Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:1079

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
24-03-2021
Zaaknummer
20/913
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ambtenarenzaak. Ontslag verleend vanwege het bereiken van de AOW-leeftijd. Eiser is 9 juni 2018 (volledig) arbeidsongeschikt geraakt en herstel werd niet op korte termijn verwacht, terwijl hij binnen twee jaar zijn AOW- leeftijd zou bereiken. Eiser en zijn werkgever hebben daarom afspraken gemaakt over de beëindiging van zijn dienstverband. In overeenstemming met de toen geldende AOW-leeftijd is als ontslagdatum 3 mei 2020 benoemd. De afspraken zijn vastgelegd in een minnelijke regeling die door de werkgever in een besluit is bekrachtigd. Nadien wordt a.g.v. nieuwe wetgeving de AOW- leeftijd van eiser vervroegd naar 3 januari 2020. De werkgever besluit op 21 oktober 2019 om eiser per 3 januari 2020 ontslag te verlenen en zegt hiermee uitvoering te geven aan de minnelijke regeling. Eiser is het er niet mee eens; hij vindt dat als ontslagdatum 3 mei 2020 is afgesproken en dat de werkgever zich daaraan moet houden. De rechtbank is dat met eiser eens. De gewijzigde wetgeving kan vanwege de rechtszekerheid evenmin een argument zijn om de overeengekomen ontslagdatum aan te passen. Beroep gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het besluit van 21 oktober 2019 te herroepen. Daardoor herleeft de (oorspronkelijke) ontslagdatum van 3 mei 2020.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/913

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2021 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.H.O. Aben),

en

het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Werkbedrijf Atlant De Peel h.o.d.n. Senzer, Senzer

(gemachtigde: mr. M.T.J.H. Berns).

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft Senzer eiser met ingang van 3 januari 2020 eervol ontslag verleend vanwege het bereiken van de AOW-leeftijd.

Bij besluit van 18 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft Senzer het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Senzer heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Senzer heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door drs. [naam] .

Overwegingen

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar en beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

2.1.

Eiser was sinds 16 maart 1986 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) Senzer, laatstelijk in de functie van werkleider/operationeel leidinggevende. Sinds 9 juni 2018 heeft eiser wegens ziekte geen werkzaamheden meer verricht bij Senzer. Kort nadien stelde de bedrijfsarts van Senzer vast dat eiser volledig arbeidsongeschikt was en dat herstel op korte termijn niet te verwachten zou zijn. Eiser zou op dat moment per 3 mei 2020 zijn AOW-leeftijd bereiken. Over deze situatie hebben partijen overleg gevoerd. Dit heeft op 8 oktober 2018 geresulteerd in een tweetal voorstellen van Senzer aan eiser voor een minnelijke regeling die, kort gezegd, als volgt luiden:

I. eervol ontslag met ingang van 1 januari 2020 met toepassing van artikel 8:1 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) (eervol ontslag op verzoek), hersteldmelding, vrijstelling van werkzaamheden en volledige loondoorbetaling tot 1 januari 2020 (voorstel I);

II. eervol ontslag met ingang van 3 mei 2020 met toepassing van artikel 8:2, eerste lid, van de CAR/UWO (eervol ontslag met ingang van de AOW-leeftijd), vrijstelling van re-integratieverplichtingen en korting op de loondoorbetaling tot 3 mei 2020 (voorstel II).

2.2.

Op 10 oktober 2018 is voorstel II ondertekend door eiser en namens Senzer door [naam] , dit laatste onder voorbehoud van goedkeuring door het bevoegd gezag. Bij besluit van 11 oktober 2018 heeft het bevoegd gezag die goedkeuring verleend. In zowel het goedgekeurde voorstel II (hierna: minnelijke regeling) als het besluit staat: “Aan [eiser] wordt met ingang van 3 mei 2020 eervol ontslag verleend (…) met toepassing van artikel 8:2 lid 1 van de CAR/UWO.”

2.3.

Op 5 juli 2019 is de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd gepubliceerd1 en met ingang van 1 januari 2020 in werking getreden. Hierdoor bereikt eiser per 1 januari 2020 zijn AOW-leeftijd op 3 januari 2020.

