Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1211

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-03-2021
Datum publicatie
19-03-2021
Zaaknummer
20/2575, 20/2579, 20/2593
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mestvergister Nistelrode. Wijzigen voorschriften omgevingsvergunning milieu

In deze zaak heeft de provincie op verzoek van het bedrijf de voorschriften gewijzigd van de geldende vergunningen voor een co-vergistingsinstallatie in Nistelrode. De gemeente Bernheze en omwonenden komen hier tegen op. De wijziging maakt het mogelijk om 72.000 ton dierlijke mest te verwerken (dit was voorheen 37.500 ton dierlijke mest en 36.500 ton co-substraten De rechtbank is van oordeel dat de provincie de voorschriften niet mocht wijzigen om twee redenen. Door de wijziging van de voorschriften verandert de werking van het bedrijf op een aantal onderdelen. Zo kan het bedrijf nu ook worden ingezet als monovergister en is er een fors grotere hoeveelheid digestaat na verwerking. Hierdoor wordt de grondslag van de aanvraag voor de oude vergunningen verlaten en dat is in strijd met artikel 2.31, tweede lid onder b van de Wabo. In de oude vergunningen stond ook een voorschrift op grond waarvan de geurbelasting van het bedrijf bepaalde grenzen niet mocht overschrijden. De rechtbank is van oordeel dat de mate van bescherming van het milieu tegen de geurhinder van de inrichting in 2013 mede is bepaald door dit voorschrift. Verweerder heeft onderzocht wat de worst case geurbelasting was van de eerder vergunde activiteiten van het bedrijf en de geurbelasting als gevolg van de verwerking van 72.000 ton dierlijke mest nieuwe geurvoorschriften gesteld. De door de rechtbank ingeschakelde deskundige (de Stichting advisering bestuursrechtspraak) concludeert dat er nu een 3 tot 7 maal hogere geurimmissie wordt vergund dan voorheen. Het besluit van de provincie leidt tot een toename van de geurbelasting op de omgeving. Dit is niet in het belang van de bescherming van het milieu. Ook om deze reden is het bestreden besluit in strijd met artikel 2.31, tweede lid onder b, van de Wabo.

In een uitspraak van dezelfde datum oordeelt de rechtbank dat de provincie eerder terecht aan het bedrijf een last onder dwangsom heeft opgelegd. Er is geen sprake van een verplichting om een overtreding door de vingers te zien omdat er een concreet zicht is op legalisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8466
OGR-Updates.nl 2021-0092
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 20/2575, SHE 20/2579, SHE 20/2593

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 maart 2021 in de zaken tussen

1. [naam] , [naam] , [naam] en [naam] , [naam] en [naam] , [naam] , [naam] en [naam] en [naam],
te [woonplaats] , eisers 1

(gemachtigde: mr. H. Nijman),


2. [naam] en [naam]te [woonplaats] , eisers 2
(gemachtigde: W. Koster)

3. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernhezeeiseres 3
(gemachtigde: mr. F.K. van den Akker)

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, verweerder(gemachtigden: mr. M. de Groot, M. Jacobs en P. Appels).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam] B.V. (vergunninghoudster), te Nistelrode
(gemachtigde: mr. R.A.M. Verkoijen).


Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder een aantal voorschriften, dat verbonden was aan de omgevingsvergunning voor milieu voor de inrichting van vergunninghoudster aan de [adres] , gewijzigd.

Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld. Het beroep van eisers 1 is geregistreerd onder zaaknummer SHE 20/2575, dat van eisers 2 onder zaaknummer SHE 20/2579 en dat van eiseres 3 onder zaaknummer SHE 20/2593. Eisers 1 en eisers 2 hebben tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend (SHE 20/2574 en SHE 20/2578). Bij uitspraak van 26 november 2020 (ECLI:NL:RBOBR:2020:5894) heeft de voorzieningenrechter het bestreden besluit geschorst tot en met de dag van de uitspraak op de ingestelde beroepen.

Op 12 november 2020 is in de beroepszaken een inlichtingencomparitie gehouden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

Op 20 januari 2021 heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) verslag als bedoeld in artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgebracht aan de rechtbank. Eisers 1, eiseres 3 en vergunninghoudster hebben hierop gereageerd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, waarin ook op het verslag van de StAB is gereageerd.
De rechtbank heeft de genoemde zaken gevoegd. De gevoegde zaken zijn behandeld op de zitting van 23 februari 2021, gelijktijdig met zaak SHE 20/3282. Van eisers 1 is [naam] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers 1 en ing. [naam] , en hebben [naam] en [naam] online deelgenomen. Eisers 2 zijn verschenen met hun gemachtigde. Eiseres 3 heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde en [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De gemachtigde van derde-partij is verschenen, vergezeld van de deskundigen [naam] en ir. [naam] . [naam] en [naam] van vergunninghoudster, hebben online deelgenomen. De rechtbank heeft online G.A. Rurup, ing. R. de Vogel en ing. C.P.J. Weemaes van de StAB gehoord als deskundigen.

Overwegingen

Inleiding

1. In deze uitspraak zet de rechtbank eerst de feiten op een rij. De rechtbank bespreekt vervolgens of alle partijen op grond van de wet beroep kunnen instellen tegen het bestreden besluit en enkele andere formele punten. Daarna gaat de rechtbank inhoudelijk in op het bestreden besluit en op de wijziging van de geurvoorschriften. De rechtbank komt tot de conclusie dat de beroepen gegrond zijn en vernietigt het bestreden besluit daarom. De relevante wetten en regels staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Feiten

