Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1215

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-03-2021
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
01-997002-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor:

-(medeplegen van) overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

-overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 3.38 van de Wet natuurbescherming, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

-overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan;

-overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3.37, eerste lid van de Wet natuurbescherming, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

-opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk in- en verkopen, onder zich hebben en binnen het grondgebied van Nederland brengen van grote hoeveelheden producten van beschermde uitheemse diersoorten gedurende een periode van ongeveer 2,5 jaar. Verdachte heeft de invoer van beschermde diersoorten samen met een ander gepleegd. Het zwaartepunt van deze zaak ligt naar het oordeel van de rechtbank met name bij de invoer van 100 pythonhuiden vanuit Indonesië en de aankoop van 720 meter pythonhuid.

Daarnaast heeft verdachte een grote hoeveelheid morfine-tabletten voorhanden gehad.

De rechtbank houdt rekening met een overschrijding van de redelijke termijn.

Opgelegd wordt een taakstraf van 200 uur subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek van dagen in verzekering doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van drie jaren.

Verboden goederen worden onttrokken aan het verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/997002-18

Datum uitspraak: 22 maart 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboortejaar] 1965,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 maart 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 december 2020.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 november

2015 tot en met 31 december 2016 te Rotterdam en/of te Eindhoven en/of elders

in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen,

al dan niet opzettelijk, (telkens) producten van dieren, behorende tot een beschermde uitheemse diersoort, waaronder:

- 100, althans één of meer huiden van python (Pythonidae spp.) (zwart en naturel) van [persoon 1] en/of

- 720 meter, althans een hoeveelheid huiden van python (Pythonidae spp.)

(waaronder gekleurde) van [persoon 2] ,

te koop heeft gevraagd en/of heeft gekocht en/of heeft verworven en/of binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht;

(strafbaarstelling artikel 1a onder 1, 2 en 6 Wet op de economische delicten

juncto artikel 13 Flora- en faunawet)

(thans strafbaarstelling: artikel 1a, 2 en 6 Wet op de economische delicten

juncto artikel 3.37 van de Wet natuurbescherming jo 3.14 van de Regeling

natuurbescherming juncto artikel 4 en 8 van de Basisverordening EG nr. 338/97)

2.

hij in of omstreeks de periode van 21 september 2017 tot en met 12 maart 2018

te Eindhoven en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen, al dan niet opzettelijk,

(uit determinatierapport d.d.20 februari 2018 Belastingsdienst/Douane Rotterdam):

a. drie, althans één of meer bontmuts(en) van jaguar (Panthera onca) (I) en/of

b. één bontstuk en één bontmuts van ocelot (Leopardus pardalis) (I) en/of

c. éen bontstuk en één tas met een stuk bont van Leopardus geoffroyi (I) en/of

d. drie, althans één of meer stuk(s) bont van Chinchilla spp (I) en/of

e. vier, althans één of meer huid(en) van slangen van de familie Boidae spp.(II) en/of

f. één complete vacht van otter ( Lutrinae spp (II) en/of

(uit determinatierapporten Douane Laboratorium d.d. 2 oktober 2018)

g. W.01.06.005 2, althans één of meer stukje(s) turquoise slangenleer van de Boa constrictor (Boidae spp.) [dig.pag.576] en/of

h. W.01.06.006 zwart lederen motorhesje met leer van de python reticulatus [dig.pag.578]

en/of

i.W.01.06.007 1 riem "Satudarah mc' met geel slangenleer van een Python molurus [dig.584] en/of

j. W.01.09.003 27, althans één of meer huiden van (een) varaan/varanen (Varanus spp.) [dig.633] en/of

k. W.01.09.003 61, althans één of meer huiden van (een) leguaan/nen (Iguana spp.) [dig.633] en/of

l. W.01.11.002, 1 bruine slagenhuid met een lengte van 404 cm van de Python sebae [dig.pag.802] en/of

