Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1214

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-03-2021
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
01-118732-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval in Helmond. Bestuurder van een bromfiets heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Verdachte (politieambtenaar) wordt veroordeeld voor overtreding van artikel 6 WVW 1994. Hij heeft zeer onvoorzichtig en onoplettend gehandeld.

De verdachte heeft zonder geluidssignalen met zeer hoge snelheid (verdachte reed een halve seconde voor de botsing 81 km/u) gereden bij een onoverzichtelijke kruising binnen de bebouwde kom, op een weg waar het doorgaans overdag druk is. Daarnaast is gebleken dat verdachte in de seconden voor het oprijden van de kruising nog gas heeft gegeven. De verdachte heeft daarbij een voor hem bestemd rood stoplicht genegeerd. Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat het licht groen was terwijl uit het onderzoek is gebleken dat bij het passeren van het verkeerslicht het licht al 20,9 seconden op rood stond.

Verdachte heeft met dit handelen ook niet de voorschriften van de Brancherichtlijn Politie nageleefd.

De rechtbank houdt in strafmatigende zin o.a. rekening met de goede bedoelingen van verdachte.

Opgelegd wordt een taakstraf van 80 uren en een voorwaardelijke rij-ontzegging van 6 maanden met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.118732.20

Datum uitspraak: 22 maart 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortejaar] 1995,

domicilie kiezende te [adres] ,

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 maart 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 februari 2021.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 7 januari 2020 te Helmond als verkeersdeelnemer, namelijk als

bestuurder van een motorrijtuig (personenauto/politievoertuig), daarmede

rijdende over de weg, Kasteel-Traverse, gekomen op of ter hoogte van de kruising

van die weg en de weg, Smalstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn

schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden met hoge,

althans aanmerkelijke snelheid en/althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid

dan de Brancherichtlijn Politie voorschrijft en/of (daarbij) geen gevolg te geven

aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt

voor een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat

rood licht uitstraalde, en/of (vervolgens) te botsen tegen een die Kasteel-Traverse

overstekende bestuurder van een bromfiets, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]

) zwaar lichamelijk letsel, te weten diverse breuken in been/heup en voet, of

zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 januari 2020 te Helmond als bestuurder van een voertuig

(personenauto/politievoertuig), daarmee rijdende op de weg, Kasteel-Traverse,

gekomen op of ter hoogte van de kruising van die weg en de weg, Smalstraat, heeft

gereden met hoge, althans aanmerkelijke snelheid en/althans met een

(aanzienlijk) hogere snelheid dan de Brancherichtlijn Politie voorschrijft en/of

(daarbij) geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of

verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn, verdachtes, rijrichting

bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en/of (vervolgens) in

botsing is gekomen met een die Kasteel-Traverse overstekende bestuurder van een

bromfiets, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd

gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

Volgens de officier van justitie is niet komen vast te staan dat verdachte optische en geluidssignalen voerde, zodat het voertuig van verdachte niet te gelden had als een voorrangsvoertuig en artikel 91 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) niet van toepassing is.

Op verdachte is wel de ministeriële vrijstelling (Vrijstelling van bepalingen van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), ten behoeve van de ambtenaren van het landelijk politiekorps en de Politieacademie) van toepassing maar deze vrijstelling is niet ongelimiteerd; zo dient de veiligheid van het verkeer zoveel mogelijk te worden gewaarborgd en dienen de in de Brancherichtlijn Verkeer Politie (hierna: Brancherichtlijn) opgenomen voorschriften te worden nageleefd. De officier van justitie gaat uit van een verplichtend karakter van de Brancherichtlijn Verkeer Politie.

De officier van justitie acht de combinatie van de door verdachte gehanteerde snelheid, het negeren van het rode verkeerslicht, terwijl verdachte naar alle waarschijnlijkheid geen geluidssignalen hanteerde en rekening houdend met de vrij onoverzichtelijke kruising in het centrum van Helmond, terwijl het overdag was, dusdanig gevaarlijk dat sprake is van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag van verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft - kort samengevat - aangevoerd dat het gebod van het rode verkeerslicht niet voor verdachte gold, nu hij ofwel een voorrangsvoertuig bestuurde en hij van het RVV mocht afwijken ofwel een politievoertuig bestuurde en hij op grond van de vrijstelling door rood licht mocht rijden. Volgens de verdediging dient verdachte in zoverre van dat onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

De verdediging heeft ten aanzien van het andere verwijt: “het met hoge, althans aanmerkelijke snelheid, althans met hogere snelheid dan de Brancherichtlijn voorschrijft rijden en vervolgens te botsen tegen de overstekende bestuurder van de bromfiets” aangevoerd dat:

  1. de in de pleitnota aangeduide omstandigheden maakten dat het voor verdachte onmogelijk was tijdig te reageren, zodat verdachte zich niet schuldig gemaakt heeft aan de concretisering van het schuldverwijt;