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

- Vergunninghoudster exploiteert een mestverwerkingsbedrijf aan de [adres] . Op 17 september 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze (B&W) aan de rechtsvoorganger van vergunninghoudster ( [naam] B.V.) een omgevingsvergunning voor milieu (revisievergunning) verleend voor het oprichten en in werking hebben van een mestverwerkingsinstallatie met co-vergisting. Aan de vergunning zijn de voorschriften verbonden die zijn opgenomen in de door verweerder afgegeven verklaring van geen bedenkingen (in het vervolg aangeduid als voorschriften van de revisievergunning van 2013). In voorschrift 2.3.1 van de revisievergunning van 2013 was bepaald dat per jaar maximaal 36.000 ton dierlijke mest mocht worden ingenomen en verwerkt binnen de inrichting en 36.000 ton co-substraten, zoals opgenomen op de positieve lijst van onderdeel IV van bijlage Aa van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. In voorschrift 10.1.1 van de revisievergunning van 2013 is bepaald dat de door de inrichting veroorzaakte geurbelasting de in bijlage 2 en bijlage 3 opgenomen contouren niet mag overschrijden. De geurbelasting van de inrichting is in kaart gebracht in het onderzoek “Geur- en luchtonderzoek biogasinstallatie voor [naam] B.V.” van Odournet uit december 2011 (verder: het geurrapport Odournet).

  • -

    Op 10 februari 2014 heeft verweerder een veranderingsvergunning verleend. In voorschrift 1.1.1 van die vergunning is - voor zover van belang - bepaald dat per jaar maximaal 36.500 ton dierlijke mest mag worden ingenomen en verwerkt binnen de inrichting en 35.500 ton co-substraten, zoals opgenomen in de lijst van de NTA 8003.

  • -

    Op 3 november 2019 en op 16 maart 2020, heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend bij verweerder om het voorschrift van de omgevingsvergunning van
    10 februari 2014 te wijzigen voor wat betreft de soort aangevoerde grondstoffen, zodat er maximaal 72.000 ton dierlijke mest en co-producten per jaar ingenomen mag worden en be- en verwerkt waarvan maximaal 35.000 ton co-producten. Bij de aanvraag is een geurrapport van 16 maart 2020 “Toets geurimmissie concentratie [naam] ” van Buro Blauw gevoegd (verder: het geurrapport Buro Blauw).

  • -

    Voorafgaand aan de aanvraag heeft vergunninghoudster op 2 november 2019 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Die aanvraag is op 27 augustus 2020 weer ingetrokken.

  • -

    Verweerder heeft, op grond van artikel 2.26 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang met artikel 6.1 tot en met artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor), eiseres 3 gevraagd om advies uit te brengen aan verweerder. Eiseres 3 heeft binnen die termijnen niet gereageerd.

  • -

    Op 9 april 2020 heeft verweerder een ontwerpbesluit genomen. Alle eisers hebben tijdig zienswijzen ingediend.

  • -

    Verweerder heeft vergunninghoudster in 2018 een last onder dwangsom opgelegd, omdat geconstateerd was dat zij een hoeveelheid van ongeveer 67.721 ton dierlijke mest had ingenomen en verwerkt. Op 17 april 2020 heeft verweerder aan vergunninghoudster opnieuw een last onder dwangsom opgelegd van € 1.500,00 per constatering per vracht(wagen), tot een maximum van € 150.000,00, dat voorschrift 1.1.1 van de omgevingsvergunning milieu van 10 februari 2014, in samenhang gelezen met artikel 2.3 van de Wabo, in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 niet wordt nageleefd. Bij besluit van 7 augustus 2020, gelijktijdig met het bestreden besluit, heeft verweerder deze last onder dwangsom ingetrokken. Hiertegen heeft vergunninghoudster bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft verweerder op 27 oktober 2020 ongegrond verklaard. Vergunninghoudster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 20/3282; de rechtbank zal daarover beslissen in een afzonderlijke uitspraak, die tegelijk met deze uitspraak zal worden gedaan.

  • -

    Enkele eisers wonen op ongeveer 1,5 kilometer van de inrichting.

Wie mag beroep instellen?

3.1

Sommige eisers wonen op grote afstand van de inrichting. Vergunninghoudster heeft gesteld dat deze eisers geen rechtstreeks betrokken belang hebben bij het bestreden besluit omdat niet aannemelijk is dat de betreffende bewoners feitelijke gevolgen van enige betekenis kunnen ondervinden van de inrichting.

3.2

Op grond van artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (verder: het Hof) heeft op 14 januari 2021 een arrest gewezen (ECLI:EU:C:2021:7), waarin een antwoord wordt gegeven op prejudiciële vragen, gesteld door de rechtbank Limburg. Hierin heeft het Hof onder andere aangegeven dat, als een lidstaat inspraakrechten toekent aan niet-belanghebbenden, artikel 9, derde lid, van het verdrag van Aarhus zich ertegen verzet dat deze personen geen toegang tot de rechter kunnen hebben om zich te beroepen op ruimere rechten op inspraak in het besluitvormingsproces.

3.3

De beroepen hebben betrekking op een inrichting met aanzienlijke effecten op het milieu. In het midden kan blijven of de inrichting is vermeld op de lijst van activiteiten in bijlage I van het verdrag van Aarhus.

3.4

Nu alle eisers 1 zienswijzen hebben ingediend tegen het ontwerpbesluit, hebben ook alle eisers 1 enige vorm van toegang tot de bestuursrechter voor een oordeel over het antwoord van verweerder op deze zienswijzen. Omdat onder eisers 1 ook personen zijn die zonder meer een rechtstreeks betrokken belang hebben, laat de rechtbank in het midden of alle eisers 1 ook alle beroepsgronden hebben kunnen indienen.