m. W.02.02.002 (A), 5 althans één of meer grijs/beige slangenhuiden van de Python reticulatus [dig.666] en/of

n. W.02.03.001 19, althans één of meer zadeltas(sen) met stukjes Python leer (Pythonidae spp) [dig.790]

o. W.02.04.002 1 bruine slagenhuid met een lengte van 372 cm van de Python sebae [dig.pag.802] en/of

p. G.01.01.007 (D), 32 althans één of meer roodbruine stuk(ken) slangenhuid van Python molurus [dig.815] en/of

q. G.01.01.009, 17, althans één of meer slangenhuid(en) van Python molurus [dig.829],

althans producten van dieren van de soorten, genoemd in bijlage A en/of B bij de CITES-basisverordening, (telkens) onder zich heeft gehad,

(strafbaarstelling: artikel 1a onder 1, 2 en 6 Wet op de economische delicten

juncto artikel 3.38, lid 1 van de Wet natuurbescherming jo 3.24 van de Besluit

natuurbescherming juncto artikel 3 van de Basisverordening EG nr. 338/97)

3.

A.

hij op één of meer tijdstippen in de periode van 1 oktober 2015 tot en met 31

december 2016 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen, al dan niet opzettelijk, producten van dieren, behorende tot een beschermde uitheemse diersoort, ten

verkoop voorhanden heeft gehad en/of in voorraad heeft gehad, heeft verkocht

en/of ten verkoop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt

voor commercieel en/of onder zich heeft gehad, immers heeft hij:

- één slangenleren riem verkocht en/of afgeleverd aan [persoon 3] en/of

- één hesje van slangenleer en/of twee binnenzakken van krokodillenleer en/of één stuk slangenleer verkocht en/of afgeleverd aan [persoon 4] en/of

- twee, althans één of meer hesje(s) bewerkt met slangenleer verkocht en/of afgeleverd aan [persoon 5] en/of

- één hesje van slangenleer verkocht en/of afgeleverd aan [persoon 6] en/of

- 25, althans één of meer huid(en) van python (Pythonidae spp) verkocht en/of afgeleverd aan [persoon 2] ,

en/of

B.

hij op één of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2017 tot en met 12 maart 2018 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen, al dan niet opzettelijk, (telkens) heeft gehandeld in strijd met (een) bij de Regeling natuurbescherming aangewezen voorschrift(en) van (een) EU-verordening(en),

te weten artikel 8, lid 1 en 5 van de Basisverordening (EG) nr. 338/1997

immers heeft hij producten van dieren van de in bijlage B bij deze verordening genoemde soorten, aangekocht en/of verworven voor commerciële doeleinden en/of tentoongesteld voor commerciële doeleinden en/of gebruikt met winstoogmerk en/of verkocht en/of in bezit gehad met het oog op

verkoop en/of ten verkoop aangeboden en/of vervoerd met het oog op verkoop,

immers heeft hij :

- één hesje met (python) slangenleer verkocht en/of afgeleverd aan [persoon 7] en/of

- één vest met (python) slangenleer verkocht en/of afgeleverd aan [persoon 8] en/of

- één vest met (python) slangenleer verkocht en/of afgeleverd aan [persoon 9] ;

(strafbaarstelling : A: artikel 1a onder 1, 2 en 6 Wet op de economische delicten juncto artikel 13 Flora- en faunawet B: artikel 1a onder 1, 2 en 6 Wet op de economische delicten juncto artikel 3.37 van de Wet natuurbescherming jo 3.14 van de Regeling natuurbescherming juncto artikel 5 en 8 van de Basisverordening EG nr. 338/97)

4.

hij op of omstreeks 12 maart 2018 te Eindhoven en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in garagebox [nummer] aan de [adres 2] ,

- zeven, althans één of meer doosje(s) met hierin 3 x 10 witte tabletten Morfinesulfaat Actavis Retard (30 mg), bevattende morfine , zijnde in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, en/of