  2. de norm die de Brancherichtlijn geeft niet de norm is aan de hand waarvan het rijgedrag van verdachte langs de strafrechtelijke meetlat kan worden gelegd;

  3. verdachte zich bewust was van zijn dringende taak en de veiligheid van het verkeer en dat gelet op de door verdachte gemaakte inschatting “het realiseren van het risico doordat het slachtoffer de kruising opreed, niet strafrechtelijk verwijtbaar” is. Hij heeft zich verkeken op de situatie maar dat levert geen schuld op in de zin van artikel 6 WVW 1994.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn opgenomen en uitgewerkt in een bewijsmiddelenbijlage (bijlage 1). Deze bewijsmiddelenbijlage maakt integraal onderdeel uit van dit vonnis.

Juridisch kader en uitgangspunten rechtbank.

De rechtbank stelt voorop dat verdachte ten tijde van de verweten gedraging werkzaam was als politieambtenaar in de zin van artikel 3, eerste lid sub a, van de Politiewet 1993.

Ingevolge artikel 1 van het RVV 1990 wordt verstaan onder een voorrangsvoertuig:

een motorvoertuig dat de optische en geluidssignalen voert als bedoeld in artikel 29 van het RVV 1990.

Artikel 91 van het RVV 1990 luidt:

Bestuurders van een voorrangsvoertuig mogen afwijken van de voorschriften van dit besluit voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist.

Van het besturen van een voorrangsvoertuig was naar het oordeel van de rechtbank in casu geen sprake, nu de rechtbank er op grond van de bewijsmiddelen van uitgaat dat verdachte geen geluidssignalen voerde. Verdachte mocht aldus niet op grond van artikel 91 van het RVV 1990 afwijken van de voorschriften van dat besluit.

Wel is op verdachte als politieambtenaar de beschikking van 25 november 2016, RWS-2016/50678, van de Minister van Infrastructuur en Milieu houdende vrijstelling van de bepalingen van het RVV 1990 van toepassing. De grondslag voor deze beschikking is gelegen in artikel 147 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).

In de beschikking is onder meer besloten:

De Minister van Infrastructuur en Milieu

besluit

II. aan de politie ten behoeve van de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder a tot en met c, van de Politiewet 2012, en studenten en personeel van het LSOP, bedoeld in artikel 10 van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs, alsmede aan de rijksrecherche ten behoeve van de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder d, van de Politiewet 2012, tot 1 januari 2022, vrijstelling te verlenen van de bepalingen van het RVV 1990;

III. aan het uitoefenen van de bevoegdheden, ontleend aan de vrijstelling en ontheffing, de volgende voorschriften te verbinden

a. bij gebruikmaking van aan deze vrijstelling ontleende bevoegdheden dient de veiligheid van het verkeer zoveel mogelijk te worden gewaarborgd en dienen de in de Brancherichtlijn Verkeer Politie opgenomen voorschriften ten aanzien van het gedrag in het verkeer te worden nageleefd;

b. gebruik van deze vrijstelling ten behoeve van onderwijs of trainingsdoeleinden vindt slechts plaats onder toezicht van docenten of examinatoren van de Politieacademie of het team Operationele Begeleiding en Training van het landelijk politiekorps;

c. indien er sprake is van rijonderricht zijn de voorschriften van de Wet Rijonderricht Motorrijtuigen van overeenkomstige toepassing.

IV. Aan deze vrijstelling is de volgende beperking verbonden:
De vrijstelling is slechts geldig indien bevoegdheden die worden ontleend aan deze vrijstelling noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de opgedragen taak.

De rechtbank stelt vast dat het optreden van verdachte noodzakelijk was voor de uitvoering van de opgedragen taak, zoals bedoeld onder punt IV. Op grond van de verklaring van verdachte, afgelegd tijdens zijn politieverhoor, en van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] is de rechtbank van oordeel dat verdachte ervan uit mocht gaan dat het zijn taak was mee te rijden naar aanleiding van een melding dat een auto zich had onttrokken aan een staandehouding. Verdachte was immers door de centralist van de Meldkamer gekoppeld aan de betreffende melding. De vrijstelling was derhalve geldig.

De verdachte diende zich daarbij te houden aan de aan de vrijstelling verbonden voorschriften, inhoudende dat hij bij de gebruikmaking van de aan de vrijstelling ontleende bevoegdheden de veiligheid van het verkeer zoveel mogelijk diende te waarborgen en de in de Brancherichtlijn Verkeer Politie opgenomen voorschriften ten aanzien van het gedrag in het verkeer diende na te leven. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de voorschriften uit de Brancherichtlijn gedragsnormen bevatten die van belang zijn voor de beoordeling van het gedrag van verdachte en of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.