4. In 2013 is een revisievergunning verleend voor een vergistingsinstallatie met een capaciteit van 72.000 ton in te nemen biomassa per jaar. Het materiaal wordt vergist met het doel om biogas te produceren. Dit biogas wordt opgewerkt tot groengas of verwerkt in een warmtekrachtkoppelingsinstallatie (WKK). Hiertoe worden in de inrichting drijfmest en co-producten be- en verwerkt. De aanvraag heeft betrekking op de verwerking van onder meer drijfmest (een mengsel van vaste mest en vloeibare mest van dierlijke oorsprong). Deze vergunning wordt in het bestreden besluit gewijzigd. Op pagina 41 van het bestreden besluit staat expliciet dat de mogelijkheid wordt geboden om tot 72.000 ton per jaar drijfmest te verwerken, dus kennelijk zonder co-substraat. Daarmee valt de aanvraag op grond van artikel 1.1, eerste lid, onder a, juncto Bijlage I, categorie 10.1 van de Crisis- en herstelwet (Chw), onder de werking van de Chw, zodat op het bestreden besluit afdeling 2 van hoofdstuk 1 van die wet van toepassing is. Overigens hebben partijen allemaal geprocedeerd met inachtneming van de bepalingen in de Chw. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond van eisers 1 behoeft geen verdere bespreking.
5. Eisers 1 en eiseres 3 benadrukken dat in het bestreden besluit de verkeerde wettelijke grondslag is genoemd, te weten artikel 2.33 van de Wabo. In het verweerschrift heeft verweerder bevestigd dat sprake is van een kennelijke verschrijving en dat is bedoeld om voorschrift 1.1.1 van de veranderingsvergunning van 2014 te wijzigen op grond van de bevoegdheid, neergelegd in artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo. De rechtbank volgt verweerder hierin en gaat er hierna vanuit dat verweerder uitsluitend gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid, neergelegd in artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo.

6. Aan eiseres 3 kan worden toegegeven dat een adviestermijn van eerst twee weken en vervolgens nog één week erg kort is om advies uit te brengen over een aanvraag als in dit geval. Eiseres 3 heeft dit ook als beroepsgrond aangevoerd. De rechtbank is echter van oordeel dat, ook als geoordeeld wordt dat de gegeven termijnen te kort waren, eiseres 3 hierdoor niet in haar belangen is geschaad. Zij heeft namelijk wel tijdig zienswijzen ingediend. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond van eiseres 3 behoeft daarom geen verdere bespreking.

De aard van het bestreden besluit

7.1

In het bestreden besluit heeft verweerder voorschrift 1.1.1 van de veranderingsvergunning van 2014 overeenkomstig het verzoek van vergunninghoudster gewijzigd. Deze wijziging biedt vergunninghoudster de mogelijkheid om 72.000 ton dierlijke mest aan te voeren en te verwerken. In plaats van dierlijke mest mogen ook co-producten, zoals opgenomen op de positieve lijst van onderdeel IV van bijlage Aa van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, worden aangevoerd en verwerkt tot maximaal 35.500 ton per jaar. Daarnaast heeft verweerder op grond van artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo, de geurvoorschriften uit hoofdstuk 10 van de revisievergunning van 2013 gewijzigd door het stellen van nieuwe voorschriften. Verder zijn de voorschriften uit de revisievergunning van 2013 aangevuld met voorschriften vanwege het nieuwe provinciaal beleid dat in het kader van de volksgezondheid voor mestverwerkingsinstallaties is vastgesteld.

7.2

De rechtbank heeft zich afgevraagd of deze twee wijzigingen los van elkaar kunnen worden beoordeeld. Anders gezegd, of het twee aparte besluitonderdelen zijn. Dat is volgens de rechtbank niet het geval, omdat de nieuwe geurvoorschriften in paragraaf 3.3 nadrukkelijk zijn gerelateerd aan de aanvoer en verwerking van dierlijke mest. Dat blijkt uit de hedonische weegfactoren die in de betreffende voorschriften zijn genoemd. De rechtbank gaat ervan uit dat de nieuwe geurvoorschriften dus ook gerelateerd zijn aan de maximale hoeveelheid aan te voeren en te verwerken mest van 72.000 ton die mogelijk wordt gemaakt door het bestreden besluit.

8. De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid ingevolge artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo om een omgevingsvergunning te wijzigen op twee manieren is beperkt.

  • -

    In de eerste plaats mag bij toepassing van de bevoegdheid ingevolge artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo de grondslag van de aanvraag van de onderliggende vergunning niet worden verlaten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 30 mei 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW6890) hetzelfde geoordeeld in een zaak waar toepassing werd gegeven aan artikel 8.23, tweede lid, van de Wet milieubeheer (oud). De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel ten aanzien van de bevoegdheid, neergelegd in artikel 2.31, tweede lid onder b, van de Wabo. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat bij gebruik van deze bevoegdheid geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 2.31a van de Wabo, die het uitdrukkelijk wel mogelijk maakt de grondslag van de aanvraag te verlaten. Bij de beoordeling van deze beperking gaat de rechtbank uit van hetgeen in het bestreden besluit maximaal is toegelaten (ofwel de bewerking en verwerking van 72.000 ton dierlijke mest).

  • -

    Een tweede beperking is dat verweerder alleen gebruik kan maken van deze bevoegdheid, voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is. Bij het ambtshalve wijzigen van voorschriften wordt niet de feitelijke situatie, maar de vergunde situatie als uitgangspunt genomen (zie de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3607). De rechtbank is van oordeel dat, als milieugevolgen voor de omgeving zwaarder of ernstiger worden dan de milieugevolgen als gevolg van de werking van de inrichting, zoals die vergund is in de revisievergunning van 2013 en de veranderingsvergunning uit 2014, dit niet zonder meer in belang van de bescherming van het milieu is.