- zes, althans één of meer doosje(s) met hierin 3 x 10 witte tabletten Morfinesulfaat Aurobindo Retard (30 mg) bevattende morfine , zijnde in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, en/of

- tien, althans één of meer doosje(s) met hierin 3 x 10 groene tabletten Morfine HCI Retard (30mg), bevattende morfine , zijnde in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(strafbaarstelling: artikel 2 ahf + onder C Opiumwet juncto artikel 10 lid 3 Opiumwet]

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

Volgens de officier van justitie kunnen alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en heeft verdachte die feiten opzettelijk gepleegd.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte slechts 50 pythonhuiden heeft gekocht van [persoon 1] en daarnaast vrijgesproken dient te worden van de huiden die verdachte heeft gekocht en later verkocht aan ‘ [persoon 2] ’ (feit 1, 2e gedachtestreepje) en feit 3 (5e gedachtestreepje), omdat niet kan worden vastgesteld wat voor huiden dit waren en of dit ook beschermde diersoorten betroffen.

Ook is nog aangevoerd dat de pythonhuiden die verdachte van ‘ [persoon 2] ’ heeft gekocht ouder waren dan de CITES-regelgeving in werking is (1998), zodat bezit hiervan niet strafbaar zou zijn.

Ook ten aanzien van de overige onder feit 3 genoemde producten (riemen en vesten/hesjes) dient verdachte te worden vrijgesproken. De producten zijn niet gedetermineerd. Er kan niet worden bewezen dat verdachte echte huiden heeft gebruikt (en zo ja, welke) of dat hij gebruik heeft gemaakt van nephuiden.

Voor de overige feiten refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de bewezenverklaring.

Het oordeel van de rechtbank.


De gebezigde bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis zijn de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen in een bijlage opgenomen en uitgewerkt. Deze bijlage is aan dit vonnis gehecht dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Overwegingen omtrent het bewijs.

Feit 1.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangehechte bewijsmiddelen.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte samen met anderen in maart 2016 opzettelijk één keer producten van een beschermde uitheemse diersoort, te weten 100 huiden van python heeft gekocht en binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, met name op grond van de whatsappgesprekken tussen verdachte en [persoon 1] . De verklaring van verdachte dat hij 50 huiden van python en 50 huiden van waterslang heeft ontvangen van [persoon 1] , wordt weersproken door de inhoud van deze gesprekken, waarin enkel python wordt genoemd. Ook in de latere whatsapp-gesprekken in januari en februari 2016 tussen verdachte en “ [persoon 2] ” meldt verdachte dat hij 100 slangenhuiden heeft besteld. Gelet op de periode waarin de voormelde gesprekken plaatsvinden, in samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat verdachte 100 huiden van python heeft besteld en ontvangen van [persoon 1] .

De stelling van de verdediging dat niet kan worden vastgesteld dat de door “ [persoon 2] ” aan verdachte verkochte huiden pythonhuiden betreffen, wordt weersproken door de bewijsmiddelen, in het bijzonder de determinatierapporten van de in maart 2018 onder verdachte in beslaggenomen huiden. De rechtbank acht daarom ook bewezen dat verdachte opzettelijk producten van beschermde uitheemse diersoorten, te weten 720 meter huid van python heeft gekocht van [persoon 2] .

Feit 2.

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangehechte bewijsmiddelen. Verdachte wist dat de aangetroffen producten in zijn bedrijfspand en garagebox en lagen en had daarvoor niet de benodigde CITES-documenten. Het standpunt van verdachte dat het ging om oude huiden en dat daarom geen documenten meer nodig waren volgt de rechtbank niet. Verdachte heeft de huiden pas in 2016 gekocht, kan op geen enkele wijze aantonen hoe oud de huiden waren en heeft verklaard dat hij hier zelf ook geen nader onderzoek naar heeft gedaan. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte de tenlastegelegde producten van diersoorten genoemd in bijlage A of B bij de CITES-basisverordening opzettelijk onder zich heeft gehad.

Feit 3.

