechter-commissaris al een lijst is aangeleverd met onderzoeken waarin mogelijk sprake zou zijn van gebruik van EncroChat. Die lijst is getoetst door de rechter-commissaris – kort gezegd op: zwaarte van de strafbare feiten waar die onderzoeken zich op richten – en akkoord bevonden. Voor andere onderzoeken, en daartoe behoort het onderhavige onderzoek tegen verdachte [verdachte] , heeft de rechter-commissaris voorwaarden benoemd waaronder gegevens kunnen worden gedeeld, en wel na het voorleggen daarvan aan de rechter-commissaris en verkrijging van toestemming voor het delen van de informatie met die andere ‘vervolgonderzoeken’. Het moet, buiten onderzoek naar misdrijven met een terroristisch oogmerk, gaan om onderzoek naar strafbare feiten die in hun aard, in georganiseerd verband gepleegd of beraamd, een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde, of zaken waarin acuut ingrijpen noodzakelijk was gelet op de gerede vrees voor het leven en/of voor ernstige gezondheidsschade voor personen. Hieraan kan worden getoetst en bij eventuele tekortkomingen is het reguliere kader van artikel 359a Sv van toepassing.

De verdere achtergrond van EncroChat, de verkrijging van data in Frankrijk en het delen van de informatie met het onderzoeksteam 26Lemont , valt niet binnen het vooronderzoek in de zaak tegen verdachte [verdachte] . Evenmin is er reden te veronderstellen dat het gebruik van de resultaten van de onderzoeken naar EncroChat in de strafzaak tegen [verdachte] niet in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM.

Dit brengt met zich mee dat hetgeen in Frankrijk in het onderzoek tegen EncroChat en in Nederland in het onderzoek 26Lemont aan voorbereidend onderzoek is verricht, zich onttrekt aan toetsing door de Nederlandse strafrechter in andere onderzoeken dan 26Lemont .

Wel kan worden getoetst of het delen van onderzoeksgegevens vanuit 26Lemont met het opsporingsteam van het concrete (vervolg)onderzoek rechtmatig is geweest. In het bijzonder kan dan worden gedacht aan de eisen die de rechter-commissaris aan het delen van gegevens heeft gesteld. In het onderzoek Ellemeet zijn de EncroChatgegevens uit 26Lemont verstrekt nadat van de rechter-commissaris van de rechtbank Rotterdam daartoe toestemming was verkregen.

De rechtbank overweegt nog ten overvloede dat er, zoals hiervoor is overwogen, geen grondslag is voor het gelijkstellen van de onderzoeksgegevens binnen 26Lemont met persoonsgegevens die onder richtlijn 2002/58 vallen. Dat betekent ook dat het delen van gegevens vanuit 26Lemont met andere onderzoeken niet langs die weg aan de strenge vereisten van die richtlijn behoeven te voldoen. Zelfs als dat wel zo zou zijn, of als de bepalingen van het Handvest een vergelijkbare strenge toets dicteren, dan is met de voorwaarden die de rechter-commissaris heeft geformuleerd – rechterlijke toets vooraf, alleen voor onderzoeken naar ernstige strafbare feiten – aan die evenredigheid voldoende tegemoet gekomen.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv geen sprake is. De EncroChats zijn daarom bruikbaar voor het bewijs.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs met betrekking tot parketnummer 01/216659-20.

Bij de doorzoeking van de woning op het adres [adres 2] te Eindhoven op 3 juni 2020 zijn onder verdachte onder meer een pistool, negen bijpassende kogelpatronen en een cryptotelefoon in beslag genomen.2

Verdachte heeft verklaard dat het wapen en de munitie aan hem toebehoren.3

Ten aanzien van de cryptotelefoon (V-Smart) heeft verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht. De rechtbank komt desondanks tot de conclusie dat deze cryptotelefoon aan verdachte toebehoort, aangezien:

- deze telefoon is aangetroffen op het adres waar verdachte op dat moment verbleef,

- tekstberichten op deze telefoon vanuit de gebruiker gaan over het incident op de camping (‘toen kwamen ze teeug met 11 man bevak op en wapens allemaal’) en het gesprek op 2 juni 2020 bij het tankstation (de gebruiker bevestigt dat bij het tankstation op 2 juni 2020 ‘staat een wit busje met 2 man’ en ‘kalle en een rode’) waarbij verdachte was betrokken en,

- op het toestel een foto staat van heuptasjes van het zelfde merk en gelijkend op het heuptasje waarin het vuurwapen van verdachte is aangetroffen alsmede,

- een foto van een appje afkomstig van het telefoonnummer van de iPhone die verdachte gebruikt.4

Dit leidt tot de tussenconclusie dat verdachte opzettelijk een pistool met munitie en ten minste één cryptotelefoon voorhanden heeft gehad.