9.1

Eisers 1 en eiseres 3 wijzen erop dat vanwege de grotere toegelaten aanvoer van mest ook een extra mestbassin nodig is. Eiseres 3 wijst erop dat in de aanvraag de bouw van een vierde mestbassin is genoemd. Dit is volgens haar een wijziging van de installatie. Daarnaast is volgens eisers 1 een geluidsscherm nodig om aan de voorschriften te voldoen. Dat zou blijken uit een akoestisch rapport van Sain van 3 juli 2020 dat overigens niet bij het verzoek om wijziging van vergunninghoudster is bijgevoegd. Eisers 1 en eiseres 3 stellen verder dat door het bestreden besluit niet langer sprake is van een co-vergistingsinstallatie, maar van een mono-vergistingsinstallatie. De rechtbank verstaat deze beroepsgronden aldus dat eisers 1 en eiseres 3 stellen dat verweerder met het bestreden besluit de grondslag van de aanvraag voor de revisievergunning uit 2013 en de veranderingsvergunning uit 2014 heeft verlaten. Ter zitting hebben eisers 1 en eiseres 3 aangegeven dat zij hiervoor de volgende aanwijzingen zien:

  • -

    De forse toename van de hoeveelheid in te nemen en te be- en verwerken dierlijke mest;

  • -

    De afname van de efficiency van de vergistingsinstallatie als deze uitsluitend als monovergister wordt ingezet;

  • -

    De afwijking van de procesbeschrijving van de installatie bij de aanvraag van de vergunning uit 2013;

  • -

    De wijziging van de massabalans (een bijlage bij de aanvraag van de omgevingsvergunning uit 2013).

9.2

Verweerder heeft desgevraagd aangegeven wat voor installatie is vergund in 2013 en 2014. Volgens verweerder zien deze vergunningen op het uitbreiden van een co-vergistingsinstallatie. De bedoeling is om de dierlijke mest en de co-producten te mengen en te vergisten. Hierdoor wordt biogas opgewekt en in twee WKK’s omgezet in warmte en elektriciteit of het biogas wordt opgewerkt tot groengas. Het digestaat uit de vergisting wordt gehygiëniseerd en gescheiden in een dikke en een dunne fractie. De dunne fractie wordt gescheiden in concentraat en schoon water. De dikke fractie wordt gedroogd en geperst tot korrels. Met de veranderingsvergunning uit 2014 worden ook andere co-substraten toegelaten dan genoemd in de positieve lijst van onderdeel IV van bijlage Aa van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.

9.3

Vergunninghoudster is van mening dat de veranderingsvergunning van 2014 het toestond om als co-substraat alle stoffen op de NTA 8003 lijst te gebruiken. Op deze lijst staan ook vormen van dierlijke mest genoemd. Vergunninghoudster stelt met andere woorden dat in 2014 al is toegestaan om - ook uitsluitend - 72.000 ton dierlijke mest te verwerken. Vergunninghoudster is verder van mening dat zowel mestverwerking als co-vergisting is toegestaan. De inrichting is niet beperkt tot co-vergisting. Hetzelfde standpunt heeft vergunninghoudster ingenomen in de zaak SHE 20/3282.

9.4

De StAB heeft in haar verslag de vergunningssituatie beschreven. De inrichting is in 2013 en 2014 vergund als een vergistingsinstallatie met een totale capaciteit van 72.000 ton. Het materiaal wordt vergist om biogas te produceren dat wordt opgewerkt tot groengas of direct wordt gebruikt in een WKK. In de beschrijving van de installatie bij de aanvraag voor de vergunning uit 2013 wordt dit proces uitgebreid beschreven. De StAB heeft ook de feitelijke staat van de inrichting beschreven. Op dit moment zijn alle installaties voor de hygiënisatie, ontgassing, verwerking digestaat, de luchtwasser, de waterzuivering en de WKK’s ontmanteld en niet meer aanwezig. Er wordt alleen mest aangevoerd, opgeslagen en afgevoerd.

9.5.1

De rechtbank zal eerst oordelen over het standpunt van vergunninghoudster dat de aanvoer en verwerking van dierlijke mest als co-substraat na vergunningverlening in 2014 is toegestaan.

9.5.2

Voorschrift 1.1.1 van de veranderingsvergunning uit 2014 luidt als volgt: “In de inrichting mogen maximaal de in de tabel genoemde hoeveelheden van de hieronder vermelde stoffen per kalenderjaar worden ingenomen en verwerkt. De diverse co-substraten dienen te zijn opgenomen in de NTA 8003 beschikbare lijst”. In de tabel is een maximale hoeveelheid dierlijke mest genoemd (36.500 ton/jaar) en een maximale hoeveelheid co-substraten, zoals opgenomen in de lijst van de NTA 8003 (35.500 ton/jaar).

9.5.3

Op de lijst van de NTA 8003 staan codes van grondstoffen die in vergisters worden gebruikt. Er zijn ook codes opgenomen voor verschillende vormen van dierlijke mest.

9.5.4

In voorschrift 1.1.1 van de veranderingsvergunning uit 2014 staat niet dat alle stoffen op de NTA 8003 lijst als co-substraat zijn aangemerkt. Uit de tekst van het vergunningsvoorschrift en de context van de veranderingsvergunning uit 2014 is volgens de rechtbank evident dat als co-substraat alleen grondstoffen op de NTA 8003 lijst mogen worden toegepast die niet tevens zijn te beschouwen als dierlijke mest. Daarnaast heeft verweerder in de zaak SHE 20/3282 terecht aangevoerd dat, al zou dierlijke mest als een vorm van co-substraat moeten worden beschouwd, dit niet wegneemt dat er een harde grens van 36.500 ton/jaar is opgenomen in de veranderingsvergunning van 2014 voor de in te nemen en te verwerken hoeveelheid dierlijke mest. De rechtbank is daarom van oordeel dat de veranderingsvergunning van 2014 klip en klaar verbiedt dat dierlijke mest - ook - als co-substraat mag worden ingenomen en verwerkt naast de maximale hoeveelheid in te nemen en te verwerken hoeveelheid dierlijke mest. In zoverre is er ook geen aanleiding voorschrift 1.1.1 in de veranderingsvergunning van 2014 uit te leggen op de door vergunninghoudster voorgestane wijze.

9.6

De rechtbank ziet in de mogelijke behoefte aan een extra mestbassin of een geluidsscherm geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de grondslag van de aanvraag voor de revisievergunning uit 2013 heeft verlaten. De rechtbank leest in het verzoek van vergunninghoudster van 2 november 2019 geen aanvraag voor de bouw van een extra mestbassin of geluidsscherm. De enkele vermelding van een extra mestbassin in het geurrapport Buro Blauw is onvoldoende. Verweerder heeft dat extra mestbassin of het geluidsscherm ook niet vergund.