De rechtbank acht de onder A, gedachtestreepje 1 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen, nu op basis van het dossier niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld welke van de twee door mw. [persoon 3] gekochte riemen het gaat, waarbij de tweede aankoop heeft plaatsgevonden buiten de te tenlastegelegde periode.

De rechtbank acht de onder gedachtenstreepjes 2 t/m 4, tenlastegelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen. In de tenlastelegging is niet opgenomen welke krokodil- en slangensoort het betreft, zodat de rechtbank niet bewezen kan verklaren dat dit een beschermde uitheemse diersoort betreft. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van die tenlastegelegde feiten.

De rechtbank acht het onder A, 5e gedachtestreepje, tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van feit 1 betreft het aantal van 25 huiden een deel van de door verdachte van [persoon 1] aangekochte en binnen het grondgebied van Nederland gebrachte partij van 100 pythonhuiden.

De rechtbank acht op grond van de aangehechte bewijsmiddelen ook de onder B tenlastegelegde feiten (alle 3 gedachtestreepjes) wettig en overtuigend bewezen.

In de app-gesprekken tussen verdachte en [persoon 7] , [persoon 8] en [persoon 9] gaat het telkens over een hesje of vestje met slangenleer van python.

Met betrekking tot de verkoop van een vest aan [persoon 8] informeert [persoon 8] in het app-gesprek van 5 februari 2018 over het kopen van een vest met python. Verdachte zegt dat [persoon 8] beter langs kan komen en geeft zijn adres en noemt zijn openingstijden. In het app-gesprek van 25 februari 2018 vraagt [persoon 8] aan verdachte of verdachte nog een patch op zijn vest zou willen maken. De rechtbank maakt hieruit op dat [persoon 8] een vest heeft gekocht bij verdachte. Verdachte heeft ook verklaard dat het om python ging.

Feit 4.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het tenlastegelegde feit sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359 lid 3, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, terwijl namens de verdediging geen vrijspraak is bepleit.

De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring van dit feit hebben geleid:

  • -

    Proces-verbaal van bevindingen de dato 19 maart 2018, p. 330-331;

  • -

    Proces-verbaal van overdracht de dato 17 juli 2018, p. 454-456;

  • -

    Bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank, in onderling verband en samenhang bezien met betrekking tot feit 1, 2 en 3, tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 01 november 2015 tot en met 31 december 2016

in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen,

opzettelijk, telkens producten van dieren, behorende tot een beschermde uitheemse diersoort, waaronder:

- 100 huiden van python (Pythonidae spp.) (zwart en naturel) van [persoon 1] en

- 720 meter, huid van python (Pythonidae spp.) (waaronder gekleurde) van [persoon 2] , te koop heeft gevraagd en/of heeft gekocht en/of binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht;

2.

in de periode van 21 september 2017 tot en met 12 maart 2018 te Eindhoven, opzettelijk,

(uit determinatierapport d.d.20 februari 2018 Belastingdienst/Douane Rotterdam):

a. drie bontmutsen van jaguar (Panthera onca) (I) en

b. één bontstuk en één bontmuts van ocelot (Leopardus pardalis) (I) en

c. éen bontstuk en één tas met een stuk bont van Leopardus geoffroyi (I) en

d. drie stuks bont van Chinchilla spp (I) en

e. vier huiden van slangen van de familie Boidae spp.(II) en

f. één complete vacht van otter ( Lutrinae spp (II) en

(uit determinatierapporten Douane Laboratorium d.d. 2 oktober 2018)

g. W.01.06.005 2 stukjes turquoise slangenleer van de Boa constrictor (Boidae spp.) en

h. W.01.06.006 zwart lederen motorhesje met leer van de python reticulatus en

i.W.01.06.007 1 riem "Satudarah mc' met geel slangenleer van een Python molurus en