Aan verdachte wordt verweten dat hij deze voorwerpen voorhanden heeft gehad, terwijl deze bestemd waren voor de moord op een of meer personen. Verdachte zou zich hiermee schuldig hebben gemaakt aan strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.).

Op grond van artikel 46 Sr. is voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld strafbaar (onder meer) wanneer de dader opzettelijk voorwerpen of informatiedragers bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft.

Met “dat misdrijf” in artikel 46 Sr. wordt gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid en dus niet op de voorbereiding zelf. Dat misdrijf moet met voldoende bepaaldheid blijken, maar niet is vereist dat de tijd, plaats en de wijze van uitvoering vaststaat.

Uit de rechtspraak over dit artikel blijkt dat moet worden beoordeeld of de voorbereidingsmiddelen naar hun uiterlijke verschijningsvorm bestemd zijn tot het begaan van het misdrijf als bedoeld in art. 46 lid 1 Sr. Dit houdt in dat beoordeeld moet worden of deze middelen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van de middelen voor ogen had.

Uit deze rechtspraak volgt dat een drietal criteria maatgevend zijn om te bepalen of een voorwerp is bestemd tot het begaan van de beoogde misdrijven:

a. de uiterlijke verschijningsvorm van de voorbereidingsmiddelen;

b. het gebruik daarvan; en

c. het ‘misdadige doel’ dat de verdachte met het gebruik voor ogen had.

Het vuurwapen en de munitie

Ten aanzien van de uiterlijke verschijningsvorm van het vuurwapen met de munitie en het gebruik daarvan kan in redelijkheid worden aangenomen dat deze kunnen worden gebruikt bij de uitvoering van een levensdelict.

Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde moet de rechtbank vervolgens kunnen vaststellen dat verdachte ook de bedoeling had om een of meer personen om het leven te brengen.

Verdachte heeft verklaard dat hij dit vuurwapen heeft aangeschaft naar aanleiding van het gewelddadig treffen met gewapende personen op de camping in [plaatsnaam 2] op 31 mei 2020. Hij stelt dat het wapen bedoeld was om zichzelf te kunnen beschermen.

In dit verband acht de rechtbank van belang dat er – zoals reeds eerder overwogen– chats zijn aangetroffen op de EncroChat-dataserver die aan verdachte kunnen worden gelinkt, aangezien het IMEI-nummer van de bij verdachte aangetroffen cryptotelefoon correspondeert met het IMEI-nummer dat hoort bij de bedoelde EncroChats. Verdachte heeft hierover geen uitleg willen geven, hoewel ook de inhoud van deze berichten duidelijk ziet op wat verdachte is overkomen op de camping in [plaatsnaam 2] en wel bezien vanuit het perspectief van verdachte.5 De rechtbank stelt daarom vast dat de EncroChatberichten die onder de naam ‘ [naam 13] ’ zijn verstuurd, zijn verstuurd door verdachte. Deze berichten zijn van 31 mei 2020 en 1 juni 2020.

Uit de inhoud van diverse chatberichten blijkt dat verdachte meermalen nadrukkelijk tegen anderen zegt dat er mensen moeten gaan slapen.6 De rechtbank weet ambtshalve dat hiermee in bepaalde criminele kringen wordt bedoeld dat deze mensen dood moeten. Verdachte benoemt in deze berichten herhaaldelijk dat het gaat om [naam 10] , [naam 17] en [naam 18] . Verdachte heeft aangifte gedaan van het voorval op de camping. In zijn aangifte heeft hij onder meer verklaard dat hij onder zijn aanvallers in ieder geval heeft herkend: [naam 10] , [naam 17] [naam 19] en [naam 8] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat met [naam 10] wordt gedoeld op [naam 11] .7 In het cryptotoestel van verdachte bevindt zich een foto met de naam en het adres van [naam 20] [voertuig] .8

