Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1170

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-03-2021
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
367540 / KG ZA 21-69
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Conventie: Eigenaarschap niet aannemelijk geworden. Eigenrichting. Reconventie: art. 843 a Rv Onduidelijk wie recht op inzage heeft

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/367540 / KG ZA 21-69

Vonnis in kort geding van 15 maart 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats 1] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. G. te Biesebeek te Helmond,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. W.M.J. Weijers te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 februari 2021;

  • -

    de brief van mr. Te Biesebeek met producties, genummerd 1 tot en met 4;

  • -

    de door mr. Weijers ingediende eis in reconventie;

  • -

    het door mr. Weijers als productie bij dit kort geding ingediende verzoekschrift bewijsbeslag met bijlagen;

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 1 maart 2021. Dit kort geding is gelijktijdig behandeld met een door [gedaagde] ingediend verzoekschrift, strekkende tot het verkrijgen van verlof voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag, met zaaknummer C/01/368334 / BP RK 21/96;

  • -

    de pleitnota van mr. Weijers;

  • -

    de pleitnota van mr. Te Biesebeek met producties, genummerd 1 en 2;

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] een softwaresysteem ontwikkeld. Dit softwaresysteem was aanvankelijk bedoeld voor intern gebruik maar werd vervolgens ontwikkeld naar een platform en onder de naam VextPro op de markt gezet.

2.2.

Medio 2018 heeft [gedaagde] mevrouw [A] (hierna: [A] ) ingeschakeld om de samenwerkingsafspraken tussen hem en [eiser] juridisch vorm te geven.

2.3.

[A] heeft op 3 juli 2018 een bespreking gevoerd met [eiser] en [gedaagde] .

2.4.

Bij e-mailbericht van 13 juli 2018 aan [eiser] en [gedaagde] heeft [A] hetgeen zij met partijen besproken had puntsgewijs uiteengezet (productie 8 bij het verzoekschrift bewijsbeslag). In dit e-mailbericht staat onder meer vermeld:

“(…)

De makers van de software zijn [eiser] en [gedaagde] . Beiden vooralsnog natuurlijke personen.

(…)

  • -

    [gedaagde] en [eiser] hebben de auteursrechten en (ongeregistreerde) merkrechten samen.

  • -

    [eiser] zal VextPro B.V. oprichten. Hij brengt daar zijn auteursrechten in onder. Er ontstaat dan een gemeenschap tussen [gedaagde] en VextPro B.V.

  • -

    [gedaagde] verleent een licentie aan VextPro B.V. om het platform te exploiteren.

  • -

    [gedaagde] richt een B.V. op en brengt zijn rechten daarin onder. De gemeenschap bestaat dan uit VextPro tegen betaling van royalties.

  • -

    [gedaagde] noch [gedaagde] B.V. is aandeelhouder van VextPro B.V.

(…)”

2.5.

Op 13 december 2019 heeft [eiser] Adontech B.V. en Dwaalgast B.V. opgericht. [eiser] is enig aandeelhouder en bestuurder van Dwaalgast B.V. en Dwaalgast B.V. is enig aandeelhouder en bestuurder van Adontech B.V.

2.6.

Op 16 december 2019 werd VextPro B.V. opgericht door Twelve Invest B.V. (een vennootschap van [B] ) en Adontech B.V.

2.7.

In mei 2020 heeft [gedaagde] opnieuw contact opgenomen met [A] . [A] heeft daarop een aantal conceptovereenkomsten opgesteld waaronder een concept beheersovereenkomst tussen Adontech B.V. en een nog door [gedaagde] op te richten vennootschap (productie 14 bij het verzoekschrift bewijsbeslag). In deze conceptovereenkomst (van mei 2020) is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

IN AANMERKING NEMENDE:

-Dat de natuurlijke personen [eiser] en [gedaagde] de gezamenlijk auteursrechthebbenden waren met betrekking tot software voor voertuigadministratie (…) (hierna: de “Software”);

-Dat de natuurlijke personen [eiser] en [gedaagde] hun in de eerste overweging opgenomen rechten hebben overgedragen/ingebracht in de hierboven aangeduide B.V.’s;

(…)”

VERKLAREN ALS VOLGT TE ZIJN OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1- Beheer over de gezamenlijke auteursrechten ten aanzien van de Software

1.1

Adontech en [gedaagde] verklaren gezamenlijk -ieder voor vijftig (50) procent- auteursrechthebbende te zijn van de Software en eventuele verbeteringen daarvan verkregen, ontwikkeld door of namens de partijen.