9.7.1

Heeft verweerder door het bestreden besluit de grondslag van de aanvraag voor de revisievergunning uit 2013 en de veranderingsvergunning uit 2014 verlaten? De rechtbank houdt rekening met de volgende aspecten:

  • -

    De installatie kan, bij volledige benutting van de vergunning, door het bestreden besluit ook uitsluitend worden ingezet als monovergistingsinstallatie. Dit was niet mogelijk met de vergunningen uit 2013 en 2014. Een monovergistingsinstallatie is een andere installatie. Kleinschalige monovergistingsinstallaties zijn een aparte categorie installaties in het Bor (zie artikel 2.2a, achtste lid van het Bor, categorie 7.5 van bijlage I van het Bor en paragraaf 3.5.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer).

  • -

    In het bestreden besluit staat beschreven dat het inzetten van de installatie als monovergister leidt tot een lage biogasproductie en een hoge digestaatproductie en dat de totale geuremissie van de inrichting zal dalen naarmate meer co-producten worden gebruikt bij het vergisten. Het is volgens de rechtbank dan ook duidelijk dat het doel van de installatie, zoals die in 2013 en 2014 is vergund, meer omvat dan alleen het be- en verwerken van dierlijke mest. Uit de procesbeschrijving bij de aanvraag van de vergunning uit 2013 volgt dat het doel van de installatie is om biogas op te wekken en te benutten of als groengas te leveren aan het aardgasnetwerk. Weliswaar bestaat de installatie uit onderdelen, maar deze onderdelen zijn wel gericht op het hiervoor beschreven doel. Vergunninghoudster en verweerder lijken zich op het standpunt te stellen dat er geen verplichting is om alle onderdelen van de inrichting te gebruiken. Het zal ongetwijfeld mogelijk zijn om losse onderdelen van de inrichting te gebruiken en andere onderdelen niet. Zo is het mogelijk om alleen op te slaan of alleen dierlijke mest te verwerken tot een dikke en een dunne fractie. Bij het benutten van een paar losse onderdelen wordt het hierboven beschreven doel van de biogasinstallatie echter niet bereikt.

  • -

    Wat verder opvalt is dat bij de bepaling van de vergunde geurbelasting van de inrichting in het geurrapport Odournet (bij de aanvraag van de revisievergunning uit 2013) rekening is gehouden met een drietraps luchtwasser met een onbekend reinigingsrendement en dat in het geurrapport Buro Blauw (bij het verzoek om wijziging van de voorschriften) is gerekend met een verwijderingsrendement voor geur van de luchtwasser van 0%.

  • -

    De massabalans bij de aanvraag voor de revisievergunning uit 2013 is een representatieve situatie van de aanvoer van grondstoffen voor de inrichting. In de massabalans is onder meer uitgegaan van een hoeveelheid van 12.000 ton per jaar te drogen dikke fractie. Dit is ook de maatgevende geurbron binnen de inrichting. In de revisievergunning uit 2013 of de voorschriften bij deze revisievergunning wordt niet bepaald dat de hoeveelheden genoemd in de massabalans ook in acht moeten worden genomen. De massabalans maakt echter wel als bijlage bij de aanvraag onderdeel uit van de vergunning uit 2013. De rechtbank is van oordeel dat niet direct sprake is van handelen in strijd met de revisievergunning uit 2013, als er meer te drogen dikke fractie digestaat wordt geproduceerd. Dat neemt echter niet weg dat een fors hogere hoeveelheid te drogen dikke fractie digestaat wel een aanwijzing kan zijn dat de werking van de inrichting is veranderd ten opzichte van de werking die in 2013 is aangevraagd en vergund. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de massabalans een representatieve situatie beschrijft die het uitgangspunt is voor de grenswaarde voor de geurbelasting in voorschrift 10.1.1 van de revisievergunning uit 2013. Het bestreden besluit is mede gebaseerd op het geurrapport Buro Blauw. In het geurrapport Buro Blauw wordt uitgegaan van een hoeveelheid van 68.400 ton te drogen dikke fractie digestaat per jaar. Dit is substantieel meer dan de 12.000 ton in de massabalans van 2013.

  • -

    Als gevolg van het toestaan van de inname van uitsluitend dierlijke mest verandert ook de aard van het vervoer van en naar de inrichting. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat het aanvoeren van meer dierlijke mest gepaard gaat met minder vervoersbewegingen, omdat daarvoor gebruik wordt gemaakt van grotere vrachtwagens. Daar staat volgens verweerder tegenover dat als er meer mest wordt vergist, meer digestaat moet worden afgevoerd. Dit leidt per saldo echter nog steeds tot minder verkeersbewegingen.

  • -

    Een laatste omstandigheid is dat in 2014 een veranderingsvergunning is verleend, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wabo. In het bestreden besluit wordt de verwijzing naar de NTA 8003 lijst gewijzigd naar de positieve lijst van onderdeel IV van bijlage Aa van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet

9.7.2

De rechtbank is van oordeel dat als gevolg van bovenstaande omstandigheden sprake is van een verandering van de werking van de inrichting. Deze verandering is niet mogelijk zonder de grondslag van de aanvraag voor de revisievergunning uit 2013 en de veranderingsvergunning uit 2014 te verlaten.

9.7.3

Vergunninghoudster en verweerder lijken zich op het standpunt te stellen dat als het meerdere is vergund, het mindere is toegestaan. De rechtbank is het hier in dit geval dus niet mee eens. In de eerste plaats is ‘het meerdere (72.000 ton dierlijke meststoffen per jaar)’ niet vergund in 2013 en 2014. Toen werd de inname en verwerking van 36.500 ton dierlijke meststoffen per jaar vergund. Bovendien zijn de substantiële toename van de hoeveelheid te drogen dikke fractie digestaat en de wijziging van de aard van het vrachtverkeer van en naar de inrichting veranderingen ten opzichte van de in 2013 en 2014 vergunde werking van de inrichting. Tot slot kan het oorspronkelijk beoogde doel van de inrichting (een rendabele biogasinstallatie) niet worden bereikt met uitsluitend het verwerken van dierlijke mest.