Uit de berichten blijkt verder dat verdachte tegen ‘ [naam 21] ’ onder meer heeft gezegd dat hij moet weten waar [naam 35] is ‘die gaat eerst slapen’ en ‘kijk waar die [naam 17] woont’. ‘ [naam 21] ’ antwoordt dat hij denkt dat hij wel iemand weet die hem weet te wonen en dat hij dat de volgende dag zal gaan vragen. Verdachte vraagt verder aan ‘ [naam 22] ’ ‘wat kost het een laten slapen’. Tegen ‘ [naam 23] ’ ten slotte laat verdachte weten dat ‘de eerste beste die ik tegen kom gaat slapen’.9

Uit deze berichten blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte enorm boos is na het voorval op de camping, dat hij erop uit is om [naam 24] en/of [naam 19] en/of [naam 20] naar aanleiding van dat voorval van het leven te (laten) beroven en dat hij actief op zoek is naar mensen en informatie om dit te bewerkstelligen.

Ondersteuning voor de stelling van verdachte dat het wapen, dat verdachte volgens eigen zeggen naar aanleiding van het voorval heeft aangeschaft, enkel diende ter bescherming heeft de rechtbank daarentegen niet aangetroffen. De teneur van de cryptogesprekken is agressief, aanvallend en niet defensief. Uit niets blijkt dat verdachte enkel zocht naar manieren om zich in de toekomst te kunnen verdedigen.

Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte het vuurwapen en de munitie voorhanden heeft gehad in het kader van de voorbereiding van de moord op een of meer van de in de tenlastelegging genoemde personen.

De cryptotelefoon

Ten aanzien van de uiterlijke verschijningsvorm en het gebruik van de cryptotelefoon ligt dit anders. Weliswaar kan worden geredeneerd dat deze telefoon bij de uitvoering van een moord zijn diensten zou kunnen bewijzen, maar dat is niet voldoende om de telefoon als strafbaar voorbereidingsmiddel te kunnen aanduiden. Zolang het gebruik van het cryptotoestel beperkt is tot de voorbereidingsfase, wordt niet toegekomen aan strafbare voorbereidingshandelingen. De rechtbank kan niet vaststellen dat deze telefoon daadwerkelijk een rol zou hebben gehad bij de uitvoering van een door verdachte beoogd levensdelict, zodat het voorhanden hebben van de cryptotelefoon door verdachte niet kan worden aangemerkt als strafbare voorbereidingshandeling.

Ten aanzien van parketnummer 01/146982-20

In de woning aan het adres [adres 2] te Eindhoven heeft de politie op 3 juni 2020 onder meer een geladen vuurwapen en een patroonhouder met drie kogelpatronen in beslag genomen.10 Verdachte heeft verklaard dat dit wapen en de munitie van hem zijn.11

Het vuurwapen en de munitie zijn onderzocht door een materiedeskundige. Het vuurwapen betreft een pistool, merk Manurhin, model PP, kaliber 7,65 mm. De deskundige classificeert het pistool als een wapen van categorie III onder I van de WWM. In totaal zijn 9 kogelpatronen kaliber .32 auto aangetroffen. De materiedeskundige classificeert deze als zijnde munitie van categorie III van de WWM.12

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank ook dit feit wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat

Onder parketnummer 01/216559-20:

hij in de periode van 31 mei 2020 tot en met 3 juni 2020 te Eindhoven

ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving

een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord (als bedoeld in artikel 289 van het wetboek van strafrecht) (op [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] ),

opzettelijk een vuurwapen (pistool) en bijbehorende munitie, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad.

Onder parketnummer 01/146982-20:

hij op 3 juni 2020 te Eindhoven een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, merk Manurhin, model PP, kaliber 7,65mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en munitie van categorie III, te weten negen kogelpatronen kaliber .32 auto, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Door de verdediging is ten aanzien van parketnummer 01/216559-20 aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat er sprake is van vrijwillige terugtred.

De verdediging doet hiermee een beroep op artikel 46b Sr. dat luidt:

“Voorbereiding noch poging bestaat indien het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk.”

In dit verband is door de verdediging gewezen op app-berichten die verzoenend van aard zijn, de beelden die er zijn van de ontmoetingen tussen verdachte en [naam 19] en [naam 24] op

2 juni 2020, de verklaringen van de bij de rechter-commissaris gehoorde getuigen en het feit dat er na de ontmoetingen geen belastende berichten meer zijn gewisseld.