(…)”

2.8.

Op 18 juni 2020 heeft [A] een nieuwe concept beheersovereenkomst opgesteld (productie 16 bij het verzoekschrift bewijsbeslag). Daarin staat onder meer vermeld:

“(…)

IN AANMERKING NEMENDE:

- Dat de natuurlijke personen [eiser] en [gedaagde] ieder voor 50% de gezamenlijk auteursrechthebbenden waren met betrekking tot software voor voertuigadministratie (…) (hierna: de “vextPro Software”);

- Dat de natuurlijke personen [eiser] en [gedaagde] hun in de eerste overweging opgenomen rechten hebben overgedragen/ingebracht in de hierboven aangeduide B.V.’s; WAT IS HIER EXACT GEBEURD? ANDERS NOG AKTES MAKEN.

(…)”

2.9.

Partijen verschillen thans van mening over de vraag aan wie de rechten met betrekking tot het platform toekomen. Volgens [gedaagde] zijn [eiser] en [gedaagde] gezamenlijk auteursrechthebbenden met betrekking tot het platform. Volgens [eiser] is hijzelf de enig auteursrechthebbende op het platform.

2.10.

[gedaagde] is voornemens een bodemprocedure te starten teneinde het geschil tussen partijen omtrent de rechten met betrekking tot het platform te laten beslechten.

2.11.

Op 4 januari 2021 heeft [gedaagde] een bezoek gebracht aan [eiser] . Tijdens dit bezoek heeft [gedaagde] aan [eiser] gevraagd om inzage in de laptop die [eiser] in gebruik had (hierna: de laptop). Omdat [eiser] weigerde om [gedaagde] deze inzage te verschaffen, heeft [gedaagde] de laptop meegenomen uit de woning van [eiser] .

2.12.

Bij verzoekschrift van 26 februari 2021 hebben [gedaagde] en zijn ondernemingen [gedaagde] Handelsonderneming B.V. en World Investments B.V. de voorzieningenrechter onder meer verzocht om verlof voor het leggen van conservatoir beswijsbeslag ex artikel 1019b Rv op digitale bescheiden die zich op de laptop bevinden.

2.13.

Bij beschikking van 2 maart 2021 met zaaknummer C/01/368334 / BP RK 21/96

heeft de voorzieningenrechter dit verlof verleend.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiser] vordert samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van de laptop, merk Asus, type ZenBook, met nummer UX534FTC-AA0252T met de daarop aanwezige data aan [eiser] , op straffe van verbeurte van een dwangsom.

II. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten.

3.2.

[eiser] legt hieraan –kort weergegeven- het volgende ten grondslag.

Vijfeijken heeft de laptop zonder recht of toestemming meegenomen uit de woning van [eiser] . Door het wegnemen van de laptop uit de woning van [eiser] heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] . [eiser] is immers eigenaar van de laptop. Ook indien zou blijken dat [eiser] geen eigenaar zou zijn van de laptop maar dat de laptop “slechts” aan [eiser] in bruikleen is gegeven, heeft [gedaagde] nog niet het recht om de laptop weg te nemen bij [eiser] .

[eiser] heeft de laptop nodig voor het verrichten van zijn werkzaamheden. Op de laptop bevinden zich software en bestanden die daarvoor noodzakelijk zijn. Daarnaast bevindt zich op de laptop privégevoelige informatie van [eiser] . [gedaagde] weigert gevolg te geven aan de herhaalde verzoeken van de zijde van [eiser] om de laptop aan [eiser] te retourneren.

3.3.

[gedaagde] heeft als verweer –samengevat- het volgende aangevoerd.