9.8.

De wijziging van de voorschriften leidt er toe dat de grondslag van de aanvraag voor de revisievergunning uit 2013 en de veranderingsvergunning uit 2014 wordt verlaten. Verweerder was dus niet bevoegd om de voorschriften te wijzigen, zoals gebeurd is in het bestreden besluit. Vergunninghoudster had een aanvraag moeten indienen voor een veranderingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wabo. Deze beroepsgrond slaagt.

10.1

Alle eisers vrezen een toename van de geurbelasting als gevolg van het bestreden besluit. Zij zijn het niet eens met het geurrapport Buro Blauw, dat verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Eisers onderbouwen hun stellingen met verwijzing naar rapporten van andere deskundigen (ing. Mouwen, TAUW en Witteveen & Bos) die de conclusies in het geurrapport Buro Blauw bestrijden.

10.2

Volgens verweerder (en vergunninghoudster) neemt de geurbelasting juist af als gevolg van het bestreden besluit. In het bestreden besluit heeft verweerder de geuremissie vanwege de inrichting bepaald op basis van het geurrapport Buro Blauw. Verweerder heeft hierbij toepassing gegeven aan het provinciale geurbeleid, de Beleidsregel industriële geur Noord-Brabant 2018 (verder: de Beleidsregel). In het bestreden besluit zijn in de voorschriften 3.3.1 tot en met 3.3.5 hedonisch gewogen geuremissievoorschriften gesteld (voorschriften die de uitstoot vanuit een emissiepunt, zoals een schoorsteen, beperken tot een bepaalde waarde). In de voorschriften 3.3.7 en 3.3.8 heeft verweerder daarnaast beperkingen gesteld aan de hedonisch gewogen geurimmissie (geurbelasting) voor het 98 en 99,99 percentiel op aangegeven toetspunten. Desgevraagd heeft verweerder aangegeven dat, als de inrichting voldoet aan de emissievoorschriften, ook wordt voldaan aan de immissievoorschriften en andersom.

10.3

De rechtbank heeft naar aanleiding van deze discussie de StAB de volgende vragen gesteld:
1. Berust het geurrapport van Buro Blauw op juiste uitgangspunten en is het overigens juist, indachtig de kritiek van de door de partijen ingeschakelde deskundigen?
2. Wordt in het bestreden besluit van 7 augustus 2020 een hogere geurbelasting vergund?

De StAB geeft in haar verslag aan dat het geurrapport Buro Blauw niet juist is, omdat Buro Blauw uitgangspunten hanteert die tot een overschatting van de in 2013 vergunde geuremissie en -immissie leiden en tot een onderschatting van de aangevraagde en op
7 augustus 2020 vergunde geuremissie en -immissie. De StAB heeft vastgesteld dat het drogen van digestaat en de geuremissie via de luchtwasser maatgevend zijn voor de geurbelasting van de gehele inrichting. Vanwege de toename van de hoeveelheid te drogen dikke fractie digestaat neemt ook de geurbelasting toe. Er wordt volgens de StAB dan ook een veel hogere geuremissie aangevraagd dan in 2013 en 2014 is vergund. De StAB heeft naar aanleiding van de kritiekpunten van eisers, de door Buro Blauw gehanteerde kengetallen nader beschouwd en aangepast. Per geurbron is een gemiddeld kental als een worst-case kental bepaald. Daarbij is vastgesteld dat het geurrapport Buro Blauw met name voor het drogen van digestaat (K8) en voor het waterbassin (K9) uitgaat van een te laag kental. Dit geldt in geringere mate ook voor de worst-case kentallen voor de aanvoer van vloeibare mest (K4) en voor de verlading van digestaat bij monovergisting (K6). Er zijn ook kanttekeningen geplaatst bij de geuremissie voor vaste co-producten en de uitgangspunten voor de vergunde (te ruim) en aangevraagde (te krap) geuremissie van de WKK’s, en er is gewezen op omissies in het geurrapport ten aanzien van de toetsingslocaties en de te hanteren richt- en grenswaarden. De StAB concludeert dat de beide doorgerekende varianten van Buro Blauw (vergund en aangevraagd) een factor 3 tot 7 maal hogere geurimmissie opleveren dan de geurimmissie die in 2013 is vergund.

10.4

Eisers 1 en eisers 2 kunnen zich vinden in de conclusies van de StAB. Eiseres 3 heeft ter onderbouwing verwezen naar een nadere notitie van Witteveen & Bos van
10 februari 2021.

10.5

Verweerder geeft aan dat de aanvraag is getoetst aan de Beleidsregel. In het geurrapport Buro Blauw is het worst case scenario in beeld gebracht. Dit is de verwerking van 100% drijfmest. De emissies zijn niet gebaseerd op metingen en zijn derhalve met een factor 2 verhoogd, conform het geurbeleid. Verweerder benadrukt dat bij de aanvraag is beoordeeld of de wijziging kan leiden tot een hogere geurbelasting dan de geurbelasting die met de vergunde activiteiten van 2014 mogelijk is. Daarbij is niet beoordeeld of aan voorschrift 10.1.1 van de revisievergunning wordt voldaan, maar is een onderlinge vergelijking gemaakt van de maximaal mogelijke geurbelasting op basis van de vergunde activiteiten.

10.6

Vergunninghoudster stelt in de eerste plaats dat het op basis van de vigerende vergunning al mogelijk is om 72.000 ton dierlijke mest per jaar in te nemen en te verwerken. Ook vergunninghoudster is uitgegaan van de geurbelasting van de vergunde activiteiten. Deze vergunde activiteiten leveren een aanzienlijke hogere geurbelasting op dan nu is vergund.