Uit de berichten op de Iphone van verdachte blijkt dat verdachte na het voorval op 31 mei 2020 contact gehad heeft gehad met zowel [naam 24] als [naam 19] . Uit de gesprekken met [naam 24] op 31 mei 2020 blijkt dat [naam 24] boos is omdat verdachte met anderen op 30 mei 2020 zijn neef [naam 25] zou hebben geslagen en dat dat de reden was om op 31 mei 2020 verhaal te komen halen. Het moet volgens [naam 24] nog worden opgelost en hij biedt aan om het één op één uit te vechten, zonder kogels. [naam 24] heeft wel een granaat bij ‘voor als jullie gek doen voor zekerheid je mag weten’. [naam 26] houdt de granaat bij. [naam 24] zegt dat verdachte maar beter sorry kan zeggen voor zijn neefje. ‘Game on is game on’.Kom jou excuses aanbieden aan ons [naam 25] ’. ‘Voor 6.00 uur geen sorry, eerste reactie gaat van start’. ‘Ik blaas heel jou kk moer op’. Dan wordt er een afspraak gemaakt voor de volgende dag. [naam 24] laat daarop nog wel weten ‘Bro als je vuurwerk ofzo hebt voor op afstand ik heb n ontsteker in de buurt bij jullie daarzo in de berm laten gooien zonder iets erop. Kende vuurpijle op afstand late t ploffe pik’. Uit de gesprekken met [naam 19] op 1 juni 2020 blijkt dat er een afspraak wordt gemaakt om het uit te praten en dat [naam 19] de dag erna met [naam 27] zal langskomen. De toon van dit gesprek is niet vervelend.

Deze gesprekken op de iPhone vinden ongeveer gelijktijdig plaats met de gesprekken op de cryptoserver. Dan valt op dat op de avond van 1 juni 2020 verdachte nog aan ‘ [naam 23] ’ laat weten: ‘broer geloof me gaat iets gebeure’, ‘ik ga er een paar laten slaapen’. Als ‘ [naam 23] ’ dan zegt dat hij vandaag gehoord heeft dat het al was bijgelegd, reageert verdachte: ‘nee hun willen op lossen’ ‘maar kan dit niet over me kant laten gaan’. Verdachte beëindigt hun gesprek met de woorden ‘komt niet goed’ ‘jaren weg of onder de gront’ ‘heb schijt aan’ ‘waar me kinderen bij zijn’ ‘kan niet’.

Ook op de aangetroffen cryptotelefoon valt te lezen dat verdachte op de ochtend van 2 juni 2020 nog tegen ‘ [naam 28] ’ zegt ‘er gaat er een slapen’, ‘ja popie jopie doen neef en dan spijt terug trekken maar ik zsg oke is goed beter normaal doen alles op de ap’, ‘maar er gaat er een slapen neef’. Uit ditzelfde gesprek is op te maken dat [naam 19] kennelijk een foto aan verdachte heeft gestuurd. Als de gesprekspartner reageert met ‘hoezo stuur hij dar hun zijn toch zwagers’, zegt verdachte ‘Kk sukkels gaan elkaar verraaie’.

Op 2 juni 2020 vinden vervolgens twee ontmoetingen plaats tussen verdachte enerzijds en [naam 24] en [naam 19] anderzijds. Eerst een ontmoeting bij een tankstation en daarna nog een ontmoeting nabij de woning van verdachte. De ontmoeting bij het tankstation is kennelijk geobserveerd door ‘ [naam 29] ’ met wie verdachte via zijn cryptotelefoon op dat moment contact had. Verdachte heeft hierover verklaard dat ze elkaar uiteindelijk een hand hebben gegeven en dat het toen klaar was. Op de beelden is hiervan echter niets te zien.

[naam 19] heeft verklaard dat hij wel een gesprek heeft gehad met verdachte bij een tankstation en dat hij zich niet kan herinneren of dat te maken had met het incident in [plaatsnaam 2] . Hij zegt op 31 mei 2020 niet in [plaatsnaam 2] te zijn geweest, van een gesprek bij de woning van verdachte weet hij niets en hij heeft ook nooit problemen met verdachte gehad.

[naam 24] heeft verklaard dat hij geen conflict heeft gehad met verdachte en dat hij verder er niets over wil zeggen.