[gedaagde] heeft de laptop aan [eiser] in bruikleen gegeven. Niet [eiser] maar [gedaagde] is dus de eigenaar van de laptop. Op de laptop bevindt zich vermoedelijk bewijs van het feit dat [eiser] weet en erkent dat [gedaagde] mede-rechthebbende is van het platform en mogelijk door een derde partij ( [C] ) is aangezet tot het ontkennen van deze rechten. [gedaagde] heeft er belang bij om zijn bewijspositie in de bodemprocedure veilig te stellen. Afgifte van de laptop aan [eiser] zal ertoe leiden dat de gegevens die voor die bewijspositie van [gedaagde] van belang zijn, worden weggemaakt door [eiser] . [gedaagde] betwist dat [eiser] de laptop nodig heeft om zijn werk te kunnen doen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert in reconventie samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. op grond van artikel 843a Rv inzage te mogen nemen in alle digitale bescheiden die zich bevinden op de laptop en die zien op:

a) de rechten van intellectuele eigendom ten aanzien van de software en/ of het platform;

b) de communicaties tussen [eiser] en [C] . over de rechten met betrekking tot het platform en/ of de daarbij behorende afspraken’

c) de gegeven licenties aan gebruiker(s) van het platform;

d) de opbrengsten verkregen met het platform;

e) de overige administratie met betrekking tot het platform voor zover die voor de aanspraken van [gedaagde] relevant is;

2. [eiser] te veroordelen om volledige medewerking te verlenen aan de door [gedaagde] te nemen inzage, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

3. [eiser] te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten.

4.2.

[gedaagde] legt hieraan -kort weergegeven- het volgende ten grondslag.

Op de laptop bevindt zich vermoedelijk bewijs van het feit dat [eiser] weet en erkent dat [gedaagde] mede-rechthebbende is van het platform en mogelijk door een derde partij ( [C] ) is aangezet tot het ontkennen van deze rechten. [gedaagde] wenst de digitale bescheiden in te zien om zijn positie in een te voeren bodemprocedure te kunnen bepalen.

4.3.

[eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Vooreerst is de vraag aan de orde of [eiser] een spoedeisend belang heeft bij het gevorderde. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het geval. [eiser] beweert immers dat sprake is van een inbreuk op zijn subjectieve rechten op de laptop en vraagt de voorzieningenrechter hieraan een einde te maken. Volgens vaste jurisprudentie wordt in een dergelijk geval het spoedeisend belang verondersteld aanwezig te zijn.

5.2.

[eiser] heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat [gedaagde] de laptop aan [eiser] moet retourneren omdat [eiser] eigenaar is van de laptop. [eiser] is er echter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij eigenaar is geworden van de laptop. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

5.3.

[gedaagde] heeft het eigenaarschap van [eiser] met betrekking tot de laptop gemotiveerd weersproken. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] de laptop van [gedaagde] in bruikleen gekregen en is [gedaagde] eigenaar van de laptop. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn stelling als productie 20 bij de dagvaarding een aankoopfactuur van de laptop overgelegd. De factuur is afkomstig van Bol.com en is gericht aan World Investments B.V, een vennootschap van [gedaagde] . [eiser] heeft niet weersproken dat [gedaagde] (via diens vennootschap) de laptop heeft gekocht (en in eigendom heeft verkregen) maar stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] de laptop aan [eiser] heeft gegeven ter verrekening van facturen die [eiser] aan [gedaagde] had doen toekomen en die [gedaagde] nog niet had betaald. [eiser] heeft echter nagelaten zijn stelling op dit punt nader feitelijk te onderbouwen. Zo heeft hij niet aangegeven ter verrekening van welke facturen [gedaagde] de laptop aan [eiser] zou hebben overgedragen, laat staan dat hij deze facturen als productie in het geding heeft gebracht. Voorshands is dan ook niet aannemelijk geworden dat [eiser] eigenaar is van de laptop.

5.4.

Het voorgaande neemt niet weg dat [gedaagde] , door de laptop zonder toestemming van [eiser] uit diens woning weg te nemen, eigenrichting heeft gepleegd en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] . Reeds gelet hierop zal [gedaagde] de laptop aan [eiser] moeten retourneren, hetgeen op grond van art. 6:103 BW als een passende vorm van schadevergoeding kan worden beschouwd. [gedaagde] zal daartoe dan ook worden veroordeeld. De vordering van [eiser] wordt toegewezen. In dit verband verwijst de voorzieningenrechter naar art. 3:125 lid 2 BW. Daaruit blijkt dat een bezitter afgifte van een goed kan verkrijgen van de eigenaar die de bezitter zijn bezit met geweld of op heimelijke wijze heeft ontnomen. Uit deze bepaling volgt dat eigenrichting niet kan worden geaccepteerd.

5.5.

Ook de ter versterking van de gevraagde veroordeling gevorderde dwangsom wordt toegewezen, met dien verstande dat deze dwangsom zal worden beperkt als na te melden.