10.7

Hierboven is al aangegeven dat verweerder bij gebruik van de bevoegdheid in
artikel 2.31, tweede lid onder b, van de Wabo moet uitgaan van de destijds vergunde situatie. Maar wat is die vergunde situatie? Zijn dat alleen de activiteiten die zijn aangevraagd en vergund? Of spelen de beperkingen die aan deze activiteiten zijn gesteld in de onderliggende vergunningen ook een rol? Over het antwoord op deze vragen denken partijen niet hetzelfde. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

10.8

De rechtbank gaat uit van de formele rechtskracht en dus van de rechtmatigheid van de onherroepelijke revisievergunning van 2013 en dus ook van voorschrift 10.1.1 van deze vergunning. Op basis van voorschrift 10.1.1 van de revisievergunning van 2013 mag de geurbelasting de contour van 1 OUe/m3 als 98 percentiel in bijlage 2 bij de vergunning en de contour van 20 OUe/m3 als 99,99 percentiel niet overschrijden. In het geurrapport Odournet zijn deze contouren berekend.

10.9

De rechtbank is van oordeel dat de mate van bescherming van het milieu tegen de geurhinder van de inrichting in 2013 mede is bepaald door dit voorschrift. Dit voorschrift maakt deel uit van de vergunde situatie. Ook al zou het geurrapport Odournet berusten op onjuiste uitgangspunten en zou de inrichting feitelijk meer geuremissie veroorzaken bij het inzetten van alle in 2013 aangevraagde en vergunde activiteiten, dan nog zal verweerder als uitgangspunt de vergunde situatie inclusief het in voorschrift 10.1.1 voorgeschreven beschermingsniveau moeten hanteren. Als verweerder spijt heeft van voorschrift 10.1.1 of als de inrichting niet zou kunnen voldoen aan voorschrift 10.1.1, dan zou verweerder desgevraagd een uitbreiding van de inrichting kunnen vergunnen in een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wabo, maar dat heeft vergunninghouder niet gevraagd en verweerder ook niet vergund. Overigens is de rechtbank niet gebleken dat de inrichting nooit zou kunnen voldoen aan voorschrift 10.1.1. De omstandigheid dat in 2014 meer geurhinder veroorzakende co-substraten zijn toegelaten, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft in de veranderingsvergunning van 2014 namelijk voorschrift 10.1.1 van de omgevingsvergunning uit 2013 niet aangepast. Dat betekent dat verweerder dus het verkeerde uitgangspunt heeft gehanteerd in het bestreden besluit. Bij de bepaling van de geurbelasting vanwege de inrichting na het bestreden besluit, volgt de rechtbank in zoverre de StAB.

10.10

Het staat verweerder vrij om de revisievergunning uit 2013 te wijzigen naar aanleiding van de Beleidsregel. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat ingevolge de Beleidsregel het uitgangspunt is om eerder de geuremissie te reguleren, zodat kan worden gecontroleerd op de plek waar de geuruitstoot plaatsvindt en eenvoudiger handhavend kan worden opgetreden. Uit oogpunt van handhaving geniet dit de voorkeur. Verweerder kan hierbij de geuremissie van de destijds vergunde activiteiten omrekenen naar hedonisch gewogen emissiegrenswaarden met behulp van de methode in de Beleidsregel. Maar het staat verweerder niet vrij om geurvoorschriften te stellen op basis van de Beleidsregel waarbij een hogere geurbelasting optreedt dan de geurbelasting die op grond van voorschrift 10.1.1 van de revisievergunning uit 2013 is toegelaten. Dat is niet in het belang van de bescherming van het milieu. Desgevraagd heeft verweerder niet kunnen aangeven of in de voorschriften 3.3.7 en 3.3.8 van het bestreden besluit een hogere geurbelasting is vergund dan in voorschrift 10.1.1 van de omgevingsvergunning uit 2013. Het bestreden besluit is in zoverre niet inzichtelijk.

10.11

De rechtbank stelt vast dat de grote verschillen vooral worden veroorzaakt doordat voorschrift 10.1.1 is gebaseerd op het geurrapport Odournet waarin is gerekend met een kleinere hoeveelheid te drogen dikke fractie digestaat (12.000 ton) per jaar bij de berekening van de geuremissie van de luchtwasser. In geurrapport Buro Blauw is gerekend met een groter hoeveelheid te drogen dikke fractie digestaat na de wijziging van voorschrift 1.1.1 van de veranderingsvergunning van 2014 van 64.800 ton per jaar. De te drogen dikke fractie digestaat is de maatgevende geurbron. De rechtbank laat in het midden of in het geurrapport Buro Blauw onjuiste kentallen worden gebruikt, zoals de deskundigen van eisers stellen en zoals de StAB aangeeft in haar verslag. De rechtbank gaat ervan uit dat, al zou worden uitgegaan van de kentallen in geurrapport Buro Blauw, nog steeds sprake zal zijn van een toename van de geurbelasting.

10.12

De rechtbank ziet geen aanleiding voor twijfel aan de conclusie van de StAB dat vanwege het bestreden besluit een grotere geurbelasting optreedt dan is vergund in 2013. Dit is zelfs aannemelijk, omdat verweerder het verkeerde uitgangspunt heeft gehanteerd. Bovendien volgt uit het bestreden besluit dat de richtwaarden uit de Beleidsregel worden overschreden (reden waarom in het bestreden besluit ook een voorschrift met een inspanningsverplichting is opgenomen). In de revisievergunning uit 2013 wordt voldaan aan de toenmalige door verweerder gehanteerde richtwaarden. Ook al zijn dit niet dezelfde richtwaarden als in de Beleidsregel, feit is wel dat er toen geen sprake was van een overschrijdingssituatie.

10.13

Gelet op het bovenstaande, concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit leidt tot een toename van de geurbelasting op de omgeving. Dit is niet in het belang van de bescherming van het milieu. Ook om deze reden is het bestreden besluit in strijd met artikel 2.31, tweede lid onder b, van de Wabo.