Getuige [naam 30] heeft over de ontmoetingen op 2 juni 2020 verklaard dat verdachte tegen hem zei dat hij het ging uitpraten en dat het bij het tankstation is uitgepraat. De ruzie was opgelost. [naam 27] en [naam 31] zeiden dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) aan [naam 25] zijn excuses moest aanbieden, maar [verdachte] wilde dit niet. Er kwamen geen excuses maar ze hebben het zo uitgepraat dat ze uit elkaars buurt zouden blijven. Na het gesprek bij het tankstation gingen [naam 31] en [naam 27] met [naam 7] praten. Die dag kwamen [naam 32] en [naam 25] thuis. Hen werd verteld dat de zaak was opgelost. Dat was voorafgaand aan de tweede ontmoeting. [naam 31] en [naam 27] zeiden dat ze de jongens (de rechtbank begrijpt: [naam 25] en [naam 32] ) rustig zouden houden, aldus [naam 30] .

Hieruit kan wellicht de gevolgtrekking worden gemaakt dat het conflict tussen verdachte en de zonen van [naam 33] was gesust, maar niet dat verdachte van zijn plannen om wraak te nemen op [naam 20] , [naam 19] of [naam 24] was afgestapt. Bovendien sluit deze verklaring van [naam 30] aan bij de chats tussen verdachte en [naam 24] , waaruit blijkt dat [naam 24] excuses eist en zegt [naam 30] hier dat deze excuses niet zijn gemaakt.

Getuige [naam 33] , de vader van [naam 25] en [naam 32] , was niet bij deze ontmoetingen aanwezig. Hij heeft verklaard wat hij hierover heeft gehoord. Dat is dat ze bij het tankstation hadden afgesproken om het goed te praten. Desondanks is [naam 33] er blijkbaar nog niet helemaal gerust op. Hij sluit het verhoor af met de opmerking: ‘Heel Eindhoven weet dat het gaat over een liquidatiepoging. Ik vraag mij af of die liquidatiepoging was voordat ze het goed hadden gemaakt of daarna. Dat wil ik graag weten.’

Wat opvalt is dat diezelfde avond (na de ontmoeting bij het tankstation en voor de ontmoeting bij de woning van verdachte) er nog een chatgesprek plaatsvindt tussen verdachte en [naam 19] , waarin [naam 19] aan verdachte laat weten ‘Zeg dat we elkaar hebben gezien en dat we nog steeds problemen hebben’ ‘want hij heeft ons gezien’ en ‘mensen bellen hem denk ik als ze ons zien weet je wel’ ‘bij jou’. Hieruit kan bezwaarlijk worden opgemaakt dat het conflict volledig uit de wereld is.

De rechtbank acht het op grond van voornoemde feiten en omstandigheden onvoldoende aannemelijk geworden dat verdachte van zijn voornemen om een of meer personen van het leven te beroven is teruggekomen. De gesprekken waarin wordt afgesproken om het uit te praten vinden min of meer gelijktijdig plaats met de gesprekken over de beoogde liquidaties. Deze laatste gesprekken vinden alleen plaats via de crypto-chats. Er is geen enkel crypto-chatgesprek aangetroffen waaruit blijkt dat verdachte van gedachten is veranderd. Op 2 juni 2020 omstreeks 8.59 uur PM vindt er blijkens de EncroChatgegevens nog wel een gesprek plaats tussen verdachte en ‘ [naam 34] ’ waarin ‘ [naam 34] ’ zegt tegen verdachte: ‘dat komt nog wel ff laten denken dat het goed zit’. Dit gesprek vindt plaats na de ontmoeting bij de woning van verdachte. Verdachte heeft desgevraagd niet willen vertellen waar dit gesprek over ging.

Daar komt nog bij dat [naam 20] kennelijk niet bij de gesprekken op 2 juni 2020 was betrokken en ook niet is gebleken dat er anderszins contact tussen verdachte en [naam 20] is geweest. Er is geen enkel aanknopingspunt waaruit kan worden opgemaakt dat ten opzichte van hem ook maar iets in de situatie was veranderd.

De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op vrijwillige terugtred.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte veroordeeld wordt tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht om ten aanzien van het voorhanden van het vuurwapen en de munitie een gevangenisstraf op te leggen van 3 maanden, althans niet langer dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het treffen van voorbereidingshandelingen om ernstige misdrijven te plegen, te weten de moord op een of meer mannen. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie.