j. W.01.09.003 27 huiden van varanen (Varanus spp.) en

k. W.01.09.003 61 huiden van leguanen (Iguana spp.) en

l. W.01.11.002, 1 bruine slangenhuid met een lengte van 404 cm van de Python sebae en

m. W.02.02.002 (A), 5 grijs/beige slangenhuiden van de Python reticulatus en

n. W.02.03.001 19 zadeltassen met stukjes Python leer (Pythonidae spp) en

o. W.02.04.002 1 bruine slagenhuid met een lengte van 372 cm van de Python sebae en

p. G.01.01.007 (D), 32 roodbruine stukken slangenhuid van Python molurus en

q. G.01.01.009 17 slangenhuiden van Python molurus,

zijnde producten van dieren van de soorten, genoemd in bijlage A of B bij de CITES-basisverordening, telkens onder zich heeft gehad;

3.

A.

in de periode van 1 oktober 2015 tot en met 31 december 2016 in Nederland, opzettelijk, producten van dieren, behorende tot een beschermde uitheemse diersoort, ten verkoop voorhanden heeft gehad en in voorraad heeft gehad, heeft verkocht en/of ten verkoop heeft aangeboden, immers heeft hij:

- 25 huiden van python (Pythonidae spp) verkocht aan [persoon 2] ,

en

B.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2017 tot en met 12 maart 2018 in Nederland, opzettelijk, telkens heeft gehandeld in strijd met een bij de Regeling natuurbescherming aangewezen voorschrift van een EU-verordening, te weten artikel 8, lid 1 en 5 van de Basisverordening (EG) nr. 338/1997

immers heeft hij producten van dieren van de in bijlage B bij deze verordening genoemde soorten, verkocht en/of in bezit gehad met het oog op verkoop en/of ten verkoop aangeboden, immers heeft hij:

- één hesje met (python) slangenleer verkocht aan [persoon 7] en

- één vest met (python) slangenleer verkocht aan [persoon 8] en

- één vest met (python) slangenleer verkocht aan [persoon 9] ;

4.

op 12 maart 2018 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad in garagebox [nummer] aan de [adres 2] ,

- zeven doosjes met hierin 3 x 10 witte tabletten Morfinesulfaat Actavis Retard (30 mg), bevattende morfine, zijnde in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en

- zes doosjes met hierin 3 x 10 witte tabletten Morfinesulfaat Aurobindo Retard (30 mg) bevattende morfine, zijnde in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en

- tien doosjes met hierin 3 x 10 groene tabletten Morfine HCI Retard (30mg), bevattende morfine, zijnde in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis en een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast eist de officier van justitie een voorwaardelijk beroepsverbod.

Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen eist de officier van justitie de onttrekking aan het verkeer van de onder nummer 2 t/m 56 genoemde voorwerpen op de beslaglijst en verbeurdverklaring van de onder nummer 58 genoemde geldbedragen op de beslaglijst.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie en de beslaglijst is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging pleit voor het opleggen van een geheel dan wel een deels voorwaardelijke geldboete. De raadsman verzoekt bij de strafoplegging er rekening mee te houden dat de verdediging partieel vrijspraak heeft bepleit en dat verdachte een blanco strafblad heeft. Daarnaast heeft verdachte geleerd van deze zaak en maakt hij alleen nog maar gebruik van prints (namaakhuiden). De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM is overschreden met ruim 17 maanden en er volgt nog een ontnemingsprocedure.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, let de rechtbank op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk in- en verkopen, onder zich hebben en binnen het grondgebied van Nederland brengen van grote hoeveelheden producten van beschermde uitheemse diersoorten gedurende een periode van ongeveer 2,5 jaar. Verdachte heeft de invoer van beschermde diersoorten samen met een ander gepleegd. Het zwaartepunt van deze zaak ligt naar het oordeel van de rechtbank met name bij de invoer van 100 pythonhuiden vanuit Indonesië en de aankoop van 720 meter pythonhuid. De rechtbank stelt vast dat 720 meter pythonhuid omgerekend afkomstig moet zijn geweest van tussen de 200 en 300 pythons. Verdachte kocht de producten van beschermde diersoorten in in o.a. het buitenland en verwerkte dit in zijn eigen producten die hij vervolgens weer verkocht. In de opslag van verdachte zijn naast de genoemde pythonhuiden ook stukken bont van verschillende katachtigen aangetroffen, een otterhuid, boa-huid, varaan- en leguaanhuiden.