5.6.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 106,01

- griffierecht 309,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.431,01.

5.7.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor de aanname dat aan de zijde van [gedaagde] sprake is van auteursrecht op het platform. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

6.2.

[A] heeft in haar verklaring van 19 februari 2021 –samengevat- aangegeven dat [gedaagde] en [eiser] enkele besprekingen met haar hebben gevoerd, te weten op 3 juli 2018, op 5 juni 2020 en op 12 juni 2020, waarbij het uitgangspunt van zowel [gedaagde] als [eiser] steeds was dat zij samen maker en auteursrechthebbende waren van de intellectuele eigendom met betrekking tot het platform (productie 26 bij het verzoekschrift bewijsbeslag). De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van deze verklaring. Overigens heeft [eiser] de juistheid van de inhoud van de verklaring van [A] ook niet betwist. De verklaring van [A] dat het gezamenlijke auteursrecht uitgangspunt was bij de besprekingen tussen partijen, wordt bovendien ondersteund door de producties 8, 14 en 16 bij het verzoekschrift bewijsbeslag.

6.3.

[eiser] heeft aangevoerd dat hij door [gedaagde] werd geïntimideerd en min of meer werd gedwongen om op een bespreking te komen waar hij [A] trof, alsmede dat hij vervolgens onder druk werd gezet om akkoord te gaan met de afspraak dat [gedaagde] mederechthebbende op de software zou zijn, dit alles terwijl hij onder de indruk was van een strafrechtelijke veroordeling van [gedaagde] , waarover het [plaats 2] Dagblad van 19 juli 2018 kopte. [eiser] heeft zijn stelling op dit punt echter niet aannemelijk gemaakt. Zo heeft hij geen stukken ingebracht die zijn stelling op dit punt zouden kunnen staven. Ook het betreffende krantenartikel heeft hij niet overgelegd.

6.4.

Aangenomen dat sprake is van enige vorm van auteursrecht op het platform aan de zijde van [gedaagde] , volgt de voorzieningenrechter [gedaagde] in beginsel in zijn standpunt dat tevens sprake is van een rechtmatig belang bij inzage van de digitale bescheiden op de laptop die [eiser] in gebruik had, teneinde [gedaagde] een bewijsmiddel te verschaffen in de bodemprocedure.

6.5.

In dit geding is echter niet aannemelijk geworden aan wie het recht op inzage toekomt. Immers, in voornoemde concept beheersovereenkomsten staat vermeld dat de natuurlijke persoon [gedaagde] zijn rechten zou overdragen/ inbrengen in een nog door [gedaagde] op te richten vennootschap (producties 14 en 16 bij het verzoekschrift bewijsbeslag). Onzeker is echter gebleven of deze vennootschap daadwerkelijk is opgericht. Daarmee is tevens onzeker gebleven of de overdracht/ inbreng van de rechten van [gedaagde] in de nieuwe vennootschap heeft plaatsgevonden en zo ja, in welke vennootschap dit is gebeurd. Voorstelbaar is dan ook dat niet [gedaagde] maar een vennootschap waaraan [gedaagde] de rechten heeft overgedragen, recht heeft op inzage. De vordering strekkende tot inzage in de relevante digitale bescheiden is echter alleen ingediend door [gedaagde] zelf. Daarnaast is onduidelijk jegens wie [gedaagde] of een van de aan hem gelieerde vennootschappen recht heeft op inzage. [gedaagde] heeft zijn vordering weliswaar ingesteld tegen [eiser] maar [eiser] is in ieder geval geen partij bij de concept overeenkomsten. [gedaagde] heeft niet uiteengezet waarom de vordering, strekkende tot inzage in de digitale bescheiden, desalniettemin behoorde te worden ingesteld tegen [eiser] .

6.6.

De slotsom is dat de reconventionele vordering van [gedaagde] moet worden afgewezen.

6.7.

[gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 508,00 aan salaris advocaat (factor 0,5 × tarief € 1.016,00).

7 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

7.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, de laptop, merk Asus, type ZenBook, met nummer UX534FTC-AA0252T met de daarop aanwezige data, af te geven aan [eiser] ;

7.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat hij niet aan de onder 7.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt;

7.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.431,01, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

7.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;

7.5.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.6.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

7.7.

wijst de vorderingen af;

7.8.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 508,00.

7.9.

verklaart dit vonnis met betrekking tot de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2021.