2.4.

In een e-mailbericht van 9 september 2019 heeft Senzer eiser laten weten dat als gevolg van deze wetswijziging zijn aanstelling eindigt met ingang van 3 januari 2020. Hierna heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals genoemd in het procesverloop.

3. Partijen zijn het niet eens over hoe de tussen hen gesloten minnelijke regeling moet worden uitgelegd.

3.1.

Eiser vindt dat Senzer uitvoering moet geven aan de minnelijke regeling waarin is afgesproken dat zijn aanstelling op 3 mei 2020 eindigt. Volgens eiser is het doel van de minnelijke regeling primair om te voorkomen dat door beide partijen re-integratie-inspanningen moesten worden geleverd tot aan zijn op dat moment geldende AOW-leeftijd. Dat niet die datum leidend was volgt ook uit voorstel I waarin een andere einddatum is opgenomen. Daarnaast doet eiser een beroep op dwaling. Hij stelt dat Senzer hem erop had moeten wijzen dat er een risico bestond dat de einddatum kon wijzigen, omdat deze volgens Senzer gekoppeld was aan de pensioengerechtigde leeftijd. Ook vindt eiser dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid.

3.2.

Senzer stelt dat hij bevoegd was de wettelijke wijziging van de AOW-leeftijd te laten doorwerken in de met eiser gesloten minnelijke regeling. De intentie van beide partijen bij het sluiten van de minnelijke regeling was immers het maken van afspraken over de invulling van het dienstverband tot de datum waarop eiser de AOW-leeftijd zou bereiken. Daarnaast is in artikel 8:2, eerste lid, van de CAR/UWO ontslagverlening met ingang van de datum waarop de AOW-leeftijd wordt bereikt, dwingend voorgeschreven. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat dit artikellid ontslagverlening verplicht voorschrijft, verwijst Senzer naar rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad).2 Senzer vindt verder dat eiser zich niet op dwaling kan beroepen en dat zowel het primaire als het bestreden besluit deugdelijk zijn gemotiveerd.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Eiser en Senzer hebben in een minnelijke regeling afspraken neergelegd over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband van eiser. Volgens vaste rechtspraak van de Raad worden dergelijke afspraken aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan het bestuursorgaan toekomende ontslagbevoegdheid.3 Aan zo'n ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid. Dit kan onder meer anders zijn als sprake is van wilsgebreken of als zich zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat volledige nakoming van de afspraken niet (meer) in redelijkheid kan worden verlangd. Bij de uitleg van de ontslagregeling komt het niet uitsluitend aan op de bewoordingen van wat daarin is bepaald, maar ook op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.2.

In de in 2.2. weergegeven tekst van de minnelijke regeling staat zonder enig voorbehoud dat eiser ontslag wordt verleend per 3 mei 2020 op grond van artikel 8:2, eerste lid, van de CAR/UWO. Senzer heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat het, ondanks deze uitdrukkelijke bepaling, de bedoeling van partijen is geweest om zo nodig in afwijking van de genoemde datum het ontslag van eiser uiteindelijk in te laten gaan op de dan geldende AOW-leeftijd. De tekst van de minnelijke regeling biedt daarvoor geen aanknopingspunt. Eiser wijst er verder terecht op dat Senzer tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft erkend dat hij ervan op de hoogte was dat er op dat moment “in Den Haag” overleg werd gevoerd over een pensioenakkoord, maar dat daarmee bij het aangaan van de minnelijke regeling geen rekening is gehouden. Hieruit leidt de rechtbank af dat partijen bij het aangaan van de minnelijke regeling de datum van 3 mei 2020 ook daadwerkelijk als ontslagdatum voor ogen hebben gehad en dat die daarom ook tussen partijen is overeengekomen.

4.3.

Verder volgt de rechtbank Senzer niet in zijn betoog dat de in artikel 8:2, eerste lid, van de CAR/UWO thans aan uitvoering van het ontslag per 3 mei 2020 in de weg staat.

4.3.1.