Verdachte is, nadat hij een conflict had gekregen, planmatig te werk gegaan. Hij is gaan informeren naar de verblijfplaats van de drie mannen en de prijs die hij moest betalen om ze “te laten slapen”. Het gronddelict, moord, behoort tot de ernstigste feiten die in onze strafwetgeving strafbaar zijn gesteld. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij kennelijk slechts een zeer lage drempel heeft hoeven te nemen voordat hij het pad in sloeg dat tot dit feit heeft geleid. Wraakacties in het criminele milieu leiden vanwege het gevaarzettend karakter ervan bovendien tot gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving. De rechtbank rekent dat de verdachte aan.

Daarnaast heeft verdachte een wapen en munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen verhoogt het risico op een levensbedreigend geweldsdelict. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens.

Strafblad

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 maart 2021 is hij eerder ter zake van strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten, onherroepelijk veroordeeld.

Strafmodaliteit en strafmaat

Gelet op de ernst van de feiten dient als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te gelden. Binnen de rechtspraak bestaan voor voorbereidingshandelingen geen landelijke oriëntatiepunten van het LOVS.

Hoewel zaken zich moeilijk laten vergelijken, heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf ook gekeken naar andere zaken waarin veroordeling voor voorbereidingshandelingen volgde.

De rechtbank acht voorts van belang de context waarin de voorbereidingshandelingen hebben plaatsgevonden. De verdachte is op 31 mei 2020 geconfronteerd met een ernstige vorm van bedreiging met geweld waardoor emoties hoog opgelopen waren. De politie is net na middernacht op 3 juni 2020 overgegaan tot een inval in de woning waar de verdachte verbleef in verband met het vermoedelijke wapenbezit van verdachte. Het tijdsbestek waarin de voorbereidingshandelingen hebben plaatsgevonden betrof hierdoor slechts enkele dagen. In deze periode heeft verdachte een wapen aangeschaft, heeft gevraagd naar de verblijfsplaatsen van beoogde slachtoffers en heeft ook geïnformeerd naar de prijs het laten ombrengen van een persoon. Verdachte heeft zijn voorbereiding verder niet nader geconcretiseerd door bijvoorbeeld het maken van concrete afspraken over de precieze wijze van afrekening. Daarmee stond verdacht als het ware nog aan het begin van de voorbereiding van moord.

Ten aanzien van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Daaruit blijkt dat voor het bezit van het pistool en de munitie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden het uitgangspunt is. Er is sprake van eendaadse samenloop met de voorbereidingshandelingen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarbij de tijd die in voorarrest is doorgebracht op de straf in mindering wordt gebracht.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met behulp van welke de feiten zijn voorbereid en die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

36b, 36c, 46, 55, 57, 289 Wetboek van Strafrecht

26, 55 Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Parketnummer 01/216559-20:

- voorbereiding van moord

Parketnummer 01/146982-20:

  • -

    handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en

  • -

    handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

De twee laatstgenoemde feiten zijn in eendaadse samenloop met het eerstgenoemde feit gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten

- 1 STK Pistool;

- 1 STK Patroonhouder;

- 1 STK Patroon;

- 1 STK Patroon;

- 1 STK Patroonhouder;

- 1 STK Foedraal.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, voorzitter,

mr. A.W.A. Kap-Knippels en mr. M.I. Fedorova, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.E. van Langen - Wouda, griffier,

en is uitgesproken op 25 maart 2021.

mr. M.I. Fedorova is buiten staat

deze uitspraak te ondertekenen

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, dienst Regionale Recherche, genaamd Ellemeet / OBRAB20007, afgesloten op 20 oktober 2020, aantal pagina’s: 170. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

2 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2020, pagina 29.

3 Een proces-verbaal van verhoor verdachte door de rechter-commissaris d.d. 5 juni 2020.

4 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juli 2020, pagina 72-74 met bijlagen.

5 Een proces-verbaal van bevindingen van 24 augustus 2020, p 109-111, met bijlage.

6 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 oktober 2020, p. 123-125.

7 Zie voetnoot 10.

8 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juli 2020, p. 72-74 met bijlagen

9 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 oktober 2020, p. 123-125.

10 Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 3 juni 2020, p. 23-24.

11 Zie voetnoot 3.

12 Een proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 25 juni 2020, p. 33-37.