Overige beroepsgronden.

11. Eisers 1 stellen nog vraagtekens bij de formulering van de voorschriften in het bestreden besluit. De rechtbank laat de bespreking hiervan achterwege, omdat hierboven al is geoordeeld dat het bestreden besluit geen stand kan houden. De rechtbank zal wel de overige beroepsgronden kort bespreken.

12.1

Eisers 1 hebben aangevoerd dat voor de vergunde wijziging ook een vergunningplicht op grond van de Wnb geldt en dat verweerder ten onrechte geen vergunning heeft verleend op basis van artikel 2.1, eerste lid onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa onder a van het Bor.

12.2

De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit, omdat dit besluit is gebaseerd op artikel 2.31, tweede lid onder b, van de Wabo. De door eisers 1 vereiste toestemming kan niet aanhaken bij een dergelijke wijziging. In het midden kan blijven of deze norm strekt tot bescherming van de belangen van eisers 1.
13.1 Alle eisers voeren aan dat het gebruik van de locatie [adres] voor het hygiëniseren van mest van derden in strijd is met het bestemmingsplan, dat alleen een biogasinstallatie toestaat.

13.2

Bij het nemen van het bestreden besluit hoefde verweerder niet te bezien of dit zou leiden tot strijd met het bestemmingsplan. Dit is geen onderdeel van het toetsingskader ingevolge artikel 2.31, tweede lid onder b, van de Wabo. Als sprake zou zijn van handelen in strijd met het bestemmingsplan, dan kan hiertegen handhavend worden opgetreden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

14.1

Eisers 1 en eiseres 3 vrezen een toename van geluidhinder vanwege de inrichting vooral in verband met de aanvoer van drijfmest.

14.2

Verweerder heeft niet beoordeeld of de wijziging van de voorschriften waardoor het mogelijk wordt om in totaal 72.000 ton mest per jaar te verwerken, zal leiden tot een toename van de geluidsbelasting. Verweerder heeft echter ook niet de voorschriften over de geluidsbelasting van de revisievergunning uit 2013 aangepast. In zoverre leidt het bestreden besluit niet tot minder bescherming voor het milieu. Deze beroepsgrond faalt.

15.1

Eisers 1 en eiseres 3 stellen dat voor het bestreden besluit een m.e.r.(beoordelings)plicht geldt, omdat sprake is van een wijziging van de inrichting.

15.2

De activiteit in categorie D18.1 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage milieubeheer betreft ‘de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een installatie met een capaciteit van 50 ton per dag of meer’. Nu verweerder er in het bestreden besluit vanuit is gegaan dat er geen wijziging van de inrichting zal plaatsvinden, hoefde verweerder ook niet te beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld.

16.1

Volgens eiseres 1 heeft verweerder onvoldoende onderzocht of de best beschikbare technieken in acht worden genomen.

16.2

Op grond van artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, sub 1°, van de Wabo dient het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag, voor zover deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, in acht te nemen dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast. In dit geval is echter geen sprake van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wabo. Verder heeft verweerder geen besluit genomen om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, verder te beperken vanwege de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu (de bevoegdheid in artikel 2.31, eerste lid onder b van de Wabo. Verweerder maakt in het bestreden besluit gebruik van de bevoegdheid in artikel 2.31, tweede lid onder b, van de Wabo en bij die bevoegdheid hoeft verweerder geen toepassing te geven aan artikel 2.14 van de Wabo. Dit was onder de oude Wet milieubeheer anders ,omdat verweerder ingevolge artikel 8.23 van de Wm (oud) wel artikel 8.10 tweede lid, van de Wm (oud) in acht moest nemen.

17. De rechtbank concludeert dat de overige beroepsgronden niet slagen.

Conclusie

18. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 2.31, tweede lid onder b, van de Wabo. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder op te dragen een nieuw besluit op het verzoek van vergunninghoudster te nemen, nu inwilliging van dit verzoek onvermijdelijk leidt tot een wijziging van de inrichting waarvoor een andere vergunning is vereist.

19. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde van eisers 1 beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.602,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze op het StAB advies en 0,5 punt voor het bijwonen van de inlichtingencomparitie, met een waarde per punt van € 534,00 en een wegingsfactor 1). Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de door eisers 1 gemaakte deskundigenkosten van € 3.027,80. De rechtbank veroordeelt daarnaast verweerder in de kosten voor de door de gemachtigde van eisers 2 beroepsmatig verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.335,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het bijwonen van de inlichtingencomparitie). De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door de gemachtigde van eiseres 3 beroepsmatig verleende rechtsbijstand en stelt deze vast op
€ 1.068,00 (1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze op het StAB advies en 0,5 punt voor het bijwonen van de inlichtingencomparitie) De rechtbank veroordeelt verweerder ook tot vergoeding van de door eiseres 3 gemaakte deskundigenkosten. Deze kosten matigt de rechtbank tot een bedrag van € 5.000,00 nu de door eiseres 3 geclaimde kosten mede betrekking hebben op het opstellen van het beroepschrift en de deskundige een hoger tarief in rekening brengt dan het tarief ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,00 aan eiseres 3 en het betaalde griffierecht van € 178,00 aan eisers 1 en aan eisers 2 te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 1 tot een bedrag van € 4.629,80;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 2 tot een bedrag van € 1.335,00;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 3 tot een bedrag van € 6.068,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. W. Heijninck en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. A.G.M. Willems, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 19 maart 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

Bijlage

Artikel 8.23 Wet milieubeheer (zoals dit gold tot 1 oktober 2010)

  1. Het bevoegd gezag kan beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

  2. Een belanghebbende, met uitzondering van de vergunninghouder, kan het bevoegd gezag verzoeken een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu met toepassing van het eerste lid te wijzigen.

  3. Met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van de beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 8.6 tot en met 8.17 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.31, tweede lid aanhef en onder b, van de Wabo.

Het bevoegd gezag kan voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen voor zover deze betrekking hebben op: (b) een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is;