Verdachte heeft gehandeld uit commercieel oogpunt en winstbejag en heeft daarbij geen oog gehad voor de wettelijke maatregelen ter regulering van de handel in producten van bedreigde soorten en voor de ratio achter die maatregelen. Verdachte was op de hoogte van de Cites-regelgeving, zo blijkt uit zijn verklaringen bij de politie en ter zitting, maar heeft er bewust voor gekozen producten aan te schaffen waar geen Cites documenten voor waren afgegeven. Daarmee heeft hij bijgedragen aan de illegale handel in producten van bedreigde diersoorten, met name slangen. Verdachte heeft hiermee indirect schade toegebracht aan de natuur.

Tenslotte heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het opzettelijk voorhanden hebben van een grote hoeveelheid tabletten met morfine. Dit is een middel dat op lijst I van de Opiumwet staat.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten werd veroordeeld.

Een – deels voorwaardelijke – geldboete, zoals bepleit door de verdediging, acht de rechtbank geen passende straf, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank acht een taakstraf van 240 uur, zoals gevorderd door de officier van justitie, in beginsel passend en geboden. Zij zal evenwel een lagere straf opleggen nu er sprake is van overschrijding van de redelijk termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.

De redelijke termijn is in deze zaak aangevangen toen de eerste doorzoeking plaatsvond op 21 september 2017. Een redelijke termijn voor de behandeling de zaak kan gesteld worden op twee jaar. Op het moment dat de rechtbank dit vonnis wijst, is de redelijke termijn fors overschreden met 18 maanden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben. De rechtbank zal de op te leggen taakstraf daarom matigen tot 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis.

De rechtbank acht het opleggen van het door de officier van justitie geëiste voorwaardelijke beroepsverbod niet passend en geboden. Bij verdachte zijn voorafgaand aan én sinds de onderhavige verdenking geen strafbare feiten in het kader van zijn beroep geconstateerd, terwijl verdachte voor zijn inkomsten wel afhankelijk is van dit beroep. Verdachte heeft ter zitting uiteengezet dat hij inmiddels huiden met print gebruikt in plaats van echte slangen- of krokodillenhuid. In plaats van een voorwaardelijk beroepsverbod zal de rechtbank een hogere voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist, te weten een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaar. Deze straf moet verdachte ervan weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar onder nummer 2 t/m 56 zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De door de officier van justitie gevorderde verbeurdverklaring met betrekking tot de in beslag genomen geldbedragen wijst de rechtbank af nu de rechtbank daar geen aanleiding toe ziet. Daar ligt wel nog conservatoir beslag op.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36b, 36c, 47, 57;

Wet op de economische delicten art. 1a, 2, 6;

Flora- en faunawet art. 13;

Wet natuurbescherming art. 3.37 en 3.38;

Besluit natuurbescherming art. 3.24;

Regeling natuurbescherming art. 3.14;

Opiumwet art. 2, 10.DE UITSPRAAK

De rechtbank:

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4:

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

(medeplegen van) overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 3.38 van de Wet natuurbescherming, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

(artikel 3.24, tweede lid van het Besluit natuurbescherming)

T.a.v. feit 3:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan

en

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3.37, eerste lid van de Wet natuurbescherming, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 4:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen en maatregel:

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4:

Taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4:

Gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten: de onder nummer 2 t/m 56 genoemde voorwerpen op de beslaglijst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter,

mr. A.C. Palmboom en mr. J.T.M. Groenendijk, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E. De Dooij, griffier,

en is uitgesproken op 22 maart 2021.