De rechtbank acht voor de onderhavige zaak relevant de volgende passages uit de Brancherichtlijn Politie 2018, versie 20 februari 2019:

Inleiding

(…)

Deze brancherichtlijn is van toepassing op bij de politie in gebruik zijnde motorvoertuigen die rijden met optische en geluidssignalen (en dus voorrangsvoertuig zijn in de zin van het RVV90) of de Vrijstelling voor de politie (RWS-2016/50678).

(…)

7 Gedragscode bestuurder van voertuigen(…)

Algemeen

Het afwijken van algemeen geldende verkeersregels en gedragsnormen gebeurt restrictief en alleen indien daartoe voldoende noodzaak bestaat. Hierbij maakt de bestuurder een afweging tussen te nemen risico en het beoogde doel.

De bestuurder van een voorrangsvoertuig dient zich bewust te zijn van zijn bijzondere positie en verantwoordelijkheden. De optische en geluidssignalen worden gebruikt als vraag om medewerking van andere weggebruikers en niet als dwangmiddel. De bestuurder moet zich rekenschap geven van de mogelijkheid dat andere weggebruikers hem niet horen en/of zien, dan wel zijn richting en/of snelheid niet goed kunnen inschatten. Dit betekent dat er rekening gehouden dient te worden met reacties van andere weggebruikers. Het algehele rijgedrag van de bestuurder van het voorrangsvoertuig dient beheerst te zijn.

Kruispunten
Het naderen en oversteken van kruispunten gebeurt met aangepaste snelheid. Bij het oprijden van het kruisingsvlak dient de bestuurder van het voorrangsvoertuig ervan uit te gaan dat andere weggebruikers hem niet hebben opgemerkt en hem dus mogelijk niet voor laten gaan. Daarom wordt zo nodig gestopt.

Rood licht
Het negeren van een rood verkeerslicht gebeurt met een snelheid van maximaal 20 kilometer per uur. Bij bruggen en spoorwegovergangen wordt het rode licht niet genegeerd en mag niet worden doorgereden.

Bewijsoverwegingen.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast en overweegt de rechtbank met betrekking tot het bewijs als volgt.

Op 7 januari 2020 is verdachte als bestuurder van een politievoertuig gereden over de weg Kasteel-Traverse te Helmond.

Naar aanleiding van een melding had verdachte van de centralist van de meldkamer toestemming gekregen om optische en geluidssignalen te voeren.

Op grond van de verklaringen van de inzittenden in de auto van verdachte, zijn eigen verklaring en de verklaring van getuige [getuige 3] concludeert de rechtbank dat verdachte wel heeft geprobeerd de benodigde signalen in te schakelen maar dat hij slechts het optische en niet het geluidssignaal voerde toen hij het kruispunt met de Smalstraat naderde.

Verdachte heeft ter hoogte van die kruising het in zijn richting rood licht uitstralend verkeerslicht, dat reeds 20,9 seconden rood licht uitstraalde, genegeerd, reed een halve seconde voor de botsing 81 km/u en is met een snelheid van 57 km/u tegen een overstekende bromfietser, [slachtoffer] , gebotst.

Ten gevolge van dit verkeersongeval heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel bekomen, te weten een gebroken heup, een breuk van het sprongbeen van de enkel (rechtervoet) en meerdere breuken in zijn rechtervoet. De revalidatie van het slachtoffer was ten tijde van de terechtzitting nog niet afgerond.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte zich bij dit ongeval zodanig heeft gedragen dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Dit betekent dat er op zijn minst sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Een lichtere vorm van schuld is hiervoor onvoldoende. Niet elk tekortschieten, niet elke verkeersovertreding is voldoende voor het aannemen van schuld in de zin van voornoemd artikel 6 WVW 1994.


Bij de beoordeling van de schuldvraag komt het, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Bovendien verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

De rechtbank is van oordeel dat het rijgedrag van de verdachte niet past bij wat van een politieambtenaar in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht en dat de gedragingen van verdachte, zoals vermeld in de bewijsmiddelen, de conclusie rechtvaardigen dat hij schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. De verdachte heeft immers zonder geluidssignalen met zeer hoge snelheid (verdachte reed een halve seconde voor de botsing 81 km/u) gereden bij een onoverzichtelijke kruising binnen de bebouwde kom, op een weg waar het doorgaans overdag druk is. Daarnaast is gebleken dat verdachte in de seconden voor het oprijden van de kruising nog gas heeft gegeven. De verdachte heeft daarbij een voor hem bestemd rood stoplicht genegeerd. Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat het licht groen was terwijl uit het onderzoek is gebleken dat bij het passeren van het verkeerslicht het licht al 20,9 seconden op rood stond.