In het onder 2.2. genoemde besluit van 11 oktober 2018 heeft Senzer reeds aan eiser ontslag verleend vanwege het bereiken van de AOW-leeftijd per 3 mei 2020. Senzer heeft nog betoogd dat van een ontslagbesluit geen sprake is, omdat het woord “hierbij” in genoemde passage ontbreekt. De rechtbank volgt Senzer daarin niet. Senzer heeft het besluit genomen om met de minnelijke regeling in te stemmen. In zowel de minnelijke regeling als het besluit van 11 oktober 2018 is mede de beslissing van Senzer neergelegd om eiser per 3 mei 2020 ontslag te verlenen. Die beslissing was op rechtsgevolg gericht – het beëindigen van het dienstverband – en daarmee een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Voor het intreden van dat rechtsgevolg was geen nader besluit nodig. Een eventueel te verstrekken akte van ontslag zou een herhaling van het ontslagbesluit van 11 oktober 2018 inhouden en slechts administratieve betekenis hebben.4 Dat zou slechts anders zijn als in de minnelijke regeling en in het besluit van 11 oktober 2018 zou zijn opgenomen dat Senzer nog een formeel ontslagbesluit aan eiser zou sturen.5 Die laatste situatie doet zich hier niet voor.

4.3.2.

Dit betekent dat reeds op 11 oktober 2018 een besluit is genomen over het beëindigen van eisers aanstelling en dat dit besluit vervolgens in rechte is komen vast te staan. Naar het toen geldende recht is op dat moment een juist besluit genomen. Het enkele feit dat nadien door een wetswijziging eisers AOW-leeftijd wijzigt, betekent niet dat een voorafgaande en in rechte vaststaande toepassing van dat artikel 8:2, eerste lid, van de CAR/UWO in overeenstemming met de nieuwe wettelijke regeling moet worden gebracht. Dergelijke verstrekkende gevolgen van wetswijzigingen zouden de rechtszekerheid te zeer aantasten.

4.4.

Tot slot is de vraag aan de orde of zich zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat volledige nakoming van de afspraken door Senzer niet (meer) in redelijkheid kan worden verlangd. De wijziging van de AOW-leeftijd per 1 januari 2020 is naar het oordeel van de rechtbank niet als zodanig aan te merken. Als aan deze wetswijziging de door Senzer gewenste betekenis wordt toegekend, betekent dit slechts dat de eerder door Senzer uit hoofde van de minnelijke regeling aangegane verplichtingen deels teniet worden gedaan en dat hij daar dus (financieel) voordeel van geniet. Het enkele mislopen van dit voordeel maakt niet dat volledige nakoming van de afspraken door Senzer niet (meer) in redelijkheid kan worden verlangd. Dat eiser bij het voortduren van zijn aanstelling tot 3 mei 2020 door de wijzing van de AOW-leeftijd (financieel) voordeel geniet, levert evenmin een hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheid op, omdat dit geen nadeel voor Senzer oplevert.

4.5.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat Senzer uitvoering moet (blijven) geven aan de tussen partijen overeengekomen minnelijke regeling en het daaruit voortvloeiende besluit van 11 oktober 2018 waarbij eiser per 3 mei 2020 ontslag is verleend op grond van artikel 8:2, eerste lid, van de CAR/UWO. Eisers beroepsgrond slaagt.

4.6.

Gelet op wat hiervoor is overwogen behoeven de overige beroepsgronden van eiser geen bespreking meer.

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Hierdoor herleeft de (oorspronkelijke) ontslagdatum van 3 mei 2020 zoals vastgesteld in het besluit van 11 oktober 2018. Senzer is als gevolg daarvan verplicht om eiser in de daarbij behorende (financiële) positie te brengen.

6. De rechtbank veroordeelt Senzer in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,– (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,– en een wegingsfactor 1). Ook moet Senzer het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt Senzer in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,–;

  • -

    draagt Senzer op het betaalde griffierecht van € 48,– aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van

drs. J.G.J. van Geesink, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 11 maart 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Stb. 2019, 246.

2 CRvB 24 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9368.

3 CRvB 13 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8812, en CRvB 19 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1830.

4 CRvB 18 oktober 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD6417.

5 CRvB 13 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2401.