Verdachte heeft met dit handelen ook niet de voorschriften van de Brancherichtlijn nageleefd. Hij heeft zijn snelheid niet geminderd bij het naderen en oprijden van het kruispunt, maar juist verder verhoogd. Het rode verkeerslicht heeft verdachte genegeerd met een snelheid die vele malen hoger lag dan de in de Brancherichtlijn voorgeschreven maximaal 20 kilometer per uur. Verdachte heeft tot slot onvoldoende rekening gehouden met de eventuele reacties of het handelen van andere weggebruikers.

Kwalificatie

Gelet op de veelheid aan fouten die verdachte heeft gemaakt, zoals hiervoor omschreven, concludeert de rechtbank dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte zeer onoplettend is geweest, doordat hij zich er niet voldoende van heeft vergewist of hij zowel de optische als de geluidssignalen voerde, hij niet heeft gekeken hoe hard hij reed en zowel het rode licht als de overstekende brommer niet heeft gezien.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 7 januari 2020 te Helmond als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto/politievoertuig), daarmede rijdende over de weg, Kasteel-Traverse, gekomen op of ter hoogte van de kruising van die weg en de weg, Smalstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de Brancherichtlijn Politie voorschrijft en daarbij geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en vervolgens te botsen tegen een die Kasteel-Traverse overstekende bestuurder van een bromfiets, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten diverse breuken in been/heup en voet werd toegebracht.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de oplegging gevorderd van een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat jonge onervaren politiemensen met grote verantwoordelijkheden worden belast, ook als van hen – gelet op hun niet afgeronde opleiding en zeer beperkte ervaring – dat niet volledig kan worden verlangd. De verdediging heeft gepleit voor de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Verder houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast heeft de rechtbank bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Bij zeer onvoorzichtig rijgedrag met als gevolg zwaar lichamelijk letsel is het oriëntatiepunt een taakstraf van 160 uur en een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.

Strafverzwarende omstandigheden
De verdachte heeft als bestuurder van een politievoertuig een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt. Het slachtoffer heeft als gevolg van het ongeval dusdanig zwaar letsel opgelopen, dat hij nog lange tijd geconfronteerd zal blijven met de gevolgen daarvan. Tot op heden, ruim veertien maanden na het ongeval, is het slachtoffer nog niet volledig hersteld.

De rechtbank kwalificeert het rijgedrag van de verdachte als zeer onvoorzichtig en onoplettend. Verdachte heeft door zijn gedrag zichzelf en zijn medeweggebruikers in een levensgevaarlijke situatie gebracht. De rechtbank rekent dit verdachte aan en overweegt dat juist van een politieagent verwacht mag worden dat hij de veiligheid van anderen in acht neemt. Verdachte mag van geluk spreken dat de gevolgen beperkt zijn gebleven, aangezien het voor de inzittenden van de auto en de bromfietser erger had kunnen aflopen.

Strafmatigende omstandigheden

De rechtbank is zich ervan bewust dat handelend optreden van een politieambtenaar risico’s met zich meebrengt en dat verdachte in die rol de beste bedoelingen had en handelde in dienst van de maatschappij.

Verdachte was de desbetreffende middag onderweg om zicht te houden op een vluchtende personenauto die aan een staandehouding was ontvlucht. Verdachte was nog in opleiding en heeft in zeer korte tijd belangrijke beslissingen moeten nemen en handelingen moeten verrichten in het dienstvoertuig, zich daarbij ook nog bewust zijnde van het feit dat bij hem twee stagiaires in de auto zaten.
Verdachte heeft er verder blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffer aangedane leed inziet en dat hij meeleeft met het slachtoffer. Verdachte heeft contact onderhouden met het slachtoffer en geïnformeerd naar diens gezondheidstoestand.
Verdachte heeft in onzekerheid gezeten tijdens het interne onderzoek binnen de politie organisatie en hij heeft op eigen initiatief een extra trainingsdag gevolgd. Ook hiermee houdt de rechtbank rekening.
Voorts houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte een blanco strafblad heeft en voor de uitoefening van zijn functie als politieagent in sterke mate afhankelijk is van zijn rijbevoegdheid.

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een taakstraf voor de duur van 80 uur passend en geboden is. Voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren vervult, zal de rechtbank bevelen dat aan hem vervangende hechtenis zal worden opgelegd voor de hierna te vermelden duur. De rechtbank gaat ervan uit dat de reclassering een passende invulling zal kunnen geven aan deze taakstraf en hierbij rekening houdt met de functie van verdachte als politieagent. De officier van justitie heeft ter zitting toegezegd hier zicht op te houden.

De rechtbank zal daarnaast in het belang van de verkeersveiligheid een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank beoogt hiermee enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegen te gaan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d Wetboek van Strafrecht

6, 175, 179 Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen:

 een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis;

 een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van

6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.C. Palmboom, voorzitter,

mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. J.T.M. Groenendijk, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,

en is uitgesproken op 22 maart 2021.